Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:221

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-01-2013
Datum publicatie
15-10-2013
Zaaknummer
HD 200.102.897_01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:700, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Derogerende werking redelijkheid en billijkheid; opeisbaarheid van advocatenfacturen na intrekking toevoeging.

Advocaat heeft voor cliënt op basis van een toevoeging werkzaamheden verricht in het kader van een juridische procedure. De uitkomst van die procedure heeft tot gevolg gehad dat de verleende toevoeging wordt ingetrokken. Advocaat en cliënt procederen vervolgens onder meer over de vraag wat zij ten aanzien van de betaling van de advocaat zijn overeengekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.102.897

arrest van 15 januari 2013

in de zaak van

[de man],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. ing. P.M.A.C. van de Laak,

tegen:

[de vrouw],

kantoor houdende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. G.L. [geïntimeerde]-van Alphen,

op het bij exploot van dagvaarding van 20 februari 2012 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank te ’s-Hertogenbosch, sector Kanton, locatie Eindhoven tussen appellant - [appellant] - als gedaagde in conventie, eiser in reconventie en eiser in het incident en geïntimeerde - [geïntimeerde] - als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en verweerster in het incident gewezen vonnis van 2 februari 2012.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 783476 / 11-9659)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij appeldagvaarding houdende memorie van grieven heeft [appellant] 12 grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot afwijzing alsnog van de door [geïntimeerde] in eerste aanleg in conventie ingestelde vordering en toewijzing alsnog van zijn in het incident ingestelde vordering.

2.2.

Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden.

2.3.

Partijen hebben hun zaak op 22 oktober 2012 doen bepleiten door voornoemde advocaten. De pleidooien hebben plaatsgehad aan de hand van pleitnotities, die deel uitmaken van het procesdossier. Voorafgaand aan de pleidooien - op 4 oktober 2012 - heeft het hof van [geïntimeerde] vier producties ontvangen, die tevens aan [appellant] zijn verzonden. [appellant] heeft tegen de overlegging van deze stukken geen bezwaar gemaakt. [appellant] heeft voorafgaand aan de pleidooien - op 8 oktober 2012 - twee producties aan het hof overgelegd, waartegen [geïntimeerde] geen bezwaar heeft gemaakt. Het hof heeft van het overleggen van deze producties akte verleend.
Bij gelegenheid van de pleidooien heeft [geïntimeerde] verzocht verschillende aanvullende producties in het geding te mogen brengen, waaronder correspondentie met derden.
Mr. Van de Laak heeft hiertegen geprotesteerd onder verwijzing naar het late tijdstip van overlegging en het feit dat zijn cliënt niet ter zitting aanwezig was en om die reden niet op de over te leggen producties kon reageren. Het hof heeft de producties geweigerd op de door mr. Van der Laak aangedragen gronden.

2.4.

Partijen hebben uitspraak gevraagd op basis van de voorafgaand aan het pleidooi door [geïntimeerde] aan het hof toegezonden gedingstukken.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1.

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist staat in hoger beroep tussen partijen het volgende vast.

4.1.1.

[geïntimeerde] heeft in opdracht van [appellant] als advocaat werkzaamheden verricht in het kader van een echtscheidingsprocedure waarbij [appellant] partij is geweest. In de betreffende procedure is [geïntimeerde] als advocaat aan [appellant] toegevoegd bij besluit van de Raad voor Rechtsbijstand van 4 januari 2010.

4.1.2.

In de betreffende procedure is bij beschikking van 26 november 2010 (hierna: de beschikking van 26 november 2010) uitspraak gedaan omtrent de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van [appellant] en zijn ex-echtgenote [ex-echtgenote] (hierna: [ex-echtgenote]).

4.1.3.

De beschikking van 26 november 2010 vermeldt:

“(..)

4.1 (

wijze van) verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap
(..)
De rechtbank zal de wijze van verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap als volgt gelasten, zoals partijen ter zitting zijn overeengekomen.
(..)
Ten aanzien van de echtelijke woning en de auto zijn partijen tijdens de schorsing van de mondelinge behandeling overeengekomen dat de woning aan de vrouw wordt toebedeeld en de auto aan de man in verband waarmee de vrouw aan de man € 47.000,-- zal voldoen. (..)”

4.1.4.

[geïntimeerde] heeft voor haar in opdracht van [appellant] verrichte werkzaamheden twee facturen aan [appellant] verzonden. Het betreft een factuur van 11 februari 2011 ten bedrage van € 10.595,59 en een factuur van 11 mei 2011 ten bedrage van € 962,21.

4.1.5.

De algemene voorwaarden van [geïntimeerde] bepalen dat declaraties binnen 14 dagen na dagtekening dienen te worden voldaan.

4.1.6.

[appellant] heeft in voornoemde procedure een financieel resultaat behaald dat hoger is dan 50% van zijn heffingsvrij vermogen. Om deze reden is de onder 4.1.1 vermelde toevoeging bij besluit van 17 mei 2011 door de Raad voor Rechtsbijstand ingetrokken.

