Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BY7467

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-12-2012
Datum publicatie
27-12-2012
Zaaknummer
20-000336-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Provincieambtenaar veroordeeld tot gevangenisstraf van 15 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk en ontzetting van het recht tot het bekleden van ambten voor de duur van 4 jaren voor het aannemen van giften van een bouwbedrijf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-000336-11

Uitspraak : 27 december 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Gravenhage

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam, zetelend te ’s-Hertogenbosch, van 19 januari 2011 in de strafzaak met parketnummer

01-993205-09 tegen:

[ambtenaar B],

geboren [1974],

wonende te [woonplaats].

1. Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is

- de dagvaarding nietig verklaard voor zover het betreft het onder II ten laste gelegde;

- de [ambtenaar B] ter zake van – kort gezegd –

o medeplegen van als ambtenaar een gift vragen teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen, meermalen gepleegd, en

o medeplegen van als ambtenaar een gift aannemen, wetende dat deze hem gedaan wordt teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen, meermalen gepleegd

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een ontzetting uit het recht om een ambt te bekleden in rijks-, provinciaal- of gemeentelijk verband dan wel in enige andere organisatie met overheidsstatus, voor een duur die de hoofdstraf 2 jaar te boven gaat;

- aan de [ambtenaar B] opgelegd de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht tot een bedrag van € 19.450,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, subsidiair 132 dagen hechtenis;

- de vordering van de benadeelde partij Provincie Limburg werd toegewezen tot een bedrag van € 14.709,58, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De [ambtenaar B] en de officier van justitie hebben tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

2. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 8, 9 en 12 oktober 2012, 19, 21 en 29 november 2012 en 13 december 2012, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 14 juni 2010, 8 december 2010 en .

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal en van hetgeen door en namens de [ambtenaar B] naar voren is gebracht.

De vordering van de advocaten-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende:

- de [ambtenaar B] voor het onder I ten laste gelegde feit zal veroordelen tot:

o een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot

o ontzetting uit het recht om een ambt te bekleden in rijks-, provinciaal of gemeentelijk verband, dan wel in enige andere organisatie met overheidsstatus, voor een duur die de door het hof te bepalen hoofdstraf twee jaar te boven gaat;

- aan de [ambtenaar B] zal opleggen de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht tot een bedrag van € 19.450,00 subsidiair 132 dagen hechtenis;

- de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen tot een bedrag van EUR 19.450,00.

De verdediging heeft bepleit dat [ambtenaar B] (deels) wordt vrijgesproken van het onder I ten laste gelegde.

3. Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd reeds omdat in hoger beroep de tenlastelegging – en aldus de grondslag van het onderzoek – is gewijzigd.

4. Tenlastelegging

Aan [ambtenaar B] is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep – ten laste gelegd dat:

I

hij op meerdere, althans een, tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van

1 januari 2005 tot en met 27 januari 2009 te Voerendaal en/of Maastricht en/of Meerssen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, als ambtenaar (in de functie van medewerker technisch beheer wegen bij Provinciale Wegen) van de provincie Limburg (een) gift(en) en/of (een) belofte(n) en/of (een) dienst(en),

te weten

- schilderwerkzaamheden aan/in zijn, [ambtenaar B]s, woning en/of

- (een) rolluik(en) en/of (een) hor(ren) en/of (een) screen(s) en/of een

- overkapping en/of een sectionaaldeur (inclusief plaatsing) en/of

- een dakkapel (inclusief plaatsing) en/of

- een aanrechtblad (inclusief plaatsing) en/of

- een airconditioningsinstallatie (inclusief plaatsing) en/of

- meerdere, althans een, contant(e) geldbedrag(en) en/of

- aanleg(werkzaamheden) van/in een tuin behorende bij zijn, [ambtenaar B]s, woning en/of

- een kraam-/babyborrel,

althans enige gift en/of belofte en/of dienst,

verleend en/of aangeboden en/of gedaan door [verdachte C] (in zijn hoedanigheid van projectleider bij [bouwbedrijf]) en/of [verdachte D] (in zijn hoedanigheid van projectleider bij [bouwbedrijf]) en/of [verdachte A] (in zijn hoedanigheid van projectleider of regiomanager bij [bouwbedrijf]) en/of [verdachte B] (in zijn hoedanigheid van directeur van [bouwbedrijf]) en/of (een) andere medewerker(s) van [bouwbedrijf] en/of (namens) [bouwbedrijf]

