Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BY7470

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-12-2012
Datum publicatie
27-12-2012
Zaaknummer
20-002381-10
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2010:BM8573, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof veroordeelt verdachte ter zake van feitelijk leidinggeven aan het door een rechtspersoon begaan van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd en het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd, tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk en een geldboete van € 45.000,00.

De rechtspersoon heeft ter zake van gefingeerde leveringen van auto’s opzettelijk aftrek van voorbelasting in haar aangiften omzetbelasting geclaimd waar zij geen recht op had. Immers, aan de valse facturen aan de rechtspersoon lagen geen daadwerkelijke leveringen ten grondslag, zodat ingevolge artikel 15, eerste lid, onder a, van de Wet op de omzetbelasting (zoals deze toen luidde) de gefactureerde omzetbelasting niet in aftrek kon komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-002381-10

Uitspraak : 27 december 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 22 juni 2010 in de strafzaak met parketnummer 01-996035-05 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,

wonende te [woonplaats], [adres],

waarbij verdachte:

- werd vrijgesproken van het hem onder 2. primair en subsidiair en 3. primair en subsidiair ten laste gelegde;

- ter zake van

o “feitelijk leiding geven aan valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd” en

o “feitelijk leiding geven aan opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd”

werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan

6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, alsmede een geldboete van

€ 45.000,00 subsidiair 260 dagen hechtenis.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder 1. en 4. is ten laste gelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen, behoudens ten aanzien van de opgelegde straf en te dien aanzien opnieuw rechtdoende de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van

16 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren alsmede een geldboete ter hoogte van € 45.000,00 subsidiair 260 dagen hechtenis

De verdediging heeft bepleit:

- primair dat verdachte zal worden vrijgesproken van het hem onder 1. en 4. ten laste gelegde;

- subsidiair met betrekking tot de strafoplegging:

o primair dat een werkstraf al dan niet in combinatie met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf en/of een geldboete zal worden opgelegd;

o subsidiair dat een voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden zal worden opgelegd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – ten laste gelegd dat:

1.

[de B.V.], verder te noemen 'de B.V.', op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van de maand september 2003 tot en met de maand januari 2004, althans in of omstreeks de/het ja(a)r(en) 2003 en/of 2004 in de gemeente Oirschot, althans in het arrondissement 's-Hertogenbosch, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) opzettelijk (een deel van) de (bedrijfs)administratie van de B.V., zijnde (dat deel van) die (bedrijfs)administratie (telkens) (een) (samenstel van) geschrift(en) dat/die bestemd is/zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, althans heeft vervalst, hebbende de B.V., toen daar (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- in (dat deel van) die (bedrijfs)administratie opgenomen, althans doen of laten opnemen 73, althans een of meer inkoopfactu(u)r(en), volgens factuuropdruk (telkens) afkomstig van [bedrijf 1], (telkens) gericht aan de B.V., (telkens) terzake de verkoop en/of levering van een of meer auto('s) door [rechtspersoon], althans door [bedrijf 1] aan de B.V. tegen de op die factu(u)r(en) vermelde prijzen/prijs, zulks terwijl inkoop van die auto('s) voornoemd tegen de op die factu(u)r(en) vermelde prijzen/prijs door de B.V. bij/van [rechtspersoon], althans [bedrijf 1], in werkelijkheid (telkens) niet heeft plaatsgevonden, (telkens) met het oogmerk om die/dat (samenstel van) geschrift(en) voornoemd als echt en onvervalst te gebruiken of door een ander of anderen te doen gebruiken,

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;

4.

[de B.V.], verder te noemen 'de B.V.', op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 25 juli 2003 tot en met 19 februari 2004 in de gemeente(n) Eindhoven en/of Oirschot, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n) als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de omzetbelasting over het/de aangiftetijdvak(ken) 25 juli 2003 tot en met 30 september 2003 en/of oktober 2003 en/of november 2003 en/of december 2003 en/of januari 2004 onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft de B.V., (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) opzettelijk op de/het bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Eindhoven, althans bij de Belastingdienst ingeleverde aangiftebiljet(ten) omzetbelasting opgegeven, althans doen of laten opgeven, over

