Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BY7595

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-12-2012
Datum publicatie
02-01-2013
Zaaknummer
20-001908-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overval op een boekhandel. Gebruik voor het bewijs van camerabeelden van nabijgelegen winkel. Vereiste van een vordering ex art. 126nd Sv. Uitleg van het begrip “verstrekken” van gegevens in art. 126nd Sv in het licht van de Wet bescherming persoonsgegevens. Aan een verzoek van de politie om camerabeelden van een beveiligingscamera in een winkel te mogen bekijken, moet - evenals aan een verzoek tot het feitelijk ter beschikking stellen van camerabeelden, bijvoorbeeld op een gegevensdrager zoals een cd - een vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 126nd Sv ten grondslag liggen. Een dergelijke vordering is echter niet vereist indien degene die verantwoordelijk is voor de beelden, die beelden eigener beweging en op vrijwillige basis aan de politie heeft getoond. In dit geval heeft de filiaalleidster van de winkel de beelden niet uit eigen beweging (op eigen initiatief, spontaan) getoond, maar op initiatief van de politie. Het ontbreken van een vordering ex art. 126nd Sv levert daarom een vormverzuim ex art. 359a Sv op. Dit leidt echter niet tot bewijsuitsluiting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2013/52

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-001908-12

Uitspraak : 21 december 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 15 mei 2012 (LJN BW5612) met parketnummer 01-825041-12 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf onder parketnummer 20-001768-09, in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren te Eindhoven op [1966],

thans verblijvende in PI Limburg Zuid - Gev. De Geerhorst te Sittard.

Hoger beroep

Bij het beroepen vonnis is de verdachte ter zake van - kort gezegd - diefstal met bedreiging met geweld (artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht) veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van voorarrest. Voorts werd de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf van een jaar gelast.

De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 10 december 2012, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 1 mei 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, overeenkomstig de beslissing van de rechtbank de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van voorarrest en de gehele tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf onder parketnummer 20-001768-09 zal gelasten.

Door en namens de verdachte is vrijspraak en afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging bepleit. De raadsman heeft subsidiair een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof komt tot een andere bewijsvoering dan de rechtbank en voorts tot een anders gemotiveerde verwerping van het hierna te noemen verweer van de raadsman strekkende tot bewijsuitsluiting.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 31 december 2011 te Eindhoven met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid geld (tussen de 300 en 400 euro) en/of een aantal kortingsbonnen van de Volkskrant en/of het Algemeen Dagblad, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [boekhandel] (een boekhandel gevestigd aan de Strijpsestraat), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte:

- die [slachtoffer] de woorden heeft toegevoegd "La open, la open" en/of

- een mes te voorschijn heeft gehaald en/of daarbij (nogmaals) die [slachtoffer] de woorden heeft toegeroepen "La open la open".

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna opgenomen bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

De daarbij vermelde pagina’s verwijzen naar de paginanummering van het einddossier van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, Gezamenlijke Recherche, betreffende onderzoek Stepperund, dossiernummer 2011194488, sluitingsdatum 31 januari 2012, met bijlagen, doorgenummerde pagina’s 1-93.

1.

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 december 2011, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant [V1] (pag. 19-20):

Op zaterdag 31 december 2011 was ik belast met de directe noodhulp. Omstreeks 11.10 uur hoorde ik via de portofoon de melding dat er enkele minuten geleden een vrouw was beroofd op de Strijpsestraat te Eindhoven. Ik ben naar de plaats van de overval gegaan. Op de Strijpsestraat ben ik verwezen naar boekhandel “[boekhandel]”. Daar ben ik naar binnen gegaan. De vrouw achter de toonbank bleek aangeefster [slachtoffer] te zijn. Ik hoorde [slachtoffer] een signalement geven van de man die haar had overvallen. Toen ik haar complimenteerde over het duidelijke signalement, hoorde ik [slachtoffer] zeggen dat zij dit had geleerd tijdens een overvalcursus. Ik hoorde dat [slachtoffer] het volgende signalement opgaf:

- blanke man;

- 1.80 à 1.85 meter lang;

- stevig, gespierd postuur;

- kortgeschoren donker haar [het hof neemt aan, gelet op de aangifte van [slachtoffer] (bewijsmiddel 2), dat [slachtoffer] heeft gezegd: kortgeschoren donker haar aan de zijkanten van zijn hoofd];

- man droeg een paars fleecevest en een blauwe spijkerbroek;

- geen gezichtsbeharing, tatoeages of andere opvallende kenmerken.

Later ben ik met twee collega’s naar winkels in de omgeving van de boekhandel gegaan om te vragen of er mogelijk camerabeelden waren van de overval of van de dader. Bij de Kruidvat en een restaurant waren camerabeelden van een man die volledig voldeed aan het door [slachtoffer] gegeven signalement.

2.

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 31 december 2011, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als op die datum te 13.30 uur afgelegde verklaring van aangeefster [slachtoffer] (pag. 16-18):

Op zaterdag 31 december 2011 was ik aan het werk in mijn winkel genaamd [boekhandel] gevestigd aan de Strijpsestraat 135 te Eindhoven. Omstreeks 11.00 uur verscheen er een voor mij onbekende manspersoon in mijn winkel. Ik zag dat de voor mij onbekende manspersoon meteen naar de kassa liep waar ik op dat moment stond. Ik hoorde de voor mij onbekende manspersoon tegen mij het volgende zeggen: “La open la open”. Vervolgens heb ik de la van de kassa geopend en heb ik meteen de kassa weer gesloten. Dit was een reflexbeweging. Vervolgens antwoordde ik tegen de onbekende manspersoon: “Ik doe de la van de kassa niet open”. Hierop ben ik met mijn linkerarm over de kassa gaan leunen. Deze

beweging maakte ik omdat ik nogmaals duidelijk wilde maken dat het mijn kassa en mijn geld was en dat de onbekende manspersoon hier vanaf moest blijven. Ik zag dat de onbekende manspersoon vervolgens een mes te voorschijn haalde. Gezien het postuur en het mes wat de onbekende manspersoon te voorschijn haalde, voelde ik me bedreigd door deze man. Het lemmet van het mes was ongeveer 20 à 25 centimeter lang en 4 à 5 centimeter breed. Het betrof een zilverkleurig lemmet. De afstand tussen mij en de onbekende manspersoon was op het moment dat hij het mes te voorschijn haalde ongeveer een halve meter. Hierop hoorde ik de onbekende manspersoon weer tegen mij zeggen: “La open la open”. Hij riep deze woorden echt naar mij. Ik kreeg het gevoel dat de onbekende manspersoon hetgeen hij zei echt meende. Hierop heb ik geprobeerd de kassa weer te openen, echter dit lukt mij niet. Ik zag dat de onbekende manspersoon zich voorover in mijn richting boog. Ik zag en hoorde dat de onbekende manspersoon ook op de knoppen van de kassa aan het drukken was. Hij wilde zelf de kassalade openen. Ik zag vervolgens dat de kassalade open sprong. Ik zag dat de onbekende manspersoon met zijn linkerhand een greep deed in de kassalade. Ik zag dat de onbekende manspersoon alleen coupures van 10 en 20 euro uit de kassalade wegnam, samen met kortingsbonnen van de Volkskrant en het Algemeen Dagblad. Ik denk dat de onbekende manspersoon tussen de 300 en 400 euro heeft weggenomen.

