Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BY6982

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-12-2012
Datum publicatie
21-12-2012
Zaaknummer
HV 200.116.403-01 en HV 200.116.403-02
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 1:253a lid 1 en 5 BW.

Geschil tussen gescheiden ouders met gezamenlijk gezag over schoolkeuze 6-jarige dochter. Moeder heeft tegen de wens van vader in dochter op andere basisschool ingeschreven. Vader verzoekt herinschrijving dochter op ”oude school”.

Moeder heeft onvoldoende aangetoond dat de wijziging van basisschool noodzakelijk was. Zij is volledig voorbijgegaan aan de rol van de vader als gezagsouder. Moeder heeft bovendien handtekening van vader, noodzakelijk voor inschrijving, vervalst.

Bekrachtiging van de beschikking van de rechtbank waarbij het verzoek tot herinschrijving van de minderjarige op de “oude” school wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Uitspraak: 20 december 2012

Zaaknummer: HV 200.116.403/01 en HV 200.116.403/02

Zaaknummer eerste aanleg: 118514/ FA RK 12-1370

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. A.A.M. Olde Loohuis,

tegen

[Y.],

wonende te [woonplaats],

verweerder,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. S. van Oers,

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Roermond van 24 oktober 2012.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 2 november 2012, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, alsnog het verzoek van de vader af te wijzen.

Tevens heeft zij verzocht de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking te schorsen in afwachting van de behandeling van het onderhavige hoger beroep.

2.2. Bij verweerschrift met productie, ingekomen ter griffie op 23 november 2012, heeft de vader verzocht de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 november 2012. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Olde Loohuis,

- de vader, bijgestaan door mr. Van Oers.

- de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad), vertegenwoordigd door mevrouw C.H.G.W. van de Wijdeven.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de brief van de advocaat van de vader d.d. 16 november 2012;

- de brief met bijlage van de advocaat van de moeder d.d. 16 november 2012;

- de brief van de raad d.d. 20 november 2012, waarin deze meedeelt dat de raad niet beschikt over rapportages die betrekking hebben op de onderhavige procedure.

- de brief van de advocaat van de moeder d.d. 22 november 2012, met een bijlage.

3. De beoordeling

3.1. Partijen zijn op 2 oktober 1995 te Nijmegen met elkaar gehuwd.

Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:

- [A.] (hierna: [zoon]), geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats],

- [B.] (hierna: [dochter]), op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats].

3.2. Bij de beschikking van 26 januari 2011 heeft de rechtbank Roermond tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 3 maart 2011 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2.1. Bij beschikking van 11 mei 2011 heeft de rechtbank Roermond de hoofdverblijfplaats van [zoon] bij de vader bepaald en de hoofdverblijfplaats van [dochter] bij de moeder en een zorgregeling vastgesteld waarbij [zoon] in de even weken bij de moeder is en in de oneven weken bij de vader en [dochter] een keer per veertien dagen van donderdagavond tot maandagochtend bij de vader is alsmede op andere tijden welke in onderling overleg tussen de ouders wordt afgesproken.

De feestdagen en vakanties zullen in onderling overleg worden verdeeld.

3.3. Bij inleidend verzoek d.d. 21 september 2012 heeft de vader de rechtbank Roermond voor zover hier van belang, verzocht - uitvoerbaar bij voorraad - toestemming te verlenen om [dochter] te herinschrijven op de basisschool in [plaatsnaam A.] (gemeente [gemeentenaam]) en de inschrijving van [dochter] op de Meander Vrijeschool in [plaatsnaam B.] ongedaan te maken.

3.4. Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank Roermond aan de vader toestemming verleend om [dochter] met ingang van 5 november 2012 te herinschrijven op de basisschool De Brink in [plaatsnaam A.] en uit te schrijven op de Meander Vrijeschool in [plaatsnaam B.].

3.5. De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. Tevens heeft zij schorsing van de bestreden beschikking verzocht.

Bij faxbericht d.d. 16 november 2012 heeft de advocaat van de vader het hof meegedeeld dat partijen hebben afgesproken dat de beschikking waarvan beroep niet zal worden uitgevoerd voordat de zitting bij het hof heeft plaatsgevonden.

Ten tijde van de zitting bij het hof bezocht [dochter] de Vrijeschool Meander te [plaatsnaam B.].

3.6. De moeder voert - kort samengevat - het volgende aan.

De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat er geen noodzaak was voor de schoolwijziging van [dochter] (grief I). De wijziging is juist in het belang van [dochter]. [dochter] is hoogsensitief en het onderwijs dat de Vrije school biedt past beter bij haar. [dochter] is goed voorbereid op de overgang naar deze school en heeft het daar erg naar haar zin. Een terugkeer naar de Brink zou betekenen dat zij haar beste vriendinnetje moet missen. De moeder zou dit ook niet uit kunnen leggen aan [dochter]. Zij zou het vertrouwen in haar ouders verliezen en in een loyaliteitsconflict geraken. Sinds de beschikking van de rechtbank is [dochter] teruggetrokken en verdrietig.

