Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:2248

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-06-2013
Datum publicatie
08-07-2013
Zaaknummer
HD 200.104.849-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijwaringszaak. Vordering afgewezen nu in de hoofdzaak de vordering slechts beperkt is toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.104.849/01

arrest van 25 juni 2013

in de zaak van

[appellant],

wonend te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven,

tegen:

Gemeenschappelijke Regeling Bestuursacademie Zuid-Nederland,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. R.A. van Dijk,

op het bij exploot van dagvaarding van 15 maart 2012 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Breda, sector civiel gewezen vonnis van 4 januari 2012 tussen appellant - [appellant] - als gedaagde en geïntimeerde – de Bestuursacademie - als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak/rolnummer 217819/ HA ZA 10-703)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis, het tussenvonnis van 24 november 2010 en het vonnis in de zaak met zaaknummer/rolnummer 212086/HA ZA 09-2159 van 4 januari 2012.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij memorie van grieven heeft [appellant] twee grieven aangevoerd, producties overgelegd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot afwijzing van alle vorderingen van de Bestuursacademie en laatstgenoemde te veroordelen in de kosten van de beide procedures.

2.2.

Bij memorie van antwoord heeft de Bestuursacademie de grieven bestreden.

2.3.

Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de beide memories.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

  1. Tegen de door de rechtbank vastgestelde feiten zijn geen grieven gericht, zodat het hof ook hiervan zal uitgaan. Zo nodig zal het hof de feiten nog aanvullen.

  2. De Bestuursacademie heeft als onderwijsinstelling opleidingen aangeboden ten behoeve van het openbaar bestuur. Bij de Bestuursacademie zijn - naast anderen - als opleidingsadviseur/afdelingshoofd in dienst geweest de heer [opleidingsadviseur/afdelingshoofd] en - op grond van een ambtelijke aanstelling - vanaf 1992 de heer [appellant].

  3. [opleidingsadviseur/afdelingshoofd] en [appellant] hebben in 2001 de - private onderneming - Academie voor Medezeggenschap BV (hierna te noemen AVM) opgericht, waarvan zij tot 1 juli 2007 beiden aandeelhouder en bestuurder zijn geweest. Vanaf 1 juli 2007 is [opleidingsadviseur/afdelingshoofd] de enige bestuurder van AVM.

  4. Bij overeenkomst van 12 december 2001, getiteld “Overeenkomst houdende koop, verkoop alsmede overdracht van activa, activiteiten en medewerkers van de productgroep medezeggenschap” (hierna: de overnameovereenkomst) zijn de scholingsactiviteiten van de Bestuursacademie (aangeduid als ‘Productgroep Medezeggenschap’ of PGM), in het kader van een management buy-out door de Bestuursacademie overgedragen aan AVM, met ingangsdatum 1 januari 2002. Na de overname is de Bestuursacademie in liquidatie gegaan.

  5. De overnameovereenkomst, waarin de Bestuursacademie “Verkoper” of “BAZN” en AVM “Koper” wordt genoemd, luidt onder meer als volgt:

“(…)

Artikel 8. Werknemers

1. Partijen stellen vast dat de twee initiatiefnemers (opmerking hof: bedoeld zijn [opleidingsadviseur/afdelingshoofd] en [appellant]) alsmede de twee andere vaste medewerkers van Verkoper die overgaan naar Koper (…) met ingang van 1 januari 2002 in dienst zullen treden van Koper.

(…)

3. Een overzicht van de onderdelen uit het Sociaal Plan van Verkoper waar de vier overgaande medewerkers (…) ieder afzonderlijk een beroep op kunnen doen, is opgenomen in bijlage 5 “Aanspraken Sociaal Plan”. De betreffende medewerkers ondertekenen bijlage 5 ter bevestiging van hun akkoord.