Signalement van de onbekende manspersoon:

- stevige man;

- rond de 1.85 lang;

- 40 à 45 jaar oud;

- kaal op zijn hoofd en aan de zijkanten van zijn hoofd gemillimeterd haar;

- droeg een lila kleurig fleecejack;

- blauwe spijkerbroek.

3.

Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 31 december 2011, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als op die datum te 11.15 uur afgelegde verklaring van [getuige] (pag. 12):

Vandaag, 31 december 2011, liep ik omstreeks 11.00 uur op de Strijpsestraat te Eindhoven langs de boekhandel “[boekhandel]” en ik zag een man met iets dat lang was en metaalachtig in zijn hand de boekhandel uit rennen. Ik zag dat achter de man de eigenaresse van de boekhandel naar buiten kwam. Ik hoorde haar zeggen ‘daarheen’ en ik zag haar wijzen in de richting van de man. Ik zag dat de man wegfietste.

De man kan ik als volgt omschrijven:

- een blanke man;

- ongeveer 1.80 meter lang;

- ongeveer 45 jaar oud;

- stevig postuur;

- paarse fleecetrui.

Later hoorde ik van de eigenaresse van de boekhandel dat zij door die man was overvallen.

4.

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 januari 2012, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisanten [V2], [V3] en [V1] (pag. 22-23):

Op 31 december 2011 omstreeks 11.45 uur hebben wij, verbalisanten, een buurtonderzoek ingesteld. Daarbij hebben wij de winkels bezocht op de Strijpsestraat te Eindhoven. Dit in verband met een overval die kort daarvoor had plaatsgevonden op de Strijpsestraat 135 te Eindhoven.

Bij de Kruidvat, gevestigd aan de Strijpsestraat 202 te Eindhoven, sprak ik, verbalisant [V2], filiaalleidster [B]. Ik vroeg haar of er in de Kruidvat beelden aanwezig waren die zicht hebben op de openbare weg voor de winkel. Ik hoorde [B] zeggen: “Er zijn beelden van de in- en uitgang.” Ik gaf de tijden door waartussen de overval had plaatsgevonden. [B] startte de camera’s. Direct zag ik een manspersoon op de camera’s die exact voldeed aan het signalement van de overvaller. Ik zag een grote blanke man, kalend, breed postuur, paars vest en een spijkerbroek. [B] bood aan om de beelden te branden. De Gezamenlijk Recherche heeft deze beelden meegenomen.

Bij het restaurant “[eetgelegenheid]”, gevestigd aan de Strijpsestraat 200-A te Eindhoven, sprak ik, verbalisant [V3], dhr. [M]. Hij vertelde mij dat hij camera’s had waar de overvaller misschien op te zien is. Dhr. [M] startte de beelden. Daarop zagen wij, verbalisanten [V3], [V1] en [V2], dat er een man, die voldeed aan het signalement, kort voor de overval aan kwam fietsen vanuit de richting van het Trudoplein te Eindhoven. Wij zagen dat de man zijn fiets parkeerde en vervolgens de Kruidvat binnenliep. Even later zagen wij, verbalisanten, dat hij zijn fiets pakte, opstapte, en de straat overstak. Aan de overzijde van de straat is ‘[boekhandel]’ gevestigd, waar de overval niet veel later plaatsvond.

5.

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 januari 2012, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant [V4] (pag. 41):

Vandaag, dinsdag 31 januari 2012, kwamen de camerabeelden van eetgelegenheid “[eetgelegenheid]”, gelegen aan de Strijpsestraat 200-A te Eindhoven, tot mijn beschikking. Deze beelden waren met twee verschillende camera’s vastgelegd. Een van deze camera’s, die ik hierna camera 1 zal noemen, stond gericht vanaf de voorpui van “[eetgelegenheid]” in de richting van het Trudoplein te Eindhoven. De andere camera, die ik hierna camera 2 zal noemen, stond gericht vanaf de voorpui van “[eetgelegenheid]” in de richting van de Beukenlaan/Botenlaan te Eindhoven. De camerabeelden die met deze camera’s werden vastgelegd lopen dus in feite in elkaar over.

Op de camerabeelden van camera 1 zag ik dat op zaterdag 31 december 2011, omstreeks 10.49 uur, een persoon in beeld komt op een fiets, vanuit de richting van het Trudoplein te Eindhoven. Deze persoon draagt een lila-/paarskleurig(e) vest/jas/trui. Ik zag dat deze persoon zich verplaatste in de richting van “[eetgelegenheid]” en ik zag tevens dat deze persoon daardoor steeds duidelijker in beeld kwam. Ik zag dat deze persoon een manspersoon betrof, dat deze man een lila-/paarskleurig vest droeg, dat deze persoon een nagenoeg kaal hoofd had en een stevig postuur en dat deze man zich verplaatste op een fiets.

Op de camerabeelden van camera 2 zag ik dat de man voorbij “[eetgelegenheid]” fietste en dat hij vervolgens voor de, naast “[eetgelegenheid]” gelegen, Kruidvat stopte en van zijn fiets afstapte.

6.

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 januari 2012, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant [V5] (pag. 29):

Op zaterdag 31 december 2011 nam ik een aangifte op van aangeefster aan het hoofdbureau van politie te Eindhoven [hof: dit is de aangifte gedaan op 31 december 2011, 13:30 uur, bewijsmiddel 2]. Aangeefster deed aangifte van een gewapende overval op haar lectuurwinkel genaamd [boekhandel] gevestigd aan de Strijpsestraat 135 te Eindhoven.

