Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BZ1135

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-12-2012
Datum publicatie
08-02-2013
Zaaknummer
HV 200.112.069
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Europese procedure voor geringe vorderingen (Vo EG nr. 261/2004).

Strekking art. 2 lid 2 Uitvoeringswet.

Memorie van toelichting (K.31596).

Appel tegen beschikking rechtbank niet-ontvankelijk.

Beroep doorbrekingsjurisprudentie HR faalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TvC 2013, afl. 6, p. 293, m.nt. mr. M. Zilinsky
NJF 2014/82

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Uitspraak: 13 december 2012

Zaaknummer: HV 200.112.069/01

Zaaknummer eerste aanleg: 223671/11-2888

in de zaak in hoger beroep van:

Ryanair Ltd,

gevestigd te [vestigingsplaats], Ierland,

appellante,

hierna te noemen: Ryanair,

advocaat: mr. C.L.R. Beernink,

tegen

[X.],

wonende te [woonplaats],

verweerder,

hierna te noemen: [geintimeerde].

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Middelburg, sector kanton, locatie Middelburg van 21 juni 2012.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 17 augustus 2012, heeft Ryanair verzocht:

a. voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de onbevoegdheid van de kantonrechter te Middelburg om van het geschil kennis te nemen uit te spreken;

b. [geintimeerde] te veroordelen in de kosten van dit geding, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van de bestreden beschikking en, voor het geval voldoening niet binnen veertien dagen na dagtekening van de bestreden beschikking plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na dagtekening van de bestreden beschikking tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede [geintimeerde] te veroordelen in de nakosten met een bedrag van € 131,-- dan wel, indien betekening plaatsvindt, met een bedrag van € 199,-- en de eventuele verdere executiekosten.

2.2. [geintimeerde] heeft geen verweerschrift ingediend.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de brief van de advocaat van Ryanair d.d. 21 september 2012;

- de brief met bijlagen van [geintimeerde] d.d. 8 november 2012.

2.4. Op basis van de inhoud van voormelde brieven heeft de mondelinge behandeling, die was gepland op 14 november 2012, geen doorgang gevonden.

3. De beoordeling

3. Bij de bestreden beschikking, heeft de kantonrechter, onder handhaving van hetgeen is overwogen en beslist bij tussenbeschikking van 27 oktober 2011, in het incident geoordeeld dat, kort samengevat, de Nederlandse rechter bevoegd is van het geschil kennis te nemen, dat Ryanair in elk geval geen rechtens te beschermen belang heeft bij de door haar ingeroepen onbevoegdheid van de Nederlandse rechter (ten faveure van de Ierse rechter) en dat de rechten van Ryanair niet worden geschaad met een behandeling van de door [geintimeerde] aanhangig gemaakte zaak door de Nederlandse rechter. In feite, aldus de kantonrechter in de beschikking waarvan beroep, komt het betoog van Ryanair er op neer dat zij de kleine consument die zijn recht zoekt, wil frustreren in de procesgang, hetgeen de kantonrechter niet zal honoreren. De incidentele vordering is dan ook afgewezen.

3.1. Ryanair kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. Teneinde de ontvankelijkheid van het door haar ingestelde hoger beroep te onderbouwen beroept Ryanair zich er onder meer op dat het rechtsmiddelenverbod niet ziet op de door de kantonrechter gegeven beschikking in het bevoegdheidsincident. Indien dit namelijk wel zo zou zijn, zou, aldus Ryanair dit immers betekenen dat tegen een inhoudelijk onjuiste beschikking als de onderhavige, geen beroepsmogelijkheid openstaat.

3.2.. [geintimeerde] heeft het hof in zijn brief meegedeeld geen verweerschrift als bedoeld in de wet te hebben ingediend omdat het door Ryanair ingestelde hoger beroep hem voor hoge advocaatkosten stelt, terwijl hij in het kader van de door hem geëntameerde Europese procedure juist een laagdrempelige vordering beoogde in te stellen.

