Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:2313

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-05-2013
Datum publicatie
06-10-2016
Zaaknummer
HD 200.040.924-01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2010:BO5064
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2011:4282
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2013:5452
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:616
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:5300
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:2343
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:4402
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

letselschade

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200 040 924/01

arrest van 14 mei 2013

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven,

tegen:

de naamloze vennootschap LONDON VERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 16 november 2010 en 20 september 2011 in het hoger beroep van het door de rechtbank Roermond onder nummer 80773/HA ZA 07-529 gewezen vonnis van 15 oktober 2008.

10 Het tussenarrest van 20 september 2011

Bij genoemd arrest is een deskundigenonderzoek gelast en is iedere verdere beslissing aangehouden.

11 Het verdere verloop van de procedure

11.1.

De door het hof benoemde psychiater, drs. J.L.M. Schoutrop (hierna: Schoutrop), heeft op 2 juli 2012 zijn definitieve rapport uitgebracht.

11.2.

[appellant] heeft onder overlegging van een productie een memorie na deskundigenbericht genomen. London heeft een antwoord memorie na deskundigenbericht genomen en daarbij drie, niet als zodanig genummerd, producties overgelegd.

11.3.

Vervolgens hebben partijen de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

12 De verdere beoordeling

het deskundigenbericht

12.1.1.

In zijn rapport schrijft Schoutrop in de paragraaf ‘Werkwijze’ dat hij [appellant] op 16 december 2011 anamnestisch en psychiatrisch heeft onderzocht. Schoutrop vermeldt dat hij heeft getracht informatie te verkrijgen over eerdere psychiatrische behandelingen van [appellant] bij het Vincent van Gogh Instituut, dat dit ondanks verschillende pogingen niet is gelukt en dat is meegedeeld dat het dossier van [appellant] is zoek geraakt.

Schoutrop meldt dat hij het concept rapport in het kader van het blokkerings- en correctierecht naar [appellant] heeft verzonden en dat de advocaat van [appellant] heeft meegedeeld dat [appellant] daarvan geen gebruik maakt. Vervolgens is het concept rapport naar beide partijen verzonden en zijn - de advocaten van - partijen in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken. Naar het hof begrijpt, heeft de advocaat van London de deskundige laten weten geen opmerkingen te hebben, de advocaat van [appellant] heeft bij brief van 11 juni 2012 een aantal vragen gesteld en opmerkingen gemaakt. Deze brief is als bijlage I bij het rapport gevoegd tezamen met de reactie van de deskundige daarop.

Aldus voldoet het rapport aan de eisen van artikel 198 Rv.

12.1.2.

Het rapport bevat vervolgens een paragraaf ‘Medisch dossier’ met een samenvatting van de deskundige van de relevante medische informatie, een paragraaf met de ‘Anamnese’, een paragraaf met een ‘Somatische anamnese, een paragraaf met ‘Overwegingen en conclusies’, waarna het rapport afsluit met de beantwoording van de vraagstelling, waaronder ook het ‘Disclosure statement’.

12.1.3.

In de ‘Overwegingen en conclusies schrijft de deskundige, voor zover van belang, dat het ter beschikking staand medisch dossier fragmentarisch is en dat er vreemd genoeg nauwelijks informatie is over de behandeling bij GGZ instelling Vincent van Gogh, die (zeer waarschijnlijk) plaatsvond in de periode 2002-2005 (of misschien zelfs wel tot 2007). Ook over de heraanmelding daar in verband met psychische klachten in 2009 is er geen informatie, buiten de anamnese van betrokkene zelf. Schoutrop maakt melding van de recente psychiatrische rapportage van Pasmans en het commentaar van [deskundige aan de zijde van London] daarop. Schoutrop relateert dat beide psychiaters het niet met elkaar eens zijn en tekent daarbij aan dat [deskundige aan de zijde van London] in zijn commentaar tot uitspraken komt terwijl hij betrokkene niet heeft onderzocht, hetgeen onjuist is volgens Schoutrop.