Tijdens het opnemen van de aangifte toonde ik aangeefster een foto. Op deze foto is een op dat moment nog onbekende manspersoon te zien welke voldeed aan het signalement zoals aangeefster had opgegeven. Deze foto is gemaakt met een mobiele telefoon van bewakingsbeelden. Deze bewakingsbeelden zijn opgenomen bij het Kruitvat welke ook gevestigd is aan de Strijpsestraat te Eindhoven. Op mijn vraag of de man op de getoonde foto de overvaller was welke enkele uren eerder die dag haar lectuurwinkel had overvallen hoorde ik de aangeefster volmondig zeggen: “Ja, dat is hem!”

7.

Een proces-verbaal (ambtelijk verslag einddossier) d.d. 31 januari 2012, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant [V4] (pag. 7):

De camerabeelden van Kruidvat werden getoond in een televisie-uitzending van Bureau Brabant, van Omroep Brabant, op maandag 16 januari 2012.

8.

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 januari 2012, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant [V6] (pag. 54):

Op dinsdag 17 januari 2012 werd ik gebeld door het RCIC van de Politie Brabant Zuid-Oost. Zij verbonden mij door met een persoon die zich [verdachte] noemde. [verdachte] vertelde het volgende tegen mij: [verdachte] was de hele dag door personen uit zijn omgeving aangesproken dat hij wel erg veel leek op de camerabeelden welke vertoond waren tijdens de televisie-uitzending van Bureau Brabant op maandag 16 januari 2012.

Ik hoorde [verdachte] zeggen: “Ik heb de beelden ook bekeken en ik moet zeggen dat ik er heel erg veel op lijk.”

[verdachte] vertelde dat hij in een woongroep woont op het adres [adres] te Eindhoven. Deze woongroep is onderdeel van Stichting [stichting], [E]. Ik heb hierop op dinsdag 17 januari gebeld met [T], een medewerker van [E]. Ik heb geverifieerd bij [T] of het mogelijk was dat wij telefoon gehad hadden van een bewoner van hen. Hierop wist [T] meteen waar ik op doelde en bevestigde hij dat een bewoner genaamd [verdachte] in een woongroep van [E] woonde en begeleiding van hen kreeg. [T] vertelde mij dat zij de bewakingsbeelden op Bureau Brabant hadden gezien en voor 99% [verdachte] op deze beelden herkenden.

9.

Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 23 januari 2012, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als op 21 januari 2012 afgelegde verklaring van [N] (pag. 56-57):

Ik ben als trajectmanager werkzaam bij [R]. [R] is een onderdeel van de Stichting [stichting].

Afgelopen dinsdag 17 januari 2012 zag ik een uitzending samen met een aantal collegae van het programma genaamd Bureau Brabant [hof: kennelijk een herhaling van de uitzending van 16 januari 2012]. Tijdens deze uitzending werd er een item behandeld van een overval gepleegd op een boekhandel genaamd [boekhandel] gevestigd aan de Strijpsestraat te Eindhoven. Bij het zien van de beelden van deze overval herkende ik meteen een cliënt van mij genaamd [verdachte]. [verdachte] is ongeveer drie maanden woonachtig in de groepswoning van [R]. Ik herkende de fiets en [verdachte]. Zowel ik als vijf andere collega’s herkenden [verdachte] op de getoonde beelden van Bureau Brabant.

Op woensdag 18 januari 2012 heeft de politie in mijn aanwezigheid gezocht naar onder andere de kleding die [verdachte] droeg ten tijde van de overval. Ik heb in de tuin gezocht van de Stichting [stichting]. Ik trof een bagagedrager aan. Deze bagagedrager herkende ik als de bagagedrager van de fiets van [verdachte]. Deze bagagedrager heb ik gevonden in een kliko op het terrein waar [verdachte] overdag in de dagbesteding werkzaam is.

Opvallend was dat ik van een medebewoner het volgende te horen kreeg. Hij had samen met [verdachte] naar de uitzending van Bureau Brabant zitten kijken met het item van de overval over [boekhandel] gevestigd op de Strijpsestraat te Eindhoven. Vervolgens vertelde deze persoon tegen mij dat hij [verdachte] de volgende dag had zien wegfietsen. Bij het wegfietsen had de cliënt gezien dat de bagagedrager nog achterop de fiets gemonteerd was. Toen [verdachte] ’s avonds terugkwam, zag deze cliënt dat de bagagedrager verdwenen was van de fiets van [verdachte].

Als u mij vraagt of [verdachte] in het bezit is/was van een paarse trui dan kan ik u meedelen dat ik [verdachte] weken aan een stuk dag in dag uit heb zien lopen in een paarse trui.

10.

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 januari 2012, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant [V7] (pag. 58-59):

Door mij verbalisant werden de camerabeelden van het Kruidvat bekeken. Hierop is te zien dat een man gekleed in een fleecevest op een oude damesfiets, kleur grijs met blauw, voorbij de winkel van het Kruidvat komt gereden. De man draagt zwarte sportschoenen van het merk Adidas. Direct hierop komt dezelfde man de winkel van het Kruidvat binnen waarop hij duidelijk in beeld is. Opvallend hierbij is zijn bolle kale hoofd. Wat verder opvallend is, is dat het fleecevest wat de man draagt op de beelden lila van kleur is.

Ik heb samen met een collega de verdachte [verdachte] op woensdag 18 januari 2012 aangehouden en ingesloten. Tijdens de insluiting zag ik dat de verdachte dezelfde persoon was als de persoon welke ik eerder op de camerabeelden van het Kruidvat had gezien. Hierover bestond bij mij geen enkele twijfel. Ik zag dat de verdachte tijdens zijn aanhouding schoenen droeg van het merk Adidas.

Later werd met toestemming van de verdachte [verdachte] een onderzoek ingesteld op zijn woonadres aan de [adres] te Eindhoven. Hierbij werd op de achterplaats een oude damesfiets in de kleuren grijs en blauw aangetroffen soortgelijk aan de fiets welke de overvaller [het hof begrijpt: de man op de beelden van het Kruidvat] had gebruikt. Deze fiets werd in beslag genomen.

Bij het onderzoek op de kamer van de verdachte [verdachte] was een begeleider van het [stichting] aanwezig. Bij dit onderzoek werd ondermeer gezocht naar het blauwe dan wel lilakleurige fleecevest. Aan de begeleider werd een foto van de verdachte [het hof begrijpt: de man op de beelden van het Kruidvat] met dit vest getoond en zij verklaarde dat zij gezien had dat een dergelijk vest inderdaad door de verdachte [verdachte] gedragen werd.

11.

Een kennisgeving van inbeslagneming d.d. 19 januari 2012, opgemaakt door verbalisant N.J. Broeders, voor zover inhoudende (pag. 74):

Datum: 19 januari 2012

Voertuig: Fiets (dames)

Bijzonderheden: Kleur blauw zilvergrijs zonder pakkendrager

Houder: [verdachte], [adres], Eindhoven

12.

Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 25 januari 2012, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als antwoorden (A) van [W] op vragen (V) van de verhorende verbalisanten (pag. 65-66):

V= Hoeveel kinderen heeft u?

A= Eén.

V= Wat is de naam van dit kind?

A= [verdachte], roepnaam [verdachte].

V= Waar woont deze zoon?

A= [adres] te Eindhoven.

V= Heeft u uw zoon [verdachte] wel eens zien lopen in een paarse trui?

A= Ja, die heb ik hem zelf gegeven. Die heeft hij weggegooid. Het was een fleecejas.

Ik heb deze fleecetrui gekocht. Dit was een paar maanden geleden.

V= Kunt u deze paarse trui omschrijven?

A= Fleecevest paars van kleur, met een rits van boven tot onder.

V= Heeft u nog wat te vragen of te verklaren?

A= Mijn schoondochter heeft de beelden gezien en herkende [verdachte] op de televisie bij het programma bij Bureau Brabant.

V= Herkent u de man op de getoonde foto’s?

A= Ja, dat is mijn zoon.

Noot verbalisanten:

Wij tonen mevrouw drie foto’s welke gemaakt zijn van de bewakingsbeelden van het Kruidvat op 31 december 2011.

13.

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 januari 2012, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant [V6] (pag. 63):

Op maandag 16 januari 2012 werden tijdens de uitzending van Bureau Brabant de beelden getoond van de overval op boekhandel [boekhandel] gelegen aan de Strijpsestraat 135 te Eindhoven. Ik heb de beelden meerdere keren die avond gekeken.

Op donderdag 19 januari 2012 heb ik een verhoor afgenomen van verdachte [verdachte], geboren [1966]. In dit verhoor zag ik dat deze persoon overeenkwam met de persoon op de getoonde camerabeelden van Bureau Brabant. De herkenning is voor mij zeker. Met name zijn postuur, zijn gezichtsuitdrukking en zijn gefronste voorhoofd, zijn voor mij punten waaraan ik de betrokkene herken.

14.

Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 18 januari 2012, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als antwoorden (A) van de verdachte op vragen (V) van de verhorende verbalisanten (pag. 88-90):

V: Wat is uw leeftijd?

A: Ik ben 45 jaar oud.

V: Wat voor een fiets had je gister?

A: Ik had een damesfiets, kleur grijs.

V: Die fiets is van het [stichting]. Hoe lang heb je die fiets al?

A: Deze heb ik nu ongeveer twee maanden.

A: De fiets die ik normaal in gebruik heb, werd in beslag genomen.

15.

Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 19 januari 2012, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van de verdachte (pag. 93):

Jullie zeggen dat de fiets die jullie van mij in beslag hebben genomen dezelfde is als op de beelden maar dat er een verschil is omdat er geen bagagedrager op zit. De bagagedrager heb ik er vanaf gehaald en weggegooid.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

Aan de door en namens de verdachte bepleite vrijspraak is het volgende ten grondslag gelegd.

A.

De raadsman heeft betoogd dat de bewakingsbeelden van het Kruidvat van het bewijs moeten worden uitgesloten. Daartoe is aangevoerd dat voor de verkrijging van die beelden een vordering als bedoeld in artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering (Sv) gedaan had moeten worden. Een dergelijke vordering is echter niet gedaan. Aangezien de politie gericht bezig was met een onderzoek naar de ten laste gelegde overval en zich tot de bedrijfsleidster van het Kruidvat heeft gewend met de mededeling dat de politie eventuele bewakingsbeelden wilde bekijken, is er geen sprake van een situatie waarin de bedrijfsleidster van het Kruidvat de beelden eigener beweging aan de politie heeft verstrekt.

B.

De verdachte heeft het ten laste gelegde ontkend. Hij heeft tevens ontkend dat hij op 31 december 2011 in het filiaal van het Kruidvat aan de Strijpsestraat is geweest; hij is dan ook niet de man die te zien is op de aldaar gemaakte bewakingsbeelden. De verdachte heeft voorts betwist dat hij bij de politie heeft verklaard dat hij de bagagedrager van zijn fiets heeft gehaald en die heeft weggegooid.

Het hof overweegt als volgt.

ad A.

Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [V2] d.d. 26 januari 2012 (pag. 24) houdt - voor zover hier relevant en zakelijk weergegeven - het volgende in:

“Op 31 december 2011 omstreeks 11:45 uur was ik, verbalisant [V2], doende met een buurtonderzoek aan de Strijpsestraat te Eindhoven. Dit buurtonderzoek vond plaats naar aanleiding van een overval welke kort daarvoor had plaatsgevonden bij boekhandel “[boekhandel]” aan de Strijpsestraat 135 te Eindhoven. Op bovengenoemde dag, datum en tijd liep ik het Kruidvat binnen aan de Strijpsestraat 202 te Eindhoven. In het gangpad stond een vrouw in kleding van het Kruidvat. Ik, verbalisant [V2], vroeg of er mogelijk een filiaalleidster aanwezig was. De vrouw in het gangpad stelde zich voor als [B] en gaf aan dat zij filiaalleidster was. Ik vroeg [B] of er mogelijk een camera in het pand aanwezig was welke zicht had op de openbare weg voor het Kruidvat. Ik hoorde haar zeggen: ‘Er zijn geen camera’s op de openbare weg gericht, maar wel op de in- en uitgang, mogelijk dat daar iets op te zien is, kom maar even mee kijken’. Ik, verbalisant [V2], vertelde [B] dat er zojuist een overval in de straat had plaatsgevonden en dat het mogelijk was dat de verdachte op de camera’s te zien zou zijn. Ik liep vervolgens achter [B] aan naar een ruimte achter in de winkel. [B] vroeg mij hoe laat de overval gebeurd was. Ik gaf aan dat dit tussen 10:50 uur en 11:10 uur gebeurd zou moeten zijn. Ik zag dat [B] de gegevens instelde en de camera startte. Direct zag ik, verbalisant [V2], een manspersoon op de camera’s die exact voldeed aan het signalement van de overvaller.”

Artikel 126nd, eerste lid, Sv luidt:

“In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek van degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang heeft tot bepaalde opgeslagen of vastgelegde gegevens, vorderen deze gegevens te verstrekken.”

Uit het dossier blijkt dat met betrekking tot de camerabeelden van het Kruidvat - anders dan met betrekking tot de beelden van “[eetgelegenheid]” - geen vordering als bedoeld in artikel 126nd Sv is gedaan (pag. 26-28).