- het aangiftetijdvak 25 juli 2003 tot en met 30 september 2003 een bedrag aan totaal terug te vragen omzetbelasting groot 40.499,- euro en/of

- het aangiftetijdvak oktober 2003 een bedrag aan totaal te betalen omzetbelasting groot 5.488,- euro en/of

- het aangiftetijdvak november 2003 een bedrag aan totaal terug te vragen omzetbelasting groot 10.244,- euro en/of

- het aangiftetijdvak december 2003 een bedrag aan totaal terug te vragen omzetbelasting groot 188.693,- euro en/of

- het aangiftetijdvak januari 2004 een bedrag aan totaal te betalen omzetbelasting groot 206.094,- euro,

zulks terwijl de B.V. in werkelijkheid (telkens) over die/dat aangiftetijdvak(ken) voornoemd een hoger bedrag aan omzetbelasting was verschuldigd dan door de B.V. was opgegeven, althans de B.V. had doen of laten opgeven, althans over genoemd(e) aangiftetijdvak(ken) (telkens) een te laag bedrag aan belasting opgegeven, althans doen of laten opgeven, terwijl dat feit (telkens) ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven.

In deze weergave van de tenlastelegging zijn de door de eerste rechter aangebrachte verbeteringen begrepen. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1. en 4. ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

[de B.V.], verder te noemen 'de B.V.', op tijdstippen in de periode van de maand september 2003 tot en met de maand januari 2004 in de gemeente Oirschot opzettelijk de bedrijfsadministratie van de B.V., zijnde die bedrijfsadministratie een samenstel van geschriften dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, hebbende de B.V., toen daar telkens opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- in die bedrijfsadministratie opgenomen facturen, volgens factuuropdruk afkomstig van [bedrijf 1], gericht aan de B.V., ter zake de levering van auto's door "[bedrijf 1]" aan de B.V. tegen de op die facturen vermelde prijzen, zulks terwijl inkoop van die auto's voornoemd door de B.V. bij

"[bedrijf 1]" in werkelijkheid niet heeft plaatsgevonden, met het oogmerk om dat samenstel van geschriften voornoemd als echt en onvervalst te gebruiken of door een ander of anderen te doen gebruiken, aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte telkens feitelijke leiding heeft gegeven;

4.

[de B.V.], verder te noemen 'de B.V.', op tijdstippen in de periode van

1 september 2003 tot en met 19 februari 2004 in Nederland opzettelijk bij de Belastingwet voorziene aangiften als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aangiften voor de omzetbelasting over de aangiftetijdvakken 25 juli 2003 tot en met

30 september 2003 en oktober 2003 en november 2003 en december 2003 en januari 2004 onjuist heeft gedaan, immers heeft de B.V. opzettelijk op de bij de Belastingdienst ingeleverde aangiftebiljetten omzetbelasting opgegeven over

- het aangiftetijdvak 25 juli 2003 tot en met 30 september 2003 een bedrag aan totaal terug te vragen omzetbelasting groot 40.499,- euro en

- het aangiftetijdvak oktober 2003 een bedrag aan totaal te betalen omzetbelasting groot 5.488,- euro en

- het aangiftetijdvak november 2003 een bedrag aan totaal terug te vragen omzetbelasting groot 10.244,- euro en

- het aangiftetijdvak december 2003 een bedrag aan totaal terug te vragen omzetbelasting groot 188.693,- euro en

- het aangiftetijdvak januari 2004 een bedrag aan totaal te betalen omzetbelasting groot 206.094,- euro,

zulks terwijl de B.V. in werkelijkheid over die aangiftetijdvakken voornoemd een hoger bedrag aan omzetbelasting was verschuldigd dan door de B.V. was opgegeven, althans over genoemde aangiftetijdvakken een te laag bedrag aan belasting opgegeven, terwijl dat feit telkens ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte telkens feitelijke leiding heeft gegeven.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

A.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

B.1

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat de verklaringen van [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] niet tot het bewijs mogen worden gebezigd. Daartoe is gewezen – zakelijk weergegeven – op de onvolledigheid en onzorgvuldigheid van het strafrechtelijk onderzoek, het feit van algemene bekendheid dat verdachten in een carrousel van omzetbelastingfraude er vanuit eigen belang een belang bij hebben om een ander te belasten en de omstandigheid dat vaststaat dat klaarblijkelijk anderen een rol spelen, voor welke anderen de verdachten en getuigen vrezen.

