Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:1602

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-04-2013
Datum publicatie
16-09-2015
Zaaknummer
HD 200.035.310_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2011:7190
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2011:4280
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:3563
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

letselschadezaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.035.310

arrest van 16 april 2013

in de zaak van

[Verzekeringen] Verzekeringen N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

advocaat: mr. G.J.F.M. Linders,

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 11 januari 2011 en 20 september 2011 in het hoger beroep van de door de rechtbank Maastricht onder nummer 109221/HA ZA 06-270 gewezen vonnissen van 15 augustus 2007 en 18 maart 2009.

10 Het tussenarrest van 20 september 2011

Bij genoemd arrest is bepaald dat een deskundigenonderzoek zou worden verricht en zijn drs S. Knepper, verzekeringsarts, en R.E.E.M. Artoos, arbeidsdeskundige, benoemd tot deskundigen ter beantwoording van de in 8.8.2. van dat arrest geformuleerde vragen. Iedere verdere beslissing is aangehouden.

11 Het verdere verloop van de procedure

Op 27 april 2012 heeft het hof het rapport van S. Knepper (verder te noemen: Knepper) ontvangen en op 10 oktober 2012 het rapport van R.E.E.M. Artoos (verder te noemen: Artoos).

Vervolgens heeft eerst [Verzekeringen] en daarna [geïntimeerde] een memorie na deskundigenbericht genomen, [geïntimeerde] heeft daarbij één productie overgelegd.

Daarna heeft [Verzekeringen] de gedingstukken overgelegd en hebben partijen uitspraak gevraagd.

12 De verdere beoordeling

in principaal en incidenteel appel

12.1.

Aan Knepper zijn de volgende vragen voorgelegd:

  1. Wilt u betrokkene oproepen voor een gesprek en aan de hand van de rapporten van [deskundige 1] en [deskundige 2] de functionele beperkingen van betrokkene omschrijven en haar belastbaarheid neerleggen in een belastbaarheidsprofiel ten aanzien van loonvormende arbeid en het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden, een en ander ten behoeve van een arbeidsdeskundig onderzoek? Het hof verzoekt u uw oordeel te vormen aan de hand van de zich in het dossier bevindende medische stukken, genoemd in rechtsoverweging 8.6.2.

  2. Wilt u daarbij zo mogelijk onderscheid maken tussen de periode kort na het ongeval en latere perioden?

  3. Zijn er overigens nog opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang zijn? Het hof verzoekt u in dit kader aandacht te besteden aan de klachten die betrokkene aan haar schouder ondervond/ondervindt, waarvoor zij onlangs een operatie heeft ondergaan.

12.2.

Knepper vermeldt in zijn rapport dat hij het dossier heeft doorgenomen en dat hij [geïntimeerde] thuis heeft bezocht en haar ongeveer anderhalf uur heeft gesproken.

Hij schrijft in het rapport onder meer het volgende:

Bij huisbezoek zie ik een keurig verzorgde, gezond en overeenkomstig haar leeftijd uitziende vrouw. Ze legt adequaat contact en kan de aandacht goed richten en vasthouden, ik neem geen tekenen van psychische of cognitieve stoornissen waar. Er zijn lichte beperkingen van de mobiliteit van de rechter schouder. (blz. 11)

(...)

Mevrouw [geïntimeerde] heeft na het ongeval blijvende nekklachten rechts en hoofdpijn. Dat de hoofdpijn alleen ongevalgevolg is staat niet helemaal vast zo liep mevrouw [geïntimeerde] in 1989 vingerletsel op doordat ze hevige hoofdpijn had en niet oplette. Het huisartsjournaal over de jaren vóór het ongeval ontbreekt, de huisarts stuurt het journaal van na die tijd en meldt alleen rugklachten vóór 1994. Maar gezien de beoordelingen van beide deskundigen neurologen in 1996 en 1999 ga ik ervan uit dat mevrouw [geïntimeerde] tevoren geen hoofdpijnklachten had. (blz. 11)

(...)

