Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BZ1156

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-03-2012
Datum publicatie
18-02-2013
Zaaknummer
162 / 02-2012
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Afwijzing wrakingsverzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

meervoudige kamer voor de behandeling van een wrakingsverzoek

Registratienummer: 162 / 02-2012

Datum uitspraak: 6 februari 2012

BESLISSING

op het mondelinge verzoek als bedoeld in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering, in de zaak met parketnummer 20-002734-10 van:

Verzoeker,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adresgegevens]

hierna te noemen: “de verzoeker”,

strekkende tot wraking van mr. K. van der Meijde, raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Het procesverloop

Het wrakingsverzoek is door de verzoeker mondeling gedaan bij gelegenheid van het verhoor van [getuige 1] door de raadsheer-commissaris d.d. 6 februari 2012.

Bij ingezonden e-mailbericht d.d. 14 februari 2012 heeft verzoeker zijn wrakingsverzoek nader toegelicht.

Het hof heeft het wrakingsverzoek ter openbare terechtzitting van 29 februari 2012 behandeld.

Bij die gelegenheid heeft de verzoeker, vergezeld door zijn raadsman, mr. R.J.H. Corten, advocaat te Sittard, het wrakingsverzoek nader toegelicht.

Het hof heeft mr. Van der Meijde, ter terechtzitting aanwezig, in de gelegenheid gesteld het woord te voeren. Daarbij heeft hij verklaard niet in de wraking te willen berusten.

Ter terechtzitting is de advocaat-generaal mr. W.P.A. Korver in de gelegenheid gesteld zijn standpunt toe te lichten.

Het standpunt van verzoeker

Aan het verzoek tot wraking van de raadsheer-commissaris mr. Van der Meijde ligt het volgende ten grondslag.

Uit het proces-verbaal van de raadsheer-commissaris d.d. 6 februari 2012 van verhoor van [getuige 1] blijkt dat verzoeker, nadat de raadsheer-commissaris tegen verzoeker heeft gezegd dat hij, verzoeker, de verhoorruimte moest verlaten, heeft gewraakt onder de woorden: “Ik wraak u, ik heb geen vertrouwen meer in u”.

In zijn e-mail en bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft verzoeker medegedeeld dat het een opeenstapeling van incidenten is geweest tijdens een drietal verhoren op diezelfde dag die uiteindelijk hebben geleid tot het wrakingsverzoek.

Verzoeker heeft medegedeeld dat het wrakingsverzoek is gebaseerd op twee gronden:

1.

De raadsheer-commissaris heeft de schijn van partijdigheid gewekt door verzoeker tijdens de drie getuigenverhoren stelselmatig te beperken en te belemmeren in zijn ondervragingsrecht.

2.

De raadsheer-commissaris heeft de schijn van partijdigheid gewekt door tijdens een onderbreking, buiten gehoorsafstand van verzoeker en zijn raadsvrouwe, in amicale sfeer een gesprek te voeren met de drie als getuigen opgeroepen verbalisanten. Toen na deze onderbreking één van die verbalisanten op vragen van verzoeker regelmatig aangaf zich zaken niet te kunnen herinneren is, zo stelt verzoeker, bij hem het gerechtvaardigde vermoeden ontstaan dat dit te maken had met het “onderonsje” tussen de raadsheer-commissaris en de verbalisanten.

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het wrakingsverzoek dient te worden afgewezen, nu er naar zijn beleving geen sprake is geweest van beperking of belemmering van het ondervragingsrecht en er evenmin aanwijzingen zijn dat mr. Van der Meijde jegens de verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. De advocaat-generaal heeft verklaard dat hij de raadsheer-commissaris tijdens het eerste verhoor al had verzocht om verzoeker te verwijderen uit de verhoorruimte wegens wangedrag, maar dat de raadsheer-commissaris dit verzoek niet heeft gehonoreerd en al het mogelijke heeft gedaan om, binnen de vervelende sfeer die door toedoen van verzoeker tijdens de verhoren was ontstaan, verzoeker niettemin zoveel mogelijk ruimte te bieden om zijn vragen te stellen.

Het standpunt van mr. Van der Meijde:

Mr. Van der Meijde heeft aangegeven dat verzoeker al bij het begin van de verhoren uiterst aanvallend en agressief naar [getuige 2] toe was. Hij heeft verzoeker herhaaldelijk gevraagd om zijn vragen niet rechtstreeks aan de getuige, maar via hem, de raadsheer-commissaris, te stellen. Hij heeft verzoeker niet belet om vragen te stellen. Hij heeft wel gezegd dat verzoeker het zakelijk moest houden. Tijdens het eerste verhoor van die dag heeft hij een verzoek van de advocaat-generaal om verzoeker te verwijderen geweigerd, maar verzoeker wel al een waarschuwing gegeven dat hij zou worden verwijderd als hij zich zo zou blijven gedragen. Toen tijdens het verhoor van [getuige 1] verzoeker tegen de getuige zei dat hij een crimineel was heeft hij verzoeker laten verwijderen.