4.1.7.

[appellant] heeft de door [geïntimeerde] aan hem verzonden facturen niet voldaan.

4.1.8.

[geïntimeerde] heeft vervolgens conservatoir beslag gelegd op de echtelijke woning. Dit beslag is op 30 augustus 2011 gelegd en op 7 september 2011 overbetekend aan [appellant].
[geïntimeerde] heeft op 30 augustus 2011 tevens ten laste van [appellant] derdenbeslag gelegd onder de notaris die belast is met de afwikkeling van de verdeling.

4.2.1.

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg in conventie gevorderd, kort gezegd, dat [appellant] wordt veroordeeld tot betaling van € 13.164,86, vermeerderd met de wettelijke rente over € 11.557,80 vanaf 7 september 2011 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [appellant] in de proces- en beslagkosten.
[appellant] heeft voorts een incident opgeworpen tot opheffing van de door [geïntimeerde] gelegde beslagen.

4.2.2.

[appellant] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de in conventie ingestelde vordering en - in reconventie - gevorderd dat [geïntimeerde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling van de door [appellant] als gevolg van onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] geleden schade, nader op te maken bij staat.

4.2.3.

[geïntimeerde] heeft de vordering in reconventie gemotiveerd betwist. Voorts heeft zij geconcludeerd tot afwijzing van de door [appellant] ingestelde vordering in het incident.

4.2.4.

Bij vonnis waarvan beroep van 2 februari 2012 heeft de kantonrechter, kort gezegd, de vordering in conventie toegewezen en zowel de vordering in reconventie als de incidentele vordering afgewezen.

4.3.1.

In hoger beroep vordert [appellant] afwijzing alsnog van het door [geïntimeerde] in eerste aanleg in conventie gevorderde en toewijzing alsnog van het door [appellant] in eerste aanleg in reconventie en in het incident gevorderde. Partijen voeren over en weer gemotiveerd verweer.

4.3.2.

Met zijn grieven heeft [appellant] het geschil in volle omvang aan het hof voorgelegd. Uit onder meer de toelichting op de zevende grief en de grieven 11 en 12 begrijpt het hof dat [appellant] tevens beoogt bezwaar te maken tegen de toewijzing van de door [geïntimeerde] gevorderde incasso- en beslagkosten. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4.4.1.

[geïntimeerde] voert aan recht te hebben op betaling van de door haar aan [appellant] op 11 februari 2011 en 11 mei 2011 verzonden facturen, nu de factuurbedragen, zo stelt zij, veertien dagen na verzending van de facturen opeisbaar zijn geworden.
[geïntimeerde] heeft voorts aangevoerd:
Op 10 oktober 2010 zijn [appellant] en [ex-echtgenote] overeengekomen dat [appellant] uit de boedelscheiding een bedrag van € 47.000,-- zou ontvangen, te vermeerderen met € 2.782,19 ter zake van verdeling van polissen en diverse zaken. De rechter heeft dienovereenkomstig besloten in de beschikking van 26 november 2010. Per 10 oktober 2010, dan wel per 26 november 2010, stond dan ook vast dat het resultaat van de echtscheidingsprocedure zodanig was, dat de aan [appellant] verleende toevoeging met terugwerkende kracht door de Raad voor de Rechtsbijstand zou worden ingetrokken. Het stond [geïntimeerde] ingevolge artikel 34 e.v. van de Wet op de Rechtsbijstand (hierna ook: WRb) en de VIValt beleidsregels van de Raad voor de Rechtsbijstand vrij om vanaf voornoemde data haar werkzaamheden bij [appellant] in rekening te brengen. Facturering op 11 februari 2011 en 11 mei 2011 heeft op grond van de toepasselijke algemene voorwaarden geleid tot opeisbaarheid van de factuurbedragen op 14 dagen na voornoemde data.

4.4.2.

Volgens [appellant] handelt [geïntimeerde] in strijd met een toezegging gedaan bij de totstandkoming van de overeenkomst van opdracht, door de Raad voor de Rechtsbijstand reeds voor afronding van haar werkzaamheden te vragen om intrekking van de toevoeging. Uit deze stelling en het verdere betoog van [appellant] begrijpt het hof dat [appellant] niet de verschuldigdheid van de factuurbedragen betwist, maar de opeisbaarheid hiervan. Daartoe voert hij tevens aan dat partijen na verloop van tijd een nader tijdstip zijn overeengekomen waarop de factuurbedragen verschuldigd zouden zijn. Dit tijdstip betreft het moment waarop de bij de beschikking van 26 november 2010 uitgesproken verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap zou zijn afgerond en [appellant] het bedrag van
€ 47.000,-- van [ex-echtgenote] ontvangen zou hebben. Volgens [appellant] kan bij gebreke van afronding van de verdeling, c.q. overdracht van de echtelijke woning, ook daarom van opeisbaarheid van de factuurbedragen geen sprake zijn.

