Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BY6981

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-12-2012
Datum publicatie
20-12-2012
Zaaknummer
20-004363-10
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMAA:2010:BO4733, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

288 Sr. Zaak rondom het doden van een lerares in Spaubeek. Het alternatieve scenario van de verdachte acht het hof niet aannemelijk geworden. Het hof veroordeelt hem wegens gekwalificeerde doodslag tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren. Daarbij heeft het hof overwogen dat in dit geval een strafverhogende werking uitgaat van de weigering van de verdachte om mee te werken aan gedragskundig onderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-004363-10

Uitspraak : 20 december 2012

TEGENSPRAAK | PROMIS

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Maastricht van 23 november 2010 (LJN BO4733), parketnummer 03/703219-09, en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer 04/816651-08, in de strafzaak tegen de verdachte:

[NAAM VAN DE VERDACHTE],

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) [in het jaar] 1968,

thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Limburg Zuid,

in de gevangenis op locatie ‘De Geerhorst’ te Sittard.

A. Hoger beroep

Bij voormeld vonnis werd de verdachte van moord en brandstichting vrijgesproken, maar ter zake van gekwalificeerde doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren met aftrek van voorarrest. De vordering van de benadeelde partij werd voorts volledig toegewezen en ten behoeve daarvan werd aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Ten slotte werd ook de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf toegewezen.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

B. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal mr. C.G.J.M. van Hilten-van Heeswijk, die in haar requisitoir werd bijgestaan door mr. A.J. de Veer, en van hetgeen naar voren is gebracht door de verdachte, zijn raadsman mr. J-H.L.C.M. Kuijpers en de nabestaanden van het slachtoffer.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en - opnieuw rechtdoende - de verdachte zal vrijspreken van de primair ten laste gelegde moord alsmede van de cumulatief/alternatief ten laste gelegde brandstichting, maar de subsidiair ten laste gelegde gekwalificeerde doodslag bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 25 jaren met aftrek van voorarrest.

Haar vordering behelst voorts de volledige toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging.

De raadsman heeft betoogd dat de verdachte integraal van de ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken.

C. Vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen. De reden daarvoor is dat het hof zich in een aantal belangrijke overwegingen van de rechtbank niet kan vinden, terwijl het hof bovendien tot een andere bewezenverklaring zal komen.

D. Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na een toegewezen vordering nadere omschrijving van de tenlastelegging alsmede een wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - primair ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 15 mei 2009 te Spaubeek, in de gemeente Beek, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade

[A] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg die [A] meermalen, althans eenmaal, met een breekijzer, althans een (langwerpig) hard voorwerp, op/tegen het hoofd en/of (boven)lichaam geslagen, althans heftig en/of uitwendig mechanisch stomp botsend geweld gebezigd tegen die [A], en/of opzettelijk open vuur in aanraking gebracht met (een) brandbare stof(fen) in de woning waar die [A] zich toen bevond, ten gevolge waarvan brand is ontstaan en ten gevolge waarvan voornoemde [A] is overleden;

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 15 mei 2009 te Spaubeek, in de gemeente Beek, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk [A] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) met dat opzet die [A] meermalen, althans eenmaal, met een breekijzer, althans een (langwerpig) hard voorwerp, op/tegen het hoofd en/of (boven)lichaam geslagen, althans heftig en/of uitwendig mechanisch stomp botsend geweld gebezigd tegen die [A], en/of opzettelijk open vuur in aanraking gebracht met (een) brandbare stof(fen) in de woning waar die [A] zich toen bevond, ten gevolge waarvan brand is ontstaan en ten gevolge waarvan voornoemde [A] is overleden,

welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal (van een gsm en/of autosleutels behorende bij een Peugeot 206, toebehorend aan die [A]), al dan niet in vereniging, door middel van braak/verbreking, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd (strafbaar gesteld in artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht) en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

meer subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 15 mei 2009 te Spaubeek, in de gemeente Beek, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een gsm en/of autosleutels (behorende bij een Peugeot 206), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [A], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld van en/of gevolgd door geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [A] voornoemd, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) die [A] meermalen, althans eenmaal, met een breekijzer, althans een (langwerpig) hard voorwerp, op/tegen het hoofd en/of (boven)lichaam heeft/hebben geslagen, althans heftig en/of uitwendig mechanisch stomp botsend geweld heeft/hebben gebezigd tegen die [A] en/of opzettelijk open vuur in aanraking heeft/hebben gebracht met (een) brandbare stof(fen) in de woning waar die [A] zich toen bevond, ten gevolge waarvan brand is ontstaan, terwijl dat feit de dood voor die [A] ten gevolge heeft gehad;

en cumulatief of alternatief (ten opzichte van het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde), dat:

hij op of omstreeks 15 mei 2009 te Spaubeek, in de gemeente Beek, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in een woning gelegen aan [het woonadres van A], immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan (een deel van) die woning is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de inventaris van voornoemde woning en/of de woning (zelf) en/of een of meer aangrenzende woning(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en/of levensgevaar voor zich in die woning en/of de aangrenzende woning(en) bevindend(e) perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar voor anderen, te duchten was.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkwamen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

E. Bewijs: de vastgestelde feiten en omstandigheden

Op grond van de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, waarnaar in de voetnoten bij dit arrest wordt verwezen, stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.

• E.1 - Aantreffen van het levenloze lichaam van [A]

E.1.1

In de ochtend van vrijdag 15 mei 2009, omstreeks 06:40 uur, zag [B], toen hij op zijn fiets door [de straat waar A woonde] te Spaubeek reed, een behoorlijke rookontwikkeling aan de zijkant en de voorzijde van een wit pand. [B] is naar het pand gelopen en heeft aangebeld om eventuele bewoners te waarschuwen. Hij hoorde echter geen bel overgaan en aan de voorzijde was het evenmin mogelijk om naar binnen te kijken. Hij is vervolgens naar de buren van de rechts aangrenzende woning gelopen om ook hen te waarschuwen voor het geval de brand zou overslaan, maar hij kreeg geen respons. Hij heeft vervolgens het alarmnummer 112 gebeld en de brand gemeld om daarna aan te bellen bij de links aangrenzende woning. De bewoner van dat pand deed de deur open en schrok danig. Hij riep meteen: “Oh, het huis van mijn zus.” Nadat de man in de richting van de straat keek, zei hij: “Gelukkig, mijn zus is er niet, de auto staat er niet.” [B] vertelde de man dat de brandweer zo moest komen en is vervolgens vertrokken naar zijn werk.

E.1.2

De man die [B] heeft aangesproken, bleek [C] te zijn. Zijn zus [A] woonde in de woning naast hem aan [het woonadres van A] te Spaubeek (gemeente Spaubeek ). [C] verklaarde dat zijn zus haar auto, een lichtblauwe Peugeot 206 CC, altijd in het parkeervak voor de woning parkeerde en dat alleen zij die auto gebruikte. Omdat de auto niet voor de woning stond, dacht hij dat zijn zus niet thuis was. Toen hij naar de woning van zijn zus liep, zag hij braaksporen aan de zijdeur van het pand. Die deur stond ook circa één centimeter open. Hij heeft toen de politie gebeld om de braaksporen te melden en de komst van de brandweer verder afgewacht. Hij was in het bezit van een sleutel van de voordeur van het huis van zijn zus. Die heeft hij aan de commandant van de brandweer gegeven.

E.1.3

De commandant waarover [C] sprak, is [D]. Hij was als bevelvoerder van de brandweer Sittard Geleen werkzaam en had omstreeks 06:44 uur de melding gekregen om met de brandweer naar het pand aan [het woonadres van A] te gaan. Een man in een spijkerpak (het hof begrijpt: [C]) vertelde hem dat de brandweer de woning aan de zijkant, maar ook via de voordeur kon binnengaan. De man gaf hem een sleutel van de voordeur. De deur aan de zijkant stond open en was zo open te duwen. Twee collega’s van [D] hebben via die deur de woning betreden. [D] is met twee andere collega’s via de voordeur naar binnengegaan. Hij had de sleutel die hij van [C] had gekregen, in het slot van de voordeur gestoken. Een van zijn collega’s zag dat er aan de andere zijde van het slot een sleutel zat. De deur was echter niet afgesloten. Zij zijn naar de slaapkamer gegaan. Toen de deur naar de slaapkamer werd geopend, zag [D] vuurverschijnselen. Er was nagenoeg niets te zien in de slaapkamer en de hitte was voelbaar. De brand is vervolgens geblust. In de badkuip van de badkamer, die in een open verbinding stond met de slaapkamer, werd een slachtoffer liggend aangetroffen, met het hoofd hangend naar voren en de rechterarm voor het gezicht in een soort van afschermbeweging.

E.1.4

De ter plaatse geroepen GGD-arts, dr. Syswerda, constateerde omstreeks 07:50 uur de dood van dit slachtoffer. Diezelfde dag nog werd door de gemeentelijk lijkschouwer, forensisch arts dr. Govaerts, op de plaats delict een lijkschouw verricht. Daarbij bleek dat het slachtoffer meerdere ernstige verwondingen aan het hoofd had. Ten gevolge van de opgelopen verwondingen, met name in haar gelaat, was het slachtoffer niet meer herkenbaar voor familie of bekenden. Gelet op haar gebit, lichaamslengte, de kleur en het model van het haar, het postuur, de plaats en de situatie van het aantreffen na haar overlijden, werd het slachtoffer geïdentificeerd als zijnde [A], geboren [in het jaar] 1952 te [geboorteplaats].

• E.2 - Onderzoek naar de letsels en de doodsoorzaak

E.2.1

Op 17 mei 2009 heeft dr. Soerdjbalie-Maikoe, arts en patholoog, een uit- en inwendige schouwing verricht op het lijk van het slachtoffer [A]. Bij het obductieverslag dat zij naar aanleiding daarvan heeft opgesteld, heeft zij tevens de resultaten betrokken van de postmortale total-body CT Scan die daags tevoren in het Academisch Ziekenhuis Maastricht is gemaakt en door een radioloog van het Groene Hart Ziekenhuis Gouda is beoordeeld.

E.2.2

De radioloog stelde onder meer vast dat er sprake was van een breuk en destructie van de rechteroogkas, breuken van de bovenkaak rechts en links met links meerdere fragmenten, een forse ophoping van lucht tussen het longvlies en borstvlies rechts (pneumothorax), meerdere kneuzingen in de rechterlong, meerdere ribfracturen rechts, een breuk van het rechterschouderblad en mogelijk van de vierde borstwervel.