A. heeft aangenomen terwijl hij, [ambtenaar B] en/of zijn mededader(s),

(telkens) wist of redelijkerwijs vermoedde dat deze/die gift(en) en/of belofte(n) en/of dienst(en) hem en/of zijn mededader(s) werd(en) gedaan teneinde hem te bewegen om in strijd met zijn plicht in zijn bediening iets te doen of na te laten (sub 1) en/of

(telkens) wist of redelijkerwijs vermoedde dat deze/die gift(en) en/of belofte(n) en/of dienst(en) hem en/of zijn mededader(s) werd(en) gedaan tengevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem in strijd met zijn plicht in zijn huidige en/of vroegere bediening is gedaan of nagelaten (sub 2)

en/of

B. heeft gevraagd

(telkens) teneinde hem, [ambtenaar B], te bewegen om in strijd met zijn plicht in zijn bediening iets te doen of na te laten (sub 3) en/of

(telkens) tengevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem, [ambtenaar B], in strijd met zijn plicht, in zijn huidige en/of vroegere bediening is gedaan of nagelaten (sub 4)

te weten het (telkens)

- (anders dan om zakelijke redenen) begunstigen van [bouwbedrijf] en/of [verdachte C] en/of [verdachte D] en/of [verdachte A] en/of [verdachte B] en/of (een) andere medewerker(s) van [bouwbedrijf] en/of

- verstrekken/delen van geheime en/of vertrouwelijke en/of interne/provinciale en/of

niet-openbare en/of concurrentie gevoelige informatie aan/met [verdachte C] en/of

[verdachte D] en/of [verdachte A] en/of [verdachte B] en/of (een) andere medewerker(s) van [bouwbedrijf] en/of

- (anders dan om zakelijke redenen) ten gunste van Jansen de Jong Infra BV en/of

[verdachte C] en/of [verdachte D] en/of [verdachte A] en/of [verdachte B] en/of (een) andere medewerker(s) van [bouwbedrijf] verstrekken van (eenzijdige) informatie ten behoeve van besluitvormingsprocedures (binnen de provincie Limburg) en/of

- (anders dan om zakelijke redenen) (adviseren tot) verstrekken en/of gunnen van werken en/of opdrachten en/of projecten aan [bouwbedrijf] en/of [verdachte C] en/of [verdachte D] en/of [verdachte A] en/of [verdachte B] en/of (een) andere medewerker(s) van [bouwbedrijf] en/of

- (anders dan om zakelijke redenen) goedkeuren van en/of opdracht geven tot het doen van meerwerk en/of verrichten van aanvullende werkzaamheden door/aan [bouwbedrijf] en/of [verdachte C] en/of [verdachte D] en/of [verdachte A] en/of

[verdachte B] en/of (een) andere medewerker(s) van [bouwbedrijf] en/of

- verschaffen van informatie voor het opstellen van een of meerdere fictieve offerte(s) en/of het (vervolgens) verstrekken van een of meerdere fictieve opdracht(en) aan [bouwbedrijf] en/of [verdachte C] en/of [verdachte D] en/of [verdachte A] en/of [verdachte B] en/of (een) andere medewerkers(s) van [bouwbedrijf];

en/of

II

hij op meerdere, althans een, tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van

1 januari 2005 tot en met 27 januari 2009 te Voerendaal en/of Maastricht en/of Meerssen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, als ambtenaar (in de functie van medewerker technisch beheer wegen bij Provinciale Wegen) van de provincie Limburg

(een) gift(en) en/of (een) belofte(n) en/of (een) dienst(en),

te weten

- schilderwerkzaamheden aan/in zijn, [ambtenaar B]s, woning en/of

- (een) rolluik(en) en/of (een) hor(ren) en/of (een) screen(s) en/of een overkapping en/of een sectionaaldeur (inclusief plaatsing) en/of

- een dakkapel (inclusief plaatsing) en/of

- een aanrechtblad (inclusief plaatsing) en/of

- een airconditioningsinstallatie (inclusief plaatsing) en/of

- meerdere, althans een, contant(e) geldbedrag(en) en/of

- aanleg(werkzaamheden) van/in een tuin behorende bij zijn, [ambtenaar B]s, woning en/of