De voormalige verzekeringsarts rapporteert op verzoek van mevrouw [geïntimeerde] in 2001 en 2003. (...) De verzekeringsarts stelt op onduidelijke gronden ook beperkingen vast voor zitten, staan en lopen, naast de beperkingen die de rapporterend neurologen jaren eerder noemden. Verder meent hij dat een arbeidsduurbeperking tot 24 uur./week aan de orde is. Maar het voor die beoordeling vereiste verslag van het dagelijks functioneren (dagverhaal) beperkt zich tot de activiteiten van mevrouw [geïntimeerde] na twee werkdagen, haar functioneren op de andere vijf weekdagen komt niet in beeld. Daarmee is het dagverhaal incompleet. Bij nader inzien concludeert de verzekeringsarts dat de psychische beperkingen vanwege de echtscheidingsproblematiek geen ongevalgevolg zijn. Niettemin heroverweegt hij zijn conclusie over de mogelijke arbeidsduur niet, hoewel dergelijke beperkingen daar zeker invloed op gehad kunnen hebben. Daardoor lijkt zijn conclusie over de mogelijke arbeidsduur louter gebaseerd op de mededeling van mevrouw [geïntimeerde] dat ze na het werk moe thuiskomt. Dat is niet voldoende om een dergelijke beperking aan te kunnen nemen (...). De schouderklachten dateren van een sportblessure die acht jaar na het ongeval in 2002 is ontstaan. (...)

Concluderend is er aanleiding lichte fysieke beperkingen vast te stellen zoals bij deskundigenonderzoek in 1996 en 1999. Mevrouw [geïntimeerde] kan zitten, staan of (trap)lopen als een soortgelijke gezonde. Maar ze is vanwege statisch myogene (spier)klachten van schoudergordel en nek beperkt ten aanzien van het hanteren van lasten van meer dan ongeveer 5 tot soms 10kg. Daardoor is ze ook buiten staat langdurige statische houdingen aan te nemen waarbij ze spierspanning opbouwt zoals bij langer dan ongeveer een uur beeldschermwerk; over een werkdag genomen kan ze dat globaal inschattend ongeveer de helft in over het algemeen kortere perioden onder afwisseling met meer dynamische activiteiten. Ze kan vanuit dezelfde overwegingen niet zeer frequent volgehouden reiken en niet lang (regelmatig meer dan vijf minuten volgehouden) aan de grond actief zijn, mede omdat dit vanwege optische controle volgehouden of repeterende retroflexie of torsie van de nek vereist. Datzelfde geldt volgehouden voorover gebogen activiteiten, activiteiten boven schouderhoogte zijn niet als ongevalgevolg beperkt vanwege een aandoening van de dominante schouder. Wel is aannemelijk dat mevrouw [geïntimeerde] als gevolg van de noodzaak bij dergelijke activiteiten de nek in volgehouden retroflexie (of torsie) te houden buiten staat dit langer dan af en toe ongeveer vijf minuten te doen.

Er is onder deze voorwaarden onvoldoende aanleiding om tot een arbeidsduurbeperking te kunnen concluderen. Bij afwezigheid van psychische of cognitieve stoornissen bestaat er geen aanleiding om beperkingen van persoonlijk of sociaal functioneren aan te nemen. (blz 11 en 12)

(...)

Mevrouw [geïntimeerde] is vermoeid als ze na een hele dag werken thuiskomt – geen ook voor de soortgelijke gezonde ongewoon fenomeen. Aannemelijk is dat vooral gewenning aan zo lange tijd (sinds 1988) parttime werken haar ertoe heeft gebracht niet verder uit te breiden. (blz 12)

Mevrouw [geïntimeerde] heeft normale mogelijkheden om persoonlijk en sociaal te functioneren (...)

Ze heeft beperkingen ten aanzien van fysiek functioneren (...)