Bij de sectie was te zien dat er roet was aan de tong, in de luchtpijp tot in de diepe takken daarvan. Er was een geringe zwelling en roodheid van het slijmvlies van de luchtpijp en de stembanden. Er werd bovendien een verhoogde koolmonoxide concentratie gemeten. In het bloed werd een koolmonoxide concentratie van 30,6 % aangetoond.

Deze bevindingen worden door dr. Soerdjbalie-Maikoe gezien als tekenen van de inwerking van uitwendig thermisch geweld. Gezien de verhoogde koolmonoxide concentratie was het slachtoffer ten tijde van de brand bij leven.

E.2.3

Bij de sectie werd voorts gezien dat er in het gelaat (rondom het rechteroog, de neus, tot aan de linkerwang), mid-achterwaarts aan het behaarde hoofd en achter het rechteroor meerdere verscheuringen waren in de huid en weke delen (laceraties) met weefselbruggen en rafelige wondranden. Er waren ook onderhuidse bloeduitstortingen.

Er waren verder verspreid aan het lichaam (hoofd, gelaat, rug - hoog en laag, net boven de rechterbil - en ledematen) meerdere huidverkleuringen van onderhuidse bloeduitstortingen, waarvan die aan de rug met lijnvormige patronen (vijf dubbele lijnen, streepvormige huidverkleuringen) en aan de linkerbovenarm wat rond-ovale huidverkleuringen.

Zowel het letsel aan het behaarde hoofd als het letsel aan de rug past bij letsel dat reeds enige tijd voor het intreden van de dood heeft bestaan, waarbij gedacht kan worden aan een periode van 10 minuten of mogelijk zelfs langer.

In relatie met de letsels in het gelaat was er verbrijzeling van de aangezichtsbeenderen, neus, schedelbasis en het rechteroog. Ook was er een bloeduitstorting onder het harde hersenvlies en een bloedfilm onder de zachte hersenvliezen met tekenen van inklemming op niveau van de kleine en grote hersenen.

Al deze letsels - deels zijn zij ook beschreven in het onderzoek van de radioloog - waren volgens dr. Soerdjbalie-Maikoe bij leven ontstaan door inwerking van heftig uitwendig mechanisch stomp botsend geweld, zoals bijvoorbeeld door het slaan met een hard (kantig) voorwerp kan worden opgeleverd. De letsels hebben onder andere herseninklemming tot gevolg gehad. Ook heeft de thermische schade zeer waarschijnlijk een bijdrage geleverd aan de herseninklemming. Daarnaast was er functieverlies van de rechterlong opgetreden door de ribbreuken.

E.2.4

Bij de sectie werd rechts zijwaarts in de tong ook een bloeduitstorting opgemerkt. Evenals de letsels aan de hiervoor omschreven huidverkleuringen van onderhuidse bloeduitstortingen aan het hoofd, gelaat en ledematen, is dit letsel volgens dr. Soerdjbalie-Maikoe bij leven ontstaan door inwerking van uitwendig mechanisch botsend geweld zoals bijvoorbeeld door slaan of vallen kan worden opgeleverd. Het letsel aan de tong kan ook een tongbeet zijn. De huidverkleuringen aan de linkerbovenarm kunnen goed passen bij stevig vastgepakt worden aan de arm.

E.2.5

Dr. Soerdjbalie-Maikoe concludeert in haar deskundigenrapport dat het intreden van de dood wordt verklaard door de combinatie van koolmonoxide intoxicatie, herseninklemming en functieverlies van de rechterlong, opgelopen door inwerking van uitwendig thermisch geweld en inwerking van heftig uitwendig mechanisch stomp botsend geweld. Daarbij heeft zij expliciet opgemerkt dat de herseninklemming en het functieverlies van de rechterlong elk op zich ook het intreden van de dood kunnen verklaren.

E.2.6

Dr. Soerdjbalie-Maikoe heeft tegenover de rechter-commissaris verklaard dat het aspect van de herseninklemming substantieel was voor het intreden van de dood en uiteindelijk de grote boosdoener was. Het element van de intoxicatie is volgens haar een bijkomende factor geweest, een factor die aan het intreden van de dood heeft bijgedragen. De koolmonoxide intoxicatie kan op zichzelf, gezien de gemeten waarde, niet tot de dood hebben geleid.

E.2.7

De forensisch radioloog dr. Hofman heeft nader onderzoek gedaan naar de CT scan. Hij concludeert uit zijn onderzoek dat er sprake was van ernstig gezichtstrauma met multiple fracturen en weke delen defecten rechts en in de midline. Er waren ook meerdere ribfracturen en een scapula (schouderblad) fractuur rechts, alsmede een spanningspneumothorax (klaplong) rechts met een mediastinale shift (een verschuiving van het hart en de grote vaten). Verspreid over het lichaam werden meerdere weke delen letsels gezien, met name tussen taille en knie. De fracturen aan de costae (de ribben) liggen niet op één lijn. Verder ligt de fractuur van costa (rib) 8 ter hoogte van het circulair stelsel. Die fractuur heeft waarschijnlijk de pneumothorax (klaplong) veroorzaakt.

Ervan uitgaande dat het uitwendige inwerkend geweld heeft plaatsgevonden met een langwerpig hard voorwerp kunnen de verwondingen aan het aangezicht volgens dr. Hofman verklaard worden op basis van één slag met dat voorwerp.

E.2.8

Ook forensisch arts Van Hooren heeft zich over de letsels uitgelaten. In een schriftelijke verklaring liet hij desgevraagd weten dat de vijf dubbele lijnvormige kneuzingen op de rug zogenaamde “spoorlijnkneuzingen” (tram track bruises) zijn. Deze spoorlijnkneuzingen ontstaan door stomp mechanisch lokaal geweld met een (semi) cilindrisch voorwerp. Dat kan als gevolg van geslagen worden met of het vallen op een dergelijk voorwerp. Gezien de uniforme breedte van de letsels zijn deze zeer waarschijnlijk door één en hetzelfde voorwerp veroorzaakt. De breuken van de ribben en het rechterschouderblad corresponderen met de aan de buitenkant zichtbare spoorlijnkneuzingen.

Een breekijzer voldoet volgens hem aan de kwalificatie (semi) cilindrisch. Daarmee kunnen de vijf dubbele lijnvormige kneuzigen zijn veroorzaakt. De vijf dubbele lijnvormige kneuzingen vergen vijf slagen met een dergelijk breekijzer.

De letsels in het aangezicht zouden (zowel wat betreft de kneusscheurwonden alsook de botbreuken) door één klap met een breekijzer veroorzaakt kunnen worden. Het letsel aan het achterhoofd zou ook met slechts één klap veroorzaakt kunnen zijn. De schacht van het breekijzer kan de verwonding op het achterhoofd veroorzaakt hebben, waarbij de punt van het breekijzer gelijktijdig (in dezelfde klap) de verwonding achter het rechteroor veroorzaakt kan hebben. De letsels op het hoofd zouden derhalve veroorzaakt kunnen zijn door in totaal slechts twee slagen. Méér slagen zijn echter niet uit te sluiten.

• E.3 - Onderzoek naar de brand in de woning van [A] [A]

E.3.1

Verbalisanten van de Forensisch Technische Ondersteuning van de Regiopolitie Brabant Zuid-Oost hebben een onderzoek ingesteld naar het ontstaan van de brand in de woning van het slachtoffer. In het proces-verbaal dat zij naar aanleiding van dit onderzoek hebben opgemaakt, gaven zij de volgende omschrijving van de woning:

“De woning betrof een hoekwoning die uit twee bouwlagen bestond. De woning had een voordeur, een deur in de zijgevel en een deur in de achtergevel. De zijdeur gaf direct toegang tot de woonkamer en de achterdeur tot de bijkeuken. De voordeur gaf toegang tot een gang. In deze gang was direct links de doorgang naar de woonkamer. In de woonkamer was aan de achterzijde een open keuken met daarachter een berging/bijkeuken. Aan de linkerzijde van de gang, direct voorbij de keuken naar de woonkamer, was de trap naar de zolderverdieping. Deze zolderverdieping was in gebruik als opslag van huishoudelijke goederen. Rechts naast de trap ging de gang verder. Achter de trap was de deur naar de wc-ruimte gesitueerd. Aan het einde van de gang was een deur naar de enige slaapkamer. In deze slaapkamer was tevens een doorgang naar de badkamer.”

E.3.2

Het tweepersoonsbed in de slaapkamer bestond uit een ombouw van hout dat met stof was bezet. In de ombouw van het bed lagen de resten van twee matrassen. De matrassen waren nagenoeg geheel weggebrand. De verbalisanten zagen dat de vuurbelasting aan de randen van de bedombouw in het midden het hevigst waren. Het hout in het midden was geheel weggebrand. Nadat de verbalisanten de resten van het bed hadden verwijderd, zagen zij dat de verbranding van het laminaat het hevigst was geweest ongeveer in het midden van de plaats waar het bed had gestaan.

De poten van de bedombouw hadden geen brandschade, hetgeen erop wijst dat het vuur daar niet was begonnen. Het vuur was aan de bovenzijde van de matrassen begonnen. Links naast het bed lagen onder andere kussens en een dekbed. Deze goederen hadden ook brandschade. De goederen waren tevens voorzien van bloed.

Ter plaatse waren in de directe omgeving geen elektrische of in werking zijnde warmteapparaten aanwezig. Overige chemische, biologische of natuurlijke oorzaken werden niet aangetroffen of waargenomen.

E.3.3

De verbalisanten concluderen dat de brand zeer wel mogelijk is ontstaan op het midden van het bed door het al dan niet opzettelijk inbrengen van open vuur.

• E.4 - Onderzoek naar de auto van [A] [A]

E.4.1

[A] was in het bezit van een personenauto van het merk Peugeot, type 206 CC, kleur lichtblauw, en voorzien van het Nederlandse kenteken 68-RR-PT. Zij parkeerde de auto normaal gesproken voor haar woning aan [het woonadres van A] te Spaubeek.