Het hof overweegt als volgt.

B.2

Het hof begrijpt het verweer aldus dat de verklaringen van [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] als onvoldoende betrouwbaar terzijde moeten worden geschoven.

Naar het oordeel van het hof zijn de onderdelen van de verklaringen van [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4], voor zover gebezigd tot het bewijs, in de kern consistent en vinden zij in voldoende mate steun in elkaar en in de overige bewijsmiddelen.

Voorts zijn uit het onderzoek ter terechtzitting geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden op grond waarvan aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4], voor zover deze tot het bewijs worden gebezigd, zou moeten worden getwijfeld. Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd, kan daaraan niet afdoen. Het hof acht de onderdelen van deze verklaringen dan ook betrouwbaar en bezigt deze dan ook tot het bewijs.

Bijgevolg verwerpt het hof het verweer.

C.1

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat hij moet worden vrijgesproken van het onder 1. ten laste gelegde. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat deze tenlastelegging niet inhoudt dat geen verkoop heeft plaatsgevonden, maar dat die verkoop niet heeft plaatsgevonden tegen de op de facturen vermelde prijzen, terwijl daarvoor het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt.

Het hof overweegt als volgt.

C.2

Naar het oordeel van het hof berust het verweer op een te beperkte en daarmee onjuiste lezing van de tenlastelegging, zodat het reeds om die reden faalt.

Bijgevolg verwerpt het hof het verweer.

D.1

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat hij moet worden vrijgesproken van het hem onder 1. ten laste gelegde, aangezien het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat geen sprake is geweest van overeenkomsten (en leveringen) tussen de eerste leverancier en [bedrijf 2] respectievelijk [bedrijf 2] en [bedrijf 1] respectievelijk [bedrijf 1] en [de B.V.].

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

D.2.1

De verklaring van [getuige 1] houdt – zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang – het volgende in:

“Ik heb nooit gehandeld in auto's. Het bedrijf [bedrijf 1] heeft wel op mijn naam gestaan.”

D.2.2

Het proces-verbaal vordering 81 AWR bij [getuige 1] houdt – zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang – het volgende in:

“Wij hebben [getuige 1] meegedeeld dat er, gezien de verklaringen van [getuige 2] namens [bedrijf 2] dat hij aan [bedrijf 1] had gefactureerd, inkoopfacturen moesten zijn. Daarnaast moesten er, gezien onze bevindingen uit de administratie van [de B.V.], ook verkoopfacturen zijn.

[getuige 1] verklaarde ons het volgende, althans in woorden van gelijke strekking:

‘[bedrijf 2] zegt me niets.’”

D.2.2

De verklaring van [getuige 2] houdt – zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang – het volgende in:

“De auto's die op [bedrijf 2] zijn gefactureerd, werden op verzoek van [verdachte], door mijzelf doorgefactureerd aan [bedrijf 1]. Mij is per opgestelde factuur door

[verdachte] een vergoeding toegekend van 250,00 €. in contanten. Ik ken [bedrijf 1] noch [rechtspersoon]. Ook de naam [getuige 1] zegt mij niets. U vraagt mij of ik ooit eigenhandig via [bedrijf 2] auto's aankocht vanuit Nederland of Duitsland? Dat heb ik nooit gedaan. Alle inkopen van [bedrijf 2] werden gestuurd via [verdachte]. Kennelijk heeft [verdachte] aan die leveranciers opdracht gegeven om aan [bedrijf 2] te factureren. Ik heb nooit contact gehad met de leveranciers. [verdachte] had interesse in deze transactie en niet [bedrijf 2]. Ik zag de factuur pas als de transactie rond was inclusief de betalingen. Deze betalingen werden immers ook via [verdachte] verricht. Alle auto's die op [bedrijf 2] zijn aangekocht werden in opdracht van [verdachte] zowel aangekocht als doorgefactureerd aan [bedrijf 1].