Mevrouw [geïntimeerde] is qua arbeidspatroon (...) onder deze voorwaarden in staat te functioneren als de soortgelijke gezonde..

Voor het overige heeft mevrouw [geïntimeerde] mogelijkheden ongeveer in overeenstemming met haar achtergrond en leeftijd. (blz. 13)

(...)

Beantwoording vraagstelling

a. a) (...)

Zie boven

b) (...)

Kort na het ongeval heeft mevrouw [geïntimeerde] veel meer klachten gehad, die geleidelijk en grotendeels zijn verdwenen (...) In de jaren 2001 en 2002 was er (weer) sprake van cognitieve klachten die aannemelijk verband hielden met depressiviteit voorafgaande aan haar echtscheiding, De nekklachten en hoofdpijn komen weer nadrukkelijker naar voren, wat begrijpelijk is in tijden van spanning.

c) (...)

De schouderklachten zijn een vrij evident gevolg van een schouderblessure in 2002, derhalve geen gevolg van het ongeval in 1994 (...) (blz 14)

Op een vraag van de advocaat van [Verzekeringen] , kort gezegd inhoudend dat Knepper genuanceerd en gemotiveerd moest aangeven welke beperkingen aan de milde nek/hoofdpijnklachten en welke aan de schouderklachten als gevolg van de blessure moeten worden toegeschreven, heeft Knepper geantwoord dat het onderscheid niet valt te maken en dat de beperkingen, zo als blijkt uit de rapporten van 1996 en 1999, al zeven jaar vóór de schouderblessure bestonden en door de rapporterend neurologen zijn gekwalificeerd als ongevalgevolg.

Knepper vermeldt voorts dat de advocaat van [geïntimeerde] niet binnen de daarvoor gestelde termijn van vijf weken heeft gereageerd.

Bij het rapport heeft Knepper een Functionele Mogelijkhedenlijst gevoegd. Ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren zijn geen beperkingen vermeld, ten aanzien van “Aanpassingen aan fysieke omgeving” is bij het kopje “Beschermende middelen” vermeld: ”geen fysiek zware”, bij dynamische en statische houding zijn enkele lichte beperkingen vermeld, aansluitend bij de omschrijving in het rapport en bij “werktijden” is geen beperking vermeld.

12.3.

Aan Artoos zijn de volgende vragen voorgelegd:

  1. Betekenen de functiebeperkingen, zoals deze zijn beschreven in de rapporten van de deskundigen [deskundige 1] en [deskundige 2] en het op basis van die rapporten vervaardigde belastbaarheidsprofiel dat betrokkene arbeidsdeskundig gezien beperkingen ondervindt bij het verrichten van loonvormende arbeid en huishoudelijk werk?

  2. Is betrokkene als gevolg van de eventuele beperkingen bij het verrichten van loonvormende arbeid geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt te achten voor het eigen beroep (zie rechtsoverwegingen 4.1.2. van het tussenarrest van 11 januari 2011 en 8.2.2 van dit arrest) en zo ja in welke mate?

  3. Indien betrokkene geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt is voor het eigen beroep: is betrokkene wel geheel of gedeeltelijk arbeidsgeschikt te achten voor ander passend werk, rekening houdende met de beperkingen, het opleidings- en arbeidsverleden van betrokkene en haar belangstelling? Zo ja:

- hoeveel uur per week zou betrokkene met deze arbeid belast kunnen worden?

- welk bruto- inkomen kan betrokkene met deze arbeid verdienen?

- welke opleidingen zou betrokkene eventueel moeten volgen, hoe lang duren deze opleidingen en welke kosten zijn daaraan verbonden?

- hoe groot zijn de kansen van betrokkene op de arbeidsmarkt voor dit soort werk bij bedrijven/instellingen in de omgeving van [woonplaats] ?

4. Hoe groot is de behoefte aan huishoudelijke hulp per week als gevolg van de eventuele beperkingen bij het verrichten van huishoudelijk werk?