Het hof stelt voorop dat beeldmateriaal als in het verweer bedoeld, gelet op artikel 1 van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna ook: Wbp) onder het bereik van die wet valt, en dat blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 126nd Sv de opsporingsambtenaar of de officier van justitie niet mag vragen om op vrijwillige basis mee te werken aan verstrekking van dat beeldmateriaal (vgl. HR 21 december 2010, LJN BL7688, rov. 3.6 en in gelijke zin HR 27 november 2012, LJN BY0215, rov. 3.4).

Indien echter degene die verantwoordelijk is voor het gebruik van de beelden van een bewakingscamera deze beelden eigener beweging en op vrijwillige basis aan de politie heeft verstrekt, althans dat die persoon niet door de politie is gevraagd om op vrijwillige basis deze beelden aan de politie te verstrekken, is geen vordering als bedoeld in artikel 126nd Sv vereist (vgl. HR 27 november 2012, LJN BY0215, rov. 3.5)

Blijkens de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie van de Hoge Raad is er aldus sprake van een gesloten stelsel van bevoegdheden, hetgeen erop neerkomt dat - behoudens verstrekking uit eigen beweging door degene die verantwoordelijk is voor het gebruik van de beelden - gebruik moet worden gemaakt van de door artikel 126nd Sv toegekende bevoegdheid de beelden te vorderen.

De Hoge Raad heeft daarom geoordeeld dat aan een verzoek tot afgifte van beelden die zijn vastgelegd door middel van - kort gezegd - een beveiligingscamera, een vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 126nd Sv ten grondslag dient te liggen (HR 21 december 2010, LJN BL7688, rov. 3.4).

Ten aanzien van de vraag of aan een verzoek van de politie aan een derde tot het ter plaatse mogen bekijken van dergelijke camerabeelden eveneens een vordering ex artikel 126nd Sv ten grondslag dient te liggen, overweegt het hof als volgt.

De Memorie van Toelichting bij de wet die heeft geleid tot de wijziging van het Wetboek van Strafvordering en enkele andere wetten in verband met de regeling van bevoegdheden tot het vorderen van gegevens (Wet bevoegdheden vorderen gegevens), Stb. 2005, 390, houdt met betrekking tot artikel 126nd Sv onder meer het volgende in (Kamerstukken II, 2003/04, 29 441, nr. 3):

- pag. 1:

“Het wetsvoorstel strekt ertoe dat in het Wetboek van Strafvordering algemene bevoegdheden tot het vorderen van gegevens worden opgenomen. Gegevens over personen en hun handelingen kunnen van grote betekenis zijn voor de opsporing van strafbare feiten. Indien derden - personen, instanties en bedrijven - beschikken over deze gegevens kan het nodig zijn deze ten behoeve van de opsporing van strafbare feiten te vergaren. Door het gebruik van informatie- en communicatietechnologie beschikken derden steeds vaker over gegevens van personen. Het staat derden - voor zover zij dat zouden willen - niet vrij persoonsgegevens ten behoeve van de opsporing ter beschikking te stellen. Evenmin staat het de met opsporing belaste instanties zonder meer vrij persoonsgegevens van derden te vragen. De regels voor een zorgvuldige omgang met persoonsgegevens zoals neergelegd in de Wet bescherming persoonsgegevens stellen hieraan namelijk grenzen. In de afgelopen decennia heeft de juridische bescherming van persoonsgegevens vorm gekregen. Daarom zijn er - voor die gevallen waarin het nodig is in het belang van de opsporing de beschikking te krijgen over persoonsgegevens - strafvorderlijke bevoegdheden nodig.”

- pag. 2:

“In haar rapport concludeerde de commissie Mevis dat een nieuwe regeling van bevoegdheden tot het vorderen van gegevens in het Wetboek van Strafvordering nodig is. In het kabinetsstandpunt over dit rapport is deze conclusie overgenomen (Kamerstukken II 2001/2002, 28 366, nr. 1). De commissie Mevis signaleerde een aantal knelpunten in de praktijk. (…) Het tweede knelpunt is dat deze bevoegdheden niet toereikend zijn voor de gevallen waarin gegevens noodzakelijk zijn voor opsporingsonderzoek. In de praktijk wordt dan op de derde een beroep gedaan om op vrijwillige basis gegevens te verstrekken. Daarbij doen zich echter problemen voor. De derde dient in het kader van de vrijwillige medewerking op grond van artikel 43 van de Wet bescherming persoonsgegevens een afweging te maken of er een dwingende en gewichtige reden is die verstrekking van gegevens noodzakelijk maakt. Daartoe is hij echter vaak niet goed in staat, omdat hij geen kennis draagt van alle achtergronden van het verzoek. Hij wordt dan belast met een verantwoordelijkheid die eigenlijk bij de met opsporing belaste instantie behoort te liggen. Daarnaast is de derde in geval van vrijwillige medewerking aan de gegevensvergaring verantwoordelijk en aansprakelijk voor de verstrekking van de gegevens. Hij kan zich niet beroepen op een wettelijke plicht om gegevens te verstrekken waarmee de verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid voor de verstrekking bij de bevoegde opsporingsinstantie zou komen te liggen. (…) Teneinde een oplossing te vinden voor deze knelpunten stelde de commissie Mevis een nieuwe regeling in het Wetboek van Strafvordering voor. Deze regeling voorziet in precies omschreven bevoegdheden en legt de verantwoordelijkheid voor de gegevensvergaring bij de met opsporing belaste instanties. Mede naar aanleiding van de adviezen die zijn uitgebracht over het rapport, zijn in het kabinetsstandpunt de voorstellen van de commissie Mevis overgenomen (…).”

- pag. 3:

“De derde reden waarom de bevoegdheden nodig zijn, is dat het privacyrecht in de vorm van de bescherming van persoonsgegevens sterk is ontwikkeld. Het persoonsgegeven is gejuridiseerd, zodat verstrekking ten behoeve van de opsporing niet zondermeer is toegestaan. Normering hiervan is nodig. Gegevensvergaring ten behoeve van de opsporing is onmisbaar en behoeft, gelet op de voornoemde ontwikkelingen een eigen zelfstandige regeling, ook nu de reeds bestaande bevoegdheden niet toereikend zijn, terwijl het verlangen van vrijwillige medewerking om gegevens te verstrekken eveneens problematisch is. De wet dient een sluitend stelsel van bevoegdheden te bevatten voor de gegevensvergaring ten behoeve van opsporingsonderzoek, dat het resultaat is van een redelijke belangenafweging.”