(…)”

In bijlage 5 bij de overnameovereenkomst wordt melding gemaakt van de afgekochte aanspraken van de vier naar AVM overgaande medewerkers, en van de per 31 december 2001 individueel af te kopen aanspraken. Pagina 2 van bijlage 5 luidt - onder meer - als volgt: “Drie mogelijke aanspraken die resteren voor de BAZN: (…)

FPU-verplichtingen (artikel 5, lid 5.8 van het Sociaal Plan); deze verplichting is geldend voor alle overgaande medewerkers en geldt voor de duur van de FPU: leeftijd 55-65 jaar; (…)”

Ter afwikkeling van de rechtspositionele gevolgen voor de werknemers van de Bestuursacademie is een Sociaal Plan Beëindiging Gemeenschappelijke Regeling Bestuursacademie Zuid-Nederland (hierna: het Sociaal Plan) tot stand gekomen. Dit Sociaal Plan is ingegaan op 1 januari 2002 en luidt onder meer als volgt: “(…)

Artikel 5: Salaris, salarisaanspraken, toelagen en onkostenvergoedingen

(…)

5.8

Onder de salaris en salarisaanspraken wordt tevens begrepen de FPU-regeling “Gemeenten” welke op basis van de CAO-gemeenten een aanvulling is op de FPU-regeling van het ABP met dien verstande dat er een beroep op deze regeling kan worden gedaan voor zolang deze, of de vervangende of overgangsregeling van toepassing is. (…)”

Tot 1 januari 2002 was [appellant] volledig arbeidsongeschikt. Met ingang van 1 januari 2002 is [appellant] voor 50% van zijn arbeidsomvang in dienst getreden bij AVM. Voor de overige 50% is hij aangesteld gebleven bij de Bestuursacademie. Bij de Bestuursacademie heeft [appellant] feitelijk geen werkzaamheden meer verricht.

Begin 2003 zijn (de rechtsbijstandverzekeraar van) [appellant], die per 1 juni 2002 weer volledig arbeidsgeschikt was, en de Bestuursacademie met elkaar in overleg getreden over een minnelijke regeling ter zake de beëindiging van het resterende (0,5 fte) dienstverband van [appellant] met de Bestuursacademie.

In dat verband heeft de rechtsbijstandverzekeraar van [appellant] op 14 mei 2003 aan de Bestuursacademie medegedeeld dat de door de Bestuursacademie voorgestelde, volledige overgang van [appellant] naar AVM (derhalve uitbreiding van zijn dienstverband bij AVM van 0,5 fte naar 1 fte) voor [appellant] alleen acceptabel is als 50% van de kosten, door [appellant] in totaal begroot op EUR 190.000,=, van de voorgestelde overgang door de Bestuursacademie worden betaald. Op verzoek van de Bestuursacademie heeft [appellant] dit bedrag op 23 juli 2003 gespecificeerd. Op de daartoe overgelegde berekening vermeldt [appellant] onder meer: “(…) Er is geen rekening gehouden met de FPU gemeenten. Op basis van het salaris avM (3480,90) is dit een bedrag voor de periode 62 jaar - 65 jaar (36 maanden en 18%) van

€ 24.980,00. (…)”.

Op 16 september 2003 schrijft de advocaat van de Bestuursacademie aan de rechtsbijstandverzekeraar van [appellant] dat (de vereffeningscommissie van) de Bestuursacademie bezwaar heeft tegen de overgelegde berekening. De brief luidt onder meer als volgt: “(…) Een belangrijk bezwaar tegen de gepresenteerde berekening is dat het te compenseren bedrag dat als uitgangspunt voor de berekening wordt genomen (…) is gebaseerd op een fulltime salaris bij AVM dat hoger is dan het naar fulltime omgerekende salaris bij BAZN (…) Tegen de achtergrond van het bovenstaande wenst de Vereffeningscommissie niet verder te gaan dan een afkoopsom van € 100.000,00 bruto. (…)”.

