Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:2289

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-05-2013
Datum publicatie
01-07-2013
Zaaknummer
HV 200.123.445-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

'Een ondertoezichtstelling van een minderjarige is een ultimum remedium. Een ondertoezichtstelling dient pas aan de orde te komen als de bedreiging van een kind niet op een minder ingrijpende wijze kan worden weggenomen. Het hof stelt vast dat de moeder in staat is gebleken om de basale verzorging van de kinderen te waarborgen. Het hof stelt vast dat er wél zorgen over met name de (sociaal-emotionele) ontwikkeling van de kinderen bestaan. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep volgt echter dat de moeder hiervoor zelf verschillende vormen van hulpverlening binnen het vrijwillige kader heeft ingeschakeld. Daar komt bij dat de moeder ter zitting van het hof bij herhaling heeft verklaard open te staan voor hulpverlening en dat zij hieraan haar medewerking zal verlenen. Nu de moeder zelf de weg naar hulpverlening goed weet te vinden c.q. deze hulpverlening goed weet te benutten is een ondertoezichtstelling niet aangewezen. Voorts sluit het hof niet uit dat de problemen met de sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen mede worden veroorzaakt door hun illegale verblijf in Nederland en de daarmee samenhangende onzekere woon- en inkomenssituatie van het gezin. Een ondertoezichtstelling van de kinderen neemt deze illegaliteit en onzekerheid echter niet weg, zodat ook om die reden een ondertoezichtstelling van de kinderen geen toegevoegde waarde heeft.'

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 30 mei 2013

Zaaknummer : HV 200.123.445/01

Zaaknummer eerste aanleg : 256133 / JE RK 12-2108MZ01

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te[woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. K.L.M. Kremer,

tegen

de

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Noord en Zuidoost-Brabant, locatie 's-Hertogenbosch,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 20 december 2012, welke op schrift is gesteld op 24 december 2012.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 5 maart 2013, heeft de moeder verzocht, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair: voormelde beschikking te vernietigen en het verzoek tot ondertoezichtstelling van de kinderen alsnog af te wijzen;

subsidiair: de kinderen onder toezicht te stellen van stichting Nidos.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 3 april 2013, heeft de stichting verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 mei 2013. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Kremer;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door mevrouw E.A.P. van den Dam;

  • -

    Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant (hierna te noemen: de stichting), vertegenwoordigd door mevrouw C. Schoon, mevrouw K.A.C. Ackermans en de heer B. van den Heuvel.

De moeder is tevens bijgestaan door mevrouw A. Koulikova, tolk in de Russische taal.

2.3.2.

Het hof heeft de hierna te noemen minderjarige [zoon] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan gebruik gemaakt en is voorafgaand aan de mondelinge behandeling ter zitting buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van dit verhoor zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 20 december 2012;

  • -

    de brief met bijlagen van de stichting d.d. 22 maart 2013;

  • -

    de brief van de raad d.d. 3 april 2013;

  • -

    de brief met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 22 april 2013;

  • -

    het faxbericht met bijlagen van de stichting d.d. 6 mei 2013.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de heer R. Magamedav (hierna: de vader) zijn geboren:

  • -

    [zoon] (hierna: [zoon]), op [geboortedag] 1997 te [geboorteplaats] (Rusland),

  • -

    [dochter 1.] (hierna: [dochter 1.]), op [geboortedag] 2002 te [geboorteplaats],

  • -

    [dochter 2.] (hierna: [dochter 2.]), op [geboortedag] 2003 te [geboorteplaats].

De moeder en de vader oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [zoon] uit.

De moeder oefent van rechtswege het gezag over [dochter 1.] en [dochter 2.] uit.

3.2.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking, heeft de rechtbank [zoon], [dochter 1.] en [dochter 2.] onder toezicht gesteld van de stichting voor de duur van één jaar.

3.3.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4.

De moeder voert in het beroepschrift - samengevat - het volgende aan. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat er grote zorgen zijn over de opvoedingssituatie en de draagkracht van de moeder. De moeder stelt daartoe dat er in de afgelopen periode veel binnen het gezin is veranderd. Er is weliswaar nog steeds sprake van een onzekere situatie, maar deze situatie is wel stabiel. De moeder heeft een stabiel inkomen, heeft geen financiële problemen en verblijft al anderhalf jaar in dezelfde woning. De kinderen doen het heel erg goed, zeker indien rekening wordt gehouden met het feit dat zij veel hebben meegemaakt. De moeder is overbelast geraakt vanwege de onzekerheid met betrekking tot de woning en de verblijfsstatus van het gezin. De moeder heeft goede hoop dat aan het gezin alsnog een verblijfsvergunning wordt verstrekt en zij heeft hierdoor veel rust gekregen.

