Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BY7047

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-12-2012
Datum publicatie
21-12-2012
Zaaknummer
HD 200.095.604
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gemeenschap van goederen. “Verdeling” van huwelijkse schulden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.095.604

arrest van 18 december 2012

in de zaak van

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant in principaal appel,

geïntimeerde in voorwaardelijk incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. G.W.J. Rietra,

tegen:

[Y.],

wonende te [woonplaats], Polen,

geïntimeerde in principaal appel,

appellante in voorwaardelijk incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. K.J. Figel,

op het bij exploot van dagvaarding van 22 augustus 2011 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Roermond gewezen vonnis van 15 juni 2011 tussen de man als eiser in conventie tevens verweerder in reconventie en de vrouw als gedaagde in conventie tevens eiseres in reconventie.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr./rolnnr. 100846/HA ZA 10-349)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven met producties heeft de man drie grieven aangevoerd, zijn eis gewijzigd en geconcludeerd zoals in zijn memorie van grieven is vermeld.

2.2. Bij memorie van antwoord met producties heeft de vrouw de grieven van de man bestreden. Zij heeft tevens voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld en geconcludeerd zoals in haar memorie is vermeld.

2.3. Partijen hebben uitspraak gevraagd. Alleen de vrouw heeft de gedingstukken overgelegd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de gronden van het hoger beroep verwijst het hof naar de memories van partijen.

4. De beoordeling

In principaal en in (voorwaardelijk) incidenteel appel

4.1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

Partijen zijn gehuwd geweest van 19 augustus 2006 tot 21 september 2009.

Niet in geschil is dat zij in gemeenschap van goederen waren gehuwd en dat de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap naar Nederlands recht dient plaats te vinden.

Omtrent de verdeling van de huwelijksgemeenschap zijn geschillen gerezen die partijen aan de rechtbank hebben voorgelegd. De rechtbank heeft bij vonnis waarvan beroep op de geschillen beslist en de verdeling van de huwelijksgemeenschap vastgesteld.

De man kan zich niet met de uitspraak van de rechtbank verenigen en is in hoger beroep gekomen. De vrouw heeft voorwaardelijk incidenteel geappelleerd.

4.2. De man heeft in hoger beroep zijn eis gewijzigd. Hij vordert thans betaling van een concreet bedrag in verband met de door hem voorgestane verdeling van de huwelijkse schulden. Weliswaar is die vordering niet vermeld in het petitum van de appeldagvaarding of de memorie van grieven, maar uit de reactie van de vrouw op de gewijzigde vordering blijkt dat het voor haar duidelijk is wat de man in hoger beroep vordert. Zij heeft tegen de eiswijziging geen bezwaar aangevoerd, zodat het hof van de gewijzigde eis zal uitgaan.

4.3. In hoger beroep zijn de volgende onderwerpen aan de orde gesteld:

a) de huwelijkse schulden (grief 1 van de man en de voorwaardelijke incidentele grief van de

vrouw);

b) de roerende zaken (grief 2 van de man);

c) de banksaldi (grief 3 van de man).

Het hof zal deze punten hierna achtereenvolgens beoordelen.

4.4. ad a) de huwelijkse schulden (grief 1 van de man en de voorwaardelijke incidentele

grief van de vrouw)

4.4.1. De rechtbank heeft overwogen dat de schulden van partijen ingevolge artikel 1:94 BW tot de gemeenschap van goederen horen en in de verdeling moeten worden betrokken. De rechtbank heeft verder overwogen dat als peildatum voor de omvang van de schulden 21 september 2009, de datum van ontbinding van het huwelijk, geldt.

Omdat informatie over de omvang van de schulden op de peildatum ontbrak, is de rechtbank ervan uit gegaan dat er geen in de verdeling te betrekken schulden waren.