Bij brief van 30 september 2003 laat [appellant] weten niet akkoord te gaan met het voorgestelde afkoopbedrag. De brief luidt onder meer als volgt: “(…) Tot slot wenst cliënt op te merken dat hij bij zijn berekening geen rekening heeft gehouden met een stijging van bijvoorbeeld pensioenpremies en salaris na 2003 en de opgebouwde rechten FPU gemeenten. (…)”

De Bestuursacademie laat vervolgens weten het overleg als beëindigd te beschouwen, waarna de Bestuursacademie en [appellant] in overleg treden ter zake de uitvoering van het Sociaal Plan.

Op 29 november 2004 schrijft drs. [opleidingsadviseur/afdelingshoofd], directeur van gkb consultancy en adviseur van [appellant], aan de Bestuursacademie, naar aanleiding van tussen partijen gevoerd overleg, onder meer het volgende: “(…) Daarbij hebben wij vooral gesproken over de optie van een afkoopsom voor diens huidige dienstverband en daarnaast inzake diverse opties die voorliggen binnen de kaders van het Sociaal Plan (…) annex de actuele mogelijkheden binnen de sociale wetgeving in ons land. Aangegeven is toen aan u dat de heer [appellant] zich in verbinding zou stellen met zijn vakorganisatie en het ABP, teneinde te bezien welke al dan niet flankerende regelingen, zoals FPU, FPU+ of anderszins binnen het Sociaal Plan toepasselijk zijn in relatie tot mogelijke nader tussen partijen te maken afspraken inzake een afkoopregeling in verband met ontslag/beëindiging van zijn deeltijd arbeidsrelatie (…)”. In de brief wordt voorts vermeld dat het door [appellant] uitgevoerde onderzoek meer tijd heeft gekost dan voorzien, dat [appellant] de verkregen informatie heeft bestudeerd en besproken met AVM en op grond daarvan een aantal opties kan presenteren, die in de bij de brief gevoegde bijlage nader worden uitgewerkt. In die bijlage wordt vermeld dat een (gedeeltelijke) ophoging van het dienstverband tussen [appellant] en AVM om financieel-economische redenen de continuïteit van AVM in gevaar zou brengen, zodat die beëindigingsvariant afvalt.

Vervolgens presenteert [opleidingsadviseur/afdelingshoofd] namens [appellant] vijf mogelijke beëindigingsvarianten: “(…)

* Gebruikmaking van de seniorenregeling conform Sociaal Plan (…)

* Gebruikmaking van de FPU-regeling.

Deze regeling zou conform de ABP-procedure kunnen ingaan per 1 april 2005. Inclusief de daarbij te betalen afkoopsom aan betrokkenen ad € 100.000 zouden de kosten voor de GR BAZN uitkomen op een bedrag van € 132.000.

* Inzet op WW en wachtgeld (…)

* Doorbetaling salaris en wachtgeld per leeftijd van 62 jaar (…)

* Afkoop van alle rechten.

Met deze regeling nemen beide partijen afscheid van elkaar waarbij de BAZN een afkoopsom ineens betaalt. Het gebruik van alle genoemde regelingen en aanspraken wordt daarmee terzijde gesteld. Deze regeling kost de GR BAZN een bedrag van € 150.000.)…)”.

Op 28 december 2005 reageert [opleidingsadviseur/afdelingshoofd] namens [appellant] schriftelijk op de namens de Bestuursacademie voorgestelde minnelijke regeling ter beëindiging van het (0,5 fte) dienstverband tussen [appellant] en de Bestuursacademie. [opleidingsadviseur/afdelingshoofd] schrijft daarbij onder meer het volgende: “(…) Artikel 3 In de toegezonden tekst dienen enige verfijningen en aanvullingen te worden opgenomen. Hierdoor komt deze tekst (…) als volgt te luiden: “Ten laste van onze Bestuursacademie wordt in verband met uw ontslag een beëindigingsvergoeding toegekend ten bedrage van € 100.000,- bruto ten titel van afkoop van alle uitkeringsrechten die aan uw dienstverband bij onze Bestuursacademie zou kunnen ontlenen. (…)”.