12.1.4.

Schoutrop meldt dat er volgens de neurologische expertise van Van den Doel uit 2005 sprake is van een post whiplashsyndroom na cervicaal trauma, dat de nekklachten en daaruit voortvloeiende problemen met het concentratievermogen volgens Van den Doel ongevalsgevolg zijn en dat volgens laatstgenoemde de ernstige klachten die betrokkene ervaart door meer oorzaken worden bepaald, waarbij volgens Van den Doel sprake is van een depressief toestandsbeeld. Volgens Schoutrop kunnen de pijnklachten en bewegingsbeperkingen van de nek/schoudergordel worden verklaard vanuit de diagnose WAD en als er in die tijd sprake was van een depressie, hetgeen waarschijnlijk is op grond van de anamnese en de andere gegevens uit het dossier, dan lijkt hem dat een voor de hand liggende verklaring voor de geconstateerde concentratiestoornissen van betrokkene ten tijde van het onderzoek in 2005. Schoutrop acht het onwaarschijnlijk dat de door betrokkene na het ongeval aangegeven cognitieve klachten voortkomen uit cerebraal letsel ten gevolge van het ongeval aangezien er nooit is aangetoond dat bij het ongeval in 1994 sprake was van een schedel/hersenletsel. Als er sprake zou zijn geweest van de door betrokkene nu aangegeven cognitieve stoornissen ten gevolge van het ongeval, dan zouden deze zeer snel na het ongeval moeten zijn ontstaan, terwijl er in eerste instantie alleen is gesproken over pijn- en vermoeidheidsklachten. De in het verleden verrichte neuropsychologische onderzoeken vindt Schoutrop niet overtuigend, terwijl de klachten die betrokkene nu noemt anders zijn. De thans door [appellant] aangegeven cognitieve klachten heeft hij tijdens hun ontmoeting niet kunnen objectiveren: Schoutrop heeft geen symptomen kunnen vaststellen die wijzen op cognitieve problematiek.

12.1.5.

Wat zijn eigen expertise betreft, concludeert Schoutrop dat hij na anamnese en onderzoek geen diagnose op zijn vakgebied heeft kunnen stellen en dat er bij zijn onderzoek geen overtuigende argumenten zijn gevonden die wijzen op een As I stoornis, met name waren er geen symptomen of klachten die wezen op een depressieve stoornis of een angststoornis. Differentiaal diagnostisch moet er ook worden gedacht aan een somatoforme stoornis, maar daarvoor vindt de deskundige tijdens psychiatrisch onderzoek onvoldoende argumenten. De klachten van [appellant] zijn voor het grootste deel verklaarbaar vanuit de vastgestelde WAD en de wijze waarop [appellant] daarmee omgaat, aldus Schoutrop.

Het is duidelijk dat [appellant] klachten heeft en op grond van zijn klachten en de wijze waarop hij daarmee omgaat beperkingen in zijn leven ervaart, welke klachten naar de mening van de deskundige voor een (groot) deel passen binnen de diagnose WAD.

Er is sprake van een neiging tot somatisatie en regressie, er is ook sprake van attributie: toeschrijven van nieuw optredende klachten aan het ongeval.

Volgens Schoutrop is er geen sprake van een persoonlijkheidsstoornis in de zin van de DSM-IV. Voor het ongeval heeft [appellant] sociaal en maatschappelijk goed gefunctioneerd. De wijze waarop hij omgaat met zijn lichamelijke problemen (de WAD), in combinatie met de druk in de gezinssituatie, leidde ertoe dat hij gebruik maakt van een aantal passieve copingmechanismen zoals vermijding, somatisatie, regressie. In feite functioneert hij binnen de context van zijn gezin redelijk en kan hij de zorg en de verantwoordelijkheid van de gebeurtenissen daarbinnen redelijk aan. Er is dus wel een aantal karakteristieke persoonlijkheidskenmerken die het huidige functioneren in de hand werken, maar er zijn onvoldoende gronden om te spreken van een persoonlijkheidsstoornis.