5. Wilt u daarbij zo mogelijk onderscheid maken tussen de periode kort na het ongeval en latere perioden?

6. Zijn er overigens nog opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang zijn?

12.4.

Artoos heeft de vragen – kort weergegeven - als volgt beantwoord:

Ad 1) heeft zij verwezen naar de conclusies in het rapport van Knepper.

Ad 2) heeft zij een omschrijving gegeven van de functies die [geïntimeerde] sinds 1994 heeft vervuld bij de gemeente Heerlen. In deze functies is nergens sprake van overschrijding van de door Knepper gestelde beperkingen. Met andere woorden waren deze functies passend voor [geïntimeerde] en zij had ze ook fulltime kunnen verrichten. Vanaf 1 mei 2010 werkt [geïntimeerde] op eigen verzoek in een andere functie, op het secretariaat van de afdeling Administraties & Onderzoek. Indien de belasting in deze functie wordt vergeleken met de door Knepper gestelde beperkingen in belastbaarheid dreigt er een overschrijding van de globale tijd die per werkdag besteed kan worden aan beeldschermwerk. Indien men uitgaat van 60% van de werktijd (4,8 uren van een achturige werkdag) welke wordt besteed aan beeldschermwerk door [geïntimeerde] , dan is er sprake van een overschrijding van gemiddeld 48 min. per dag. De leidinggevende van [geïntimeerde] gaf in een gesprek aan dat het zeer goed mogelijk zou zijn haar werk zo te organiseren (in overleg met haar collega) dat ze nooit meer dan 4 uren per dag beeldschermwerk uitvoert. [geïntimeerde] kan solliciteren naar een fulltime functie bij de gemeente. Fulltime werken bij de gemeente betekent 36 arbeidsuren per week. Zodra zich vacatures voordoen kan zij daarvoor in aanmerking komen. Daaraan moet worden toegevoegd dat het praktisch en realistisch beschouwd niet onmogelijk maar minder voor de hand liggend is om een fulltime secretaressefunctie zo in te richten dat er gemiddeld maximaal 4 uren per dag aan computergebonden taken voorkomen. Het zoeken naar een dergelijke functie zal meer tijd in beslag nemen (meerdere jaren), niet iedere vacature van secretaresse is dan geschikt (of geschikt te maken) voor [geïntimeerde] . Het zou met minder of geen obstakels verlopen als [geïntimeerde] ook in aanmerking zou willen komen voor een functie van 32 uren per week.

Ad 3) Er zijn andere passende functies voor [geïntimeerde] die zij fulltime kan uitvoeren, met de door Knepper gestelde beperkingen. Met het zoeken naar zo’n functie is wel een tijdspanne van 0,5 tot 2 jaren gemoeid, zeker als het gaat om het verwerven van een vaste aanstelling. De vorderende leeftijd van [geïntimeerde] kan een obstakel zijn.

Ad 4) Het is niet precies te beoordelen wat in de eerste tijd na het ongeval de behoefte was aan huishoudelijke hulp. De door [geïntimeerde] aangegeven huishoudelijke hulpbehoefte (vastgesteld door Thuiszorg) van 8 uren per week moet als waarschijnlijk in dit kader worden gezien. Indien wordt uitgegaan van de hypothetische situatie dat het ongeval niet had plaatsgevonden, dan zou [geïntimeerde] fulltime hebben gewerkt en haar echtgenoot zou als ZZP-er minimaal 50 uren per week hebben gewerkt. [geïntimeerde] gaf aan dat ze in die situatie een huishoudelijke hulp zou hebben ingeschakeld voor twee uren per week of een dag per maand. Het aandeel van [geïntimeerde] in de huishoudelijke taken zou ongeveer 19 uur per week bedragen. Hiermee rekening houdend is de uitval te stellen op 0,9 uren per week wegens overschrijding van de gestelde beperkingen.