Blijkens de hiervoor weergegeven inhoud van de Memorie van Toelichting is de keuze van de wetgever voor een gesloten stelsel van bevoegdheden tot het vorderen van gegevens mede ingegeven door het belang van de derde die de camerabeelden onder zich heeft en verantwoordelijk is voor het gebruik daarvan. Immers, indien de derde dergelijke beelden - na daartoe op grond van artikel 43 van de Wet bescherming persoonsgegevens een afweging te hebben gemaakt - vrijwillig aan politie of justitie zou verstrekken, is hij voor die verstrekking verantwoordelijk en aansprakelijk.

Het door artikel 126nd Sv beschermde belang is een zorgvuldige omgang met persoonsgegevens als bedoeld in de Wet bescherming persoonsgegevens. Voor de betekenis van de in artikel 126nd Sv gebruikte term “verstrekken” moet dan ook aansluiting worden gezocht bij de Wet bescherming persoonsgegevens.

De hier relevante bepalingen van de Wet bescherming persoonsgegevens luiden als volgt.

- Artikel 1 Wbp:

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

b. verwerking van persoonsgegevens: elke handeling of elk geheel van handelingen met betrekking tot persoonsgegevens, waaronder in ieder geval het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiding of enige andere vorm van terbeschikkingstelling, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van gegevens;

(…)

n. verstrekken van persoonsgegevens: het bekend maken of ter beschikking stellen van persoonsgegevens;

(…)

- Artikel 9 Wbp:

1. Persoonsgegevens worden niet verder verwerkt op een wijze die onverenigbaar is met de doeleinden waarvoor ze zijn verkregen.

(...)

- Artikel 43 Wbp:

De verantwoordelijke kan de artikelen 9, eerste lid, (…) buiten toepassing laten voor zover dit noodzakelijk is in het belang van:

(…)

b. de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten;

(…)

Op grond van artikel 1, onder n, Wbp omvat het ‘verstrekken van persoonsgegevens’ (elke vorm van) het bekendmaken of ter beschikking stellen van persoonsgegevens. Derhalve is niet alleen het feitelijk ter beschikking stellen van camerabeelden (bijvoorbeeld op een gegevensdrager zoals een cd) aan een ander een vorm van verstrekken, maar ook het een ander kennis laten nemen van de persoonsgegevens door deze te tonen aan de ander.

Nu artikel 126nd, eerste lid, Sv een vordering van de officier van justitie verlangt voor het verstrekken van bepaalde vastgelegde gegevens, moet in beginsel aan een verzoek van de politie om camerabeelden van een beveiligingscamera in een winkel te bekijken, een vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 126nd, eerste lid, Sv ten grondslag liggen.

Dit lijkt omslachtig in een geval als het onderhavige, waarin de politie een buurtonderzoek is begonnen meteen na een overval en zij zich snel wil oriënteren of beveiligingscamera’s in de buurt van de overval bruikbare beelden bevatten ten behoeve van de opsporing. Voor spoedeisende gevallen (“bij dringende noodzaak”) echter voorziet artikel 126nd, vierde lid, Sv in de mogelijkheid dat de vordering door de officier van justitie mondeling wordt gegeven; in een zodanig geval wordt de vordering achteraf op schrift gesteld en binnen drie dagen na de mondelinge vordering verstrekt aan degene tot wie de vordering is gericht.

Een vordering als bedoeld in artikel 126nd Sv is, zoals hiervoor overwogen, niet vereist indien (de filiaalleidster van) het Kruidvat de beelden eigener beweging en op vrijwillige basis aan de politie heeft getoond.

De Memorie van Antwoord aan de Eerste Kamer bij de Wet bevoegdheden vorderen gegevens houdt hieromtrent in (Kamerstukken I, 2004/05, 29 441, nr. C):

- pag. 2-3:

“[Het is] van belang dat voor de verkrijging van gegevens in het belang van een opsporingsonderzoek de voorgestelde bevoegdheden worden toegepast. Dit neemt niet weg dat de WBP in artikel 43 ruimte biedt aan derden om op vrijwillige basis, dus zonder toepassing van strafvorderlijke bevoegdheden, gegevens aan politie en justitie te verstrekken. Niet ondenkbaar is dat een derde daartoe uit eigen beweging overgaat in een geval waarin er een evident en dringend opsporingsbelang aanwezig is. (…) Het is dus niet uitgesloten dat ook na de inwerkingtreding van het wetsvoorstel in incidentele gevallen nog op vrijwillige basis gegevens verstrekt zullen worden aan politie en justitie. Het initiatief daartoe gaat dan niet uit van politie en justitie. (…)

De leden van de commissie vroegen wat de status is van een gegeven dat door de houder ervan sua sponte aan een opsporingsambtenaar of de officier van justitie wordt verstrekt, zoals gegevens die door een klokkenluider anoniem aan politie of justitie worden verstrekt. In antwoord op deze vraag kan worden vermeld dat het wetsvoorstel aan deze situatie niets wijzigt. Dergelijke informatie moet op zijn waarde worden onderzocht en kan, indien zij van belang is voor het opsporingsonderzoek, daarin zonder meer een rol spelen. Burgers zijn in beginsel vrij op eigen initiatief een bijdrage te leveren aan de opsporing van strafbare feiten door van bepaalde feiten of omstandigheden melding te doen aan de politie of anderszins informatie aan de politie te verstrekken.”

De Nota naar aanleiding van het verslag van de Tweede Kamer bij deze wet houdt voorts in (Kamerstukken II, 2003/04, 29 441, nr. 6):

- pag. 3-4:

“De situatie waarop het wetsvoorstel ziet, is de situatie waarin een opsporingsonderzoek gaande is en de met opsporing belaste instanties op zoek zijn naar informatie. Deze situatie moet onderscheiden worden van de situatie waarin burgers of bedrijven zelf onregelmatigheden signaleren. (…) Van onregelmatigheden of strafbare feiten kunnen burgers en bedrijven melding of aangifte doen bij de politie.”

Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [V2] blijkt dat hij zich in het kader van een (buurt)onderzoek naar de overval heeft gewend tot de filiaalleidster [B] van het Kruidvat met de vraag of er een camera in het pand aanwezig was die zicht had op de openbare weg voor het Kruidvat. Nadat [V2] aan [B] had medegedeeld dat er zojuist een overval in de straat had plaatsgevonden en dat het mogelijk was dat de overvaller op de camera’s van het Kruidvat te zien was, heeft [B] de beelden getoond die waren gemaakt tussen twee door [V2] genoemde tijdstippen.