- een kraam-/babyborrel,

althans enige gift en/of belofte en/of dienst,

verleend en/of aangeboden en/of gedaan door [verdachte C] (in zijn hoedanigheid van projectleider bij [bouwbedrijf]) en/of [verdachte D] (in zijn hoedanigheid van projectleider bij [bouwbedrijf]) en/of [verdachte A] (in zijn hoedanigheid van projectleider of regiomanager bij [bouwbedrijf]) en/of [verdachte B] (in zijn hoedanigheid van directeur van [bouwbedrijf]) en/of (een) andere medewerker(s) van [bouwbedrijf] en/of (namens) [bouwbedrijf]

A. heeft aangenomen terwijl hij, [ambtenaar B] en/of zijn mededader(s),

(telkens) wist of redelijkerwijs vermoedde dat deze/die gift(en) en/of belofte(n) en/of dienst(en) hem en/of zijn mededader(s) werd(en) gedaan teneinde hem te bewegen om, zonder daardoor in strijd met zijn plicht te handelen, in zijn bediening iets te doen of na te laten (sub 1) en/of

(telkens) wist of redelijkerwijs vermoedde dat deze/die gift(en) en/of belofte(n) en/of dienst(en) hem en/of zijn mededader(s) werd(en) gedaan tengevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem, zonder daardoor in strijd met zijn plicht te handelen, in zijn huidige en/of vroegere bediening is gedaan of nagelaten (sub 2)

en/of

B. heeft gevraagd

(telkens) teneinde hem, [ambtenaar B], te bewegen om, zonder daardoor in strijd met zijn plicht te handelen, in zijn bediening iets te doen of na te laten (sub 3) en/of

(telkens) tengevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem, [ambtenaar B], zonder daardoor in strijd met zijn plicht te handelen, in zijn huidige en/of vroegere bediening is gedaan of nagelaten (sub 4)

te weten het (telkens)

- begunstigen van [bouwbedrijf] en/of [verdachte C] en/of [verdachte D] en/of [verdachte A] en/of [verdachte B] en/of (een) andere medewerker(s) van [bouwbedrijf] en/of

- verstrekken/delen van interne/provinciale informatie aan/met [verdachte C] en/of

[verdachte D] en/of [verdachte A] en/of [verdachte B] en/of (een) andere medewerker(s) van [bouwbedrijf] en/of

- ten gunste van [bouwbedrijf] en/of [verdachte C] en/of [verdachte D] en/of [verdachte A] en/of [verdachte B] en/of (een) andere medewerker(s) van

[bouwbedrijf] verstrekken van (eenzijdige) informatie ten behoeve van besluitvormingsprocedures (binnen de provincie Limburg) en/of

- (adviseren tot) verstrekken en/of gunnen van werken en/of opdrachten en/of projecten aan [bouwbedrijf] en/of [verdachte C] en/of [verdachte D] en/of

[verdachte A] en/of [verdachte B] en/of (een) andere medewerker(s) van

[bouwbedrijf] en/of

- goedkeuren van en/of opdracht geven tot het doen van meerwerk en/of verrichten van aanvullende werkzaamheden door/aan [bouwbedrijf] en/of [verdachte C] en/of [verdachte D] en/of [verdachte A] en/of [verdachte B] en/of (een) andere medewerker(s) van [bouwbedrijf].

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De [ambtenaar B] is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5. Bewijsmiddelen

[…]

6. Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

D1.1

Uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen onder A tot en met C blijkt dat:

- [ambtenaar B] begin 2005 zijn woning heeft laten schilderen waarbij de kosten (omstreeks € 6.000,00) door bouwbedrijf [bouwbedrijf] zijn betaald;

- medio 2005 rolluiken, horren, screens, overkappingen en een sectionaaldeur zijn geplaatst in de woning van [ambtenaar B], waarbij de kosten (omstreeks € 20.000,00) door [bouwbedrijf] zijn betaald;

- de zolderverdieping van de woning van [ambtenaar B] in het voorjaar van 2006 is verbouwd waarbij de kosten (omstreeks € 22.000,00) door [bouwbedrijf] zijn betaald;

- [ambtenaar B] in mei 2006 de zolderverdieping van zijn woning heeft laten schilderen waarbij de kosten (omstreeks € 2.600,00) door [bouwbedrijf] zijn betaald;