Dit sluit niet uit dat er in het verleden wel sprake is geweest van psychiatrische problematiek, aldus Schoutrop. De eerste jaren na het ongeval is daarvan geen sprake geweest; de eerste aanwijzingen dat er psychische problematiek was, zijn te vinden in de aantekeningen van de huisarts uit 2000 en andere stukken in het dossier bevestigen dit, terwijl [appellant] zelf ook aangeeft dat pas in die periode de psychische klachten zijn ontstaan. Schoutrop acht het waarschijnlijk dat er in het verleden sprake is geweest van een depressieve stoornis, geluxeerd door de problemen van [appellant] van dat moment. Het ontstaan van de psychische klachten had zeer waarschijnlijk te maken met de overbelaste thuissituatie, naast de financiële problemen die waren ontstaan door het stoppen van de uitkering door het GAK en de weigering van de verzekeraar om door te gaan met het verlenen van voorschotten, aldus Schoutrop.

Aan het slot van deze paragraaf vermeldt Schoutrop dat het onderzoek betrouwbaar is verlopen, dat het verhaal van [appellant] overeenstemt met de gegevens uit het dossier, dat hij [appellant] niet heeft kunnen betrappen op tegenstrijdigheden of onwaarheden. [appellant] is oprecht overtuigd van zijn verhaal en om die reden acht Schoutrop een nagebootste stoornis of simulatie onwaarschijnlijk.

12.1.6.

Bij de beantwoording van de vraagstelling verwijst Schoutrop veelal naar de daaraan voorafgaande paragraven van zijn rapport. Hierna worden de hiervoor nog niet besproken antwoorden weergegeven, waarbij de vragen tussen haakjes en cursief worden vermeld.

De situatie met ongeval

(g. Welke beperkingen op uw vakgebied bestaan naar uw oordeel bij de onderzochte in zijn huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het ongeval?)

Antwoord:

Omdat ik geen diagnose op mijn vakgebied heb kunnen stellen, kan ik geen beperkingen ten gevolge van een stoornis op mijn vakgebied vaststellen.

(i. Acht u de huidige toestand van onderzochte zodanig dat een beoordeling van de blijvende gevolgen van het ongeval mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde letsel?)

Antwoord:

Mijn inziens is sprake van een eindtoestand. Betrokkene heeft zich geïdentificeerd met zijn rol als whiplash slachtoffer en heeft zijn leven er naar ingericht.

(j. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?)

Antwoord:

Ik verwacht geen verbetering of verslechtering van de door betrokkene ervaren klachten en de daaruit voortvloeiende beperkingen.

De situatie zonder ongeval

(a. Bestonden voor het ongeval bij onderzochte reeds klachten en afwijkingen op uw vakgebied die onderzochte thans nog steeds heeft?)

Antwoord:

Voor het ongeval in 1994 had betrokkene geen klachten en afwijkingen op mijn vakgebied.

(c. Zijn er daarnaast op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, als het ongeval onderzochte niet was overkomen?)

Antwoord:

Zoals eerder beschreven heeft betrokkene een klachtenpatroon ontwikkeld dat past bij de gestelde diagnose WAD. Deze stoornis dient te worden beschouwd als een gevolg van een ongeval in 1994 (zie de rapportage van neuroloog Van den Doel).

12.1.7.

Zoals hiervoor vermeld, is aan het rapport een bijlage gehecht, met de reactie van Schoutrop op de door de medisch adviseur van [appellant] gestelde vragen.