Op 29 december 2005 heeft de Bestuursacademie aan [appellant] per fax een herzien voorstel voor een minnelijke regeling toegestuurd. Op 30 december 2005 heeft [appellant] schriftelijk laten weten akkoord te gaan met het voorstel van de Bestuursacademie, onder voorwaarde dat de afkoopsom van € 100.000,- op de door [appellant] aangegeven wijze wordt overgemaakt, hetgeen is gebeurd.

De tussen partijen aldus tot stand gekomen beëindigingsovereenkomst luidt onder meer als volgt: “(…)

Aan uw ontslag ingevolge onderdeel 1 van deze regeling is voor u geen enkele aanspraak op een WW-uitkering verbonden noch op enige andere ontslaguitkering die ten laste van onze Bestuursacademie komt of ten laste van onze Bestuursacademie kan worden gebracht, direct of indirect. U vrijwaart onze Bestuursacademie voor ieder verhaal door enige uitkeringsinstantie van desondanks aan u verleende uitkeringen in verband met uw ontslag.

Ten laste van onze Bestuursacademie wordt in verband met uw ontslag een beëindigingsvergoeding toegekend ten bedrage van € 100.000,- bruto ten titel van afkoop van alle uitkeringsrechten die aan uw dienstverband bij onze Bestuursacademie zou kunnen ontlenen.

(…)

7. Door ondertekening en effectuering van deze regeling verlenen partijen elkaar over en weer finale kwijting ter zake de afwikkeling van uw dienstverband, zodat behoudens het overeengekomene niets meer gevorderd kan worden. (…)”.

8. Per 1 januari 2006 is aldus de dienstbetrekking van [appellant] met de Bestuursacademie beëindigd. Per dezelfde datum heeft [appellant] zijn dienstverband met AVM uitgebreid van 0,5 naar 0,8 fte. Eveneens per 1 januari 2006 is [appellant] voor 0,5 fte gebruik gaan maken van de FPU-regeling van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP).

9. Per 1 juli 2007 is [appellant] volledig uit dienst getreden van AVM. Per deze datum is hij voor 100% (1 fte) gebruik gaan maken van zijn FPU-pensioenrechten bij het ABP. Tevens heeft [appellant] per 1 juli 2007 een FPU-Gemeentenuitkering (ook aangeduid als FPU-plus uitkering) aangevraagd en gekregen, gebaseerd op een aanstelling van 0,8 fte.

10. Het ABP heeft bij AVM de “werkgeverslasten FPU Gemeenten” ten behoeve van [appellant] in rekening gebracht. Tot en met oktober 2009 is AVM aldus belast voor in totaal EUR 11.531,78.

11. De aanspraak van [appellant] op een uitkering uit hoofde van de FPU-Gemeentenregeling eindigt per 1 januari 2012.

12. Bij brief van 20 mei 2008 van de advocaat van AVM wordt de Bestuursacademie gesommeerd om de tot 1 juni 2008 door AVM betaalde - niet concreet aangegeven - bedragen ter zake de FPU- en FPU-Gemeentenuitkering voor [appellant] binnen drie weken te voldoen, en de (toekomstige) afdrachtverplichting ter zake van AVM over te nemen.

13. De Bestuursacademie heeft in dit verband geen betalingen verricht aan AVM.

4.2.