- in augustus 2006 een aanrechtblad is geplaatst in de bijkeuken van de woning van [ambtenaar B], waarbij de kosten (omstreeks € 2.300,00) door [bouwbedrijf] zijn betaald;

- in het voorjaar van 2007 een airconditioning is geleverd en gemonteerd in de woning van [ambtenaar B], waarbij de kosten (omstreeks € 13.000,00) door

[bouwbedrijf] zijn betaald;

- In april 2008, geheel voor rekening van [bouwbedrijf], kunstgras is aangelegd in de tuin van [ambtenaar B];

- [ambtenaar B] en zijn echtgenote in augustus 2008 een kraamborrel hebben gegeven waarvan de kosten (omstreeks € 3.300,00) door [bouwbedrijf] zijn betaald;

D1.2

Gelet op de positie die [ambtenaar B] vervulde als ambtenaar van het bureau Technisch beheer van de afdeling Provinciale wegen van de provincie Limburg, alsmede de feiten en omstandigheden dat;

- [ambtenaar B] in het kader van zijn functie bij de provincie Limburg veelvuldig contact had met bouwbedrijven en veelal zelfstandig beslissingen kon nemen met betrekking tot het verstrekken van opdrachten en aanbesteden van projecten;

- [ambtenaar B] van bouwbedrijf [bouwbedrijf] (door tussenkomst van medewerkers van [bouwbedrijf], onder meer [verdachte D], [verdachte C] en [verdachte A]) in een periode van ruim drie jaar giften heeft ontvangen die in totaal een waarde hadden van omstreeks € 70.000,00;

- de giften zijn gedaan door bouwbedrijf [bouwbedrijf], een bedrijf dat er een groot belang bij had om bouwprojecten van de provincie Limburg toebedeeld te krijgen (en feitelijk (via [ambtenaar B]) ook bovenmatig toebedeeld heeft gekregen);

- op de facturen ten aanzien van de bij [ambtenaar B] (voor rekening van [bouwbedrijf]) verrichte werkzaamheden, veelal met medeweten maar ook op in opdracht van [ambtenaar B] andere omschrijvingen werden gezet dan de werkelijke verrichte werkzaamheden;

kan het niet anders zijn dan dat [ambtenaar B] geweten heeft dat de giften door [bouwbedrijf] aan hem werden gedaan teneinde een tegenprestatie te verkrijgen in de vorm van het (in strijd met de ambtsplicht) begunstigen van [bouwbedrijf] zoals in de bewezenverklaring is omschreven. Het vorenstaande wordt ook bevestigd in de tegenprestaties die ook daadwerkelijk door [ambtenaar B] zijn verricht zoals hiervoor bij de bewijsmiddelen onder C opgenomen.

D2.

De verdediging heeft bepleit dat van de tegenprestaties die [ambtenaar B] leverde, met uitzondering van het verstrekken van informatie over de [naam], niet gezegd kan worden dat deze strijd met de ambtsplicht opleverden. Door de verdediging is hiertoe – kort samengevat – aangevoerd dat het aannemen van een gift op zichzelf nog geen strijd met de ambtsplicht oplevert maar dat enkel op grond van de onrechtmatige tegenprestatie van de ambtenaar tot een veroordeling op grond van artikel 363 van het Wetboek van Strafrecht kan worden gekomen. In het onderhavige geval waren de tegenprestaties van [ambtenaar B] (met uitzondering van het verstrekken van de informatie over de [naam]) – aldus de verdediging – niet onrechtmatig.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

D3.1

[ambtenaar B] heeft in de periode 2005 tot en met 2008 als ambtenaar van de provincie Limburg o.a.:

- informatie verstrekt aan [bouwbedrijf] inzake het project [naam] (2005), met welke informatie [bouwbedrijf] de gewenste offerte kon opstellen;

- informatie verstrekt aan [bouwbedrijf] inzake het project [naam] (voorjaar 2007)

- informatie verstrekt aan [bouwbedrijf] met betrekking tot werkzaamheden aan de [naam] (medio 2008)

- een groot aantal enkelvoudige opdrachten aan [bouwbedrijf] verstrekt;

- een fictieve opdracht verstrekt aan [bouwbedrijf] met aan het einde van het jaar nog niet gebruikt budget en hiertoe in overleg met [verdachte A] (van [bouwbedrijf]) een valse offerte opgemaakt (december 2008);