4.4.2. De man heeft in hoger beroep concrete informatie verstrekt over de schulden van partijen op de peildatum. Hij stelt dat alle huwelijkse schulden door hem zijn respectievelijk zullen worden voldaan en hij vordert dat de vrouw deswege zal worden veroordeeld om aan hem een bedrag van € 13.759,66 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 september 2009 tot de dag der voldoening.

4.4.3. De vrouw heeft tegen de vordering van de man primair als verweer aangevoerd dat de man op grond van de redelijkheid en billijkheid de schulden volledig dient te dragen. Zij voert hiertoe aan dat de man degene was die tijdens het huwelijk inkomen had; zelf had zij geen inkomen. Volgens de vrouw dient de man om die reden alle rekeningen te betalen. De vrouw voert verder aan dat de man volledig buiten haar om de schulden is aangegaan en haar in het geheel niet heeft geïnformeerd. Zij stelt voorts dat rekening gehouden moet worden met het feit dat de man de volledige inboedel heeft behouden.

4.4.4. Het hof verwerpt dit verweer van de vrouw. De omstandigheid dat de man tijdens het huwelijk kostwinner was ontslaat de vrouw niet uit haar draagplicht met betrekking tot de huwelijkse schulden. Dit geldt ook voor de omstandigheid dat de man de schulden buiten haar medeweten is aangegaan.

Met betrekking tot de roerende zaken heeft de rechtbank een verdeling vastgesteld waarbij de man aan de vrouw een bedrag wegens overbedeling dient te betalen. Ook aan de verdeling van de roerende zaken kan de vrouw daarom geen argument ontlenen om van haar draagplicht ontslagen te worden.

4.4.5. Subsidiair stelt de vrouw dat uitgegaan moet worden van de omvang van de schulden ten tijde van de verdeling, dit is per heden. Haar voorwaardelijke incidentele grief heeft hierop betrekking. Omdat de eerste grief van de man gedeeltelijk gegrond zal worden verklaard dient het hof ook het incidenteel appel van de vrouw te beoordelen.

Naar het oordeel van het hof kan het subsidiaire verweer van de vrouw niet worden aanvaard. Voor de omvang van de huwelijksgemeenschap, dus ook voor de omvang van de schulden, dient in beginsel uit te worden gegaan van de datum waarom het huwelijk is ontbonden. Het hof ziet in deze zaak geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken op de wijze die de vrouw voorstaat.

4.4.6. De vrouw betwist (meer subsidiair) de bedragen die de man in zijn memorie van grieven noemt.

Dit verweer is in zoverre gegrond dat ook het hof constateert dat de door de man in zijn memorie van grieven genoemde bedragen niet (geheel) corresponderen met de bewijsstukken die hij als productie 2 bij zijn memorie van grieven heeft overgelegd.

Het hof zal voor de beoordeling van de vordering van de man uitgaan van de door hemzelf overgelegde bewijstukken, waarvan de juistheid niet, of in ieder geval niet voldoende, door de vrouw is betwist.

4.4.7. Voor de beoordeling van de vordering van de man neemt het hof verder als uitgangspunt dat beide partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de huwelijkse schulden en dat de man pas een regresvordering op de vrouw heeft indien en voor zover hij meer dan zijn aandeel in de huwelijkse schulden heeft voldaan.

4.4.8. De man noemt een zestal huwelijkse schulden die door hem inmiddels volledig zijn voldaan. Het gaat om de schulden aan Vodafoon, [schuldeiser 1], ICS Visa, CZ Limburg, CZ Brabant en de belastingdienst. Uit de stukken die als productie 2 bij memorie van grieven zijn overgelegd leidt het hof af dat de hoogte van deze schulden op de peildatum 21 september 2009 als volgt was:

Vodafoon: € 662,10

[schuldeiser 1]: € 1.872,16

ICS Visa: € 483,55

CZ Limburg: € 1.167,18

CZ Brabant: € 272,46

belastingdienst: € 729,--

totaal: € 5.186,45

Omdat de man de hier bedoelde schulden inmiddels volledig heeft voldaan, dient de vrouw aan de man de helft van hetgeen door hem is voldaan, dus € 2.593,23, te betalen.