4.4.3.

De toezegging waar [appellant] zich in de eerste plaats op beroept wordt door hem onderbouwd, zo begrijpt het hof, door verwijzing naar een door [geïntimeerde] aan hem verzonden brief d.d. 12 februari 2010. Deze vermeldt, voor zover relevant:

“Na beëindiging van mijn rechtsbijstand zal de Raad voor Rechtsbijstand een zogenoemde resultaatsbeoordeling uitvoeren. Dit betekent dat de Raad voor Rechtsbijstand aan het einde van de zaak beoordeelt of u op basis van het financiële resultaat in staat moet worden geacht de kosten van rechtsbijstand zelf te dragen. (..) Indien de hierboven omschreven resultaatsbeoordeling uitwijst, dat u in staat moet worden geacht zelf de kosten te dragen wordt de toevoeging ingetrokken.”

Uit deze passage kan het hof niet afleiden dat [geïntimeerde], zoals [appellant] aanvoert, gehandeld heeft in strijd met voormelde toezegging door op 5 april 2011 te verzoeken om intrekking van de toevoeging. Uit haar mededelingen kan immers slechts worden afgeleid wat - in algemene zin - het beleid van de Raad voor de Rechtsbijstand zal zijn na beëindiging van de juridische procedure. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ziet het hof - bezien vanuit voormelde passage als geheel - niet in dat, zoals [appellant] kennelijk beoogt aan te voeren, uit de mededelingen van [geïntimeerde] logisch volgt dat zij hem de toezegging heeft gedaan pas na afloop van al haar werkzaamheden - en niet slechts die in het kader van de procedure - aan te sturen op intrekking van de toevoeging.
De facto is ook niet anders voorgevallen dan door [geïntimeerde] in voornoemde passage aangekondigd. De Raad heeft immers aan het einde van ‘de zaak’ - welke aanduiding in de gegeven context bezwaarlijk anders kan worden uitgelegd dan als betrekking hebbend op de juridische procedure - beoordeeld of [appellant] op basis van het financiële resultaat in staat moet worden geacht de kosten van rechtsbijstand zelf te dragen.


4.4.4. [appellant] heeft ter bestrijding van de opeisbaarheid van de factuurbedragen tevens aangevoerd, zo begrijpt het hof, dat [geïntimeerde], doordat zij de wet en de regels van de Raad voor de Rechtsbijstand onjuist uitlegt, eerder heeft gedeclareerd dan zij op grond van de overeenkomst van opdracht mocht. Dit verweer slaagt. Met haar beroep op het in de WRb en de de VIValt beleidsregels bepaalde miskent [geïntimeerde] dat het niet de toegevoegde advocaat maar (het bestuur van) de Raad voor de Rechtsbijstand is die aan deze regels uitvoering geeft. De VIValt regels, die invulling geven aan het bepaalde in de Wet op de Rechtsbijstand, vermelden dat de toegevoegde advocaat diens declaratie bij de Raad voor de Rechtsbijstand kan indienen. Hieruit volgt weliswaar dat de Raad - na ontvangst van de declaratie en na beoordeling van het resultaat - de toevoeging kan intrekken, maar niet, zoals [geïntimeerde] bepleit, dat de toegevoegde advocaat zijn declaratie bij de rechtszoekende in rekening mag brengen zodra deze advocaat voorziet dat een intrekking van de toevoeging door de Raad voor de Rechtsbijstand zal plaatsvinden.
Voor het tijdstip van verschuldigdheid is beslissend wat partijen bij het aangaan van de overeenkomst van opdracht zijn overeengekomen. [geïntimeerde] heeft ter onderbouwing van haar vordering een beslagrekest met producties in het geding gebracht (productie 1 inl. dagv.). Uit productie 2 bij het beslagrekest blijkt dat zij met [appellant] is overeengekomen dat
- indien de toevoeging na beëindiging van de rechtsbijstand wordt ingetrokken - [appellant] met terugwerkende kracht haar uurtarief verschuldigd is voor alle reeds verrichte en nog te verrichten werkzaamheden. Dit betreft voorwaarde 4, vermeld op het overgelegde opdrachtformulier, die door [geïntimeerde] bevestigd wordt in een passage uit haar begeleidende brief bij het opdrachtformulier d.d. 12 februari 2010:
“Indien de (..) resultaatsbeoordeling uitwijst, dat u in staat moet worden geacht de kosten van rechtsbijstand te dragen wordt de toevoeging ingetrokken. U bent in dat geval met terugwerkende kracht het uurtarief verschuldigd voor de verrichte werkzaamheden.”

4.4.5.