4. Hoe zijn de voertuigen die [bedrijf 2] heeft geleverd aan [bedrijf 1] betaald en door wie? Er hebben geen betalingen plaatsgevonden. Ik kreeg een vergoeding van 250,00 € in contanten per factuur. Ik heb de inkoopfacturen van [bedrijf 2] nooit hoeven te betalen en ik kreeg ook nooit een betaling op mijn verkoopfacturen aan

[bedrijf 1]. Mijn bemoeienis met de autohandel met Nederland en Duitsland bestond uitsluitend uit het in opdracht van [verdachte] opmaken van de desbetreffende facturen.

6. Op een aantal vervoersverklaringen staat uw naam genoemd als degene die de voertuigen heeft vervoerd naar België. Hoe heeft dat vervoer plaatsgehad? Er heeft effectief geen vervoer plaatsgevonden. Het was louter een administratieve afhandeling hier in België. De auto's zijn dus nooit in België geweest.

7. Een aantal voertuigen, welke [bedrijf 2] bij [bedrijf 3] respectievelijk [bedrijf 4] heeft gekocht, zijn door [bedrijf 2] gefactureerd aan [bedrijf 1]. Hoe heeft het transport daarvan van [bedrijf 2] naar Nederland plaatsgehad? Ik verwijs naar mijn antwoord op de vorige vraag. Er is nooit vervoer geweest van Nederland naar België dus ook andersom niet. Ik heb overigens wel eens op verzoek van [verdachte] stukken getekend die betrekking hadden op vervoersopdrachten. Dat was echter altijd nadat de transacties hadden plaatsgevonden.

D.2.3

De ten overstaan van de rechter-commissaris afgelegde verklaring van [getuige 2] houdt – zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang – het volgende in:

“Ik heb auto's in- en verkocht op naam van [bedrijf 2]. In 2003 en 2004 heb ik namens [bedrijf 2] ook auto's uit Duitsland op naam van [bedrijf 2] ingekocht en op naam van [bedrijf 2] ook naar Nederland verkocht. Dit was in opdracht van [verdachte]. In het begin besprak ik met [verdachte] nog per individuele auto maar naar verloop van tijd handelde hij dat eigenlijk zelf af. Ik kreeg commissie van [verdachte] daarvoor. Dat vond ik wel prettig maar naar verloop van tijd werd het zoveel dat ik aan [verdachte] heb aangegeven dat ik daar wel mee wilde stoppen. Ook omdat steeds minder duidelijk werd hoe de facturen geboekt moesten worden. De auto's waar de facturen betrekking op hadden zijn niet naar België gekomen, zeker niet naar mijn bedrijf. Ook de parallelle handel via de [bedrijf 3], dit betrof Mercedessen, heb ik op verzoek van [verdachte] via [bedrijf 2] verricht. Ook daar kreeg ik commissiegelden voor. Voor zover ik mij nu kan herinneren heb ik auto's doorgefactureerd naar [bedrijf 1].”

D.2.4

De verklaring van [getuige 5] houdt – zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang – het volgende in:

“Tijdens het boekenonderzoek bij [de B.V.] heb ik gezien dat er veel auto's ingekocht werden bij een bedrijf genaamd [bedrijf 1] te Best.

Eind december 2003 heb ik telefonisch overleg gehad met [betrokkene]. Hij vertelde me dat hij het bij de Belastingdienst in gebruik zijnde systeem Beheer Van Relaties, kortweg BVR, had geraadpleegd en daarbij had vastgesteld dat [bedrijf 1] de handelsnaam is van [rechtspersoon], gevestigd aan [adres] te Best.”

D.2.5

De verklaring van [getuige 3] houdt – zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang – het volgende in:

“Een jaar of twee geleden kwamen er twee belastingambtenaren op bezoek. Deze belastingambtenaren vroegen naar [bedrijf 1]. Zij zeiden dat er op mijn adres aan de

[adres] in Best het bedrijf [bedrijf 1] was ingeschreven. Ik zei dat er op mijn adres [adres] geen ander bedrijf is gevestigd dan die van mij. Ik heb die belastingambtenaren toen verteld dat een maand of vier voor hun bezoek [verdachte] bij mij was gekomen met de vraag of hij mijn adres [adres] als postadres mocht gebruiken. Ik stelde [verdachte] dus de brievenbus op het adres [adres] te Best ter beschikking. Deze brievenbus stond daar op een plaats waar de post zelf door

[verdachte] eruit kon worden gehaald. Ik heb dus rond die tijd op mijn adres

[adres] post ontvangen ten name [verdachte] en ten name van [bedrijf 1].