De rechtbank heeft verder ten onrechte geoordeeld dat het gezin gebaat is bij de inzet van passende hulpverlening en regievoering door een gezinsvoogd. De moeder voert daartoe aan dat een ondertoezichtstelling een ultimum remedium is. Deze maatregel dient pas te worden opgelegd als het kind niet op een minder ingrijpende wijze kan worden beschermd.

De moeder heeft altijd zelf het initiatief genomen om hulpverlening voor haar en de kinderen in te schakelen. De moeder heeft op vrijwillige basis hulp gevraagd bij Reinier van Arkel, Osperon en de stichting. De moeder heeft altijd haar medewerking verleend en staat open voor hulpverlening. Hulpverlening binnen het gedwongen kader is daarom niet noodzakelijk. De moeder stelt dat de mogelijkheden in het vrijwillige kader nog niet zijn uitgeput. Daarnaast heeft de moeder een groot netwerk waar zij ook steun uit krijgt en op terug kan vallen.

De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling zijn vervuld. De moeder betwist uitdrukkelijk dat de kinderen in hun ontwikkeling dan wel belangen worden bedreigd. De moeder stelt dat in het rapport van de raad d.d. 30 november 2012 wordt uitgegaan van oude informatie en veel onjuistheden en dat tegenstrijdigheden in dit rapport staan vermeld. De moeder is primair van mening dat niet aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan.

Subsidiair stelt de moeder zich op het standpunt dat de stichting niet de aangewezen instantie is om de ondertoezichtstelling uit te voeren. De moeder is van mening dat Stichting Nidos de aangewezen instantie is gelet op de culturele problematiek en trauma’s van het gezin.

3.4.1.

De moeder heeft hieraan ter zitting in hoger beroep - kort samengevat - het volgende toegevoegd. De stichting erkent dat de moeder in staat is om basale zorg aan de kinderen te geven. Een ondertoezichtstelling neemt de onzekere situatie van het gezin niet weg. De gezinsvoogd kan geen woning of identiteitskaart voor de kinderen regelen. De moeder vraagt zich af wat de meerwaarde van een ondertoezichtstelling is. De moeder stelt dat er over [dochter 1.] geen zorgen bestaan. Met [dochter 2.] gaat het beter sinds hij naar het Boddaertcentrum gaat. De moeder erkent dat er wel zorgen bestaan omtrent [zoon], maar zij is van mening dat de mogelijkheden binnen het vrijwillige kader nog niet zijn uitgeput.

3.5.

De raad heeft ter zitting in hoger beroep het volgende aangevoerd. De raad handhaaft zijn verzoek tot ondertoezichtstelling van de kinderen. Vast staat dat de kinderen veel hebben meegemaakt. De raad heeft zorgen over de emotionele ontwikkeling van de kinderen. Dat de kinderen deelnemen aan clubjes is niet de oplossing voor de verwerking van hun trauma’s. Het is nodig dat de stichting met de moeder meekijkt met wat de kinderen nodig hebben. De moeder werkt niet mee. Zo is onder meer het psychologisch onderzoek van [dochter 2.] nog steeds niet opgestart.

3.6.

De stichting voert in het verweerschrift - kort samengevat - het volgende aan. Hulpverlening binnen het vrijwillige kader is niet toereikend. Door de moeder worden de door de hulpverleners genoemde zorgen ten aanzien van de kinderen niet erkend. De moeder is wisselend in haar mening en medewerking aan de hulpverlening. De stichting erkent dat de moeder goed in staat is om de basale verzorging van de kinderen te waarborgen, maar zij ziet echter niet de onderliggende problematiek van de kinderen. Er is geen ruimte om deze problematiek met de moeder te bespreken. De hulpverlening komt niet van de grond omdat de moeder steeds terug blijft komen op het rapport van de raad.

De stichting kan zich vinden in het verzoek van de moeder om de uitvoering van de ondertoezichtstelling over te dragen aan Stichting Nidos.

3.6.1.