Op de vraag van de medisch adviseur of hij kan aangeven of het ongeval weggedacht al dan niet de kans bestond dat [appellant] ook psychiatrische decompensatie verschijnselen zou hebben vertoond, antwoordt Schoutrop als volgt:

“Ik ben bij mijn onderzoek tot de conclusie gekomen dat er op het moment dat ik betrokkene onderzocht geen sprake was van een psychiatrische stoornis. Er is in het verleden rond 2000 wel sprake geweest van problematiek op mijn vakgebied. Zoals ik in mijn rapport aangeef, acht ik het waarschijnlijk dat deze problematiek is geluxeerd door de problemen die betrokkene op dat moment in zijn leven tegenkwam. Deze problemen waren een uitvloeisel van het ongeval, dat geruime tijd daarvoor (1994) heeft plaatsgevonden. Het is dus duidelijk dat de psychiatrische problemen geen direct gevolg zijn van het ongeval. Hoogstens kan worden betoogd dat er een relatie is tussen de klachten en het ongeval: een laat, indirect gevolg. Zonder ongeval zou het leven van betrokkene waarschijnlijk anders zijn verlopen. De vraag of betrokkene ooit klachten op mijn vakgebied zou hebben gekregen als het ongeval niet had plaatsgevonden, is mijn inziens zeer speculatief en nauwelijks te beantwoorden.”

de reactie van partijen naar aanleiding van het deskundigenrapport

12.2.

Naar de mening van [appellant] bevestigt het rapport van Schoutrop de bevindingen van psychiater Pasmans. Evenals Pasmans in 2009 stelt Schoutrop volgens [appellant] dat ten tijde van het onderzoek geen psychiatrische ziekte wordt aangetoond, maar dat de in het verleden bestaande psychiatrische problematiek, die na het ongeval is ontstaan, in relatie gebracht kan worden met het ongeval. [appellant] verwijst in zijn memorie na deskundigenbericht voorts naar een door hem overgelegde brief van zijn medisch adviseur van 2 augustus 2012. Kort weergegeven concludeerde de medisch adviseur daarin dat niet anders kan worden vastgesteld dan dat de psychische klachten van [appellant] in causaal verband staan met het ongeval; zonder ongeval zou [appellant] de thans in het geding zijnde medische klachten en beperkingen niet hebben gehad, zo kan uit de expliciete beantwoording door de deskundige van de IWMD-vraagstelling (zie vraag 2) worden geconcludeerd. Verwezen wordt naar de verslaglegging van de verzekeringsartsen en de arbeidsdeskundigen van het UWV, waaruit blijkt dat de mate van arbeidsongeschiktheid op 14 september 2005 80-100%, bedroeg, waarbij de ernstige psychische decompensatie in 2002 een doorslaggevende rol heeft gespeeld. Ook is verwezen naar het nadien uitgevoerde arbeidsdeskundig onderzoek door mevr. J.E.W.M. de Bonth van 16 juni 2009, waarin is geconcludeerd dat [appellant] niet in staat is om te functioneren in een reguliere baan op de vrije arbeidsmarkt, noch parttime noch fulltime, omdat het ontstaan van druk onvermijdelijk is indien [appellant] in een reguliere arbeidsituatie zou worden geplaatst en hij daartegen niet meer bestand is.

[appellant] concludeert dan ook dat hij zonder ongeval de medische klachten en beperkingen niet zou hebben gehad en dat zijn arbeidsongeschiktheid daar wel degelijk uit is voortgevloeid.

12.3.

London stelt in haar memorie na deskundigenbericht, kort samengevat, dat bij gebreke van informatie van de behandelend sector noch de gestelde psychische klachten noch het conditio sine qua non-verband tussen die psychische klachten en het ongeval zijn komen vast te staan en dat zolang dit laatste niet is vastgesteld de klachten niet aan het ongeval kunnen worden toegerekend. Het was het doel van de psychiatrische expertise om vast te stellen of er naast de bevindingen van Van den Doel psychiatrische problematiek kon worden vastgesteld.