Ad 5) Hier werd verwezen naar het antwoord op vraag 4).

Ad 6) Het antwoord luidt: Neen.

12.5.

[Verzekeringen] heeft beide rapporten onderschreven en geconstateerd dat [geïntimeerde] geen verlies arbeidsvermogen lijdt als gevolg van het ongeval. Volgens [Verzekeringen] heeft [geïntimeerde] niet aangetoond dat haar behoefte aan huishoudelijke hulp groter is dan 0,9 uur per week. Haar vordering op dat punt is slechts toewijsbaar tot een bedrag dat passend is bij een behoefte van 0,9 uur per week. Daarbij moet rekening worden gehouden met de eventuele PGB-bijdrage en/of WMO-bijdrage. [Verzekeringen] meent dat [geïntimeerde] dient te worden veroordeeld in de kosten van de deskundigen.

12.6.

[geïntimeerde] is het niet eens met het rapport van Knepper en meent dat Knepper niet als echt onafhankelijk kan worden aangemerkt. [geïntimeerde] is van oordeel dat het rapport van Knepper niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen, omdat hij bij zijn definitieve rapport niet als bijlage heeft gevoegd de bijlage die haar raadsman op 5 juni 2012 aan Knepper zond. Volgens [geïntimeerde] zijn partijen gebonden aan de rapporten van [deskundige 1] en [deskundige 2] . Daarom mogen in haar visie de rapportages van Knepper en Artoos niet zakken onder het niveau van hetgeen [deskundige 1] en [deskundige 2] hebben gerapporteerd. Ook gezien de uitspraak van het hof in het tussenarrest van 11 januari 2011 had Knepper ervan moeten uitgaan dat [geïntimeerde] enige beperking ondervindt in loonvormende arbeid. [geïntimeerde] is het inhoudelijk oneens met Knepper. Zij kan zich min of meer verenigen met het rapport van Artoos, maar zij is het niet eens met haar conclusie dat zij 0,9 uur huishoudelijke hulp nodig heeft. Zij kan zich verenigen met twee uur huishoudelijke hulp per week tot haar 70e jaar, ook voor het verleden.

12.7.1.

Het hof bespreekt eerst de bezwaren van [geïntimeerde] tegen het rapport van Knepper.

12.7.2.

[geïntimeerde] stelt dat het rapport van Knepper niet voldoet aan de eisen omdat Knepper aan zijn rapport niet het commentaar van [geïntimeerde] van 5 juni 2012 heeft toegevoegd. Zij stelt als productie dat commentaar op het concept nog eens aan het hof over te leggen. De bij haar memorie na deskundigenonderzoek gevoegde productie is kennelijk die bijlage, al staat daar geen datum op. De productie betreft het conceptrapport van Knepper van 29 december 2011, voorzien van tussen < > geplaatste opmerkingen, die kennelijk de op- en aanmerkingen van [geïntimeerde] vormen. Knepper heeft in zijn rapport (blz. 3) daarover het volgende vermeld:

Op 29.12.’11 zond ik haar ( [geïntimeerde] , toevoeging hof) het volledige conceptrapport met de vraag onjuiste feiten te corrigeren, desgewenst opmerkingen te maken en aan te geven of ze gebruik wilde maken van het blokkeringsrecht. Ze reageerde na een maand dat ze het rapport kwijt was. Daarop stuurde ik het haar opnieuw waarna ze weer een maand later enkele correcties aanbracht en opmerkingen maakt, die ik verwerkte. Daarna stuurde ik op 12.3.’12 beide advocaten het conceptrapport met het verzoek voor 20.4.’12 te reageren. Daarop ontving ik op 12.4.’12 een commentaar van de advocaat van de verzekeraar, dat in dit eindrapport werd bespoken en als bijlage is toegevoegd.