Met betrekking tot het gesprek met de politieagenten op de gang, heeft mr. Van der Meijde verklaard dat hij inderdaad met hen heeft gesproken om uit te leggen dat de verhoren waren uitgelopen. Deze politieagenten waren opgeroepen tegen 11.00 uur en het was inmiddels 14.30 uur. Ook heeft hij, na kort overleg met hen, met hen afgesproken dat verbalisant [getuige 1] het beste als eerste gehoord kon worden. Aan het begin van het volgende verhoor heeft mr. Van der Meijde uitgelegd aan de advocaat-generaal en de verdediging wat hij met deze getuigen heeft besproken.

Mr. Van der Meijde heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.

De inhoudelijke beoordeling van het verzoek

De wrakingskamer stelt voorop dat, bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van een rechter, als uitgangspunt heeft te gelden dat een rechter uit hoofde van zijn ambt moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens één van partijen een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

Uit de processen-verbaal van de raadsheer-commissaris d.d. 6 februari 2012 van verhoor van de getuigen [getuige 2] (10.00 – 12.00 uur), [getuige 3] (12.20 – 13.50 uur) en [getuige 1] (14.40 – 16.00 uur) blijkt dat er tijdens de verhoren een cumulatie is geweest van spanning en stress. Tijdens het verhoor van [getuige 1] heeft de raadsheer-commissaris, nadat verzoeker tegen de getuige schreeuwde: “Jij bent een crimineel”, tegen verzoeker heeft gezegd dat hij, verzoeker, de verhoorruimte moest verlaten. Vervolgens is verzoeker tegen de raadsheer-commissaris gaan schreeuwen en vloeken en heeft verzoeker de raadsheer-commissaris gewraakt onder de woorden: “Ik wraak u, ik heb geen vertrouwen meer in u”.

Ook blijkt uit genoemde processen-verbaal dat de raadsheer-commissaris verzoeker er regelmatig op heeft gewezen zijn vragen zakelijk en via de raadsheer-commissaris te stellen. Tijdens het verhoor van [getuige 2] heeft de raadsheer-commissaris, nadat de advocaat-generaal verzocht had om verzoeker te verwijderen, verzoeker gewaarschuwd. Ook heeft de raadsheer-commissaris uitgelegd wat het recht van verzoeker bij de ondervraging van getuigen inhoudt. Zoals ook door de advocaat-generaal aangegeven stelt de wrakingskamer vast dat de raadsheer-commissaris verzoeker de kans heeft gegeven om op een juiste wijze gebruik te maken van zijn ondervragingsrecht.

De wrakingskamer stelt voorop dat een verhoor van getuigen is bedoeld om vragen aan de getuigen te stellen. Het betwisten van deze verklaringen hoort niet in een verhoor thuis. Uit de gang van zaken zoals die blijkt uit de processen-verbaal van de raadsheer-commissaris, heeft mr. Van der Meijde in overeenstemming met het wettelijk systeem en met zijn taak als raadsheer-commissaris getracht de getuigenverhoren in goede banen te leiden. Niet is gebleken dat mr. Van der Meijde verzoeker zodanig heeft belet vragen te stellen dat daaruit kan worden afgeleid dat hij heeft gehandeld in strijd met deze taak. Naar het oordeel van de wrakingskamer valt niet in te zien dat uit deze gang van zaken zou blijken van een aanwijzing voor het oordeel dat mr. Van der Meijde jegens de verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

Met betrekking tot het gesprek dat de raadsheer-commissaris heeft gehad met de als getuigen opgeroepen politieagenten overweegt de wrakingskamer als volgt.

Uit hetgeen bij de mondelinge behandeling is gebleken heeft de raadsheer-commissaris slechts contact gehad met de getuigen in verband met het uitlopen van de verhoren en een efficiënte planning van de nog geplande verhoren, dus enkel op procedureel – en niet op inhoudelijk niveau. De raadsheer-commissaris heeft bij voortzetting van de verhoren de strekking van dat gesprek aan verzoeker medegedeeld. Het enkele feit dat de raadsheer-commissaris de verdediging niet bij het gesprek heeft betrokken, rechtvaardigt niet de stelling van verzoeker dat er daardoor een schijn van partijdigheid is ontstaan. Naar het oordeel van de wrakingskamer valt ook met betrekking tot deze omstandigheid niet in te zien dat dit een aanwijzing oplevert voor het oordeel dat mr. Van der Meijde jegens de verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

Uit het voorgaande volgt dat het verzoek tot wraking van mr. Van der Meijde moet worden afgewezen.

B E S L I S S I N G

Het hof:

wijst het verzoek tot wraking af;

bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek;

beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan de verzoeker, zijn raadsman, de advocaat-generaal en de raadsheer-commissaris mr. K. van der Meijde.

Aldus gedaan in raadkamer door mr. W.H.B. den Hartog Jager, voorzitter, mr. J.W.J. Huige en

mr. O.M.J.J. van de Loo, leden, in tegenwoordigheid van mw. C.M. Sweep, als griffier.

Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2012 en door de voorzitter en de griffier ondertekend.