Weliswaar heeft [B] de beveiligingsbeelden vrijwillig aan de politie getoond, dat wil zeggen zonder dat de politie dwang in de vorm van strafvorderlijke bevoegdheden heeft toegepast, maar onder de genoemde omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat [B] dit uit eigen beweging (op eigen initiatief, spontaan) heeft gedaan. Er was immers sprake van een situatie waarin een opsporingsonderzoek gaande was en de met opsporing belaste instantie op zoek was naar informatie en zich met dat doel tot [B] heeft gericht. Het initiatief tot het tonen van de beelden is in het onderhavige geval dan ook uitgegaan van de politie.

Uit het voorgaande volgt dat aan het verzoek van de politie tot mogen bekijken van de camerabeelden van het Kruidvat een vordering ex artikel 126nd Sv ten grondslag hadden dienen te liggen. Nu een dergelijke vordering niet is gedaan, is er sprake van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a, eerste lid, Sv.

De raadsman heeft hieraan het rechtsgevolg van bewijsuitsluiting verbonden.

Volgens bestendige jurisprudentie kan bewijsuitsluiting als op grond van artikel 359a, eerste lid, Sv voorzien rechtsgevolg uitsluitend aan de orde komen indien door de onrechtmatige bewijsgaring een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden. Bij bewijsuitsluiting gaat het om een bevoegdheid van de rechter, waarvan de uitoefening in de eerste plaats moet worden beoordeeld in het licht van de wettelijke beoordelingsfactoren van artikel 359a, tweede lid, Sv - te weten: het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt - en van de omstandigheden van het geval. Opmerking verdient daarbij dat het belang van de verdachte dat hij uit handen van politie en justitie blijft, niet kan niet worden aangemerkt als een rechtens te respecteren belang. Een eventuele schending van het belang van de verdachte om uit handen van politie en justitie te blijven levert dus niet een nadeel op als bedoeld in artikel 359a, tweede lid, Sv.

Van de verdediging die een beroep doet op schending van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a, eerste lid, Sv mag worden verlangd dat duidelijk en gemotiveerd aan de hand van de beoordelingsfactoren van het tweede lid van die bepaling wordt aangegeven tot welk in het eerste lid van die bepaling omschreven rechtsgevolg dit dient te leiden.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep het door hem bepleite rechtsgevolg van bewijsuitsluiting niet gemotiveerd aan de hand van de genoemde beoordelingsfactoren.

Voor zover de raadsman, gelet op het betoog in eerste aanleg, het oog heeft gehad op een schending van het door artikel 8 EVRM gegarandeerde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, overweegt het hof dat een schending van dat recht niet zonder meer een inbreuk oplevert op de in artikel 6 EVRM vervatte waarborg van een eerlijk proces (vgl. HR 21 december 2010, LJN BL7688, rov. 3.7). In de onderhavige zaak heeft bovendien ter relativering van het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer te gelden dat de beveiligingsbeelden zijn gemaakt in een winkel, zijnde een plaats waarvan algemeen bekend is dat daar opnamen met beveiligingscamera’s plegen te worden gemaakt, derhalve een plaats waar de verdachte bezwaarlijk erop heeft kunnen rekenen dat hij daar onbevangen zichzelf kon zijn. De inbreuk op de privacy is daardoor beperkt.

Gelet op het voorgaande kan niet worden geoordeeld dat door het optreden van de politie een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden.

Verder neemt het hof in aanmerking dat, als de politie de officier van justitie zou hebben gevraagd om een vordering tot verstrekking van camerabeelden door het Kruidvat, deze vordering zou zijn gegeven, zoals blijkt uit de mededeling van de zaaksofficier van justitie mr. C. Rijnaarts aan verbalisant [V4] (proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 januari 2012, pag. 28) en uit het feit dat wel een vordering is gegeven gericht aan het naburige restaurant [eetgelegenheid].

Het hof verwerpt het verweer dan ook.

ad B.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat meerdere personen de verdachte hebben herkend als de man op de camerabeelden van het Kruidvat. De verdachte werd immers herkend door zijn trajectmanager [N] en ten minste vijf van haar collega’s (bewijsmiddelen 8 en 9), verbalisant [V7] die de verdachte heeft ingesloten (bewijsmiddel 10), verbalisant [V6] die de verdachte heeft verhoord (bewijsmiddel 13) en voorts door zijn moeder en haar schoondochter (bewijsmiddel 12).

Het hof heeft de camerabeelden ter terechtzitting bekeken en ziet daarin geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van genoemde herkenningen. Dit geldt te meer, nu de verdachte zelf tegen verbalisant [V6] heeft gezegd dat hij heel erg veel lijkt op de man op die beelden (bewijsmiddel 8).

Gelet op al voornoemde herkenningen en voorts in aanmerking genomen dat de verdachte vaak een paars- of lilakleurig(e) fleecevest/trui droeg (bewijsmiddelen 9, 10 en 12) en dat de fiets die hij in gebruik had gelijkenis vertoont met de fiets op de bewakingsbeelden van het Kruidvat (bewijsmiddelen 10, 11, 14 en 15), staat naar het oordeel van het hof vast dat de verdachte de man op de beelden van het Kruidvat en “[eetgelegenheid]” is.

Aangeefster [slachtoffer] heeft de man op een foto van de beelden van het Kruidvat herkend als de overvaller (bewijsmiddel 6). Nu aangeefster reeds een signalement van de overvaller had gegeven (bewijsmiddel 1) voordat haar tijdens de aangifte een foto van de camerabeelden van het Kruidvat werd getoond, is er geen reden om aan te nemen dat het door haar gegeven signalement, bewust of onbewust, is beïnvloed door hetgeen zij op die foto heeft gezien. Het hof ziet ook overigens geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de stellige herkenning door aangeefster.

Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de herkenning door [slachtoffer] steun vindt in het feit dat de man op de beelden van het Kruidvat kort vóór de overval in de Strijpsestraat is geweest en zich toen gekleed in een paars/lilakleurig fleecevest met zijn fiets heeft begeven naar de zijde van de straat waar de boekhandel [boekhandel] is gevestigd (bewijsmiddelen 4 en 5) die vervolgens werd overvallen door een man op een fiets gekleed in een paars/lilakleurig fleecevest.

Het hof gaat voorbij aan de stelling van de verdachte dat hij bij de politie niet heeft verklaard dat hij de bagagedrager van zijn fiets heeft gehaald en die heeft weggegooid. Het van het betreffende verhoor opgemaakte proces-verbaal houdt als ambtsedig relaas van de verhorende verbalisanten in dat de verdachte in zijn verklaring volhardde nadat die hem was voorgelezen. Deze verklaring is door de verdachte ondertekend. Zij vindt bovendien steun in de verklaring van [N] (bewijsmiddel 5) over hetgeen zij heeft gehoord van een medebewoner van de verdachte.