Schoutrop denkt wel dat in het verleden sprake is geweest van psychiatrische problematiek, maar het is volgens London volstrekt onduidelijk waarop deze conclusie is gebaseerd. Volgens Schoutrop had het ontstaan van psychische klachten in die periode zeer waarschijnlijk te maken met de overbelaste thuissituatie naast financiële problemen met het Gak, maar volgens London had de crisissituatie in 2002 daarmee niets van doen, omdat al in maart 2002 aan [appellant] een hogere uitkering dan voorheen was toegekend. Aldus resteert volgens London als zeer waarschijnlijke oorzaak voor de psychische klachten de overbelaste thuissituatie van [appellant] .

Het rapport van Schoutrop biedt volgens London geen steun voor toewijzing van de vorderingen van [appellant] . Schoutrop heeft ten tijde van zijn onderzoek geen psychiatrische stoornis vastgesteld en heeft evenmin cognitieve stoornissen vastgesteld, terwijl Schoutrop voor de gevolgen van het ongeval aansluit bij de rapportage van Van den Doel. London betwist uitdrukkelijk dat [appellant] arbeidsongeschikt is te achten; op grond van de door Van den Doel vastgestelde beperkingen moet [appellant] in staat worden geacht hele dagen te werken, ook met de computer.

London stelt ten slotte dat in het voor [appellant] gunstigste geval moet worden aangenomen dat zijn psychische klachten in de loop van 2005 zijn geweken. Uit niets blijkt dat er toen daadwerkelijk concrete belemmeringen waren om weer aan het werk te gaan.

het oordeel van het hof naar aanleiding van het deskundigenrapport

12.4.1.

Het hof is van oordeel dat het rapport van Schoutrop duidelijk en consistent is. Het hof neemt – in beginsel - zijn bevindingen en conclusies over en maakt die tot de zijne.

London heeft opgemerkt dat de beantwoording door Schoutrop van de vraag van (de medisch adviseur van) [appellant] zoals neergelegd in bijlage I bij het rapport buiten beschouwing moet worden gelaten, omdat de advocaat van [appellant] geen kopie van zijn brief aan London had verzonden. Het hof volgt London daarin niet. Zoals voorgeschreven heeft Schoutrop beide partijen in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en daar is de genoemde brief een uitvloeisel van. London heeft de gelegenheid gehad voor een reactie daarop in de memorie na deskundigenbericht. Voor zover nodig wordt hierna op de verdere bezwaren van London ingegaan.

12.4.2.

Aan de hand van dit deskundigenonderzoek moet worden beoordeeld of de schade die bij [appellant] is ontstaan na 1 september 2000 aan het ongeval kan worden toegerekend, meer in het bijzonder of de bij [appellant] ontstane psychische klachten aan het ongeval uit 1994 kunnen worden toegerekend. Het hof verwijst naar en persisteert bij zijn oordeel in rechtsoverwegingen 8.2 t/m 8.4 van het tussenarrest van 20 september 2011.

12.4.3.

Uit het rapport van Schoutrop blijkt dat [appellant] op het moment van onderzoek niet leed aan een psychiatrische stoornis. Ten aanzien van de eerdere psychiatrische klachten schrijft Schoutrop dat het moeilijk is voor de belangrijke periode 2000-2005 een duidelijk beeld te vormen, omdat het medisch dossier op dit punt onvolledig is en er nauwelijks informatie is over de behandeling van [appellant] bij het Vincent van Gogh Instituut. De informatie die er is, is gebaseerd op het verhaal van [appellant] zelf, aldus Schoutrop.

Het hof wil desondanks met Schoutrop aannemen dat er in het verleden bij [appellant] sprake is geweest van psychiatrische problematiek en dat er waarschijnlijk sprake is geweest van een depressieve stoornis. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat volgens Schoutrop de informatie die door [appellant] tijdens het onderzoek is gegeven consistent is met de informatie uit het medisch dossier, voor zover aanwezig, en dat Schoutrop geen onwaarheden of onjuistheden heeft gesignaleerd. Voorts blijkt uit de stukken van het GAK/UWV dat [appellant] mede vanwege psychische problemen arbeidsongeschikt is verklaard. Over de oorzaak en de ernst van de klachten en de duur en wijze van behandeling van deze problemen is echter niets komen vast te staan nu het complete dossier van [appellant] bij het Vincent van Gogh Instituut zoek blijkt te zijn geraakt. Dit gebrek aan informatie komt voor rekening en risico van [appellant] .