Het hof constateert dat het commentaar van [geïntimeerde] voornamelijk van feitelijke aard is en dat de door haar voorgestelde correcties grotendeels zijn overgenomen. Het hof acht daarom de vermelding door Knepper van het commentaar van [geïntimeerde] zoals hierboven aangehaald voldoende. Indien [geïntimeerde] inhoudelijk commentaar op het rapport zou hebben gehad of vragen naar aanleiding van het rapport, dan had haar advocaat op het – gecorrigeerde – conceptrapport kunnen reageren, nadat dat concept op 12 maart 2012 aan beide partijen was toegezonden. Aan partijen is daarvoor vijf weken (tot 20 april 2012) de tijd gegeven. Het hof gaat ervan uit dat Knepper in dat geval die reactie als bijlage bij het rapport zou hebben gevoegd, zoals hij dat ook heeft gedaan met de reactie van de advocaat van [Verzekeringen] . Niet is weersproken dat de advocaat van [geïntimeerde] niet binnen de gestelde termijn op het conceptrapport heeft gereageerd (blz. 13 van het rapport). Het hof concludeert dan ook dat het rapport voldoet aan de eisen van artikel 198 Rv.

12.7.3.

[geïntimeerde] maakt ook bezwaar tegen de inhoud van het rapport van Knepper. Zij stelt dat zowel [deskundige 1] als [deskundige 2] hebben geconcludeerd tot beperking in de loonvormende activiteiten van [geïntimeerde] en dat Knepper niet tot minder beperkingen mag besluiten dan deze deskundigen. Als Knepper dat wel doet, moeten [deskundige 1] en [deskundige 2] worden gevolgd, zo begrijpt het hof [geïntimeerde] .

12.7.4.

Het klopt dat [deskundige 1] heeft geconcludeerd tot enige beperking voor loonvormende arbeid, in die zin dat zware belasting van de nek- en schoudermusculatuur moet worden vermeden; ook dienen werkzaamheden waarbij frequent heen en weer bewegen van het hoofd een integrerend bestanddeel vormt te worden beperkt en het werken met lasten boven schouderhoogte. [deskundige 1] achtte een functionele invaliditeit van 1 % aanwezig. [deskundige 2] concludeerde tot beperkingen ten aanzien van bovenhandse werkzaamheden, bukken en langdurig handhaven van eenzelfde houding. Hij stelde een functionele invaliditeit voor van 1% op basis van de tendomyogeen bepaalde pijnklachten en 1% op basis van de aangegeven cognitieve functiestoornissen in de zin van geheugenproblematiek en inprentingszwakte.

12.7.5.

Het hof is van oordeel dat het rapport van Knepper niet in strijd is met de rapporten van [deskundige 1] en [deskundige 2] . Knepper concludeert immers ook dat er sprake is van lichte fysieke beperkingen. Hij is echter van mening dat die beperkingen onvoldoende aanleiding vormen om tot een arbeidsduurbeperking te concluderen. Daarbij is ook van belang dat er volgens Knepper geen psychische en cognitieve stoornissen bestaan, waardoor er in zijn visie geen beperkingen bestaan van persoonlijk of sociaal functioneren. Artoos heeft geconcludeerd dat de door Knepper vastgestelde beperkingen in de door [geïntimeerde] sinds 1984 vervulde functies nooit zijn overschreden. Zij acht die functies passend en is van mening dat [geïntimeerde] ze ook fulltime had kunnen verrichten. Met andere woorden: [geïntimeerde] heeft sinds het ongeval wel enige fysieke beperkingen, dat wil zeggen dat zij werkzaamheden die in het rapport genoemde fysieke inspanningen vergen niet zou kunnen verrichten, maar aan de feitelijk door haar vervulde functies staan die beperkingen niet in de weg, omdat die inspanningen voor die functies niet nodig zijn.

12.8.

[geïntimeerde] stelt dat niet moet worden uitgegaan van de door Artoos vastgestelde huishoudelijke behoefte van 0,9 uur per week, maar van 2 uur per week. Zij onderbouwt die stelling echter niet, zodat het hof daaraan voorbij gaat.