AVM heeft bij inleidende dagvaarding van 16 november 2009 de Bestuursacademie op grond van de in de Overnameovereenkomst verstrekte garantie in rechte betrokken en betaling gevorderd van een bedrag van € 11.531,78 wegens door AVM (tot dan toe) aan het ABP verschuldigde werkgeverslasten op grond van FPU-uitkeringen aan [appellant]. De Bestuursacademie heeft na daartoe verkregen toestemming van de rechtbank Breda in het kader van een vrijwaring [appellant] bij inleidende dagvaarding van 1 april 2010 in rechte betrokken en veroordeling van [appellant] gevorderd tot betaling van datgene waartoe de Bestuursacademie als gedaagde in de zaak tegen AVM zal worden veroordeeld en verder [appellant] te veroordelen in de proceskosten. De Bestuursacademie stelde zich daarbij op het standpunt dat uit de door [appellant] met haar in december 2005 gesloten beëindigingsovereenkomst, meer in het bijzonder artikel 2 van die overeenkomst, voortvloeit dat [appellant] gehouden is de Bestuursacademie te vrijwaren voor alle aanspraken van AVM wegens door [appellant] verkregen uitkeringen uit FPU. Verder heeft [appellant] de Bestuursacademie finale kwijting verleend voor alle aanspraken. [appellant] is daarnaast ook (nog) te beschouwen als de vertegenwoordiger van AVM, zodat de met hem gemaakte afspraken in het kader van de beëindigingsovereenkomst ook aan AVM zijn tegen te werpen.

4.3.

[appellant] heeft de vorderingen van de Bestuursacademie bestreden. Hij heeft erop gewezen dat een FPU-uitkering niet is aan te merken als een ontslaguitkering of een uitkering in verband met zijn ontslag, zodat reeds daarom enige aansprakelijkheid als door de Bestuursacademie is gesteld, ontbreekt. Verder, zo stelt hij, heeft hij ook nimmer beoogd zijn rechten op een uitkering uit FPU prijs te geven. Het beroep door de Bestuursacademie op een door hem verleende finale kwijting voor alle toekomstige aanspraken en een daarmee samenhangende vrijwaring vanwege uitkeringen uit FPU gaat niet op, nu die finale kwijting slechts ziet op de afwikkeling van het dienstverband en al hetgeen in de beëindigingsovereenkomst met de Bestuursacademie daartoe is geregeld. AVM staat daar verder geheel buiten. [appellant] is ook niet opgetreden als vertegenwoordiger van AVM.

4.4.

De rechtbank heeft de vorderingen van de Bestuursacademie toegewezen. Zij overwoog dat de FPU-uitkering is aan te merken als een ontslaguitkering. Nu echter het FPU-ontslag betrekking heeft op de beëindiging van het dienstverband tussen [appellant] en AVM (en niet op die tussen [appellant] en de Bestuursacademie) is er niet zonder meer sprake van een ontslaguitkering als bedoeld in de beëindigingsovereenkomst en een door [appellant] ter zake verleende vrijwaring. Met toepassing van de Haviltex-formule ligt echter naar het oordeel van de rechtbank de door de Bestuursacademie bepleite uitleg van de artikelen 2 en 3 van de beëindigingsovereenkomst in die zin, dat de Bestuursacademie geen vordering terzake FPU-plusuitkeringen behoefde te verwachten, het meest in de rede. [appellant] is aldus gehouden in te staan voor de door AVM in dit verband van de Bestuursacademie gevorderde bedragen. De rechtbank heeft ter ondersteuning van dit oordeel nog uitdrukkelijk gewezen op het aan de beëindigingsovereenkomst voorafgaande onderhandelingstraject. [appellant] is in de proceskosten veroordeeld. Tegen deze beslissingen komt [appellant] op.

4.5.

De eerste grief ziet op twee (rechts)vragen. De eerste is of een FPU-uitkering is aan te merken als een ontslaguitkering en de tweede of de door de Bestuursacademie bepleite uitleg van de door [appellant] verleende vrijwaring, welke uitleg door de rechtbank is gevolgd, het meest in de rede ligt. [appellant] heeft daartoe gesteld dat een FPU-uitkering nu juist geen ontslaguitkering is, maar een uitkering die slechts voortvloeit uit het met pensioen gaan. [appellant] koppelt daaraan verder de conclusie dat hij daarom zijn aanspraken op een FPU-uitkering jegens de Bestuursacademie niet heeft prijsgegeven en voorts dat hij ook niet behoeft in te staan voor het verhaal van AVM op de Bestuursacademie voor de werkgeversbijdrage van de door hem via AVM genoten FPU-uitkering(en).

4.6.1.