[verdachte] heeft mij gezegd dat de post ten name van [bedrijf 1] ook voor hem was.

Vraag verbalisant(en): Volgens de Kamer van Koophandel was vanaf 1 april 2003 het adres [adres] te Best ook het adres van [bedrijf 1], de handelsnaam van [rechtspersoon]. Wat kunt u hierover verklaren?

Ik herken die naam van de brieven die op mijn adres [adres] voor [verdachte] aankwamen. Ik heb de post die was geadresseerd ten name van [rechtspersoon] ook aan

[verdachte] meegegeven of hij heeft het zelf uit de bus gehaald.

Vraag verbalisant(en): Hoe kwam [verdachte] aan de post die op het adres

[adres] te Best werd ontvangen?

Die post kon hij zelf uit de brievenbus halen op de [adres] te Best. Als ik de brievenbus leeghaalde gaf ik alle post die niet aan mij was geadresseerd aan [verdachte]. Hij keek dan de post even door en gooide de reclame weg. De overige post nam hij dan allemaal mee.”

D.2.6

De verklaring van [getuige 4] houdt – zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang – het volgende in:

“(Vraag verbalisanten: Van wie ontving jij opdrachten voor het transport van auto's en hoe?)

Van [verdachte]. Die gaf mij meestal een mapje waar alles inzat, wat ik nodig had. Soms gaf [verdachte] dat mapje bij mij thuis aan iemand af. Daar zat een routebeschrijving in en de gegevens van de auto die ik moest ophalen. Een enkele keer zat er ook geld bij, dat betaald moest worden voor de auto's. Maar meestal was het geld per bank overgemaakt.

De opdrachten voor het ophalen van een auto kreeg ik altijd van [verdachte], nooit van iemand anders. De auto's waren ook wel voor klanten van [verdachte]. Meestal bracht ik de auto's naar [verdachte] op [adres] of mij thuis, maar een hele enkele keer werd de auto bij een benzinepomp overgenomen door de klant. Dan belde de klant mij op om af te spreken waar ik de auto moest afgeven.

(Vraag verbalisanten: Waarmee werden de auto's getransporteerd?)

Die werden getransporteerd met een auto-ambulance. Soms reed ik gewoon met de auto over de weg. Dan zat er een handelaarskenteken op dat ik kreeg van [verdachte].

(Vraag verbalisanten: Wie tekende voor ontvangst wanneer je een auto in ontvangst nam om te transporteren?)

Ik haalde de auto's altijd op in opdracht van [verdachte], ik tekende dan voor ontvangst omdat de verkoper dat vroeg. De verkoper wilde dan een handtekening dat de auto's was afgeleverd.

(Vraag verbalisanten: Welke bescheiden kreeg jij bij de auto's?)

Ik kreeg meestal een boekje mee met de auto met de kentekenbewijzen en de rekeningen. Die spullen liet ik in de auto liggen als ik de auto's afleverde. Dat gebeurde zowel als ik de auto's bij [verdachte] afleverde als aan de klant. Het gebeurde namelijk wel eens dat de klanten van [verdachte] bij mij thuis de auto's kwamen ophalen. Ik gaf meestal de sleutels af aan [verdachte] of aan de klant.

(Vraag verbalisanten: Waar heb jij auto's opgehaald en afgeleverd in opdracht van [verdachte]?)

In Nederland en Duitsland. Ik denk dat ik ook wel eens in België ben geweest. In Duitsland of België heb ik nooit auto's afgeleverd, alleen opgehaald. Ik heb ook nooit een

auto in Duitsland opgehaald en die in België afgeleverd of andersom.

(Opmerking verbalisanten: Wij tonen gehoorde een brief gedateerd 20 december 2003, waarin, in het Duits, staat vermeld dat gehoorde een BMW afhaalt voor de firma [bedrijf 2].

Deze brief is voorzien van bijlagenummer D-093-02.

Vraag verbalisanten: Wat kun je hierover verklaren?)