Uit voornoemde stukken, waarnaar [appellant] heeft verwezen, blijkt dat het uurtarief van [geïntimeerde] pas verschuldigd is na intrekking van de toevoeging, welke plaatshad op 17 mei 2011. In dit licht bezien - en in aanmerking genomen het verweer van [appellant] - heeft [geïntimeerde] naar het oordeel van het hof onvoldoende aangevoerd dat de conclusie rechtvaardigt dat zij haar werkzaamheden reeds op 11 februari 2011 en 11 mei 2011 in rekening mocht brengen.
Aangenomen moet dan ook worden dat de factuurbedragen in beginsel door [appellant] verschuldigd zijn vanaf 17 mei 2011 - de datum van intrekking van de toevoeging - en dat deze bedragen - conform de onbestreden gebleven toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van [geïntimeerde] - in beginsel opeisbaar zijn vanaf 31 mei 2011.

4.5.1.

[appellant] beroept zich er echter op dat hij met [geïntimeerde] een betalingsregeling is overeengekomen. Het hof begrijpt uit zijn toelichting op de tweede grief dat hij stelt met [geïntimeerde] te zijn overeengekomen dat hij pas na afronding van de verdeling, c.q. de overdracht van de echtelijke woning, de facturen zal voldoen.

4.5.2.

[geïntimeerde] heeft in dit verband bij memorie van antwoord gesteld:
Onder grief II herhaalt [appellant] rechtsoverweging 3.2. In deze rechtsoverweging wordt verwezen naar de ter gelegenheid van de comparitie overgelegde pleitnotitie, waarin door [appellant] de uitnodiging tot het treffen van een betalingsregeling wordt verward met de opeisbaarheid van de vordering (schrijven d.d. 31 januari 2011) (o.a. overgelegd als productie 6 bij de beslagstukken). (..) Hoewel van de zijde van [geïntimeerde] een uitnodiging tot het treffen van de betalingsregeling werd gedaan, werd er van de zijde van [appellant] niet inhoudelijk op gereageerd. (..) Van een schriftelijke bevestiging van [appellant], over de invulling van een eventuele betalingsregeling is geen sprake.”

4.5.3.

Het ‘schrijven d.d. 31 januari 2011’ waarnaar [geïntimeerde] hier verwijst, is een door haar in het geding gebrachte brief aan [appellant] (prod. 6 inl. dagv.). Deze brief vermeldt:
“Los van het bovenstaande verzoek ik u tevens te reageren op mijn voorstel met betrekking tot de financiële afwikkeling van mijn bemoeiingen in deze. Ik heb u aangegeven hoeveel uren in deze zaak door mij werden besteed en u de financiële consequentie daarvan voorgerekend. Ik ben wel degelijk bereid om wat water bij de wijn te doen en mijn factuur te modereren, doch uitsluitend als hierover met u vaste afspraken kunnen worden gemaakt. U dient dan wel contact op te nemen teneinde één en ander tijdig te bespreken. (..)”

4.5.4.

[geïntimeerde] heeft bij inleidende dagvaarding ter onderbouwing van haar vordering
een brief d.d. 11 februari 2011 aan [appellant] in het geding gebracht (prod. 6). Deze brief bevat de volgende bevestigingen van [geïntimeerde]:
“Hierbij bevestig ik u dat, als gevolg van de uitkering aan u van het bedrag ad € 47.000,00 ter zake de verkoop van de woning de toevoeging zal worden ingetrokken. Wij spraken af dat ik mijn nota zal verminderen door toepassing van een lager uurtarief dan overeengekomen, namelijk € 175,00 per uur in plaats van € 199,00 per uur, op voorwaarde dat betaling middels notaris [notaris] ter gelegenheid van de overdracht van de voormalige echtelijke woning zal plaatsvinden. (..)”

4.5.5.

In het licht van voornoemde inhoud van de brief van 31 januari 2011 - en de kort daarop volgende bevestiging in de brief van 11 februari 2011 - kan het hof niet inzien dat, zoals [geïntimeerde] stelt, sprake is geweest van enkel een uitnodiging tot het treffen van de betalingsregeling, waarop van de zijde van [appellant] niet inhoudelijk is gereageerd. Bovenstaande inhoud van de brief van [geïntimeerde] van 11 februari 2011 kan immers bezwaarlijk anders worden beschouwd dan als bevestiging van een door partijen overeengekomen regeling. Dat [geïntimeerde] bij haar brief van 11 februari 2011 een urendeclaratie heeft gevoegd waarin de in deze brief vermelde moderatie - waarop reeds wordt gezinspeeld in haar brief van 31 januari 2011 - reeds is verwerkt, rechtvaardigt eveneens het bestaan van een betalingsregeling als omschreven in de brief van 11 februari 2011. In het licht van het voorgaande lag het op de weg van [geïntimeerde] haar betwisting van de door [appellant] gestelde regeling nader te onderbouwen. Nu zij dit heeft nagelaten neemt het hof deze als vaststaand aan. Op grond van de betalingsregeling oordeelt het hof dat de factuur van 11 februari 2011 in beginsel pas opeisbaar is bij gelegenheid van de overdracht van de (helft van de onverdeelde) woning.