12.9.

De slotsom is dat het hof de bezwaren van [geïntimeerde] tegen de rapporten van Knepper en Artoos verwerpt. Het hof neemt daarom de conclusies van Knepper en Artoos over.

12.10.1.

Dat betekent dat het hof ervan uitgaat dat [geïntimeerde] op het moment van het onderzoek door Knepper geen beperkingen ondervond in loonvormende arbeid. Dat onderzoek vond plaats op 16 december 2011 en Knepper zond het conceptrapport op 29 december 2011 aan [geïntimeerde] . Het hof gaat er daarom vanuit dat er in elk geval geen beperkingen bestonden vanaf 1 januari 2012. Uit het rapport van Artoos blijkt dat het ook praktisch mogelijk zou zijn geweest voor [geïntimeerde] een fulltime functie te krijgen bij de gemeente. Weliswaar had [geïntimeerde] op 1 januari 2012 geen fulltime functie, omdat zij ervan uitging dat zij niet meer dan 24 uur per week kon werken, maar nu dat uitgangspunt feitelijk onjuist blijkt, dient die omstandigheid voor risico van [geïntimeerde] te blijven. Het hof is daarom van oordeel dat [geïntimeerde] geen verlies arbeidsvermogen heeft in elk geval vanaf 1 januari 2012.

12.10.2.

Knepper heeft in zijn antwoord op vraag b) aangegeven dat [geïntimeerde] in het verleden wel veel meer klachten had, die geleidelijk en grotendeels zijn verdwenen. In de jaren 2001 en 2002 was sprake van cognitieve klachten die volgens Knepper aannemelijk verband hielden met depressiviteit voorafgaand aan haar echtscheiding en hij beschrijft dat ook de nekklachten en hoofdpijnklachten weer nadrukkelijker naar voren kwamen. Het hof gaat er daarom van uit dat [geïntimeerde] in 2001 en 2002 en de voorafgaande jaren niet fulltime kon werken. Hoewel hierbij in de ogen van Knepper de persoonlijke omstandigheden van [geïntimeerde] , de echtscheiding, een rol spelen, dienen deze beperkingen naar het oordeel van het hof te worden toegerekend aan het ongeval, nu hier immers naar vaste jurisprudentie een ruime toerekening op haar plaats is en het hier gaat om een toename van klachten die door het ongeval waren veroorzaakt.

12.10.3.

Het hof constateert dat [geïntimeerde] in de inleidende dagvaarding heeft gesteld dat zij per 1 juli 2000 haar werkzaamheden heeft kunnen uitbreiden tot 16 uur per week, terwijl zij zonder ongeval 24 uur zou zijn gaan werken. Volgens [geïntimeerde] leed zij toen dus een verlies arbeidsvermogen van 8 uur per week. Zij heeft voorts gesteld dat zij vanaf 1 september 2001 zonder ongeval fulltime zou hebben gewerkt. Uit het rapport van Artoos blijkt dat een fulltime functie bij de gemeente Heerlen 36 uur per week betekent. Volgens [geïntimeerde] zou zij dus na 1 september 2001 een inkomensverlies van 36-16 = 20 uur per week hebben gehad. Met ingang van 1 januari 2005 is zij 24 uur per week gaan werken.

12.10.4.

Geen van partijen heeft zich uitgelaten over de vraag vanaf welk moment [geïntimeerde] in staat was fulltime te werken. Het hof zal partijen in de gelegenheid stellen hun standpunt daarover aan het hof kenbaar te maken. Eerst zal [Verzekeringen] zich bij akte hierover mogen uitlaten, daarna [geïntimeerde] . [geïntimeerde] dient niet alleen te stellen en te onderbouwen vanaf welk moment zij, met inachtneming van hetgeen het hof in rechtsoverwegingen 12.10.1 en 12.10.2 heeft overwogen, in staat was fulltime te werken, maar ook een berekening te maken, ingedeeld in perioden, van het door haar geleden verlies arbeidsvermogen, zowel wanneer de visie van [Verzekeringen] wordt gevolgd als wanneer haar visie wordt gevolgd, voor het geval beide standpunten niet gelijkluidend zijn. [Verzekeringen] zal vervolgens op de berekening van [geïntimeerde] mogen reageren.