12.4.4.

De vraag is of de psychiatrische klachten van [appellant] , die zich hebben voorgedaan in de periode 2000-2005, aan het ongeval kunnen worden toegerekend.

Het hof volgt London niet in haar standpunt dat de crisissituatie eind 2002 niets met het stopzetten van de uitkering van doen heeft. London merkt weliswaar terecht op, dat aan [appellant] in maart 2002 door het UWV met terugwerkende kracht alsnog een uitkering is toegekend, maar dat neemt niet weg dat door de problemen met de uitkeringsinstantie zich gedurende een groot aantal maanden ernstige financiële problemen binnen het gezin van [appellant] hebben voorgedaan, nu immers ook London in die periode geen voorschotten heeft betaald. Daarbij komt dat er reeds in 2000 klachten op psychisch gebied bij [appellant] zijn ontstaan, zodat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zijn spankracht in die periode reeds was afgenomen. Het ligt derhalve voor de hand, anders dan London betoogt, dat moeilijkheden van financiële aard, die het gevolg zijn van het ongeval, en de frustratie die deze bij [appellant] teweeg brachten, later tot psychische problemen bij [appellant] hebben geleid.

12.4.5.

Door het ontbreken van medische informatie van de behandelend sector over de achtergrond c.q. oorzaken van de psychiatrische problematiek van [appellant] in de periode 2000-2005 wordt de beantwoording van de vraag of de klachten van [appellant] aan het ongeval moeten worden toegeschreven sterk bemoeilijkt. Schoutrop concludeert in zijn rapport dat het ontstaan van de psychische klachten zeer waarschijnlijk te maken had met de overbelaste thuissituatie, naast de financiële problemen die waren ontstaan door het stoppen van de uitkering door het GAK en de weigering van London om door te gaan met het verlenen van voorschotten. Bij gebreke van medische informatie van de behandelend sector lijkt deze conclusie vooral te zijn gebaseerd op de anamnese van [appellant] . Het hof merkt op dat een en ander ook is vermeld in de anamnese die is opgenomen in het medisch onderzoeksverslag van het UWV van 18 maart 2003.

12.4.6.

Het hof betrekt in zijn oordeel ook de reactie van Schoutrop op de vraag van de medisch adviseur van [appellant] , weergegeven hiervoor onder 12.1.7. Uit het antwoord van Schoutrop begrijpt het hof dat deze van oordeel is dat de psychiatrische problemen niet rechtstreeks uit het ongeval zijn voortgevloeid, maar wel een indirect gevolg daarvan zijn.

12.5.1.