Op 15 mei 2009 heeft zij rond 02:00 à 02:15 uur haar collega [E] naar huis gebracht met haar Peugeot, zo verklaarde [E] tegenover de politie. Volgens haar zou [A] daarna naar huis gaan. Zij waren op een galafeest geweest en nog even mee de stad (Maastricht) ingegaan. [C] zag dat de auto niet op de normale parkeerplaats voor de woning stond toen omstreeks 06:45 uur zijn deurbel ging en een man (het hof begrijpt: de getuige [B]) hem vertelde van de brand.

Op 15 mei 2009, omstreeks 18:43 uur, werd de auto van [A] aangetroffen op een parkeerplaats tegenover het perceel aan de Kastanjelaan 34 te Spaubeek. De auto was afgesloten. Op een zich in het dossier bevindende luchtfoto is te zien dat [de straat II] slechts enkele straten is verwijderd van [de straat waar A woonde].

E.4.2

Op 16 mei 2009 werd een forensisch onderzoek ingesteld aan de auto. Daarbij werden onder meer de volgende sporen veiliggesteld.

Tabel 1

E.4.3

Deze sporen werden voorzien van de volgende DNA-identiteitszegels.

Tabel 2

E.4.4

Het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) heeft naar de sporen onderzoek gedaan. In het deskundigenrapport van dr. Aarts komt daarover het volgende naar voren.

Tabel 3

E.4.5

Het afgeleide, onvolledige DNA-nevenprofiel van deze onbekende man A uit de bemonstering AABC5408#1 is vergeleken met de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken. Bij deze vergelijking is een match gevonden met het DNA-profiel van de verdachte.

• E.5 - Onderzoek aan het breekijzer dat in de auto van [A] is aangetroffen

E.5.1

In de auto van [A] werd op de vloer voor de bijrijderstoel een rood/oranjekleurig breekijzer aangetroffen. Het breekijzer was voorzien van een spijkertrekker en aan de andere kant van een beitelzijde. De lengte van het breekijzer bedroeg ongeveer 48 centimeter. De verbalisanten zagen op enkele centimeters van de bocht bij de spijkertrekker bloed op de steel. Van dat bloed werd een monster veiliggesteld. Dit monster werd eerst voorzien van spoornummer PD2-15-01. Later werd het voorzien van DNA-identificatiezegel AABC5415NL.

E.5.2

Uit onderzoek van het NFI komt naar voren dat van het DNA in deze bemonstering met bloed (AABC5415NL#1) een DNA-profiel is verkregen van een vrouw, welk matcht met het DNA-profiel van [A]. Dat betekent dat het bloed in de bemonstering van haar afkomstig kan zijn. De daarbij berekende frequentie is kleiner dan één op één miljard. Oftewel, de kans dat een willekeurig gekozen vrouw een DNA-profiel heeft dat matcht met het DNA-profiel van het bloed in deze bemonstering is kleiner dan één op één miljard.

E.5.3

Het breekijzer is van DNA-identificatiezegel AABC5414NL voorzien. Het NFI heeft het breekijzer verder onderzocht op de aanwezigheid van bloed. Bij dit onderzoek zijn verspreid over het gehele oppervlak van het breekijzer diverse bloedsporen aangetroffen. Ter hoogte van het gedeelte met de spijkertrekker is een bloedspoor bemonsterd. Deze bemonstering is voor DNA-onderzoek veiliggesteld als AABC5414NL#1.

Ook de randen van de steel van het breekijzer zijn bemonsterd. De bemonstering is voor DNA-onderzoek veiliggesteld als AABC5414NL#2.

De randen van het spijkertrekkerdeel van het breekijzer zijn eveneens bemonsterd. De bemonstering is veiliggesteld als AABC5414NL#3 voor een DNA-onderzoek.

E.5.4

Van zowel het DNA in de bemonstering AABC5414NL#1 als dat in de bemonstering AABC5414NL#2 is een onvolledig DNA-profiel verkregen van een vrouw dat matcht met het DNA-profiel van [A]. Dat betekent dat het bloed in die bemonsteringen van haar afkomstig kan zijn. De daarbij berekende frequentie is telkens kleiner dan één op één miljard.

Ook van het DNA in de bemonstering AABC5414NL#3 is een DNA-profiel verkregen van een vrouw dat matcht met het DNA-profiel van [A], met dezelfde berekende frequentie.

E.5.5

In het DNA-profiel dat van het DNA in de bemonstering AABC5414NL#2 is verkregen, zijn vier additionele, zwak aanwezige DNA-kenmerken zichtbaar die kunnen duiden op de aanwezigheid van een relatief zeer geringe hoeveelheid celmateriaal van minimaal één man. De bemonstering is onderworpen aan een Y-chromosomaal DNA-onderzoek. Van de bemonstering is een onvolledig Y-chromosomaal DNA-profiel verkregen. Dat onvolledige DNA-profiel is vergeleken met het volledige Y-chromosomale DNA-profiel van de verdachte. Het Y-chromosomale DNA-profiel van de verdachte matcht met dat onvolledige Y-chromosomale DNA-profiel. Dat betekent dat de bemonstering AABC5414#2 celmateriaal kan bevatten van de verdachte of van een in de mannelijke lijn aan de verdachte verwante man of van een man die niet aan de verdachte verwant is, maar wel hetzelfde Y-chromosomale DNA-profiel heeft.

• E.6 - Vergelijkend verfonderzoek

E.6.1

Bij het onderzoek in de auto van [A] zagen de verbalisanten dat er op het breekijzer ook op diverse plaatsen, waaronder op het gedeelte bij de spijkertrekker, witte verfdeeltjes voorkwamen. De verf is veiliggesteld en voorzien van DNA-identiteitszegel AAAG3652NL.

E.6.2

Tijdens de sectie heeft dr. Soerdjbalie-Maikoe in een van de letsels, in de diepte, twee brokkelige witte stukjes lichaamsvreemd materiaal gevonden (elk circa 0,5 bij 0,5 centimeter groot). Zij heeft die stukjes verwijderd en aan de politie overhandigd. Een en ander werd in ontvangst genomen door verbalisant [F]. Door hem werden de stukjes veiliggesteld onder spoornummer SO-16 en omschreven als witte lak uit het rechteroog van het slachtoffer. Dit spoor werd voorzien van DNA-identificatiezegel AABP7629NL.

E.6.3

Op 15 mei 2009 werd onder spoornummer PD1A-25 een verfmonster van de voordeur van de woning van [A] veiliggesteld. Dit verfmonster werd voorzien van DNA-identificatiezegel AABI3274NL. Verder werd ook een verfmonster van het kozijn van de zijdeur genomen. Dit verfmonster werd veiliggesteld onder spoornummer PD1A-34 en voorzien van DNA-identificatiezegel AABI3283NL.

E.6.4

Het NFI heeft een vergelijkend verfonderzoek uitgevoerd. Geconcludeerd wordt dat de resultaten van het verfvergelijkend onderzoek waarschijnlijker zijn als op het breekijzer verf aanwezig is die afkomstig is van de voordeur en de zijdeur van de woning van het slachtoffer, dan wanneer dit niet het geval is.

E.6.5

Het vergelijkend verfonderzoek houdt voorts voor wat betreft de eventuele overdracht van verf van de deur(en) naar het oog van het slachtoffer de volgende conclusie in. De resultaten van het verfvergelijkend onderzoek zijn waarschijnlijker als de verf die in het oog van het slachtoffer aanwezig was, afkomstig is van de voordeur en/of de zijdeur van de woning van het slachtoffer, dan wanneer dit niet het geval is.

• E.7 - Braaksporen en het vergelijkend werktuigsporenonderzoek

E.7.1

Op 17 mei 2009 werd door verbalisant [G] nader onderzoek gedaan naar de braaksporen aan de voor- en zijdeur van de woning van [A]. Bij het onderzoek aan de voordeur zag de verbalisant net onder het slot, in de sluitnaad, meerdere indruksporen. Die indruksporen waren evenwijdig aan elkaar geplaatst. Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm kunnen de indruksporen veroorzaakt zijn door de klauwtjes van de spijkertrekkerzijde van een breekijzer. De verbalisant zag verder dat er in het verlengde van deze indruksporen meerdere andere indruksporen waren geplaatst. De plaats en verschijningsvorm van deze indruksporen kunnen passen bij een tegendrukpunt, ontstaan door de kromming van een breekijzer. In het verlengde van deze sporen trof de verbalisant meerdere indruksporen in de glaslat aan. Die indruksporen kunnen eveneens passen bij tegendrukpunten.

Bij het onderzoek aan de zijdeur zag de verbalisant onder het cilinderslot een indrukspoor. Ter hoogte van dat spoor waren op het kozijn beschadigingen zichtbaar. Op het bovengedeelte van de deur waren meerdere indruksporen zichtbaar op het houten frame en op de glaslat. Tevens waren ter hoogte van die indruksporen beschadigingen zichtbaar in de sluitnaad. Gelet op de aard en de vorm van de indruksporen kunnen deze zijn veroorzaakt door een breekijzer.

E.7.2

Van de indruksporen, ook wel werktuigsporen genoemd, zijn afvormingen veiliggesteld.

Verbalisant [G] heeft die werktuigsporen vergeleken met het breekijzer dat in de auto van [A] is aangetroffen. Naar aanleiding van dit vergelijkend werktuigsporenonderzoek concludeert de verbalisant dat in een deel van de afgevormde indruksporen zich te weinig voor identificatiedoeleinden geschikte kenmerken bevonden om te kunnen vaststellen of zij zijn veroorzaakt met het breekijzer. Ten aanzien van drie sporen waren die kenmerken er wel. Op basis van overeenkomende onregelmatigheden concludeert de verbalisant dat twee indruksporen zeer waarschijnlijk zijn veroorzaakt met het breekijzer en van een ander indruk- en krasspoor dat dit waarschijnlijk is veroorzaakt met het breekijzer.

• E.8 - Aantreffen van een Ford S-max en een onderzoek aan de daarin aangetroffen geel met rode handschoenen

E.8.1

Op 26 mei 2009 werd een grijze personenauto van het merk Ford, type S-Max, en voorzien van het Belgische kenteken [kentekennummer], in beslag genomen. Die dag, omstreeks 01:50 uur, wilde verbalisant [H] het voertuig in Geleen aan een controle onderwerpen.

De Ford S-Max werd later onbeheerd en met een kapotte linkervoorband aangetroffen in de [straat II] in Geleen.