Ik zie dat ik gemachtigd word om een auto in ontvangst te nemen. Die mapjes waren van een formaat waarin deze brief ongevouwen in past. Die mappen kreeg ik altijd van [verdachte]. Die maakte dat in orde als ik auto's ging ophalen. Het bedrijf [bedrijf 2] ken ik niet.

(Vraag verbalisanten: Kun je beschrijven hoe het bedrijfsadres van [bedrijf 2] er uitziet?)

Nee, ik ken het bedrijf niet. Ik ben daar nog nooit geweest.

(Vraag verbalisanten: Waar is deze auto door jou afgeleverd?)

Ik ben daar mee naar Oirschot gereden naar mijn huis. Ik heb de auto niet afgeleverd bij het bedrijf [bedrijf 2].

(Opmerking verbalisanten: Wij, verbalisanten, tonen gehoorde:

- een factuur van [bedrijf 6], gericht aan [bedrijf 2], gedateerd 29.12.2003 betreffende de verkoop van een BMW X5.

- een formulier "Aflevering van de auto", ondertekend door "de eigenaar van de auto" [getuige 4], welke bij deze factuur was gevoegd.

- een kopie van een formulier van [bedrijf 4], gericht aan [naam].

Genoemde bescheiden zijn voorzien van bijlagenummers D-073, D-073-02 respectievelijk D-073-03.)

(Vraag verbalisanten: Wat heb jij met de aankoop van dit voertuig te maken gehad?)

Ik heb deze auto opgehaald. Dat zie ik aan mijn handtekening op het formulier “Aflevering van de auto”. Ik heb deze auto voor [verdachte] opgehaald.

(Opmerking verbalisanten: Wij, verbalisanten, tonen gehoorde:

- D-094 - een factuur van [bedrijf 5] gericht aan [bedrijf 2] betreffende de levering van een Audi A6 met [chassisnummer] voor een bedrag van

€ 33.000, en daarbij waren gevoegd:

- D-094-02 een zogenaamde "Verbringungsnachweis", ondertekend door "[getuige 4]" als "vertreter" van [bedrijf 2],

- D-094-03 een kopie van het paspoort van [getuige 4].)

(Vraag verbalisanten: Herken jij deze documenten?)

Ik herken mijn handtekening op het formulier D-094-02.

(Vraag verbalisanten: Volgens aantekening op de factuur is voor deze auto € 27.000 contant betaald, "bar bezahlt". Van wie heb jij het geld ontvangen voor deze betaling?)

Als ik geld meekreeg om auto's af te rekenen, was dat altijd afkomstig van [verdachte]. De auto was ook in opdracht van [verdachte] opgehaald en bij hem afgeleverd.”

D.2.7

De ter terechtzitting in hoger beroep van 7 december 2012 afgelegde verklaring van [getuige 4] houdt – zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang – het volgende in:

“U houdt mij voor dat ik bij de FIOD op de vraag “Waar heb jij auto’s opgehaald en afgeleverd in opdracht van [verdachte]?” hebt geantwoord: “In Nederland en Duitsland. Ik denk dat ik ook wel eens in België ben geweest. In Duitsland of België heb ik nooit auto's afgeleverd, alleen opgehaald. Ik heb ook nooit een auto in Duitsland opgehaald en die in België afgeleverd of andersom.”

Dat is juist.

Ik heb in opdracht van [verdachte] auto’s opgehaald en afgeleverd.

Ik heb ooit contant geld meegenomen om te betalen voor auto’s. Dat kreeg ik van [verdachte].”

D.3

Uit de hiervoor weergegeven verklaringen, in onderling verband en samenhang bezien, leidt het hof af dat namens verdachte bij de (eerste) leverancier de auto’s werden opgehaald en werden vervoerd naar het bedrijfsadres van [de B.V.] of een andere door verdachte aangewezen locatie. Bovendien leidt het hof daaruit af dat het op de facturen van [bedrijf 1] vermelde adres, [adres] te Best, een postadres was van verdachte, terwijl de aldaar bezorgde post voor [bedrijf 1] door verdachte werd opgehaald. Van enige koopovereenkomst tussen [bedrijf 1] en [de B.V.] of levering door [bedrijf 1] aan [de B.V.] is ook overigens niet gebleken.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat, anders dan de inhoud doet vermoeden, aan de facturen van [bedrijf 1] gericht aan [de B.V.] geen daadwerkelijke verkoop van auto’s ten grondslag heeft gelegen, zodat deze facturen in strijd waren met de waarheid. Verdachte heeft dat gelet op het vorenstaande ook geweten.