4. Het hof overweegt het volgende.

4.1. Voordat het kan toekomen aan een meer inhoudelijke beoordeling van het door Ryanair ingestelde hoger beroep, zal het hof eerst de vraag dienen te beantwoorden of Ryanair in het door haar ingestelde hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Middelburg, sector kanton, locatie Middelburg, van 21 juni 2012, kan worden ontvangen.

4.2. Uit de gedingstukken, zoals aan het hof overgelegd, blijkt dat [geintimeerde] van Ryanair een financiële compensatie vordert krachtens de Verordening EG nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 295/91. Daarbij gaat het om een bedrag van in totaal € 1.039,74.

4.3. Met het oog op bovenbedoelde vordering, heeft [geintimeerde] op 18 juli 2011 Ryanair opgeroepen voor de rechtbank Middelburg, sector kanton, locatie Middelburg. Daartoe heeft [geintimeerde] gebruik gemaakt van de (facultatieve) mogelijkheden die de Verordening (EG) nr. 861/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen, hierna: de EPG-Verordening, biedt. Deze verordening strekt ertoe om te komen tot een vereenvoudiging en bespoediging van procedures in grensoverschrijdende zaken voor zover het geringe vorderingen betreft, dat wil zeggen vorderingen in het kader van burgerlijke en handelszaken (in de zin van artikel 2 EPG-Verordening) waarvan de waarde, exclusief rente, kosten en uitgaven niet meer bedraagt dan € 2.000,-. Daarbij dient bedacht te worden dat grensoverschrijdend procederen vaak gecompliceerd, tijdrovend en kostbaar is, ook in zaken waarin de waarde van de vordering relatief gering is. Door de EPG-Verordening nu kan de procesvoering in het kader van geringe consumenten- en commerciële vorderingen worden vereenvoudigd en bespoedigd en de kosten van de procedure worden verminderd. Met het oog hierop voorziet de EPG-Verordening onder meer in (meertalige) standaardformulieren ten behoeve van de aanlegger van het geding zonder dat bijstand van een advocaat is vereist. Ook [geintimeerde] heeft in eerste aanleg deze weg bewandeld.

4.4. De uitwerking van de EPG-Verordening is aan het nationale recht van de lidstaten overgelaten. Nederland heeft deze nadere uitwerking gegeven in de Wet van 29 mei 2009 tot uitvoering van verordening (EG) nr. 861/2007 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 11 juli 2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen (PbEU L 199), hierna: Uitvoeringswet EPGV (Stb. 2009, 234) Deze wet bepaalt onder meer welke rechter bevoegd is kennis te nemen van een verzoek in het kader van de EPG-Verordening. Hieraan vooraf gaat de vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt voor een verzoek in het kader van de EPG-Verordening. Nu de EPG-Verordening dienaangaande geen regeling bevat, zal de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter op basis van andere, Nederland bindende, regels dienen te worden vastgesteld. Naar de stand van het huidige recht zal de rechtsmacht aan de hand van de zogeheten EEX-Verordening/Brussel I-Verordening dienen te worden vastgesteld.

4.5. Wat betreft de mogelijkheid van rechtsmiddelen tegen een in een Europese procedure voor geringe vorderingen gegeven beslissing, bepaalt artikel 17 EPG-Verordening dat het toepasselijke nationale procesrecht bepaalt of beroep openstaat. Blijkens artikel 2 lid 2 Uitvoeringswet EPGV is, wat Nederland betreft, geen hoger beroep mogelijk. Wel is het binnen de door artikel 2 lid 3 Uitvoeringswet juncto artikel 80 Wet op de Rechterlijke Organisatie, hierna: RO, getrokken grenzen mogelijk beroep in cassatie in te stellen tegen een beslissing in het kader van of in verband met de EPG-Verordening. Hieraan liggen, blijkens de parlementaire geschiedenis van de Uitvoeringswet EPGV (Kamerstukken 31596), onder meer de hiernavolgende motieven ten grondslag.