Het hof stelt voorop dat in de Overnameovereenkomst tussen AVM en de Bestuursacademie van 12 december 2001 uitdrukkelijk staat aangegeven welke werknemers van de Bestuursacademie overgaan naar AVM. Partijen zijn het er daarbij over eens dat voor [appellant] gold dat hij niet voor zijn volledige dienstverband, maar slechts voor 0,5 fte de overstap naar AVM zou maken. Het daaruit voortvloeiende gevolg is dat de (financiële) aanspraken op grond van het geldende Sociaal Plan gerelateerd dienen te worden aan de omvang van het op dat moment over te nemen dienstverband én het daarmee samenhangende salaris. De looptijd van het Sociaal Plan geldt (in ieder geval) tot 15 oktober 2002 op grond van het bepaalde in artikel 13 van het Sociaal Plan. Op 1 januari 2002 was de situatie aldus dat [appellant] nog voor 0,5 fte in dienst was (en bleef) van de Bestuursacademie en dat hij voorts voor 0,5 fte werkzaam was voor AVM. Naar het oordeel van het hof vormde die situatie de basis voor de toezeggingen van de Bestuursacademie als neergelegd in de Overnameovereenkomst en het daaraan gekoppelde Sociaal Plan. Wijzigingen in die situatie nadien brengen daar in beginsel geen verandering (meer) in.

4.6.2.

Dit brengt naar het oordeel van het hof met zich mee dat de onderhandelingen tussen [appellant] enerzijds en de Bestuursacademie anderzijds eindigend in een beëindigingsovereenkomst in december 2005 in beginsel uitsluitend betrekking hadden op de aard en de omvang van de op dat moment nog bestaande arbeidsrelatie tussen [appellant] en de Bestuursacademie en de uit dat dienstverbandvoor de Bestuursacademie voortvloeiende verplichtingen. Dat die situatie als uitgangspunt had te gelden valt ook af te leiden uit de brief van de heer [opleidingsadviseur/afdelingshoofd] van GKB Consultancy van 29 november 2004 aan de Vereffeningscommissie van de Bestuursacademie (rechtsoverweging 4.1 sub n, productie 2 MvG), waarin wordt gesproken over de beëindiging van de deeltijdrelatie met de Bestuursacademie. Wanneer in dit verband werd gesproken over de FPU - en dat hebben partijen in het kader van de onderhandelingen als blijkt uit de overgelegde stukken veelvuldig gedaan - dan heeft dat ook in beginsel uitsluitend betrekking op de FPU met een deeltijdfactor 0,5, gekoppeld dus aan het op dat moment nog bestaande dienstverband met de Bestuursacademie.

4.6.3.

Hoewel het naar het oordeel van het hof voor de hand zou liggen om de artikelen 2 en 3 uit de beëindigingsovereenkomst (rechtsoverweging 4.1 sub q) zo te verstaan dat in de beide artikelen op eenzelfde soort uitkering(en) wordt gedoeld, kan het hof het geschil tussen partijen op dit punt in het midden laten. Duidelijk is in ieder geval dat [appellant] jegens de Bestuursacademie uitdrukkelijk heeft afgezien van zijn eventuele toekomstige aanspraken uit FPU-uitkering voortvloeiend uit het op dat moment (nog) bestaande dienstverband met de Bestuursacademie. Niet alleen wordt in artikel 3 gesproken over de afkoop van “alle uitkeringsrechten die (u) aan uw dienstverband met onze Bestuursacademie zou kunnen ontlenen”, maar bovendien valt ook uit de daaraan voorafgaande correspondentie af te leiden dat het al dan niet gebruik maken van de FPU-regeling uitdrukkelijk daarin is betrokken (ook door [appellant]). Het hof volstaat daartoe te verwijzen naar de bijlage bij de eerdere genoemde brief van de heer [opleidingsadviseur/afdelingshoofd] van 29 november 2004 (rechtsoverweging 4.1 sub n, zie ook productie 11 bij conclusie van repliek in vrijwaring). Daarin is naast een aantal andere opties uitdrukkelijk sprake van de afkoop van alle rechten (onder e. bij het Overzicht van de beschikbare oplossingen voor de positie van [appellant]), terwijl voorts daartoe in diezelfde brief nog wordt aangegeven: ”Met deze regeling nemen beide partijen afscheid van elkaar, waarbij de BAZN (lees: Bestuursacademie, hof) een afkoopsom ineens betaalt. Het gebruik van alle genoemde regelingen en aanspraken wordt daarmee terzijde gesteld”. In voornoemde brief wordt daaraan voorafgaand onder het tweede sterretje (*) van de verschillende varianten van een beschikbare oplossing uitdrukkelijk de mogelijkheid van het gebruikmaken van de FPU-regeling genoemd. Dat [appellant] en/of de Bestuursacademie in het kader van deze afkoopregeling ook (weer) de aan de Overnameovereenkomst te ontlenen garantie jegens AVM voor aanspraken uit FPU gebaseerd op de overname door AVM (en dus voor het 0,5 dienstverband van [appellant] bij AVM) hebben willen koppelen is op geen enkele wijze gebleken, althans enige feitelijke toelichting door de Bestuursacademie op dit punt ontbreekt. Enig specifiek bewijsaanbod op dit punt ontbreekt ook.