12.11.1.

Ook met betrekking tot huishoudelijke hulp geldt dat [geïntimeerde] de eerste tijd na het ongeval meer behoefte had aan hulp dan nu. Artoos is uitgegaan van een behoefte van 0,9 uur per week. Zij heeft in haar rapport overwogen (pagina 39) dat de in het verleden door de Thuiszorg vastgestelde hulpbehoefte van 8 uur per week als waarschijnlijk moet worden gezien.

12.11.2.

In de conclusie van repliek randnummers 13 tot en met 34 heeft [geïntimeerde] haar behoefte aan huishoudelijke hulp becijferd. Zij ging uit van 8 uur per week tot en met april 2002 en 2 uur per week na mei 2002 tot haar 70e jaar.

12.11.3.

De rechtbank is in haar vonnis van 18 maart 2009 uitgegaan van 4 uur per week tot 2000 en 2 uur per week daarna totdat [geïntimeerde] 65 wordt.

12.11.4.

Het hof heeft in het tussenarrest van 11 januari 2011 overwogen (rechtsoverweging 4.10.1 tot en met 4.12) dat in 1996 en 1997 door Thuiszorg een indicatie is gegeven voor 8 uur huishoudelijke hulp per week en dat niet is gebleken dat dit met andere omstandigheden te maken had dan het ongeval. Het hof heeft verder geconstateerd dat partijen het eens zijn over het uurtarief, f 10,00 tot en met 2001 en € 10,00 daarna. Het hof heeft ook vastgesteld dat het zal uitgaan van hulp tot het 70e jaar van [geïntimeerde] . Het hof blijft bij deze uitgangspunten.

12.11.5.

Gezien de overweging in het tussenarrest en de opmerking van Artoos gaat het hof uit van een noodzaak voor huishoudelijke hulp van 8 uur per week voor 1996 en 1997. Het hof volgt voorts het rapport van Artoos, met dien verstande dat het, nu het in de praktijk niet mogelijk zal zijn een hulp in te huren voor 54 minuten, zal uitgaan van behoefte aan hulp van 1 uur per week tot het 70e levensjaar van [geïntimeerde] . Partijen hebben zich er niet over uitgelaten met ingang van welke data de afnemende behoefte aan hulp op het door Artoos genoemde aantal uren gesteld moet worden. Het hof zal partijen in de gelegenheid stellen hun standpunt daarover aan het hof kenbaar te maken. Eerst zal [Verzekeringen] zich bij akte hierover mogen uitlaten, daarna [geïntimeerde] . [geïntimeerde] dient vervolgens ook een berekening te maken, ingedeeld in perioden, van de som die benodigd is voor huishoudelijke hulp, zowel wanneer de visie van [Verzekeringen] wordt gevolgd als wanneer haar visie wordt gevolgd, voor het geval beide standpunten niet gelijkluidend zijn. [Verzekeringen] zal vervolgens op de berekening van [geïntimeerde] mogen reageren.

12.12.

Het hof zal de zaak verwijzen naar de rol voor een akte aan de zijde van [Verzekeringen] met de doeleinden als omschreven in rechtsoverwegingen 12.10.4 en 12.11.5. Voor het overige wordt iedere beslissing aangehouden.

13 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel

verwijst de zaak naar de rol van 14 mei 2013 voor akte aan de zijde van [Verzekeringen] ;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.M.A. de Groot-van Dijken, P.M. Huijbers-Koopman en H.A.W. Vermeulen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 16 april 2013.

griffier rolraadsheer