4.6. Blijkens de Memorie van Toelichting bij artikel 2 Uitvoeringswet EPG-Verordening (Kamerstukken 31596, nr. 3) is reden voor het appelverbod dat de vordering beoogt om voor geschillen met een gering financieel belang een eenvoudige rechtsgang te creëren, die qua kosten in verhouding staat tot dit belang. Tegen deze achtergrond weegt het betrekkelijk geringe financiële belang van een vordering als bedoeld in de EPG-Verordening niet op tegen de tijd en de kosten die gemoeid zijn met de behandeling van een dergelijke vordering in hoger beroep. De vordering in het kader van een procedure op grond van de EPG-Verordening bedraagt ten hoogste € 2.000,-. (exclusief rente en kosten). Gerelateerd aan de appelgrens in “gewone” kantonzaken die op € 1.750,- ligt (vgl. artikel 332 lid 1 Rv) is het verschil dermate gering, dat dit niet de ingewikkelde situatie rechtvaardigt om in het kader van procedures op grond van de EPG-Verordening voor vorderingen tussen € 1750,- en € 2.000,- wel hoger beroep open te stellen, maar daarentegen niet voor vorderingen onder € 1.750,-. Daarbij ligt het, aldus nog steeds de Memorie van Toelichting bij artikel 2 Uitvoeringswet EPG-Verordening, in de rede dat de zogenoemde doorbrekingsjurisprudentie van de Hoge Raad niet van toepassing is op het appelverbod in artikel 2 lid 2, nu dit verbod het geringe financiële belang als achtergrond heeft (vgl. HR 16 maart 2007, NJ 2007, 637).

4.6.1. De uitsluiting van het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter vormde voor een aantal leden van de vaste commissie voor Justitie die belast was met het voorbereidend onderzoek van het voorstel van de Uitvoeringswet EPG-Verordening, reden om hierover vragen aan de Minister van Justitie te stellen (Kamerstukken 31596, nr. 6, blz. 3). De betrokken leden hadden begrip voor het kostenaspect, doch zij vroegen zich af hoe deze keuze zich verhield tot de algemeen heersende opvatting dat iedere rechtszoekende het recht moet hebben op een behandeling van zijn zaak bij een tweede feitelijke instantie.

4.6.2. De Minister van Justitie heeft in zijn nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken 31596, nr. 7) hierop, kort samengevat, geantwoord, dat de belangrijkste overweging voor uitsluiting van hoger beroep in verband met de EPG-Verordening is dat aansluiting is gezocht bij de interne regeling van hoger beroep die hoger beroep uitsluit tegen uitspraken over vorderingen met een belang van minder dan € 1.750,-. In zoverre vindt, aldus de Minister van Justitie, de “algemeen heersende opvatting” over het recht op twee feitelijke instanties geen steun in de Nederlandse wettelijke regeling van het hoger beroep.