D.4

Gelet op het vorenoverwogene is het hof van oordeel dat [de B.V.] door het in de bedrijfsadministratie opnemen van de valse facturen opzettelijk die bedrijfsadministratie valselijk heeft opgemaakt, terwijl verdachte daaraan feitelijke leiding heeft gegeven.

Bijgevolg verwerpt het hof het verweer.

E.1

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het hem onder 4. ten laste gelegde. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven –:

- primair dat nu het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat geen sprake is geweest van overeenkomsten en leveringen tussen de eerste leverancier en [bedrijf 2] respectievelijk [bedrijf 2] en [bedrijf 1] respectievelijk

[bedrijf 1] en [de B.V.], vrijspraak van het onder 4. ten laste gelegde dient te volgen;

- subsidiair dat verdachte zich niet bewust is geweest van de door [bedrijf 1] gepleegde omzetbelastingfraude, zodat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs biedt dat [de B.V.] onjuiste of onvolledige omzetbelastingaangiften heeft gedaan door daarin rekening te houden met de op facturen van [bedrijf 1] in rekening gebracht omzetbelasting;

- meer subsidiair dat indien en voor zover de aangiften wel onjuist mochten zijn, verdachte c.q. [de B.V.] dienaangaande geen (voorwaardelijk) opzet verweten kan worden.

Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat de aangiften van [de B.V.] niet ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven, aangezien vaststaat dat

[de B.V.] niet wist dat [bedrijf 1] de BTW niet zou afdragen aan de Belastingdienst, terwijl [de B.V.] de bedragen inclusief BTW heeft betaald aan [bedrijf 1], zodat het fiscale nadeel niet kan worden toegerekend aan de aangiften van [de B.V.].

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

E.2

Ter zake van de gefingeerde prestaties – de levering van auto’s door [bedrijf 1] – heeft [de B.V.] opzettelijk aftrek van voorbelasting in haar aangiften omzetbelasting geclaimd waar zij geen recht op had. Immers, aan de valse facturen van

[bedrijf 1] aan [de B.V.] lagen, zoals hiervoor overwogen, geen daadwerkelijke leveringen ten grondslag, zodat ingevolge artikel 15, eerste lid, onder a, van de Wet op de omzetbelasting (zoals deze toen luidde) de gefactureerde omzetbelasting niet in aftrek kon komen. Gelet daarop acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan het opzettelijk doen van onjuiste aangiften omzetbelasting door [de B.V.], terwijl dit feit er toe strekte dat te weinig belasting werd geheven.

Bijgevolg verwerpt het hof het verweer.

F.1

De verdediging heeft voorwaardelijk, te weten voor het geval dat het hof de in de pleitnota weergegeven visie van de verdediging niet volgt, het in zijn brief d.d. 3 mei 2012 aan de advocaat-generaal gedane verzoek herhaald. Deze brief houdt in het verzoek om

[getuige 4], [getuige 6], [getuige 7], [getuige 8], [getuige 9] en [getuige 10] als getuigen te horen.

F.2

In aanmerking genomen dat het verzoek om [getuige 4] te horen door het hof op

15 mei 2012 is toegewezen en deze getuige ter terechtzitting in hoger beroep van

7 december 2012 is gehoord, begrijpt het hof het voorwaardelijk verzoek aldus dat de raadsman enkel nog verzoekt [getuige 6], [getuige 7], [getuige 8], [getuige 9] en [getuige 10] als getuigen te horen.

Uit hetgeen door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht, is het hof de noodzaak van het horen van deze getuigen niet gebleken. Het hof overweegt daarbij dat ook geen enkele verklaring van (één van) deze personen voor het bewijs zal worden gebruikt.