Het hof stelt voorop dat uit het rapport van Schoutrop blijkt dat [appellant] vóór het ongeval geen klachten of afwijkingen had op psychiatrisch gebied. Ook zijn er geen aanwijzingen dat hij vóór het ongeval kampte met psychische problemen. Weliswaar heeft London aangevoerd dat [appellant] in 1984 en 1986 last had van buikklachten en in 1992 last had van hoesten en moeheid en dat het een feit van algemene bekendheid is dat genoemde klachten heel gemakkelijk psychosomatisch kunnen worden geduid, maar het hof volgt London daarin niet, omdat die stellingen veel te vaag en niet gefundeerd zijn. Evenmin is gebleken van bijzondere gebeurtenissen in het leven van [appellant] – afgezien van het ongeval – welke psychische problemen bij hem teweeg gebracht kunnen hebben. Weliswaar is sprake van een uitzonderlijke gezinssituatie, maar er zijn geen concrete aanwijzingen voor de veronderstelling dat die enkele omstandigheid tot uitval van [appellant] zou hebben geleid. Integendeel, Schoutrop wijst er juist op dat [appellant] in de context van zijn gezin redelijk functioneert en de zorg en verantwoordelijkheid van de gebeurtenissen daarbinnen redelijk aankan (zie 12.1.5). London heeft wel het overlijden van Korporaals vader of schoonvader en een ongeval van een zoon genoemd, maar [appellant] heeft weersproken dat die gebeurtenissen de hier bedoelde invloed hebben gehad en London heeft een en ander noch in tijd noch wat betreft de impact ervan geconcretiseerd. Wat de depressie heeft veroorzaakt is thans niet met zekerheid vast te stellen. Volgens Schoutrop is de vraag of [appellant] ooit psychiatrische klachten zou hebben ontwikkeld als het ongeval niet had plaatsgevonden zeer speculatief en nauwelijks te beantwoorden. Uit het rapport blijkt voorts dat [appellant] een aantal persoonlijkheidskenmerken heeft die meebrengen dat hij gebruik maakt van copingmechanismen als vermijding, somatisatie en regressie. Het hof komt op grond van een en ander tot de conclusie dat diverse omstandigheden bij het ontstaan van de depressieve klachten een rol moeten hebben gespeeld, en dat een onderdeel daarvan het ongeval en de nasleep daarvan vormt. Nu hier sprake is geweest van overtreding van een verkeersnorm door de verzekerde van London, waarbij een ruime toerekening van schadelijke gevolgen aan de normschending plaatsvindt, is het hof van oordeel dat een rechtens relevant verband bestaat tussen de psychiatrische problematiek van [appellant] en het ongeval. Uitgangspunt is immers dat de gevolgen van een persoonlijke predispositie van het slachtoffer, zoals een wijze van omgang met klachten, beperkingen en tegenslagen, als gevolg van de onrechtmatige daad aan de dader moeten worden toegerekend, ook al zijn die gevolgen door de predispositie ernstiger en langer van duur dan in de normale lijn der verwachtingen ligt (HR 8 februari 1985, NJ 1985, 137). Het hof verwijst voorts naar hetgeen het daarover heeft overwogen in het tussenarrest van 16 november 2010, rechtsoverweging 4.9.

12.5.2.

Uit het rapport van Schoutrop blijkt dat [appellant] is hersteld van de depressie en dat van psychiatrische klachten thans geen sprake meer is. Toch heeft [appellant] na dat herstel geen betaalde arbeid meer verricht. [appellant] ontvangt sinds eind 2002 een uitkering op basis van de arbeidsongeschiktheidsklasse 80-100%. Aan de arbeidsongeschiktheid liggen nekklachten, concentratiestoornissen en psychische problematiek ten grondslag. London betwist dat sprake is van beperkingen van [appellant] die tot volledige arbeidsongeschiktheid zouden kunnen leiden en dat er (nog steeds) oorzakelijk verband bestaat tussen de arbeidsongeschiktheid van [appellant] en het ongeval.

12.5.3.