4.7. Naar het oordeel van het hof volgt uit bovenstaande parlementaire geschiedenis dat de wetgever er welbewust voor heeft gekozen om op grond van artikel 2 lid 2 Uitvoeringswet EPG-Verordening de mogelijkheid van hoger beroep uit te sluiten zonder dat daarbij een beroep op de doorbrekingsjurisprudentie van de Hoge Raad kan worden gedaan. De omstandigheid dat, zoals door Ryanair in appel is betoogd, het rechtsmiddelenverbod expliciet ziet op de eindbeschikking maar niet op de beschikking in het opgeworpen bevoegdheidsincident, kan hieraan, gelet op het principiële en algemene uitgangspunt van de wetgever, naar het oordeel van het hof niet afdoen. Daarbij dient tevens bedacht dat het de strekking van de EPG-Verordening, waarvan de Uitvoeringswet EPG-Verordening de resultante vormt, is om de procesvoering in geringe consumenten- en commerciële vorderingen in grensoverschrijdende zaken te vereenvoudigen, te bespoedigen en om de kosten van de procedure te verminderen. Dergelijke argumenten gelden uiteraard ook indien het om de vraag gaat of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft. Sterker nog: door aan te nemen dat afzonderlijk beroep mogelijk is tegen een beschikking in een opgeworpen bevoegdheidsincident hangende een procedure in eerste aanleg, wordt de procedure in voorkomend geval verre van bespoedigd en vereenvoudigd en zullen de kosten mogelijk toenemen. Het kostenaspect vormde voor [geintimeerde] ook de reden om in hoger beroep niet een verweerschrift in te dienen in welk verband hij er in zijn brief van 14 september 2012 (dat geen processtuk in eigenlijke zin is) nog op wijst een Europese procedure voor geringe vorderingen te zijn gestart omdat dit een laagdrempelige procedure is voor een consument om te krijgen waar hij recht op heeft.

4.8. Ryanair gaat er in haar hoger beroep aan voorbij dat tegen het oordeel of de Nederlandse rechter in dezen rechtsmacht bezit, slechts beroep in cassatie openstaat. Ingevolge artikel 2 lid 3 Uitvoeringswet EPG-Verordening is artikel 80 Wet RO immers van overeenkomstige toepassing. Blijkens artikel 80 lid 1 Wet RO kan tegen een vonnis of een beschikking van een kantonrechter in een burgerlijke zaak waartegen geen hoger beroep kan of kon worden ingesteld onder meer beroep in cassatie worden ingesteld wegens onbevoegdheid of overschrijding van rechtsmacht. In de Memorie van Toelichting op de Uitvoeringswet EPG-Verordening (Kamerstukken 31596, nr. 3, blz. 8) wordt benadrukt dat ook beslissingen van de kantonrechter op een Europese geringe vordering (waarbij door de wetgever geen onderscheid naar gelang het soort van beslissing werd gemaakt) onder het toepassingsbereik van artikel 80 Wet RO vallen. Van overschrijding van rechtsmacht is, indachtig zowel de betekenis die deze uitdrukking in het internationaal privaatrecht heeft als de voortschrijdende internationalisering van de samenleving, ook sprake indien de rechter in grensoverschrijdende zaken de door supranationale en nationale regelingen getrokken grenzen is te buiten gegaan. De stelling van Ryanair dat indien de rechtbank Middelburg de geldende bevoegdheidsregels had gevolgd zij zou hebben vastgesteld dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is van het geschil kennis te nemen, kan hieronder worden begrepen.

4.9. Tot slot verdient het nog opmerking dat juist omdat op grond van artikel 80 Wet RO in bepaalde gevallen beroep in cassatie mogelijk is, uitsluiting van doorbreking van de appelgrens van artikel 332 lid 1 Rv in beginsel aanvaardbaar wordt geacht. Daarbij komt nog dat, wil de regeling in de praktijk niet averechts uitpakken, niet voorbij kan worden gegaan aan de strekking van EPG-verordening en daarmee aan de onderliggende bedoelingen van de Europese wetgever.

5. Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat Ryanair in haar hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Middelburg, sector kanton, locatie Middelburg, van 21 juni 2012 niet-ontvankelijk is.

6. Ryanair wordt veroordeeld in de proceskosten van dit hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [geintimeerde] worden begroot op nihil.

4. De beslissing

Het hof:

verklaart Ryanair niet-ontvankelijk in het door haar ingestelde beroep tegen de beschikking van de rechtbank Middelburg, sector kanton, locatie Middelburg, van 21 juni 2012;

veroordeelt Ryanair in de proceskosten van dit hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [geintimeerde] worden begroot op nihil;

wijst af het anders of meer verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. L.Th.L.G. Pellis, E.A.G.M. Waaijers en G. Feddes en in het openbaar uitgesproken op 13 december 2012.