E.8.2

Op 14 juli 2009 is een onderzoek ingesteld aan de Ford S-Max. Daarbij werd onder meer in het opbergvak aan de binnenzijde van het bestuurdersportier een paar geel met rode handschoenen aangetroffen. Die handschoenen werden veiliggesteld onder spoor PD3-16. Dit spoor is voorzien van DNA-identificatiezegel AABC0715NL.

E.8.3

Het NFI heeft onderzoek gedaan naar de handschoenen. De gehele buitenzijde en een deel van de binnenzijde is daarbij onderzocht op de aanwezigheid van bloed. Aan de buitenzijde van beide handschoenen zijn enkele bloedsporen aangetroffen. Daarvan werden onder meer de volgende bemonsteringen veiliggesteld.

Tabel 4

Voorts zijn de binnenzijden van de handschoenen ter hoogte van de handpalm en de rug van de hand bemonsterd. De bemonsteringen zijn als volgt veiliggesteld.

Tabel 5

De bemonsteringen zijn onderworpen aan een DNA-onderzoek. Naar aanleiding van dat onderzoek kwam de deskundige van het NFI, dr. Aarts, tot de volgende conclusies.

Tabel 6

• E.9 - Onderzoek aan de aangetroffen zwarte sportschoenen en sleutel

E.9.1

Op 16 november 2009 vond een doorzoeking plaats in de woning aan [het adres III], zijnde de woning van de zus van de verdachte. Verbalisant [I] vroeg haar tijdens de doorzoeking of er nog goederen of kleding van de verdachte in haar woning lagen. Zij deelde hem daarop mede dat er in de berging nog kleding van haar broer aanwezig was. In de berging wees zij onder meer een oranje plastic tas aan waarin een paar schoenen zat. Ook werd daar een bodywarmer aangetroffen, die volgens haar van de verdachte was.

E.9.2

In de oranje tas zaten onder meer zwarte sportschoenen van het merk Le Coq Sportif. Op de neus van de linkerschoen zagen de verbalisanten een op bloed gelijkende substantie. De sportschoenen werden veiliggesteld onder spoornummer V5WA8-02.01. Het spoor is later voorzien van DNA-identificatiezegel AAAS9116NL.

E.9.3

Het NFI heeft onderzoek naar de sportschoenen gedaan. Bij dat onderzoek werden op de neus van de linkerschoen twee bloedsporen aangetroffen. De bloedsporen zijn bemonsterd en voor een DNA-onderzoek veiliggesteld als AAAS9116NL#1 en AAAS9116NL#2. Van het DNA in die bemonsteringen zijn DNA-profielen verkregen van een vrouw die met elkaar en met het DNA-profiel van [A] matchen. Dat betekent dat het bloed in de bemonsteringen afkomstig kan zijn van [A]. De berekende frequentie van de DNA-profielen van het bloed in de bemonsteringen is kleiner dan één op één miljard. Oftewel, de kans dat een willekeurig gekozen vrouw een DNA-profiel heeft dat matcht met het DNA-profiel van het bloed in deze bemonsteringen is kleiner dan één op één miljard.

E.9.4

Het NFI heeft de sportschoenen ook onderzocht op biologische contactsporen. De binnenzijde van de linker- en de rechterschoen zijn daarbij afzonderlijk bemonsterd ter hoogte van de hiel, de zijranden en de tong. De bemonstering van de linkerschoen is veiliggesteld als AAAS9116NL#3 en die van de rechterschoen als AAAS9117NL#4. Van die bemonsteringen zijn DNA-profielen verkregen van een man die met elkaar en met het DNA-profiel van de verdachte matchen. Dat betekent dat het celmateriaal in de bemonsteringen afkomstig kan zijn van de verdachte. De daarbij berekende frequentie is opnieuw kleiner dan één op één miljard. Oftewel, de kans dat een willekeurig gekozen man een DNA-profiel heeft dat matcht met het DNA-profiel van het celmateriaal in deze bemonsteringen is kleiner dan één op één miljard.

E.9.5

In de rechterborstzak van de bodywarmer die in de berging (een kelderruimte) van de zus van de verdachte werd aangetroffen, bevond zich een autosleutel met daarop een Peugeot logo. De autosleutel werd veiliggesteld onder spoornummer V5WA8-03.02. De verbalisanten [J] en [K] zijn nagegaan of de autosleutel bij de Peugeot 206 CC van [A] behoorde. Toen de sleutel op het slot van het linker voorportier werd uitgeprobeerd, werden beide portieren ontgrendeld. Met die sleutel werd ook de motor van de Peugeot gestart.

• E.10 - Verklaringen van de verdachte

E.10.1

Het hof gebruikt ook de hierna weergegeven verklaringen van de verdachte voor het bewijs. De daarin door de verdachte aangebrachte nuancering dat hij samen met een ander was, heeft het hof telkens weggelaten. Die nuancering zal bij overwegingen omtrent het bewijs aan de orde worden gesteld.

De verdachte heeft ter terechtzitting van het hof onder meer het volgende verklaard.

“In de nacht van 15 mei 2009 ben ik […] gaan rondrijden. Al rondrijdend ben ik […] bij die mevrouw (het hof begrijpt: [A]) terechtgekomen, in [de straat waar A woonde] in Spaubeek. Er stond daar een auto voor de deur, waarvan [ik dacht]: ‘Daar [moet ik] de sleutel van hebben!’ Die sleutel moest in dat huis liggen. […] Kijk zo’n auto is geld. Die kan ik cashen. Ik heb daar mensen voor. De auto [heb ik] er langs gezet en [ik ben] via de zijdeur naar binnengegaan. […] Ik had handschoenen aan. […] Het breekijzer dat later in de Peugeot is aangetroffen […], was van mij. […] Ik had dat meegenomen. […] Ik ben met het breekijzer via de voordeur de woning uitgerend. De sleutel van de Peugeot had ik ook meegenomen.”

E.10.2

Ook ter terechtzitting van de rechtbank heeft de verdachte een verklaring afgelegd. Die verklaring houdt onder meer het volgende in.

“Via een weg langs de autobaan [ben ik] naar Spaubeek gereden. Op een gegeven moment [zag ik] een Peugeot staan. Dat was een auto waarmee geld viel te verdienen. […] Via de zijkant van het huis [ben ik] naar binnengegaan. […] Een breekijzer [werd] gebruikt om de zijdeur kapot te maken. […] Dat breekijzer is van mij. […] Volgens mij [was ik] omstreeks 05:20 uur ter plaatse.”

“De voorzitter houdt [mij] voor dat er bloed van het slachtoffer op de handschoenen is aangetroffen [en dat ik deze zou hebben] aangehad, gelet op de op die handschoenen aangetroffen sporen.

Die handschoenen heb ik die nacht aangehad.”

“U, rechter jongste in rang, vraagt mij waarom ik de Peugeot een paar straten verderop heb geparkeerd en niet verder weg. Ik was bang dat mensen mij in die auto zouden zien. Ik heb die auto daar geparkeerd om hem na een dag te verkopen. Ik ga dan naar een klant en vertel hem waar die auto staat.”

E.10.3

De verdachte heeft tegenover de politie - voor zover voor het bewijs van belang - het volgende verklaard:

“Ik heb op 26 mei 2009 voor het laatst in die Ford S-Max gereden. […] Ik wilde net stoppen en toen kwam de politie achter ons aan. Ik had 50 pillen bij me. Toen ben ik de loten opgegaan en toen kreeg ik een klapband.”

“Opmerking verbalisanten: Wij tonen de verdachte een foto van de in beslag genomen werkhandschoenen uit het opbergvak van het bestuurdersportier van de Ford S-Max, met opschrift Grandad, waarop bloed/DNA werd aangetroffen van het slachtoffer [A]. […]

De verdachte: Ja, […] dat zijn die handschoenen. […] Ik heb die handschoenen gehad en ik heb ze daar ingeduwd. […] Ik heb ze gebruikt.”

F. Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte integraal van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Naar aanleiding van dit verweer en ambtshalve wijdt het hof de navolgende overwegingen aan het bewijs.

• F.1 - Alternatief scenario van de verdediging

F.1.1

Uit de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden leidt het hof onder meer af dat de verdachte op 15 mei 2009, omstreeks 05:20 uur, in de woning van [A] heeft ingebroken met het doel om de sleutel van haar Peugeot 206 CC te bemachtigen. Hij droeg handschoenen en had een breekijzer meegenomen. Op de geel met rode handschoenen die bij de verdachte in gebruik waren en op het breekijzer van de verdachte is bloed aangetroffen dat (zeer waarschijnlijk) van [A] afkomstig is. De verdachte heeft de autosleutel in haar woning gevonden, de Peugeot enkele straten verderop geparkeerd en het breekijzer in die Peugeot achtergelaten. De handschoenen werden aangetroffen in de Ford S-Max waarmee de verdachte zich op 26 mei 2009 aan een verkeerscontrole van de politie onttrok. In de woning van de zus van de verdachte werden een paar sportschoenen en een bodywarmer aangetroffen die volgens haar van de verdachte waren. Op de linkerschoen werden twee bloedsporen aangetroffen waaruit een DNA-profiel werd verkregen dat bleek te matchen met dat van [A]. In de bodywarmer werd bovendien een autosleutel van haar Peugeot gevonden.

F.1.2

De rechtbank en de advocaat-generaal hebben het standpunt ingenomen dat de verdachte die bewuste nacht alleen op dievenpad is gegaan en dat hij dan ook degene is geweest die [A] moet hebben gedood.