De vrouw heeft met betrekking tot de schuld aan [schuldeiser 1] weliswaar nog aangevoerd dat die schuld aan de man verknocht is, maar zij heeft die stelling niet onderbouwd, zodat het hof hieraan voorbij gaat.

4.4.9. Wat betreft de schuld aan [schuldeiser 2] blijkt uit de als productie 2 bij de memorie van grieven overgelegde stukken dat deze schuld op de peildatum € 8.205,40 bedroeg. De man en de vrouw zijn ieder draagplichtig voor de helft van dit bedrag, dit is € 4.102,70.

De man heeft na de peildatum € 7.800,- op deze schuld afgelost, zodat hij regres op de vrouw heeft voor een bedrag van € 7.800,- min € 4.102,70 = € 3.697,30.

Het hof merkt hierbij nog op dat, indien de man inmiddels een groter bedrag op de schuld heeft voldaan, hij voor dat meerdere eveneens regres op de vrouw heeft.

4.4.10. Wat betreft de schuld aan Interbank blijkt uit de als productie 2 bij de memorie van grieven overgelegde stukken dat deze schuld op de peildatum € 6.111,60 bedroeg. De man en de vrouw zijn ieder draagplichtig voor de helft van dit bedrag, dit is € 3.055,80.

De man heeft na de peildatum € 3.450,- op deze schuld afgelost, zodat hij regres op de vrouw heeft voor een bedrag van € 3.450,- min € 3.055,80 = € 394,20.

Ook voor deze schuld geldt dat, indien de man inmiddels een groter bedrag op de schuld heeft voldaan, hij voor dat meerdere eveneens regres op de vrouw heeft.

4.4.11. Wat betreft de schuld aan het Waarborgfonds blijkt uit de als productie 2 bij de memorie van grieven overgelegde stukken dat deze schuld op de peildatum € 5.084,05 bedroeg. De man en de vrouw zijn ieder draagplichtig voor de helft van dit bedrag, dit is

€ 2.542,03. Op de schuld aan het Waarborgfonds is na de peildatum niets afgelost. Dit betekent dat de man ten aanzien van deze schuld (nog) geen regresvordering op de vrouw heeft.

Met betrekking tot deze schuld merkt het hof op dat de man, zodra hij meer dan de helft van de schuld op de peildatum heeft voldaan, voor het meerdere regres heeft op de vrouw.

4.4.12. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen heeft de man in totaal een regresvordering op de vrouw van € 2.593,23 + € 3.697,30 + € 394,20 = € 6.684,73.

De man vordert wettelijke rente over zijn regresvordering vanaf 21 september 2009. Hij vordert echter pas bij memorie van grieven een bedrag van de vrouw met wettelijke rente.

Om die reden is de wettelijke rente pas toewijsbaar vanaf de datum van de memorie van grieven, dit is 13 maart 2012.

4.4.13. Het voorgaande betekent dat de eerste grief van de man gedeeltelijk gegrond is.

4.5. ad b) de roerende zaken (grief 2 van de man)

4.5.1. De rechtbank heeft alle roerende zaken aan de man toegedeeld, met uitzondering van de trouwring van de vrouw en de hond; die zaken zijn aan de vrouw toegedeeld. De man is veroordeeld om wegens overbedeling aan de vrouw een bedrag van € 350,- te betalen.

4.5.2. In zijn tweede grief voert de man allereerst aan dat de vrouw beide trouwringen heeft meegenomen.

Niet duidelijk is wat de man met deze stelling beoogt. De beslissing van de rechtbank houdt in dat de man zijn eigen trouwring toegedeeld heeft gekregen. Het hof begrijpt dat de man het eens is met die beslissing. Wellicht wenst hij afgifte van zijn trouwring, maar dat wordt door hem niet gevorderd.