Ten tijde van de inschrijving bij de Meander had de vrouw zicht op een woning in [plaatsnaam B.]. Dat is uiteindelijk niet doorgegaan. De moeder wil heel graag in [plaatsnaam B.] een betaalde baan vinden en daar gaan wonen zodat ze een toekomst op kan bouwen voor haar en de kinderen.

De moeder stelt dat de omgang tussen [dochter] en de vader niet onder druk is komen te staan door de schoolwijziging(grief II). De reiskosten verbonden aan het halen van en brengen naar school op de dagen dat de vader de zorg voor [dochter] heeft, kunnen door de moeder, uit de reiskostenvergoeding van de gemeente [gemeente], aan de vader vergoed worden. De afstand tussen de Meander en de woning van de vader is slechts 20 km en vormt dus geen onoverkomelijk bezwaar.

De rechtbank had ook de belangen van de moeder in de afweging moeten betrekken (grief III).

De moeder heeft geprobeerd om met de vader in overleg te treden over de schoolwijziging maar die is daartoe niet bereid gebleken. Ter zitting heeft de moeder voorgesteld om met de vader een mediationtraject in te gaan.

3.7. De vader voert - kort samengevat - het volgende aan.

De vader bestrijdt dat [dochter] sinds de bestreden beschikking verdrietig en teruggetrokken is. Het zijn vooral de emoties van de moeder die [dochter] belasten. De moeder miskent de rol van de vader door, zonder dat de vader daarmee heeft ingestemd, [dochter] in te schrijven bij de Vrije school. De vader is er erg van geschrokken dat de moeder de handtekening van de vader, vereist voor inschrijving van [dochter] op een nieuwe school, heeft vervalst en overlegt in dat verband een afschrift van de inschrijving, waaruit dat blijkt.

Volgens de vader was er geen noodzaak om voor [dochter] een ander type onderwijs te kiezen; zij had het naar haar zin op de Brink, ontwikkelde zich daar goed en had veel vriendinnetjes in de nabijheid van haar woning . De dagelijkse reis van 20 km naar [plaatsnaam B.] is belastend voor [dochter]. Er is momenteel geen zicht op een verhuizing van de moeder naar [plaatsnaam B.] waardoor de noodzaak van een school in [plaatsnaam B.] niet aanwezig is.

3.8. De raad heeft ter zitting naar voren gebracht dat de raad de handelwijze van de moeder door het vervalsen van de handtekening op het inschrijvingsformulier van de Meander ten zeerste afkeurt. Het is heel belangrijk dat partijen via mediation de onderlinge communicatie als ouders verbeteren opdat dit soort situaties zich in de toekomst niet meer voordoen. De raad acht het echter niet in het belang van [dochter] dat zij voor een tweede maal in korte tijd van school wijzigt.

3.9. Het hof overweegt het volgende.

3.9.1. Ingevolge artikel 1:253a lid 1 en lid 5 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. De gezamenlijke gezagsuitoefening van partijen brengt mee dat de moeder voor de inschrijving van [dochter] op een andere basisschool in beginsel toestemming van de vader behoeft. Indien de ouders het hierover niet eens worden, beproeft de rechter een vergelijk tussen de ouders. Indien dit vergelijk uitblijft, zal de rechter een beslissing nemen. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Conform vaste rechtspraak dient de rechter bij de beslissing over een geschil als het onderhavige alle omstandigheden van het geval in acht te nemen en alle belangen af te wegen.

3.9.2. Een vergelijk tussen de ouders is niet gelukt. Op grond van de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht is het hof, evenals de rechtbank, van oordeel dat de moeder onvoldoende heeft aangetoond dat het noodzakelijk was om [dochter] in te schrijven op een andere basisschool. Uit niets is gebleken dat de Brink, de basisschool die [dochter] twee jaar heeft bezocht, niet geschikt was voor [dochter] dan wel dat de Vrije school Meander voor haar meer geschikt is. De stelling van de moeder dat uit het feit dat [dochter] zich altijd aan haar vastklampte bij het afscheid toen zij op de Brink zat en dit niet meer doet sinds zij de Meander bezoekt, acht het hof – zo deze stelling al zou komen vast te staan - niet van doorslaggevende betekenis voor de beantwoording van de vraag of de Meander een school is die beter bij [dochter] past. De moeder heeft ter zitting niet weersproken dat [dochter] het naar haar zin had op de Brink, daar veel vriendinnetjes had en zich goed ontwikkelde. Het hof gaat aan de stelling van de moeder, dat ook de leerkrachten van de Brink de Meander een goede keus vonden voor [dochter], voorbij nu zij dit niet nader heeft onderbouwd en het hof het niet uitgesloten acht dat deze visie is gegeven vanuit de gedachte dat [dochter] met haar moeder naar [plaatsnaam B.] zou verhuizen en dat dus aldaar een geschikte school gevonden moest worden.