F.1.3

De verdediging heeft een alternatief scenario ingebracht. Het scenario dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft geschetst en waaraan volgens de raadsman geloof moet worden gehecht, komt er in de kern op neer dat de verdachte niet alleen, maar samen met een Egyptenaar heeft ingebroken in de woning van het slachtoffer en dat die Egyptenaar het geweld op het slachtoffer moet hebben uitgeoefend. Hij heeft zelf geen enkele betrokkenheid bij het geweld gehad. De verdachte was in de gang bij de kapstok aan het zoeken naar de sleutel toen hij een “bonk” hoorde en de Egyptenaar in de slaapkamer aan het voeteneind van het bed zag staan. Hij zag zijn breekijzer op de grond liggen en bemerkte naast het bed iemands scheenbenen. Van schrik heeft hij zijn breekijzer gepakt en is hij de woning via de voordeur uitgevlucht. Hij zag toen dat er een sleutel in het slot van de voordeur stak die vastzat aan een sleutelbos met daaraan onder meer de sleutel van de Peugeot. Hij heeft de sleutelbos meegenomen en heeft de auto enkele straten verderop achtergelaten. Hij heeft vervolgens een fiets gestolen en is daarop naar huis gefietst. De sleutel van de Peugeot heeft hij van de sleutelbos gehaald en de andere sleutels heeft hij weggegooid. De verdachte merkte op dat hij die nacht niet de geel met rode handschoenen droeg, maar witte nylon handschoenen die hij later heeft weggegooid. De Egyptenaar had volgens hem geen handschoenen gedragen. De auto waarmee zij naar Spaubeek zijn gereden, was bovendien - anders dan hij eerder had verklaard - niet een Ford Focus waarover de verdachte beschikte, maar de Ford S-Max. Die Ford S-Max heeft de Egyptenaar op de zondag na het gebeuren bij hem afgeleverd. De Egyptenaar heeft toen niet verteld wat zich die nacht in de woning heeft afgespeeld en hij heeft daar evenmin naar gevraagd, aldus de verdachte.

F.1.4

Het hof heeft ten behoeve van de waarheidsvinding uitgebreid nader onderzoek laten doen. Bij dat onderzoek heeft de vraag centraal gestaan in hoeverre er in termen van waarschijnlijkheid kan worden vastgesteld of de verdachte en/of een andere dader betrokken is of zijn geweest bij de dood van [A]. Het onderzoek heeft ter verificatie dan wel ter falsificatie van het alternatieve scenario van de verdachte nauwelijks tot nieuwe gezichtspunten geleid. Dat betekent dat de bewijsmiddelen dat alternatieve scenario niet zonder meer uitsluiten.

F.1.5

In de onderhavige zaak is daarom van belang aan de hand van welk criterium het alternatieve scenario dient te worden beoordeeld. De rechtbank heeft aan het slot van haar redenering - getuige de overweging dat zij “niet wettig en overtuigend bewezen [acht] dat de verdachte samen met een ander in de woning van het slachtoffer is geweest” -, evenals de advocaat-generaal die deze overweging in haar requisitoir heeft overgenomen, niet het juiste criterium gehanteerd. Weliswaar behoeft een alternatieve lezing niet in alle gevallen door bewijsmiddelen te worden weerlegd, maar het zou een omkering van de bewijslast betekenen indien van de verdediging zou worden verlangd dat die lezing wordt bewezen. Volgens bestendige jurisprudentie kan een alternatieve lezing in gevallen waarin deze niet op grond van bewijsmiddelen kan worden uitgesloten, zoals de onderhavige, slechts terzijde worden gesteld indien de lezing niet aannemelijk is geworden of niet geloofwaardig is te achten (vgl. HR 16 maart 2010, LJN BK3359).

Het voorgaande neemt niet weg dat daarnaast in dit concrete geval, gelet op de inhoud van de tenlastelegging, dient te worden onderzocht of wettig en overtuigend bewezen kan worden dat er sprake was van medeplegen.

F.1.6

De rechtbank en de advocaat-generaal hebben er in hun overwegingen blijk van gegeven dat zij de lezing van de verdachte ongeloofwaardig vinden. Ter onderbouwing van dat oordeel hebben zij op een aantal omstandigheden gewezen. Die omstandigheden zijn echter - dat moet de raadsman naar het oordeel van het hof worden nagegeven - niet altijd even overtuigend. Zo vermag het hof niet in te zien waarom de routine van de verdachte het ongeloofwaardig maakt dat de verdachte een ander de zijdeur met het breekijzer zou laten forceren. Die ander zou immers evenzeer een geroutineerd inbreker kunnen zijn. Evenmin vermag het hof in te zien waarom het ongeloofwaardig zou zijn dat de verdachte samen met die ander eerder in de nacht van 14 op 15 mei een caravan in Beek heeft gestolen, wanneer er slechts aangifte is gedaan van zo’n diefstal in de nacht van 13 op 14 mei. Mogelijk heeft de aangever of aangeefster zich in de datum vergist of is er om bepaalde redenen geen aangifte van de diefstal gedaan. Er kan slechts worden geconcludeerd dat de verklaring van de verdachte op dit punt niet wordt bevestigd.

Dat laatste geldt zo mogelijk nog meer voor de door de advocaat-generaal aangehaalde omstandigheid dat in Spaubeek geen aangifte is gedaan van de diefstal van een fiets in de nacht van 14 op 15 mei. Het is geenszins een feit van algemene bekendheid dat in Spaubeek van zulke diefstallen altijd aangifte wordt gedaan. Ook hier kan slechts worden geconcludeerd dat de verklaring van de verdachte - indien juist - mogelijk had kunnen worden bevestigd, maar dat nader onderzoek die bevestiging niet heeft opgeleverd.

Met de advocaat-generaal is het hof wel van oordeel dat het eigenaardig is dat de lezing van de verdachte inhoudt dat hij zo is geschrokken van hetgeen hij had gezien dat hij snel is vertrokken en vermoedde dat er iets ergs was gebeurd, maar dat hij vervolgens niet aan de Egyptenaar - toen deze hem de zondag na het gebeuren een bezoek bracht - heeft gevraagd wat er zich in de woning had afgespeeld. Dat klemt temeer nu de Egyptenaar de verdachte zou hebben gevraagd of hij het nieuws op de Limburgse zender L1 had gezien, omdat er twee getinte mannen zouden worden gezocht. Nog daargelaten dat de politie daarover op dat moment nog geen mededelingen had gedaan, is het frappant dat de verdachte, waar hij zegt zo geschrokken te zijn, naar eigen zeggen ook naar aanleiding van deze vraag van de Egyptenaar niet naar berichtgeving omtrent het gebeurde heeft gezocht. Die eigenaardigheid is echter op zichzelf beschouwd nog onvoldoende om daaraan conclusies te verbinden omtrent de geloofwaardigheid van verdachtes lezing voor zover die betrekking heeft op de gebeurtenissen in de woning van [A].

F.1.7

De volgende punten doen naar het oordeel van het hof wel nadrukkelijk afbreuk aan de geloofwaardigheid van de alternatieve lezing van de verdachte.

De verdachte is in de periode december 2009 tot januari 2010 acht keer door de politie over deze zaak gehoord. Hij heeft steeds stellig ontkend iets met de dood van het slachtoffer en met de diefstal van haar auto te maken te hebben gehad. Bij de rechter-commissaris heeft hij zich op zijn zwijgrecht beroepen en bij de raadkamer van de rechtbank heeft hij opnieuw verklaard dat hij niets met de zaak te maken heeft. Pas op de terechtzitting van de rechtbank van 8 november 2010 is de verdachte met een alternatief scenario gekomen. Volgens dat scenario is hij wel betrokken geweest bij de inbraak in de woning en heeft hij de auto gestolen, maar heeft hij niets met de dood van het slachtoffer te maken.

Dat betekent dat de verdachte in ieder geval over de inbraak en de diefstal vele malen in strijd met de waarheid heeft verklaard. Dat komt de geloofwaardigheid van zijn nadien afgelegde verklaringen niet ten goede.

Ter terechtzitting van de rechtbank heeft de verdachte bovendien geweigerd te verklaren voordat de deskundigen werden gehoord. Op het moment dat hij voor het eerst over zijn betrokkenheid verklaarde, heeft hij dan ook de gelegenheid gehad om zijn verklaringen op alle beschikbare onderzoeksbevindingen af te stemmen. Dat leidt vanzelfsprekend niet tot de conclusie dat de inhoud van zijn verklaring en dus van het alternatieve scenario niet juist kan zijn, maar het noopt naar het oordeel van het hof wel tot extra behoedzaamheid bij de beoordeling van de aannemelijkheid van zijn verklaring.

F.1.8

Verder acht het hof bij de beoordeling van het alternatieve scenario van belang dat de verdachte ten aanzien van belangrijke onderdelen wisselend en soms ook tegenstrijdig heeft verklaard. Dat is niet alleen het geval ten aanzien van onderdelen die niet direct zien op de invulling van het alternatieve scenario, zoals onder meer blijkt uit de wijze waarop hij heeft verklaard omtrent de vraag wanneer en onder welke omstandigheden hij in de Ford S-Max heeft gereden, maar ook ten aanzien van onderdelen die op dat scenario rechtstreeks betrekking hebben.

Het hof noemt als eerste onderdeel de in de Ford S-Max aangetroffen handschoenen waarop bloed is aangetroffen waarvan het DNA-profiel matcht met dat van het slachtoffer. Tijdens het eerste politieverhoor werd hem gevraagd of zijn DNA ook op handschoenen kan zijn gevonden, antwoordde hij bevestigend: hij had handschoenen gebruikt waarmee hij weed had aangeraakt. Hij had die handschoenen in de Ford S-Max, in het vak van het bestuurdersportier, neergelegd. De handschoenen waren van hem. Hij verklaarde altijd handschoenen te gebruiken als hij in een auto stapt waarvan hij weet dat die is gestolen. Nadat hem foto’s worden getoond van de geel met rode handschoenen die in het vak van de bestuurdersportier van de Ford S-Max zijn aangetroffen, is hij ervan teruggekomen dat het zijn handschoenen waren: het waren wel handschoenen die hij had gebruikt, maar ze waren niet van hem. Hij had die handschoenen gebruikt voor de weed of wanneer iets gestolen was.

Een ander onderdeel betreft de Peugeot van [A] en het breekijzer dat daarin werd aangetroffen. Tijdens de politieverhoren verklaarde hij dat hij de Peugeot van [A] nog nooit had gezien en daar nog nooit in had gezeten. Bij die verklaring bleef hij toen hij werd geconfronteerd met het feit dat er DNA in de auto was aangetroffen dat in zijn richting wees. Van het breekijzer dat in de auto werd aangetroffen wist hij niets. Er waren goederen gestolen uit de schuur van zijn ouders, waaronder mogelijk ook het breekijzer. Hij moest er zijn ingeluisd.

Toen de verdachte tijdens een later verhoor werd geconfronteerd met de verklaring van zijn vader dat er nooit een diefstal uit de woning of schuur heeft plaatsgevonden en dat hij zijn breekijzer bovendien nog in de schuur had liggen, beriep de verdachte zich op zijn zwijgrecht.