Ondanks de betwisting van London gaat het hof er op grond van de UWV rapporten van uit dat [appellant] feitelijk volledig arbeidsongeschikt is. Onderzocht moet echter worden of sprake is van causaal verband met het ongeval. Van den Doel spreekt in zijn rapport van door [appellant] ervaren ernstige klachten, welke volgens hem door meerdere oorzaken zijn bepaald. Het enkele feit dat het hof in het tussenarrest van 16 november 2010 heeft geoordeeld dat de rapporten van Pasmans en De Bonth onvoldoende bewijs opleveren voor de stellingen van [appellant] omdat het partijrapporten zijn, betekent niet dat aan die rapporten geen enkele bewijs kan worden ontleend. Het hof leest in het rapport van Pasmans dat deze een zeer beperkte psychische draagkracht van [appellant] heeft vastgesteld. Hij ervaart druk, ongewone dingen al snel als een belasting en de ervaring van zijn periode van depressiviteit en overspannenheid heeft ertoe geleid dat hij nu zeer waakzaam is en oppast voor overbelasting. Ook De Bonth heeft van [appellant] gehoord dat hij angstig is voor overbelasting. [appellant] legde dat uit met de verklaring dat hij dit eens heeft meegemaakt en nooit meer wenst mee te maken. Hij vertelde dat hij nerveus wordt als er druk op hem wordt gelegd. Hij wil voorkomen dat hij uit zijn fragiel evenwicht raakt. Het hof hecht waarde aan deze onderdelen van de rapporten van Pasmans en De Bonth , die zijn gebaseerd op hun gesprekken met [appellant] , en trekt uit hetgeen hiervoor is opgesomd de conclusie dat de psychische belastbaarheid van [appellant] sterk is afgenomen als gevolg van de periode van depressiviteit, in samenhang met zijn aard en aanleg. Hetgeen het hof heeft overwogen over de relatie tussen het ongeval en de depressieve klachten strekt zich ook uit tot dit later ingetreden gevolg. Het hof verwijst kortheidshalve naar rechtsoverweging 12.5.1. Het hof is van oordeel dat de arbeidsongeschiktheid van [appellant] dient te worden toegerekend aan de veroorzaker van het ongeval.

12.5.4.

Voor zover London zich erop beroept dat [appellant] heeft gehandeld in strijd met zijn schadebeperkingsplicht verwerpt het hof die stelling. [appellant] heeft zich immers onder psychiatrische behandeling gesteld, met het resultaat dat hij van zijn depressie is genezen. Niet is gesteld of gebleken dat hij meer had kunnen doen om zijn herstel te bevorderen.

12.6.

Bij de begroting van de door [appellant] geleden schade dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de situatie met ongeval en de hypothetische situatie zonder ongeval. Het hof dient te beoordelen of de persoonlijkheidsstructuur van [appellant] in combinatie met zijn gezinssituatie ertoe zou hebben geleid dat hij ook zonder ongeval arbeidsongeschikt zou zijn geworden. Vereist is daarvoor dat de psychische predispositie van [appellant] , zelfstandig, dat wil zeggen zonder ongeval, tot inkomstenderving zou hebben geleid. Het hof is van oordeel dat de omschreven situatie van [appellant] is te beschouwen als een predispositie die tot gevolg heeft dat de gevolgen van het ongeval voor hem ernstiger zijn dan normaal, maar dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat [appellant] ook zou zijn uitgevallen voor zijn werk als het ongeval hem niet was overkomen. London heeft daartoe onvoldoende gesteld en in de in het geding zijnde rapporten is daarvoor geen steun te vinden.

de verdere afwikkeling

12.7

Het debat in hoger beroep heeft zich tot nu toe beperkt tot de aansprakelijkheidsvraag.

Deze vraag is nu beantwoord, in die zin dat London voor de schade van [appellant] aansprakelijk is. Het hof stelt partijen in de gelegenheid hun – in eerste aanleg ingenomen - standpunten over de omvang van de geleden schade aan te passen aan de hiervoor door het hof geformuleerde uitgangspunten en te onderbouwen met schriftelijke bescheiden. Mogelijk dat nu op een belangrijk geschilpunt is beslist partijen in staat zijn hun geschil op grond van deze beslissing alsnog in onderling overleg te regelen.

De zaak wordt verwezen naar de rol van 11 juni 2013 voor een memorie na tussenarrest aan de zijde van [appellant] .

12.8.

In afwachting daarvan wordt iedere verdere beoordeling aangehouden.

13 De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 11 juni 2013 voor een memorie na tussenarrest aan de zijde van [appellant] met het doel als omschreven in r.o. 12.7;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.M.A. de Groot-van Dijken, P.M. Huijbers-Koopman en H.A.W. Vermeulen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 mei 2013.

griffier rolraadsheer