4.5.6. Voor zover [appellant] beoogt aan te voeren dat de betalingsregeling ziet op beide facturen, heeft hij een zodanige bedoeling van partijen onvoldoende onderbouwd. Blijkens de door [geïntimeerde] overgelegde urenspecificatie zijn de betreffende werkzaamheden gefactureerd conform het standaard uurtarief van [geïntimeerde]. In dit opzicht is dan ook geen invulling gegeven aan de betalingsregeling van februari 2011. Bovendien zijn de in mei 2011 gefactureerde werkzaamheden, zo heeft [geïntimeerde] onbestreden gesteld, verricht in de nasleep van de echtscheidingsprocedure. In die zin ligt een betalingsregeling ten aanzien van de factuur van 11 mei 2011 minder in de rede, met name nu het tweede factuurbedrag een relatief gering bedrag betreft.
Gezien het voorgaande - en de gemotiveerde betwisting van verleend betalingsuitstel door [geïntimeerde] - lag het op de weg van [appellant] nadere onderbouwing te geven aan de door hem gestelde ruime omvang van de betalingsregeling van februari 2011. Nu hij dit heeft nagelaten verwerpt het hof zijn verweer dat het bedrag van de factuur van 11 mei 2011 niet opeisbaar is. Mitsdien gaat het hof ten aanzien van die factuur op de onder 4.4.5 genoemde gronden uit van opeisbaarheid per 31 mei 2011.

4.6.1.

[geïntimeerde] stelt ter onderbouwing van de verschuldigdheid en opeisbaarheid van het bedrag van de factuur van 11 februari 2011 nog dat [appellant], vanaf het moment dat duidelijk was dat de toevoeging zou worden ingetrokken, de afwikkeling van de overdracht van de echtelijke woning heeft gefrustreerd, dan wel heeft vertraagd of heeft doen vertragen, met het kennelijke doel zijn betalingsonmacht in de weg te laten staan aan betaling van de factuur. Ter onderbouwing van deze stelling voert [geïntimeerde] onder meer het volgende aan:
[appellant] heeft bijstand van [geïntimeerde] - die zou kunnen leiden tot afronding van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, c.q. de overdracht van de echtelijke woning - afgewezen. Ook nadat [appellant] in de loop van 2011 een andere advocaat in de arm genomen had heeft hij inspanningen die hiertoe kunnen leiden achterwege gelaten. [appellant] heeft nagelaten opdracht te geven tot executie van de grosse van het vonnis van 26 november 2010. Hij is voorts de notaris die aan de afwikkeling uitvoering zou geven onvoldoende behulpzaam geweest. Nadat [ex-echtgenote] op 10 februari 2012 een bedrag van
€ 44.953,-- - bestemd voor de afwikkeling van de verdeling - op de derdenrekening van de advocaat van [appellant] heeft gestort, heeft [appellant] verzuimd dit bedrag aan de notaris te laten overmaken. Dit onder het voorwendsel dat hij het bedrag nodig had voor de betaling van schulden, waaronder een huurschuld. Van deze schulden is echter niet gebleken. Na facturering is [appellant] meerdere toezeggingen te zorgen voor afronding van de verdeling niet nagekomen.

4.6.2.

Het hof begrijpt uit het voorgaande dat [geïntimeerde] beoogt te stellen dat - wat er ook zij van het niet verschuldigd of niet opeisbaar zijn van de gefactureerde bedragen - het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [appellant] overeenkomstig de betalingsregeling de facturen pas hoeft te betalen bij overdracht van de echtelijke woning (artikel 6:248 lid 2 BW). Uit de stellingen van [appellant] begrijpt het hof dat [appellant] voornoemde onaanvaardbaarheid betwist, nu [geïntimeerde] de overdracht volgens hem heeft bemoeilijkt door beslag te leggen op de echtelijke woning.