Aangezien van de noodzaak ook overigens uit het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken, wijst het hof het verzoek af.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1. bewezen verklaarde levert op:

Feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Het onder 4. bewezen verklaarde levert op:

Feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straffen

G.1

De rechtbank heeft verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan

6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren alsmede een geldboete van

€ 45.000,00 subsidiair 260 dagen hechtenis opgelegd.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het hof aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren alsmede een geldboete ter hoogte van

€ 45.000,00 subsidiair 260 dagen hechtenis zal opleggen.

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep – op gronden als in de pleitnota verwoord – bepleit dat het hof aan verdachte:

- primair een werkstraf al dan niet in combinatie met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf en/of een geldboete zal opleggen;

- subsidiair een voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden zal opleggen.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op

- de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de omstandigheid dat door het onder 1. bewezen verklaarde het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer mag worden gesteld in de echtheid van stukken als de onderhavige is verstoord;

- de mate waarin door het onder 4. bewezen verklaarde aan de Nederlandse Staat fiscaal nadeel is toegebracht;

- de omstandigheid dat verdachte zich gedurende een periode van vijf maanden stelselmatig met de bewezen verklaarde strafbare feiten heeft beziggehouden.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 1 november 2012, waaruit blijkt dat hij niet eerder ter zake soortgelijke feiten door de strafrechter is veroordeeld;

- het hem betreffend (beknopt) reclasseringsadvies d.d. 14 augustus 2012 van Reclassering Nederland, opgemaakt door M.J. Heijligers;

- de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Bij het bepalen van de duur van deze straf heeft het hof enerzijds aansluiting gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten, dienende als indicatie voor een gebruikelijk rechterlijk straftoemetingsbeleid ten aanzien van fraude. Het hof zal daarbij uitgaan van een benadelingsbedrag van € 557.322,00, gelet op de inhoud van de ambtsedige verklaring van [ambtenaar], bijlage nr. AH-96

Genoemde oriëntatiepunten geven als indicatie voor de op te leggen straf bij een benadelingsbedrag van € 500.000,00 tot € 1.000.000,00 een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 tot 24 maanden.

Anderzijds heeft het hof aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk door dit gerechtshof in gevallen vergelijkbaar met de onderhavige worden opgelegd. Aan de hand daarvan acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk alsmede een geldboete te bedrage van € 45.000,00 in beginsel een passende reactie.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is, behoudens hetgeen hierna wordt overwogen met betrekking tot de redelijke termijn, niet van feiten en omstandigheden gebleken die aanleiding geven om van dit uitgangspunt af te wijken. Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met straffen als bepleit door de verdediging, omdat daarin de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uitdrukking komt.

G.2

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd – zakelijk weergegeven – dat het recht van verdachte op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is geschonden.

Het hof stelt dienaangaande voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.

De termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het openbaar ministerie het ernstig voornemen had tegen verdachte een strafvervolging in te stellen. In het onderhavige geval moet de termijn worden gerekend vanaf

21 november 2006, de dag waarop het eerste verhoor van verdachte heeft plaatsgevonden.

Het vonnis in eerste aanleg is gewezen op 22 juni 2010. Aldus is er sprake van een tijdsverloop van meer dan twee jaar na aanvang van de hiervoor genoemde termijn tot aan de afronding van de behandeling in eerste aanleg, terwijl het hof geen bijzondere omstandigheden aanwezig acht die deze overschrijding rechtvaardigen.

De verdachte heeft op 22 juni 2010 hoger beroep ingesteld. Het hof doet uitspraak meer dan 30 maanden na de datum waarop hoger beroep is ingesteld, terwijl het hof geen bijzondere omstandigheden aanwezig acht die een zo langdurig tijdsverloop rechtvaardigen.

Een en ander brengt met zich mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is overschreden, hetgeen in casu moet leiden tot strafvermindering.

Bij dit oordeel heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.

Het hof ziet in de hiervoor geconstateerde schending van het recht van de verdachte op een openbare behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn aanleiding de gevangenisstraf te verminderen, in die zin, dat deze komt te luiden: een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1. en 4. ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1. en 4. meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

16 (zestien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 45.000,00 (vijfenveertigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 260 (tweehonderdzestig) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. H. Harmsen, voorzitter,

mr. K. van der Meijde en mr. V.M. van Daalen-Mannaerts, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.F.S. ter Heide, griffier,

en op 27 december 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. H. Harmsen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.