D3.2

Ambtenaren handelen in strijd met hun plicht wanneer zij handelen in strijd met de voor hen geldende gedragslijn dat een ambtenaar – naar uit de aard van het ambtenaarschap voortvloeit – in zijn taakuitoefening eerlijk, nauwgezet en neutraal dient te zijn en alle belanghebbenden gelijkelijk dient te behandelen. Het geven van een voorkeursbehandeling is op die grond verboden. Uit het vorenstaande blijkt dat [ambtenaar B] [bouwbedrijf] steeds een voorkeursbehandeling heeft gegeven. Het is daarom dan ook niet van belang dat de handelingen zelf, zoals bijvoorbeeld het verstrekken van één op één opdrachten, niet buiten de bevoegdheid van [ambtenaar B] vielen. Het gaat er om dat [ambtenaar B] [bouwbedrijf] al dan niet aanzienlijk heeft bevoordeeld boven andere bouwbedrijven. Hij is in die zin derhalve niet neutraal geweest. [ambtenaar B] heeft daarnaast ,zoals hij ook zelf heeft verklaard, informatie verstrekt aan [bouwbedrijf] zodat zij de meest gunstige offerte konden doen en hij heeft een fictieve opdracht verstrekt aan [bouwbedrijf] om een nog niet benut budget van de provincie Limburg aan [bouwbedrijf] te doen toekomen. Dat een aldus handelende ambtenaar van de provincie Limburg in strijd met zijn plicht handelt is evident.

Het hof is gelet op het vorenstaande van oordeel dat van geen van de tegenprestaties die door [ambtenaar B] geleverd zijn en waarvan blijkt uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen onder C kan worden gezegd dat deze geen strijd met de ambtsplicht opleveren.

D3.3

Het hof acht op grond van het vorenstaande dan ook wettig en overtuigend bewezen dat [ambtenaar B] de giften heeft aangenomen terwijl hij wist dat deze giften hem werden gedaan ten einde hem te bewegen om in strijd met zijn plicht iets te doen, te weten het begunstigen van [bouwbedrijf].

Het verweer wordt bijgevolg verworpen.

7. Bewezenverklaring

Op grond van de hiervoor door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden, zoals die naar voren komen uit de daaraan onder A tot en met C opgenomen bewijsmiddelen (genoemd in de voetnoten), alsmede hetgeen hierover overwogen is onder D, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht het hof het aan [ambtenaar B] onder I ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op tijdstippen gelegen in de periode van 1 januari 2005 tot en met 27 januari 2009 in Nederland, als ambtenaar in de functie van medewerker technisch beheer wegen bij Provinciale Wegen van de provincie Limburg giften, te weten

- schilderwerkzaamheden aan/in zijn, [ambtenaar B]s, woning en

- rolluiken en horren en screens en een overkapping en een sectionaaldeur inclusief plaatsing en

- een dakkapel inclusief plaatsing en

- een aanrechtblad inclusief plaatsing en

- een airconditioningsinstallatie inclusief plaatsing en

- aanleg(werkzaamheden) van/in een tuin behorende bij zijn, [ambtenaar B]s, woning en

- een kraam-/babyborrel,

gedaan door medewerkers van [bouwbedrijf],

heeft aangenomen terwijl hij, [ambtenaar B],

telkens wist dat deze giften hem werden gedaan teneinde hem te bewegen om in strijd met zijn plicht in zijn bediening iets te doen, te weten het begunstigen van

[bouwbedrijf].

Het hof acht niet bewezen hetgeen [ambtenaar B] meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

8. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder I bewezen verklaarde levert op:

Als ambtenaar een gift aannemen, wetende dat deze hem gedaan wordt teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

9. Op te leggen straf

E1.

Het hof heeft bewezen verklaard – kort weergegeven – dat [ambtenaar B] als ambtenaar giften voor een totaalbedrag van omstreeks € 70.000,00 heeft aangenomen, terwijl hij wist dat deze giften hem gedaan werden teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen.

E2.

De advocaten-generaal hebben ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het hof aan [ambtenaar B] zal opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede ontzetting uit het recht om een ambt te bekleden in rijks-, provinciaal of gemeentelijk verband, dan wel in enige andere organisatie met overheidsstatus, voor een duur die de door het hof te bepalen hoofdstraf twee jaar te boven gaat.

E3.