De stichting heeft hieraan ter zitting in hoger beroep - kort samengevat - het volgende toegevoegd. Er bestaan zorgen over de sociaal-emotionele ontwikkeling over alle drie de kinderen. [zoon] vertoont geparentificeerd gedrag en zijn schoolresultaten zijn niet goed. [dochter 1.] is introvert. De stichting erkent dat het goed gaat op school met [dochter 1.] en dat het bedplassen inmiddels is gestopt. [dochter 2.] heeft een sterke wil en luistert niet goed. De moeder moet [dochter 2.] stimuleren dat hij daadwerkelijk naar het Boddaertcentrum gaat. De moeder heeft [dochter 2.] enkele keren eerder van het Boddaertcentrum opgehaald of [dochter 2.] thuisgehouden om hem met vriendjes te laten spelen.

3.7.

Het hof overweegt het volgende.

3.7.1.

Op grond van artikel 1:254 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige die zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen, onder toezicht stellen.

Het hof is van oordeel dat hier geen sprake van is en overweegt daartoe het volgende.

3.7.2.

Een ondertoezichtstelling van een minderjarige is een ultimum remidium. Een ondertoezichtstelling dient pas aan de orde te komen als de bedreiging van een kind niet op een minder ingrijpende wijze kan worden weggenomen. Het hof stelt vast dat de moeder in staat is gebleken om de basale verzorging van de kinderen te waarborgen, hetgeen door zowel de raad als de stichting is erkend. Het hof stelt vast dat er wél zorgen over met name de (sociaal-emotionele) ontwikkeling van de kinderen bestaan. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep volgt echter dat de moeder hiervoor zelf verschillende vormen van hulpverlening binnen het vrijwillige kader heeft ingeschakeld. De moeder heeft onder meer het Boddaertcentrum voor [dochter 2.], gezinsbegeleiding van Oosterpoort en hulp van Osperon, Reinier van Arkel en[hulpverlener] ingeschakeld.

Hoewel de stichting en de raad stellen dat de moeder soms wisselend kan zijn in haar standpunt en in haar medewerking, is het hof niet, althans onvoldoende gebleken dat de moeder haar afspraken met voornoemde hulpverleners stelselmatig niet nakomt dan wel iedere medewerking hieraan weigert. Het hof acht dit ook niet aannemelijk omdat de moeder op eigen initiatief naar hulpverlening voor haar kinderen op zoek is gegaan. Daar komt bij dat de moeder ter zitting van het hof bij herhaling heeft verklaard open te staan voor hulpverlening en dat zij hieraan haar medewerking zal verlenen. Het hof is dan ook van oordeel dat in hoger beroep onvoldoende is komen vast te staan dat sprake is van een situatie dat andere middelen ter afwending van een eventuele bedreiging van de minderjarigen hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen. Nu de moeder zelf de weg naar hulpverlening goed weet te vinden c.q. deze hulpverlening goed weet te benutten is een ondertoezichtstelling niet aangewezen.

3.7.3.

Verder neemt het hof bij zijn oordeel in aanmerking dat de zorgen omtrent de (sociaal-emotionele) ontwikkeling van alle drie de kinderen niet even ernstig zijn. Ter zitting van het hof heeft de stichting namelijk erkend dat [dochter 1.] het goed doet op school en dat het bedplassen inmiddels is gestopt. [dochter 1.] is alleen introvert. De zorgen richten zich met name op het geparentificeerde gedrag van [zoon] en de gedragsproblemen van [dochter 2.], waarvoor de moeder, zoals hiervoor overwogen, diverse vormen van - in de visie van het hof - passende hulpverlening heeft ingeschakeld. Voorts sluit het hof niet uit dat de problemen met de sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen mede worden veroorzaakt door hun illegale verblijf in Nederland en de daarmee samenhangende onzekere woon- en inkomenssituatie van het gezin. Een ondertoezichtstelling van de kinderen neemt deze illegaliteit en onzekerheid echter niet weg, zodat ook om die reden een ondertoezichtstelling van de kinderen geen toegevoegde waarde heeft.

3.7.4.

Het hof komt dan ook tot de conclusie dat in onderhavige zaak geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1:254 BW. Het hof zal derhalve het verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van de kinderen afwijzen.

3.8.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd en dat het inleidend verzoek van de raad alsnog dient te worden afgewezen.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 20 december 2012, welke op schrift is gesteld op 24 december 2012,

en opnieuw rechtdoende:

wijst alsnog af het inleidend verzoek van de raad;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.C.G. Brants, M.C. Bijleveld-van der Slikke en A.J. van de Rakt en in het openbaar uitgesproken op 30 mei 2013.