4.6.4.

De vraag is dan of in het licht van het bovenstaande [appellant] gehouden is om de Bestuursacademie te vrijwaren voor de totale claim van AVM. Mede onder verwijzing naar hetgeen het hof heeft overwogen in de uitspraak van heden in de zaak met rolnummer HD 200.106.415/01 stelt het hof vast dat een dergelijke vrijwaring door [appellant] niet aan de orde is. AVM heeft op grond van de Overnameovereenkomst uit 2001 slechts aanspraken jegens de Bestuursacademie voor zover deze zien op een FPU-uitkering aan [appellant] gebaseerd op een (toenmalig) dienstverband van 0,5 fte en het daartoe laatstgenoten salaris van [appellant] bij de Bestuursacademie per 31 december 2001. Voor zover [appellant] aanspraak kan maken op een hogere of andere uitkering FPU jegens AVM dient AVM voor deze kosten op te komen, nu niet valt in te zien op grond waarvan de Bestuursacademie deze kosten zou dienen te dragen. [appellant] behoeft op grond van de Beëindigingsovereenkomst slechts de Bestuursacademie te vrijwaren voor zover het betreft de kosten van enige uitkering, die terecht door enige uitkeringsinstantie bij de Bestuursacademie in rekening zou kunnen worden gebracht op grond van zijn - laatst geldende - aanstelling bij de Bestuursacademie voor 0,5 fte. De kosten samenhangend met een FPU-uitkering gebaseerd op het meerdere boven hetgeen tussen AVM en de Bestuursacademie is overeengekomen vallen - als niet terecht door AVM geclaimd - derhalve niet onder de vrijwaring.

4.7.

De conclusie is dat de eerste grief slaagt en dat vorderingen van de Bestuursacademie alsnog dienen te worden afgewezen. Aan een bespreking van grief II komt het hof als verder niet meer van belang niet toe.

4.8.

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en de Bestuursacademie zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden veroordeeld van [appellant], zowel die uit eerste aanleg als die van het hoger beroep.

5 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, en doet opnieuw recht:

wijst de vorderingen van de Bestuursacademie af;

veroordeelt de Bestuursacademie in de proceskosten gevallen aan de zijde van [appellant] en tot op heden vastgesteld op € 904 aan salaris gemachtigde voor de eerste aanleg en op € 90,64 aan dagvaardingskosten, € 666,- aan griffierechten en € 894,- aan salaris advocaat te voldoen binnen veertien dagen na betekening van dit arrest en, indien voldoening binnen die termijn niet plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten vanaf die dag;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.M. Aarts, M.J.H.A. Venner-Lijten en M. van Ham en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 25 juni 2013.