Voorts verklaarde hij tegenover de politie ten aanzien van de schoenen en de bodywarmer die bij zijn zus werden aangetroffen, aanvankelijk dat die niet van hem waren. In zijn laatste verhoor verklaarde hij evenwel niet te weten of hij zulke schoenen heeft gehad.

Pas ter terechtzitting van de rechtbank - en zoals gezegd op aandringen van de verdachte eerst nadat de deskundigen van het NFI waren gehoord - kwam de verdachte met een volstrekt andere lezing, een lezing die deels gelijk is aan maar deels ook verschilt van de lezing die hij in hoger beroep heeft geschetst. De verdachte verklaarde bij de rechtbank dat hij wel degelijk in de bewuste Peugeot had gezeten. Hij had op donderdagavond (het hof begrijpt: 14 mei 2009) bezoek gekregen van een kameraad en zij zijn samen met een Ford Focus op pad gegaan om geld te verdienen. Zij zagen de Peugeot en hebben toen in de woning ingebroken. De verdachte had een breekijzer bij zich en droeg de geel met rode handschoenen. Zijn kameraad heeft de zijdeur opengebroken met het breekijzer van de verdachte. Toen zij binnen waren, hoorde hij op een gegeven moment een bonk vanuit de kamer waar zijn kameraad naar binnen was gegaan, toen is hij naar die kamer gegaan, heeft hij zijn breekijzer gepakt en is hij naar buiten gelopen.

Op het slot van de voordeur zag hij de autosleutel hangen en die klikte hij heel snel uit de sleutelbos. Hij heeft vervolgens de Peugeot enkele straten verderop neergezet, een fiets gestolen en is naar huis gefietst. Het breekijzer was hij vergeten mee te nemen en is in de Peugeot achtergebleven. De handschoenen had hij achter een elektriciteitskastje in de straat van zijn ouders neergelegd. Op zondag heeft hij die daar weer weggehaald. Hij heeft ze toen in een Ford Focus gelegd, een andere dan de Ford Focus waarmee hij naar Spaubeek was gereden, en later zijn die overgedragen naar de Ford S-Max, omdat ze de laatstgenoemde Ford Focus naar de zwarte markt hadden gedaan. De schoenen en de bodywarmer had hij ook overgedragen naar de Ford S-Max. Op de woensdag erna, 20 mei 2009 (de dag voordat zijn ouders naar Marokko vertrokken), heeft hij kleren naar zijn zus [L] gebracht.

Ter terechtzitting van het hof heeft de verdachte zijn lezing opnieuw bijgesteld. Ditmaal waren hij en zijn kameraad niet met een Ford Focus, maar met de Ford S-Max naar Spaubeek gereden. Bovendien had hij de geel met rode handschoenen die avond niet gedragen. Hij had witte nylon handschoenen aan, die hij later heeft weggegooid. Ook had hij in de woning de autosleutel niet afgeklikt van de sleutelbos die aan de voordeur hing, maar de hele sleutelbos meegenomen en daar pas later de autosleutel van afgeklikt.

De ter zitting in hoger beroep afgelegde verklaring omtrent het meenemen van de hele sleutelbos past niet bij de omstandigheid dat de brandweer aan de binnenzijde van de woning in het slot van de voordeur een sleutel aantrof.

Wat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verder over de door hem gedragen handschoenen heeft verklaard, is naar het oordeel van het hof niet te rijmen met de bewijsmiddelen. De verdachte heeft bij die gelegenheid immers verklaard dat hij niet de geel met rode handschoenen heeft gedragen waarop bloed is aangetroffen, maar andere handschoenen, die hij destijds heeft weggegooid. Volgens het alternatieve scenario heeft de verdachte het bebloede breekijzer alleen opgepakt en is dat bloed mogelijk daardoor op zijn kleding gekomen. Het breekijzer is echter door de verdachte diezelfde dag in Spaubeek in de Peugeot van het slachtoffer achtergelaten. Als de verklaring van de verdachte afgelegd in hoger beroep over de door hem gedragen handschoenen juist zou zijn, valt naar het oordeel van het hof niet in te zien hoe er bloed, waarvan het DNA profiel matcht met dat van het slachtoffer, op de geel met rode handschoenen afkomstig uit de Ford S-Max is gekomen. Volgens verdachtes ter zitting in hoger beroep afgelegde verklaring kreeg hij immers pas dagen later de beschikking over die Ford S-Max en droeg de Egyptenaar in de woning van het slachtoffer geen handschoenen. De verdachte en zijn raadsman hebben geen (mogelijke) verklaring gegeven voor het aantreffen van het bloed op de geel met rode handschoenen. De verdachte heeft bij de politie bij herhaling verklaard dat hij deze handschoenen in gebruik heeft gehad en dat wordt ook door het DNA onderzoek ondersteund.

Wat daar ook van zij, helder is dat de verdachte niet op consistente wijze over de toedracht heeft verklaard. Het hof volgt de raadsman niet in zijn opmerking dat dit niet ten nadele van de verdachte mag worden meegewogen, omdat de verdachte soms met stelligheid verklaringen aflegt zonder van de juistheid ervan zeker te zijn. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt naar het oordeel van het hof juist dat de verdachte gedurende de verhoren er blijk van heeft gegeven in het afleggen van verklaringen calculerend te werk te hebben willen gaan.

F.1.9

Opmerkelijk acht het hof voorts wat de verdachte over de persoon van zijn kameraad heeft verklaard. Tijdens het eerste politieverhoor had hij het eerst over een Algerijn genaamd [M] uit Duitsland waarmee hij eventjes had vastgezeten en daarna over een Algerijn genaamd [M] uit België. Tijdens zijn tweede politieverhoor verklaarde hij dat hij in 2005-2009 samen met [M] had vastgezeten in de Penitentiaire Inrichting Roermond. Tijdens zijn zevende politieverhoor verklaarde hij dat [M] in Roermond op de B vleugel zat in cel 9 of 10. Tijdens zijn achtste en laatste verhoor verklaarde hij dat [M] in 2006 of 2007 gedurende 2 of 3 maanden had vastgezeten op het B blok. Hij verklaarde ook dat hij buiten (het hof begrijpt: buiten de gevangenis) de naam [M] maar hoefde te zeggen of hij zou boven water komen.

De politie heeft vervolgens onderzoek verricht naar de medegedetineerden van de verdachte. Er bleek geen [M] die ooit samen met de verdachte in detentie had gezeten. De personen die tegenover de verdachte hadden vastgezeten, zijn eveneens onderzocht. Niemand van die personen droeg de naam [M] of was van Algerijnse afkomst.

Ter terechtzitting van de rechtbank verklaarde de verdachte desgevraagd dat hij “voorzichtig is met het geven van een naam”, omdat “zijn ouders […] inmiddels op leeftijd [zijn en] […] hen [dit] ook [kan] overkomen”. Bij die gelegenheid verklaarde hij op een later moment tijdens de ondervraging dat hij van anderen heeft gehoord dat [M] uit Egypte komt. Volgens de verdachte was hij ongeveer 38 of 39 jaar oud en heeft hij een donkere huidskleur. Verdachte heeft verder verklaard dat hij deze persoon gaat opzoeken als hij vrijkomt en dat die persoon voor hem sowieso bereikbaar is.

Ter terechtzitting van het hof verklaarde de verdachte dat hij de echte naam van [M] niet kan noemen. De Egyptenaar had zich aan hem als [M] voorgesteld.

Het hof leidt uit zijn verklaring ter terechtzitting van de rechtbank af dat de verdachte geen nadere mededelingen heeft willen doen omtrent de personalia van de desbetreffende Egyptenaar of aanknopingspunten heeft willen geven hoe deze persoon zou kunnen worden achterhaald.

F.1.10

Van belang is ten slotte dat de alternatieve lezing van de verdachte geen steun vindt in de resultaten van het zeer uitgebreide onderzoek. Er is weliswaar een buurtbewoner die twee verdachte personen had opgemerkt op de [straat IV] die in de richting van de [straat V]/[de straat waar A woonde] liepen, maar dat was omstreeks 03:15 uur in de nacht van 14 op 15 mei 2009 en op dat tijdstip was de verdachte volgens zijn eigen lezing nog niet gearriveerd in Spaubeek. Anders dan de raadsman meent, heeft ook het technisch onderzoek geen steun voor die lezing opgeleverd. De raadsman heeft de stelling betrokken dat de deskundige bij het vergelijkend werktuigsporenonderzoek iets over het hoofd heeft gezien, omdat er meerdere indruksporen zijn waargenomen die minder dan 10,2 mm breed zijn en dat er daarom een indicatie is om te veronderstellen dat er een tweede stuk gereedschap is gebruikt. Voor zover de stelling al juist zou zijn, is die gebaseerd op een invulling van het scenario die niet uit de verklaring van de verdachte voortvloeit. De verdachte heeft immers verklaard dat de tweede dader - en alleen die tweede dader - de zijdeur heeft geforceerd en wel met zijn, verdachtes, breekijzer. Dat daarbij ook een tweede object is gebruikt of dat twee personen zich met het forceren van de deur(en) hebben beziggehouden, heeft de verdachte niet verklaard en is met de onderbouwing van de stelling van de raadsman evenmin aannemelijk geworden. De stelling van de raadsman dat in de Peugeot meer bloedsporen hadden moeten zijn aangetroffen indien de verdachte de dader zou zijn, gaat te ver. Zoals de raadsman zelf - terecht - in verband met de beoordeling van het technisch bewijs heeft benadrukt, is de afwezigheid van bewijs dat iets het geval is, geen bewijs dat dit niet het geval is. Het hof deelt evenmin het standpunt van de raadsman dat het aantreffen van DNA van een andere man dan de verdachte op een van de in de badkuip aangetroffen handdoeken (AABI3298NL#3) een verificatie is van het scenario van de verdachte.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet aannemelijk geworden dat het op de handdoek aangetroffen DNA delictgerelateerd is. Het forensisch onderzoek geeft ook geen uitsluitsel over de vraag of het slachtoffer is gedragen naar het bad, laat staan of dat door één of twee personen is gebeurd. Het is ook mogelijk dat het slachtoffer ondanks haar ernstige verwondingen tevergeefs een uitweg heeft gezocht uit de in brand staande slaapkamer en dat zij daarom naar de aangrenzende badkamer is gevlucht.