4.6.3. Het hof neemt als vaststaand aan dat [appellant] in de betreffende periode de overdracht van de (helft van de onverdeelde) woning niet heeft bevorderd, terwijl [geïntimeerde] dit op grond van de getroffen betalingsregeling en gedane toezeggingen aan [geïntimeerde]
(vgl. de berichten d.d. 15 februari 2011 - van kennelijk een familielid van [appellant] - en 26 april 2011, prod. 9 inl. dagv.) wel van hem mocht (blijven) verwachten.
Voor dit oordeel is redengevend dat [appellant] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat hij de assistentie van [geïntimeerde] bij de afwikkeling van de verdeling heeft afgehouden. Zo vraagt hij bij voornoemd bericht d.d. 26 april 2011 in reactie op een aanmaning van [geïntimeerde]: “Indien u mogelijkheden ziet zonder kosten mijnerzijds de integrale afhandeling te bespoedigen, wordt uw vordering omgaand overgemaakt”. In dit verband heeft [geïntimeerde] tevens verwezen (memorie van antwoord par. 37) naar een brief van [appellant] van 5 januari 2011, waarin de volgende passage te lezen staat: “Vanaf heden svp niet zonder overleg en zonder vooraf schriftelijke goedkeuring van mij geen acties meer ondernemen daar ik de kosten niet kan betalen.” Evenmin heeft [appellant] onvoldoende betwist verzuimd te hebben voortvarendheid te betrachten ter oplossing van door de notaris gesignaleerde problemen (vgl. productie 8 inl. dagv.: de brief van 11 maart 2011 van [geïntimeerde] aan [appellant], alsmede de correspondentie tussen [appellant] en de notaris en tussen [geïntimeerde] en een kennelijk familielid van [appellant], overgelegd als productie 9 inl. dagv.).
Het hof is daarnaast van oordeel dat [appellant] in de maanden na de totstandkoming van de betalingsregeling voldoende gelegenheid heeft gehad om ervoor te zorgen dat de beschikking van 26 november 2010 zou worden geëxecuteerd, c.q. de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap bij de notaris zou worden afgewikkeld.
Het hof acht het onder voornoemde omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat de overeengekomen opschortende voorwaarde tussen partijen onbeperkt van kracht blijft. Gezien de aard van de betalingsregeling en voornoemde omstandigheden oordeelt het hof, schattenderwijs, dat deze onaanvaardbaarheid zich heeft voorgedaan na verloop van vier maanden vanaf de dag waarop de betalingsregeling geacht moet worden tot stand te zijn gekomen. Het hof gaat daarmee uit van totstandkoming op 11 februari 2011, de dag waarop [geïntimeerde] de betalingsregeling aan [appellant] heeft bevestigd. [appellant] is derhalve het op 11 februari 2011 gefactureerde bedrag op 11 juni 2011 verschuldigd geworden. Dit bedrag is, conform de van toepassing zijnde algemene voorwaarden, veertien dagen nadien - op 25 juni 2011 - opeisbaar geworden.

4.6.4.

Ten overvloede merkt het hof op dat het bestaan van voornoemde houding van [appellant] bevestigd wordt door de gang van zaken rond de betaling van 10 februari 2012 van het bedrag van € 44.953,-- - op de derdenrekening van de advocaat van [appellant]. Op een vraag van het hof heeft de advocaat van [appellant] in hoger beroep ten pleidooie bevestigd dat dit aan hem overgemaakte bedrag het bedrag is dat [ex-echtgenote] in het kader van de afwikkeling van de verdeling moest betalen aan [appellant]. Als onvoldoende betwist door [appellant] staat vast dat hij niet heeft bevorderd dat dit bedrag ook daadwerkelijk werd overgemaakt aan de notaris. Dit lag wel op zijn weg, nu de afspraak tussen partijen immers was dat de betaling van [geïntimeerde] zou plaatsvinden via notaris [notaris] en ter gelegenheid van de overdracht van de voormalige echtelijke woning.

4.7. [appellant] heeft opheffing gevorderd van de door [geïntimeerde] op de woning en onder de notaris gelegde conservatoire beslagen. Daartoe heeft hij aangevoerd, zo begrijpt het hof, dat summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van het door [geïntimeerde] ingeroepen vorderingsrecht, nu [geïntimeerde] - zo stelt hij - een vordering aan de beslagen ten grondslag heeft gelegd die niet opeisbaar is.

4.8.

Het beslag op de woning en het derdenbeslag onder de notaris zijn, zo staat tussen partijen vast, op 30 augustus 2011 gelegd. Gelet op hetgeen omtrent de opeisbaarheid van de factuurbedragen is overwogen onder 4.6.3 en 4.5.6, is het hof van oordeel dat de deze reeds opeisbaar waren op de dag van beslaglegging. Het hof is dan ook niet summierlijk gebleken van de ondeugdelijkheid van het door [geïntimeerde] ingeroepen vorderingsrecht.

4.9.1.

Het hof begrijpt dat [appellant] tevens beoogd heeft aan te voeren dat de gelegde beslagen vexatoir zijn, nu het beslag volgens hem onmogelijk maakt dat hij de (helft van de onverdeelde) woning overdraagt aan [ex-echtgenote] en alsdan komt tot afronding van de verdeling. Bijgevolg blijft [appellant], zo stelt hij, onmachtig [geïntimeerde] - en andere schuldeisers - te betalen. [geïntimeerde] heeft het vexatoire karakter van de beslagen gemotiveerd weersproken.
De vraag of een conservatoir beslag vexatoir is, dient in beginsel te worden beantwoord aan de hand van concrete omstandigheden van het geval ten tijde van de beslaglegging, waaronder de hoogte van de vordering, de waarde van de beslagen goederen en de onevenredigheid waarmee de schuldenaar eventueel door het beslag in zijn belangen wordt getroffen.
[appellant] heeft enkel beoogd, zo begrijpt het hof uit zijn stellingen (toelichting grief 12), dat sprake is van voornoemde onevenredigheid. Deze onevenredigheid onderbouwt hij met de door hem in zijn memorie omschreven patstelling. Het hof begrijpt uit deze onderbouwing dat de financiële nood die [appellant] wijt aan het gelegde beslag in stand blijft doordat de notaris niet mee kan of mag werken aan de overdracht van de helft van de (onverdeelde) woning.