Ook overigens is niet duidelijk wat de man met zijn tweede grief beoogt. Dat hij ten aanzien van de verdeling van de roerende zaken iets anders wil dan de rechtbank heeft vastgesteld blijkt niet uit zijn memorie van grieven.

Hij rept weliswaar nog over een door de vrouw meegenomen geldbedrag, maar het hof is het met de rechtbank eens dat de man zijn vordering op dit punt onvoldoende heeft onderbouwd.

4.5.3. De conclusie is dat de tweede grief van de man faalt.

4.6. ad c) de banksaldi (grief 3 van de man)

4.6.1. De man stelt in zijn derde grief dat de rechtbank ten onrechte banksaldi buiten de verdeling heeft gehouden. Volgens de man had de op zijn naam staande Raborekening met nr. [rekeningnummer 1] op de peildatum een negatief saldo van € 822,81. Hij stelt dat de vrouw de helft van dit bedrag moet dragen.

4.6.2. De vrouw heeft hiertegen aangevoerd dat de man zijn stellingen onvoldoende heeft onderbouwd.

4.6.3. Het hof constateert dat de man weliswaar als productie 3 bij zijn memorie van grieven kopieën van bankafschriften van rekening [rekeningnummer 1] heeft overgelegd, maar het afschrift waaruit het saldo van deze rekening op de peildatum 21 september 2009 zou kunnen worden afgeleid, ontbreekt.

4.6.4. Dit betekent dat de grief van de man in zoverre faalt.

Het hof merkt hierbij op dat, indien de man jegens de vrouw kan aantonen dat bedoelde rekening op de peildatum een negatief saldo had en de man dit voor zijn rekening heeft genomen, de vrouw de helft van het negatieve saldo aan de man moet vergoeden.

4.6.5. De man stelt dat de (ING)rekening ten name van de vrouw met nummer [rekeningnummer 2] op de peildatum een positief saldo had van € 1.400,-. De vrouw heeft dit betwist.

4.6.6. Hieromtrent overweegt het hof dat de man in eerste aanleg met betrekking tot deze rekening heeft aangevoerd dat de vrouw op de dag van haar vertrek naar Polen, 30 april 2008, een bedrag van € 1.400,- van bedoelde rekening heeft opgenomen en het geld heeft meegenomen naar Polen.

In dit licht bezien is zijn standpunt in hoger beroep omtrent het saldo op de hier bedoelde rekening niet goed te begrijpen.

Enig bewijs voor zijn stelling dat de rekening op 21 september 2009 een positief saldo vertoonde is door de man niet geleverd. Evenmin is op dit punt een voldoende gespecificeerd bewijsaanbod door hem gedaan.

4.6.7. De conclusie is dat de derde grief van de man faalt.

4.7. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal het vonnis waarvan beroep worden vernietigd, doch uitsluitend voor zover de rechtbank heeft beslist dat er op de peildatum geen in de verdeling te betrekken schulden aanwezig waren.

Het hof zal, opnieuw rechtdoende, de vrouw veroordelen om ter zake van de huwelijkse schulden aan de man een bedrag te voldoen van € 6.684,73 met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 13 maart 2012 tot de dag der voldoening.

Het vonnis van de rechtbank zal voor het overige worden bekrachtigd.

De kosten van het hoger beroep zullen worden gecompenseerd aangezien partijen voormalige echtgenoten zijn.

5. De uitspraak

In principaal en in (voorwaardelijk) incidenteel appel

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, doch uitsluitend voor zover de rechtbank heeft beslist dat er op de peildatum geen in de verdeling te betrekken schulden aanwezig waren en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt de vrouw om ter zake van de huwelijkse schulden aan de man een bedrag te voldoen van € 6.684,73 met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 13 maart 2012 tot de dag der voldoening;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde;

compenseert de kosten van het hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten moet dragen.

Dit arrest is gewezen door mrs. N.J.M. van Etten, B.A. Meulenbroek en W.H.B. den Hartog Jager en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 december 2012.