F.1.11

Met deze kritische reflectie op het alternatieve scenario van de verdachte komt het hof tot de volgende slotsom. In aanmerking genomen de bovengenoemde wisselingen in verdachtes verklaringen, de tegenstrijdigheden op belangrijke onderdelen in verdachtes verklaringen, de wijze waarop hij eerdere verklaringen bijstelde en het moment waarop dat hij dat deed, het niet willen prijsgeven van nadere gegevens omtrent de Egyptenaar alsmede het ontbreken van enige bevestiging van zijn scenario, is het hof van oordeel dat dit scenario geenszins aannemelijk is geworden.

• F.2 - Tussenconclusie

Het voorgaande mede in aanmerking nemend, komt het hof op grond van de onder E. vastgestelde feiten en omstandigheden tot de volgende tussenconclusie. De verdachte heeft op 15 mei 2009, omstreeks 05:20 uur, ingebroken in de woning van [A]. Hij droeg op dat moment handschoenen. Gezien de uitkomsten van het DNA-onderzoek en de verklaring van de verdachte ter terechtzitting van de rechtbank waren dat de geel met rode handschoenen. De verdachte had ook het breekijzer bij zich dat later in de Peugeot van [A] werd gevonden. Aan de hand van het op de schoenen aangetroffen DNA waarvan het profiel matcht met dat van de verdachte en de verklaring van de zus van de verdachte oordeelt het hof verder dat de schoen waarop bloed is aangetroffen waarvan het DNA-profiel matcht met dat van [A], aan de verdachte toebehoort. Ook op de door de verdachte die nacht gedragen handschoenen werd bloed aangetroffen waarvan het DNA-profiel matcht met dat van het slachtoffer.

Op grond van het onderzoek van de patholoog anatoom, de bevindingen van de forensisch arts, het vergelijkend verfonderzoek, de bloedsporen op het breekijzer, de resultaten van het DNA-onderzoek naar de sporen op dat breekijzer, de schoenen en handschoenen, de verklaringen van verdachte zoals weergegeven onder E.10 en de vindplaats van het breekijzer in de door verdachte gestolen auto van het slachtoffer, oordeelt het hof dat de bij haar waargenomen letsels zijn toegebracht met het breekijzer van de verdachte. Gelet op al het voorgaande concludeert het hof verder dat de verdachte de enige persoon was die in de woning van [A] heeft ingebroken en dat hij zelf degene is geweest die het breekijzer heeft gehanteerd. Het hof acht zodoende wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte degene is geweest die [A] met het breekijzer heeft geslagen.

• F.3 - Brandstichting

Dat is anders ten aanzien van de brandstichting. Het hof is met de rechtbank, de advocaat-generaal en de verdediging van oordeel dat de verdachte van de brandstichting, die onderdeel uitmaakt van het primair ten laste gelegde en het zelfstandig verwijt vormt van het alternatief cumulatief ten laste gelegde, niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Weliswaar bestaan er sterke aanwijzingen dat de verdachte die brandstichting heeft gepleegd - uit de vastgestelde feiten en omstandigheden kan immers worden afgeleid dat de brand tussen 05:20 uur en 06:40 uur in de slaapkamer is ontstaan, dat de verdachte in diezelfde tijdspanne het slachtoffer in diezelfde kamer met een breekijzer verwondingen heeft toegebracht en dat geen technische oorzaak voor de brand is gevonden -, maar die sterke aanwijzingen laten onverlet dat er andere oorzaken voor de brand kunnen zijn geweest. Er is onvoldoende bewijs voorhanden dat de brand door de verdachte is gesticht en de verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

• F.4 - Doodsoorzaak

Aangezien de verdachte zal worden vrijgesproken van de brandstichting en daarvoor derhalve niet verantwoordelijk kan worden gehouden, heeft het hof zich ambtshalve voor de vraag gesteld of er een causaal verband bestaat tussen de letsels die met het breekijzer zijn toegebracht en de dood. In dat verband acht het hof het van belang dat de patholoog anatoom heeft verklaard dat het aspect van de herseninklemming substantieel was voor het intreden van de dood en uiteindelijk zelfs de grote boosdoener was. Het element van de intoxicatie was volgens haar een bijkomende factor, een factor die slechts aan het intreden van de dood heeft bijgedragen. De koolmonoxide intoxicatie kan op zichzelf, gezien de gemeten waarde, niet tot de dood hebben geleid. Het hof leidt daaruit af dat [A] ook was komen te overlijden wanneer de brand niet zou zijn ontstaan. Naar het oordeel van het hof bestaat er dan ook een causaal verband tussen de letsels die met het breekijzer aan [A] zijn toegebracht en haar dood: het handelen van de verdachte heeft geleid tot haar dood.

• F.5 - Voorbedachte raad

Het voorhanden bewijs schiet tekort om te kunnen concluderen dat de verdachte [A] met voorbedachte raad om het leven heeft gebracht. Met de rechtbank, de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat daarvoor de toedracht uit het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende duidelijk is geworden. Niet duidelijk geworden is immers of de verdachte in een (voortdurende) opwelling heeft gehandeld of dat hij tijd heeft gehad om zich op zijn handelen te bezinnen. Mogelijk heeft het slachtoffer de verdachte in haar woning betrapt en heeft de verdachte daar in een opwelling met fatale gevolgen op gereageerd. Daarom kan niet buiten redelijke twijfel worden gesteld dat de verdachte gelegenheid heeft gehad om zich omtrent zijn handelen te beraden; en kan niet worden bewezen dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Bijgevolg zal het hof de verdachte van de primair ten laste gelegde moord vrijspreken.

• F.6 - Voorwaardelijk opzet op de dood

Naar het oordeel van het hof is bewezen dat het opzet van de verdachte ten minste in voorwaardelijke zin op de dood van het slachtoffer was gericht. De wijze waarop de verdachte met zijn breekijzer herhaaldelijk (zeker één keer in het aangezicht, één keer op haar hoofd en vijf keer op haar rug) op [A] heeft ingeslagen, is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op haar dood dat het - behoudens contra-indicaties waarvan het hof niet is gebleken - niet anders kan zijn geweest dan dat de verdachte minstgenomen willen en wetens de kans op dat gevolg heeft aanvaard. De verdachte heeft zich derhalve schuldig gemaakt aan doodslag.

• F.7 - Gekwalificeerde doodslag

Die doodslag staat ontegenzeggelijk in een directe relatie tot de diefstal van de auto(sleutel) van [A]. De verdachte was daar heel duidelijk over: het was hem te doen om de Peugeot 206 CC. De verdachte heeft die diefstal ook gepleegd. De auto werd een aantal straten verderop afgesloten aangetroffen en de sleutel werd in een bodywarmer van de verdachte gevonden. Niet duidelijk is geworden of de verdachte de autosleutel voorafgaand, tijdens of na afloop van het door hem uitgeoefende geweld heeft gestolen. Het hof acht daarom bewezen dat de doodslag is gevolgd door, vergezeld van of voorafgegaan aan de diefstal van de autosleutel van [A] en daarmee ook van haar auto.

De diefstal werd gepleegd door middel van braak op de zijdeur en vond plaats tussen 05:20 uur en 06:40 uur, aldus in de voor de nacht bestemde uren. Het hof acht evenals de rechtbank en de advocaat-generaal niet bewezen dat de verdachte ook een mobiele telefoon heeft gestolen.

Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is voor gekwalificeerde doodslag niet voldoende dat het opzet van de verdachte er in voorwaardelijke zin op gericht was om [A] te doden om de diefstal te vergemakkelijken en/of om bij betrapping op heterdaad zichzelf straffeloosheid en/of het bezit van het gestolene te verzekeren. De verdachte moet daartoe het oogmerk hebben gehad. In dat verband is van belang dat het naaste doel dat de verdachte bij het inbreken in de woning van [A] voor ogen stond, onmiskenbaar gelegen was in het stelen van haar auto(sleutel). In de woning heeft hij [A] op enig moment meerdere keren met zijn breekijzer geslagen, als gevolg waarvan zij is komen te overlijden. Bij gebrek aan aanwijzingen voor het tegendeel kan het onder die omstandigheden naar het oordeel van het hof niet anders dan dat de verdachte het oogmerk had op de eerder omschreven kwalificerende omstandigheid.

• F.8 – Medeplegen

Het hof heeft reeds uitgebreid overwogen dat het alternatieve scenario dat door de verdachte naar voren is gebracht, namelijk - kort gezegd - dat hij met een ander in de woning heeft ingebroken en dat die ander het geweld op het slachtoffer moet hebben uitgeoefend zonder dat verdachte daar enige betrokkenheid bij had, wordt verworpen. Het hof overweegt verder dat er geen bewijsmiddelen zijn die wijzen op medeplegen van de gekwalificeerde doodslag. Van dat onderdeel van de tenlastelegging zal de verdachte dan ook worden vrijgesproken.

• F.9 - Eindconclusie

Resumerend acht het hof niet bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde moord en brandstichting heeft gepleegd, maar acht het wel wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan gekwalificeerde doodslag.

G. Bewezenverklaring

Het hof acht - op grond van de hiervoor vermelde redengevende feiten en omstandigheden, de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 15 mei 2009 te Spaubeek, in de gemeente Beek opzettelijk [A] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte, met dat opzet die [A] meermalen met een breekijzer tegen het hoofd en bovenlichaam geslagen, ten gevolge waarvan voornoemde [A] is overleden,

welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal van een autosleutel behorende bij een Peugeot 206, toebehorend aan die [A], door middel van braak gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd (strafbaar gesteld in artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht) en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

H. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 288 juncto artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

Doodslag, gevolgd, vergezeld of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

I. Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

J. Op te leggen straf

Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een kwalificeerde doodslag op [A].

De rechtbank heeft de verdachte bij een vergelijkbare bewezenverklaring veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren.

De advocaat-generaal heeft zich achter de bewezenverklaring van de rechtbank geschaard, maar gevorderd dat de verdachte daarvoor zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 25 jaren.

De raadsman heeft zich kritisch uitgelaten over de strafeis van de advocaat-generaal. Die eis is volgens de raadsman vooral gebaseerd op emotie en niet op de juridische realiteit.