4.9.2.

[geïntimeerde] heeft aangevoerd dat [appellant] mogelijkheden ter beschikking stonden om het beslag te voorkomen of om te bewerkstelligen dat het - voorafgaand aan de overdracht van de (helft van de onverdeelde) woning - zou worden opgeheven. [geïntimeerde] noemt in dit verband zekerheidsstelling, overleg over de betaling, en een regeling waarbij de notaris uit de koopsom de facturen van [geïntimeerde] zal voldoen, onmiddellijk na transport. Volgens haar voert [appellant] ten onrechte aan dat deze regeling niet mogelijk zal zijn zolang het beslag op de woning rust.

4.9.3.1. Op grond van de onweersproken inhoud van de door [appellant] bij memorie van grieven overgelegde productie 8 (e-mail van de notaris aan mr. Van de Laak) gaat het hof er van uit dat de notaris twee redenen heeft gegeven voor het niet door kunnen gaan van de levering:
a) hypotheekverstrekking is onmogelijk wanneer beslag rust op de over te dragen (helft van de onverdeelde) woning;
b) volgens de akte van verdeling wordt de (helft van de onverdeelde) woning vrij van beslagen geleverd.


4.9.3.2. [ex-echtgenote] heeft, zo staat tussen partijen vast, in februari 2011 een geldbedrag doen overschrijven aan de advocaat van [appellant] dat ruwweg overeenstemt met de vordering uit overbedeling van [appellant]. De eerste door de notaris genoemde belemmering doet zich dan ook niet voor, aangezien [ex-echtgenote] kennelijk de koopsom kon voldoen zonder verkrijging van een hypothecaire geldlening. [appellant] heeft, gezien voornoemde overschrijving, onvoldoende aangevoerd dat de conclusie rechtvaardigt dat het niet kunnen verkrijgen van een hypotheek door [ex-echtgenote] de reden is voor uitblijven van de overdracht, c.q. zijn betalingsonmacht.
Ten aanzien van de redactie van de leveringsakte geldt dat [appellant] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat hij niet heeft meegewerkt aan het bereiken van een oplossing. Door hem is niet bestreden dat het notariaat een regeling als door [geïntimeerde] geopperd - het betalen van de facturen via de notaris - inmiddels toestaat. Voor zover [appellant] zich erop beroept dat het [ex-echtgenote] is geweest die eraan in de weg heeft gestaan dat deze of een andere oplossing is bereikt, geldt dat hij deze stelling onvoldoende heeft geschraagd met concrete feiten en omstandigheden.

4.9.3.3. Gelet op het voorgaande heeft [appellant] onvoldoende aangevoerd dat de conclusie rechtvaardigt dat de door hem omschreven patstelling bestaat, dan wel te wijten is aan andere omstandigheden dan liggend binnen zijn eigen invloedssfeer, zodat het hof de door hem opgevoerde onevenredigheid verwerpt als onvoldoende onderbouwd. Mitsdien faalt het beroep van [appellant] op het vexatoire karakter van het door [geïntimeerde] gelegde beslag en falen de ten aanzien van het incident opgeworpen elfde en twaalfde grief.

4.10.1.

Het hof begrijpt, mede in het licht van paragraaf 12 van de conclusie van antwoord in eerste aanleg, dat de zesde grief van [appellant] slechts ziet op de toewijzing van rente en incassokosten. [appellant] voert in dit verband aan dat [geïntimeerde] als schuldeiser in verzuim is geweest, zodat voornoemde onderdelen van de vordering niet toewijsbaar zijn.
Volgens [appellant] heeft het door [geïntimeerde] gelegde conservatoire beslag in de weg gestaan aan afwikkeling van de verdeling, c.q. overdracht van de echtelijke woning aan [ex-echtgenote]. Was het beslag er niet geweest, zo stelt [appellant], dan had hij de facturen al betaald.