Het hof constateert voorts dat reeds in de zomervakantie duidelijk werd dat de verhuizing van de moeder naar [plaatsnaam B.] niet doorging. Dit betekende dat er ook in dat verband geen noodzaak was om [dochter] van basisschool te laten veranderen. De moeder heeft ter zitting verklaard dat zij, zolang zij in [plaatsnaam B.] nog geen betaald werk heeft gevonden, in [woonplaats] zal blijven wonen. Vooralsnog is er derhalve geen sprake van een verhuizing van de moeder met [dochter] naar [plaatsnaam B.].

Voorts overweegt het hof dat in zijn algemeenheid mag worden aangenomen dat een dagelijkse (bus)reis van 20 km van en naar school voor een meisje van zes jaar een zekere (extra) belasting met zich meebrengt. Dit klemt temeer indien er geen noodzaak en/of indicatie is voor het bezoeken van de betreffende school.

3.9.3. Hoewel het hof onderkent dat het niet aanbevelenswaardig is om een kind in een tijdsbestek van zes maanden twee keer van basisschool te laten wijzigen, is het hof van oordeel dat het belang van [dochter] zich er niet tegen verzet dat de inschrijving van [dochter] bij de Meander ongedaan wordt gemaakt. Uit hetgeen ter zitting naar voren is gebracht blijkt dat [dochter] zonder belemmeringen na de kerstvakantie op De Brink kan instromen. De periode waarin [dochter] weg is geweest van haar “oude”school is alsdan niet zodanig lang geweest dat zij geen aansluiting meer zal kunnen vinden op de Brink. De moeder heeft ook geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de terugkeer van [dochter] naar de Brink onoverkomelijke bezwaren met zich mee zal brengen. Nu deze school in de nabijheid van de woning van zowel de moeder als van de vader gelegen is zal het spelen met vriendinnetjes na school zelfs een positieve impuls krijgen.

3.9.4. Tenslotte overweegt het hof dat de moeder door het vervalsen van de handtekening van de vader op het inschrijvingsformulier van de Meander op een zeer laakbare wijze heeft gehandeld en in strijd met het gezamenlijk ouderlijk gezag. Het vervalsen van een handtekening is ook bij de strafwet verboden. De stelling van de moeder dat zij de indruk had dat de vader instemde met de wijziging, vormt geen enkel excuus en is bovendien door de vader gemotiveerd betwist. Uit het feit dat de vader het afscheidsfeestje van [dochter] op de Brink heeft bijgewoond en dat hij [dochter] tot op heden van en naar de school in [plaatsnaam B.] heeft gebracht kan naar het oordeel van het hof niet worden afgeleid dat de vader met de wijziging instemde, zoals de moeder stelt. Integendeel, de vader heeft door zo te handelen de zaak niet verder op de spits gedreven en daarbij het belang van [dochter] voorop gesteld. Door haar handelwijze is de moeder bovendien volledig voorbijgegaan aan de rol die de vader als gezagsouder heeft.

Het hof benadrukt dat het in de toekomst voor [dochter] van groot belang is dat partijen op een constructieve wijze als ouders met elkaar leren te communiceren en adviseert partijen dringend om hier hulp en begeleiding bij te zoeken.

3.10. Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.

Ten aanzien van het schorsingsverzoek HV 200.116.403/02

3.11. Nu in deze beschikking einduitspraak in de hoofdzaak wordt gedaan, waarbij wordt geoordeeld dat het belang van [dochter] met zich meebrengt dat de bestreden beschikking wordt bekrachtigd heeft de moeder geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het schorsingsverzoek door het hof. Het hof zal daarom de in dit kader aangevoerde grieven en weren niet nader bespreken en het verzoek van de moeder tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de beschikking van de rechtbank Roermond van 24 oktober 2012 afwijzen.

4. De beslissing

Het hof:

in de zaak met nummer HV 200.116.403/01

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Roermond van 24 oktober 2012,

wijst af het meer of anders verzochte;

in de zaak met nummer HV 200.116.403/02:

wijst het verzoek van de moeder tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de beschikking van de rechtbank Roermond van 24 oktober 2012 af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.A.J.Th. van Teeffelen, C.E.M. Renckens en H.J. Witkamp en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2012.