Blijkens dossierpagina 93 heeft de verdachte in bedoeld verhoor op donderdag 19 januari 2012 verklaard: “De bagagedrager heb ik er afgelopen weekend vanaf gehaald en weggegooid.” Het hof stelt vast dat deze verklaring leugenachtig is, voor zover inhoudende dat het verwijderen van de bagagedrager “afgelopen weekend” is gebeurd. Uit de verklaring van [N] blijkt immers dat de bagagedrager van verdachtes fiets pas werd verwijderd na de uitzending van Bureau Brabant waarin de beelden werden vertoond van de overvaller op diens fiets. Deze uitzending vond plaats op maandag 16 januari 2012.

Niet alleen heeft de verdachte bij de politie aantoonbaar gelogen over het moment waarop hij de bagagedrager van zijn fiets heeft verwijderd, het hof leidt uit de bewijsmiddelen bovendien af dat hij de bagagedrager van zijn fiets heeft verwijderd om herkenning van zijn bij de overval gebruikte fiets te voorkomen.

Naar aanleiding van de ter terechtzitting in hoger beroep bekeken camerabeelden van het Kruidvat heeft de verdachte voorts verklaard dat hij nooit in het bezit is geweest van een paars vest soortgelijk aan het paarse vest dat werd gedragen door de man op die beelden. Het hof stelt op grond van bewijsmiddel 10 vast dat de verdachte ook op dit punt leugenachtig heeft verklaard.

Op grond van het voorgaande hecht het hof geen geloof aan de ontkenning door de verdachte en acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte degene is die de overval heeft gepleegd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 31 december 2011 te Eindhoven met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid geld (tussen de 300 en 400 euro) en een aantal kortingsbonnen van de Volkskrant en het Algemeen Dagblad, toebehorende aan [boekhandel] (een boekhandel gevestigd aan de Strijpsestraat), welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte:

- die [slachtoffer] de woorden heeft toegevoegd "La open, la open" en

- een mes te voorschijn heeft gehaald en daarbij nogmaals die [slachtoffer] de woorden heeft toegeroepen "La open la open".

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 312, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht en wordt gekwalificeerd als:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

De raadsman heeft bepleit dat aan de verdachte een minder zware straf zal worden opgelegd dan in eerste aanleg. Daartoe is aangevoerd dat in het kader van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte rekening kan worden gehouden met het feit dat de verdachte in de strafzaak met parketnummer 20-001768-09 in hoger beroep is veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaren waarvan een jaar voorwaardelijk, welke straf door de Hoge Raad in verband met een overschrijding van de redelijke termijn is verminderd tot twee jaren een elf maanden waarvan een jaar voorwaardelijk, en dat de verdachte het door het hof opgelegde onvoorwaardelijke strafdeel van twee jaren reeds had uitgezeten, zodat hij in die strafzaak in feite een maand te lang in detentie heeft doorgebracht.

Het hof overweegt als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Ten aanzien van de ernst van het feit heeft het hof rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een overval op een boekwinkel waarbij hij de eigenaresse heeft bedreigd met een groot mes. Het is een feit van algemene bekendheid dat een feit als het onderhavige kan leiden tot langdurige psychische gevolgen voor het slachtoffer, zoals gevoelens van onveiligheid in de eigen werkomgeving. Een overval als de onderhavige draagt ook in meer algemene zin bij aan de gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving. De verdachte heeft zich hierom kennelijk niet bekommerd en zich slechts laten leiden door financieel gewin.

Naast de ernst van het bewezen verklaarde rekent het hof de verdachte aan dat hij de onderhavige overval heeft gepleegd gedurende de proeftijd van een eerdere veroordeling op 15 oktober 2009 voor een soortgelijk delict, te weten een afpersing. Blijkens een reclasseringsrapport d.d. 26 april 2012 (pag. 3) heeft de verdachte zich aan het bewezen verklaarde schuldig gemaakt binnen anderhalve maand nadat hij was vrijgekomen uit detentie en terwijl hij onder toezicht stond van de reclassering.

Blijkens een Uitreksel Justitiële Documentatie d.d. 20 september 2012 werd de verdachte ook eerder meermalen onherroepelijk veroordeeld ter zake van al dan niet gekwalificeerde diefstallen en andere geweldsdelicten. Daaronder bevinden zich diefstallen met geweld en/of bedreiging met geweld in 2001 (pag. 7/18), 2007 (pag. 4/18) en 2008 (pag. 5/18).

Het hof zal bij de strafoplegging in de onderhavige zaak geen rekening houden met hetgeen de raadsman heeft aangevoerd over de door de verdachte in de strafzaak met parketnummer 20-001768-09 ondergane detentie.

Geen wettelijke bepaling voorziet in een verplichting om, in een geval als door de raadsman bedoeld, bij de strafoplegging ter zake van een nieuwe feit een in een andere strafzaak “te veel” ondergane detentie in mindering te brengen op de voor het nieuwe feit op te leggen straf. Anders dan door de raadsman is betoogd, ziet het hof ook geen aanleiding om in het kader van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte rekening te houden met de maand “te veel” ondergane detentie, in die zin dat die detentie in de onderhavige zaak een strafverlagend effect zou moeten hebben.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan de door de rechtbank opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van voorarrest.

Vordering tenuitvoerlegging

De verdachte is bij arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 15 oktober 2009 onder parketnummer 20-001768-09 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren waarvan een jaar voorwaardelijk. Bij arrest van 5 juli 2011 heeft de Hoge Raad het arrest van het hof vernietigd wat betreft de duur de opgelegde gevangenisstraf en deze in verband met een overschrijding van de redelijke termijn verminderd tot twee jaren een elf maanden waarvan een jaar voorwaardelijk.

Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging van het genoemde voorwaardelijke strafdeel, een jaar gevangenisstraf, gevorderd.

Het hof is van oordeel dat, nu gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een soortgelijk strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, de gehele tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke strafdeel dient te worden gelast. Bijzondere omstandigheden om af te zien van deze tenuitvoerlegging acht het hof niet aanwezig.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14g en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij het arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 15 oktober 2009 onder parketnummer 20-001768-09, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) jaar.

Aldus gewezen door

mr. J.H.M. Westenbroek, voorzitter,

mr. J.C.A.M. Claassens en mr. R.M. Peters, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. P. van Glabbeek, griffier,

en op 21 december 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. J.H.M. Westenbroek en mr. R.M. Peters zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.