De verdediging heeft bepleit dat bij de strafoplegging acht geslagen zal worden op de persoonlijke omstandigheden van [ambtenaar B], zoals die ter terechtzitting in hoger beroep aan de orde zijn gekomen en om, gelet op die omstandigheden, niet meer onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de tijd die [ambtenaar B] in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en [ambtenaar B] daarnaast te veroordelen tot een taakstraf.

E4.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de [ambtenaar B], zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de omstandigheid dat [ambtenaar B] in een periode van ruim drie jaar giften heeft aangenomen met een waarde van in totaal omstreeks € 70.000,00;

- de omstandigheid dat [ambtenaar B] door het aannemen van de giften het in hem gestelde vertrouwen heeft beschaamd en zijn positie heeft misbruikt voor persoonlijk voordeel;

- de omstandigheid dat door het bewezen verklaarde het vertrouwen dat de burger in het overheidsapparaat moet kunnen stellen is geschaad, aangezien de burger er op moet kunnen vertrouwen dat beslissingen van de overheid op objectieve gronden worden genomen;

- de omstandigheid dat door het bewezen verklaarde de integriteit van de overheid is aangetast, aangezien de overheid moet kunnen vertrouwen op de loyaliteit, betrouwbaarheid en onkreukbaarheid van de eigen ambtenaren.

Ten aanzien van de persoon van [ambtenaar B] heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie

d.d. 9 augustus 2012, waaruit blijkt dat hij niet eerder door de strafrechter is veroordeeld;

- het hem betreffend (beknopt) reclasseringsadvies d.d. 17 augustus 2012 van Reclassering Nederland, opgemaakt door [naam];

- de persoonlijke omstandigheden van [ambtenaar B], zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

E5.

Het hof heeft wat betreft de op te leggen strafsoort en hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk door dit gerechtshof in gevallen vergelijkbaar met de onderhavige worden opgelegd. Gelet op de omvang van de door [ambtenaar B] aangenomen giften en de tegenprestaties waartoe [ambtenaar B] is bewogen, acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende reactie. Het hof zal daarnaast een deel voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen.

E6.

Met oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

E7.

[ambtenaar B] heeft door zijn bewezen verklaarde handelen het in hem als ambtenaar gestelde vertrouwen ernstig geschonden en zijn ambt in diskrediet gebracht. Daarom zal hem de bijkomende straf van ontzetting uit het recht om ambten te bekleden worden opgelegd voor na te melden duur.

Het hof ziet voorts aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de pleegdatum tot de dag der algehele voldoening. [ambtenaar B] is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Het hof zal bepalen dat indien en voor zover de [ambtenaar B] heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer daarmede zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen.

10. Vordering van de benadeelde partij

De provincie Limburg (gemachtigde [naam]) heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend ten bedrage € 52.377,00. De vordering is door de eerste rechter toegewezen tot een bedrag van € 19.450,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De benadeelde partij heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij vergoeding van hetgeen aan haar in eerste aanleg is toegewezen.

Deze vordering strekt tot vergoeding van geleden schade.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij provincie Limburg als gevolg van [ambtenaar B]s bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag. [ambtenaar B] is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering toewijsbaar is, met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld.

Het hof zal bepalen dat indien en voor zover de [ambtenaar B] heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, daarmede zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer in zoverre komt te vervallen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 36f, 28, 29, 31, 57, en 363 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de [ambtenaar B] het onder I ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de [ambtenaar B] meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de [ambtenaar B] strafbaar.

Veroordeelt de [ambtenaar B] tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de [ambtenaar B] zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de [ambtenaar B] vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ontzet de [ambtenaar B] van het recht tot het bekleden van ambten voor de duur van

4 (vier) jaren.

Legt aan de [ambtenaar B] de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd Provincie Limburg, een bedrag te betalen van EUR 19.450,00 (negentienduizend vierhonderdvijftig euro) materiële schadevergoeding, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 132 (honderdtweeëndertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Provincie Limburg terzake van het onder I bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 19.450,00 (negentienduizend vierhonderdvijftig euro) voor materiële schade;

Verwijst de [ambtenaar B] in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat, indien de [ambtenaar B] heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de [ambtenaar B] heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. H. Harmsen, voorzitter,

mr. K. van der Meijde en mr. T.A. de Roos, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. C.A. Blokx-van Roosmalen en mr. M.F.S. ter Heide, griffiers,

en op 27 december 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. H. Harmsen is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.