Het hof overweegt als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

In dat verband is van belang dat het strafmaximum voor een gekwalificeerde doodslag als bedoeld in artikel 288 van het Wetboek van Strafrecht bij de Wet herijking strafmaxima van 22 december 2005 is gewijzigd. Sinds 1 januari 2006 geldt als strafmaximum een levenslange gevangenisstraf of een tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste 30 jaren. Aangezien moord ook een levensdelict betreft en hierop hetzelfde strafmaximum is gesteld, wordt aansluiting gezocht bij het algemene uitgangspunt dat dit hof voor een moord hanteert. Dat uitgangspunt is dat in de regel niet kan worden volstaan met een andere of lagere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren.

In dit geval heeft de verdachte in een zucht naar financieel gewin [A] om het leven gebracht. De verdachte was uit op haar Peugeot 206 CC die voor haar deur stond. Hij heeft [A], die nog niet lang thuis was na het bezoeken van een galafeest, midden in de nacht in haar eigen woning overrompeld. Hij sloeg haar ten minste zeven keer met zijn breekijzer: minstens één keer in haar aangezicht, één keer tegen het achterhoofd en vijf keer tegen de rug. De verdachte heeft haar zo ernstig verwond dat zij dat niet heeft kunnen overleven. [A] heeft na het toegebrachte letsel nog enige tijd geleefd en is uiteindelijk als gevolg daarvan overleden. De verdachte is er met haar autosleutel en later ook met haar auto vandoor gegaan. Hoe de brand ook is ontstaan, [A] moet zo zwaar gewond en weerloos achtergelaten zijn dat zij zich niet tegen de gevaren van die brand heeft kunnen verweren. Het hof rekent de verdachte dat zwaar aan.

De verdachte heeft deze gruweldaad bovendien onder bijzondere omstandigheden gepleegd. De verdachte liep namelijk niet alleen in een proeftijd van een eerdere veroordeling, maar was ook nog voortvluchtig: hem was een dag detentieverlof verleend voor het bekijken van een woning op 29 maart 2009, maar hij was naar eigen zeggen kwaad en is daarom niet teruggekeerd. Amper anderhalve maand later heeft hij dit feit gepleegd. Dit dient naar het oordeel van het hof aanzienlijk strafverhogend te werken.

Een andere omstandigheid die naar het oordeel van het hof strafverhogend dient te werken, is dat de verdachte zijn medewerking aan gedragskundig onderzoek heeft geweigerd. Het hof deelt het standpunt van de advocaat-generaal dat die weigering onder de gegeven omstandigheden in het nadeel van de verdachte moet worden meegewogen bij het bepalen van de hoogte van de straf. De gedragsdeskundigen van het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) hebben in dit verband te kennen gegeven dat vanwege de weigering van de verdachte om aan het onderzoek mee te werken formeel geen psychiatrische diagnose kon worden gesteld, terwijl er volgens hen op grond van de beschikbare en geraadpleegde gegevens wel aanwijzingen bestaan dat de verdachte lijdende is aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken (met op de voorgrond staande trekken als een gestoorde agressieregulatie, een sterk lacunaire gewetensfunctie, een meer dan gemiddelde krenkbaarheid, egocentrisme en een gebrek aan empathie).

Uit het strafblad van de verdachte, oftewel zijn uittreksel uit het justitieel documentatieregister, blijkt dat de verdachte niet alleen herhaaldelijk is veroordeeld voor vermogensdelicten, maar ook voor geweldsdelicten. Het hof noemt daarbij een aantal in het oog springende onherroepelijke veroordelingen. De verdachte is in december 2002 veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 voorwaardelijk, voor poging tot doodslag en een woninginbraak. In november 2006 is hij veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf voor onder meer mishandelingen. In mei 2007 is hij tot 24 maanden gevangenisstraf veroordeeld voor onder meer woninginbraken en opzetheling. In november 2007 is hij veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf voor diefstal en het meermalen plegen van poging tot zware mishandeling, alle op dezelfde dag gepleegd. De doodslag op [A] is in mei 2009 gepleegd, zoals gezegd tijdens de lopende proeftijd in verband met een ter zake van mishandeling in 2008 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf. Ook in het strafblad van de verdachte ziet het hof derhalve een omstandigheid die beslist tot strafverhoging moet leiden.

Nu verdachte niet heeft meegewerkt aan gedragskundig onderzoek naar een mogelijke stoornis die zijn gedrag mede zou kunnen verklaren en dus ook geen aanknopingspunten kunnen worden gevonden voor begeleiding of behandeling om herhaling te voorkomen, terwijl de verdachte in het verleden reeds veel slachtoffers heeft gemaakt en nu zelfs een dodelijk slachtoffer is gevallen, is het hof met de advocaat-generaal van oordeel dat de beveiliging van de maatschappij vergt dat een gevangenisstraf van zeer lange duur wordt opgelegd.

Het is wrang dat de precieze toedracht ook na het uitgebreide aanvullende onderzoek in hoger beroep niet duidelijk is geworden. Duidelijk is wel hoeveel leed de verdachte heeft berokkend. Hij heeft de familie van het slachtoffer en haar naaste omgeving een immens en onherstelbaar verdriet aangedaan. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring van de zus en de twee broers van [A] wordt pijnlijk duidelijk wat voor een enorme impact het verlies van hun zus op hun leven, maar ook op dat van vrienden en bekenden heeft. In die verklaring komt naar voren dat [A] een sociaal bewogen persoon was, een vrouw die voor de mensen in haar omgeving klaarstond en bekend stond als een geliefd lerares. De nabestaanden hebben van haar afscheid moeten nemen in een gesloten kist vanwege de ernst van de haar toegebrachte letsels. De doodslag op [A] heeft niet alleen de nabestaanden, maar ook de rechtsorde in het algemeen ernstig geschokt.

Ten aanzien van de strafeis van de advocaat-generaal merkt het hof op dat zij daarbij twee in haar ogen strafverhogende omstandigheden heeft betrokken die het hof niet bij de strafoplegging zal meewegen, omdat deze niet mogen worden meegewogen.

De eerste betreft een Belgisch vonnis waarbij de verdachte is veroordeeld ter zake van “homejacking”, i.e. diefstal van een voertuig na diefstal van de sleutels in de woning waarbij geweld of bedreiging met geweld is gebruikt. De verdachte heeft tegen dat vonnis een rechtsmiddel ingesteld. Het ten bezware acht slaan op dat niet onherroepelijk vonnis verhoudt zich niet met de onschuldpresumptie.

Het tweede punt is dat de advocaat-generaal enerzijds vorderde dat de verdachte moest worden vrijgesproken van de brandstichting, maar anderzijds wel bij de straftoemeting betrok dat de verdachte “zijn ongewenste bezoek [heeft] afgerond en het slachtoffer [weloverwogen] heeft achtergelaten in een brandende woning […] om sporen uit te wissen”. De brandstichting acht het hof evenmin als de advocaat-generaal bewezen, zodat die niet in de strafmaat zal worden meegenomen. Voor wat de brand betreft, kan de verdachte alleen, zoals het hof al heeft overwogen, worden verweten dat hij zulk excessief geweld tegen het slachtoffer heeft gebruikt dat zij zich niet meer tegen die brand heeft kunnen verweren.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof geen enkele omstandigheid gebleken waarvan een strafverminderende werking zou moeten uitgaan. Een forse bestraffing is dan ook aangewezen; een bestraffing die naar het oordeel van het hof zwaarder dient te zijn dan de straf die de rechtbank aan de verdachte had opgelegd.

Alles overziende acht het hof - op grond van de buitengewone ernst van het door de verdachte gepleegde misdrijf, het immense leed dat hij daardoor heeft veroorzaakt en de persoon van de verdachte - een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren passend en geboden. De verdachte zal daartoe worden veroordeeld, met dien verstande dat zijn voorarrest daarop in mindering zal worden gebracht.

K. Maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat [C] (broer en nabestaande van [A]) als gevolg van het bewezen verklaarde feit materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 7.959,96, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de crematie - aldus vanaf 23 mei 2009 - tot en met de dag der voldoening.

De verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Het hof zal daarom aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de hieronder te vermelden betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen dat bedrag ten behoeve van de benadeelde partij aan de Staat te betalen.

L. Vordering benadeelde partij [C]

De benadeelde partij [C] (broer en nabestaande van [A]) heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, die strekt tot een schadevergoeding ten belope van € 7.959,96 te vermeerderen met de wettelijke rente. Bij het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank die vordering volledig toegewezen.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de door de benadeelde partij gevorderde kosten een rechtstreeks gevolg zijn van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte.

De verdachte is tot vergoeding van deze schade gehouden, zodat de vordering in zoverre toewijsbaar is.

De proceskosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil, worden ten laste van de verdachte gebracht.

M. Verhouding schadevergoedingsmaatregel en vordering benadeelde partij

Ten aanzien van de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij geldt voor de verdachte een alternatieve vergoedingsplicht, in die zin dat de verdachte is gekweten van zijn plicht tot schadeloosstelling indien en voor zover hij heeft voldaan aan één van de hem opgelegde wijzen van vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade.

Daarom zal het hof bepalen dat indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, daarmede zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en zulks vice versa (dat wil zeggen: indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij, daarmede zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen).

N. Vordering tenuitvoerlegging

Aan de orde is nog een vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 14 dagen. Die gevangenisstraf is de verdachte op 24 september 2008 opgelegd door de politierechter te Roermond in de strafzaak met parketnummer 04/816651-08. Het hof is van oordeel dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden toegewezen. De verdachte heeft zich immers voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig gemaakt.

O. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14g, 14h, 14i, 14j, 24c, 27, 36f, 287 en 288 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dat als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Legt aan de verdachte de verplichting op om ten behoeve van de benadeelde partij [C] aan de Staat een bedrag te betalen van € 7.959,96 (zevenduizend negenhonderd negenenvijftig euro en zesennegentig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 74 (vierenzeventig) dagen hechtenis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 mei 2009 tot en met de dag der voldoening.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [C] ter zake van het bewezen verklaarde tot een bedrag van € 7.959,96 (zevenduizend negenhonderd negenenvijftig euro en zesennegentig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 mei 2009 tot en met de dag der voldoening, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de dag van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat, indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen; en andersom dat, indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Roermond van 24 september 2008, in de strafzaak met parketnummer 04/816651-08, te weten van de gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) dagen.

Aldus gewezen door

mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,

mr. E.A.A.M. Pfeil en mr. J.F.M. Pols, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.P. Verhaegh, griffier,

en op 20 december 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.