4.10.2. In het licht van hetgeen is overwogen onder 4.6.3 en 4.9.3.2 oordeelt het hof dat [appellant] onvoldoende heeft aangevoerd ter onderbouwing van zijn stelling dat sprake is geweest van schuldeisersverzuim van de zijde van [geïntimeerde]. Naar het oordeel van het hof rechtvaardigt hetgeen hij in dit verband aanvoert geen situatie waarin [appellant] niet kan nakomen doordat [geïntimeerde] daarvoor noodzakelijke medewerking niet verleent of doordat een ander beletsel van haar zijde is opgekomen. Mitsdien acht het hof de overigens onbetwist gebleven wettelijke rente en beslagkosten toewijsbaar. Het hof zal één en ander toewijzen als hierna te melden.
De door [geïntimeerde] gevorderde incassokosten ad € 800,-- zal het hof afwijzen als onvoldoende onderbouwd, aangezien de gevorderde factuurbedragen pas vanaf 25 juni 2011 en 31 mei 2011 opeisbaar zijn. Het hof ziet daarom aanleiding incasso-activiteiten van eerder datum buiten beschouwing te laten. Sommaties van na deze data zijn door [geïntimeerde] niet overgelegd.

4.11.1.

Aan zijn vordering in reconventie heeft [appellant] ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] hem bij voortduring onmogelijk heeft gemaakt de overeenkomst van opdracht en de betalingsregeling na te komen. Daartoe stelt hij onder meer dat op [geïntimeerde] als advocaat
- ook na het ontstane geschil ten aanzien van de door [geïntimeerde] verstuurde facturen - de plicht rustte afwikkeling van de verdeling te bewerkstelligen. Volgens [appellant] heeft [geïntimeerde] deze plicht verzaakt. [geïntimeerde] heeft deze verzaking gemotiveerd betwist. Volgens haar valt haar niet te verwijten dat de verdeling nog niet is afgewikkeld.

4.11.2.

Beoordeeld dient te worden of [geïntimeerde] bij de uitoefening van haar werkzaamheden in strijd heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat mag worden verwacht.
Het hof neemt in aanmerking dat uit de door [geïntimeerde] overgelegde beslissing van de Raad van Discipline blijkt dat haar ten aanzien van het gelegde beslag geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt, nu zij - conform de gedragsregels voor advocaten - voorafgaand aan de beslaglegging overleg heeft gevoerd met de deken.
Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] overigens onvoldoende aangevoerd om de conclusie te rechtvaardigen dat [geïntimeerde] de belangen van [appellant] onvoldoende zorgvuldig heeft behartigd. Zoals hiervoor onder 4.6.3 is overwogen valt niet haar maar [appellant] te verwijten dat de verdeling niet is afgewikkeld in de periode dat [appellant] haar cliënt was (tot en met april 2011). Daarbij weegt het hof mee dat onvoldoende gemotiveerd is weersproken dat [appellant] de assistentie van [geïntimeerde] heeft afgehouden vanwege de met deze assistentie gemoeide kosten, alsmede dat [appellant] de afwikkeling van de verdeling zou afhandelen in overleg met de notaris. Gelet op het voorgaande kan niet worden geoordeeld dat [geïntimeerde] haar taken als advocaat ten aanzien van de afwikkeling van de verdeling heeft verzaakt.
Weliswaar heeft [appellant] in dit verband tevens geklaagd over ontijdige afgifte van dossierstukken, maar niet in geschil is dat de mogelijk voor de afwikkeling noodzakelijke grosse van de beschikking van 26 november 2011 door [geïntimeerde] is afgegeven aan de nieuwe advocaat van [appellant], kort nadat deze daarom had gevraagd.
Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ziet het hof - het voorgaande in aanmerking genomen - niet in dat [geïntimeerde] heeft gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat mag worden verwacht.

4.12.

Gelet op het voorgaande falen de grieven, voor zover niet gericht tegen toewijzing van de door [geïntimeerde] gevorderde incassokosten.

4.13.

[appellant] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de conventionele procedure in eerste aanleg en de kosten van het hoger beroep. Omwille van de duidelijkheid zal het hof het beroepen vonnis, voor zover in conventie gewezen, in zijn geheel vernietigen en de vordering van [geïntimeerde] toewijzen, ten dele, als hierna te melden.

5 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis van de rechtbank te ’s-Hertogenbosch, sector Kanton, van 2 februari 2012, voor zover in conventie gewezen;

en opnieuw rechtdoende:

- veroordeelt [appellant] tot betaling aan [geïntimeerde] van € 10.595,59 en € 962,21 alsmede de wettelijke rente over deze bedragen in de zin van art. 6:119 BW vanaf 7 september 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt [appellant] tot betaling aan [geïntimeerde] van € 435,46 ten titel van beslagkosten;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van de conventionele procedure in eerste aanleg aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen, begroot op € 83,31 aan explootkosten, € 426,-- aan vast recht en € 600,-- aan salaris gemachtigde;

- wijst af hetgeen [geïntimeerde] meer of anders heeft gevorderd;

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank te ’s-Hertogenbosch, sector Kanton, van 2 februari 2012, voor zover in reconventie gewezen;


veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 666,-- aan verschotten en € 2.682,-- aan salaris advocaat;

verklaart dit arrest ten aanzien van de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.R. Van Harinxma thoe Slooten, P.M. Arnoldus-Smit en W.A. van Veen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 15 januari 2013.