Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BY6935

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-12-2012
Datum publicatie
21-12-2012
Zaaknummer
HD 200.058.729
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad door niet afdragen van beslagen gelden door Ontvanger Belastingdienst? Verhaalsbeslag op gestorte borgsom onder Belgische Deposito- en Consignatiekas.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 119
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 476a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2013/218 met annotatie van mr. dr. A.J. Tekstra
FutD 2013-0545
V-N Vandaag 2013/387
V-N 2013/17.26

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.058.729

arrest van de eerste kamer van 18 december 2012

in de zaak van

DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST/LIMBURG,

mede kantoorhoudende te [kantoorplaats],

appellant,

advocaat: mr. S.C. Zum Vörde Sive Vörding,

tegen:

[X.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. F.J.H.M. Berndsen,

op het bij exploot van dagvaarding van 24 februari 2010 ingeleide hoger beroep van de door de rechtbank Roermond gewezen vonnissen van 5 augustus 2009 en 2 december 2009 tussen appellant - de Ontvanger - als gedaagde en geïntimeerde- [geintimeerde] - als eiseres.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 88589 / HA ZA 08-605)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft de Ontvanger dertien grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van de beroepen vonnissen, en, kort gezegd, tot afwijzing van de door [geintimeerde] ingestelde vorderingen en veroordeling van [geintimeerde] tot terugbetaling van hetgeen de Ontvanger ter uitvoering van het vonnis van 2 december 2009 heeft betaald, met wettelijke rente.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft [geintimeerde] de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1.In onderdeel 2 van het tussenvonnis van 5 augustus 2009 heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. De door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover deze niet zijn betwist, vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Het hof zal hierna de feiten opnieuw, deels aangevuld, weergeven.

4.2. Het gaat in deze zaak om het volgende.

a) In 2001 was de partner van [geintimeerde], dhr. [partner] (hierna: [partner]), in België gedetineerd.

b) Bij arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 30 maart 2001 is de voorlopige invrijheidstelling van [partner] bevolen, onder de voorwaarde van betaling van een borgsom van Bfr. 2.500.000,--.

c) De Belgische advocaat mr. G. Schiepers heeft een bedrag van Bfr. 2.500.000,-- als borgsom voor de voorlopige invrijheidstelling van [partner] gedeponeerd bij het Agentschap van de Deposito- en consignatiekas te [vestigingsplaats] (hierna: de Depositokas). (Het stortingsborderel d.d. 2 april 2001 is als prod. 1 bij inleidende dagvaarding overgelegd.)

d) Bij brief van 2 april 2001 (prod. 9 bij inleidende dagvaarding) heeft de procureur-generaal van het parket bij het hof van beroep te Antwerpen aan de Depositokas geschreven:

“Ik heb de eer u hierbij een voor gelijkvormig verklaard afschrift van het arrest van 30 maart 2001 van het hof van beroep, kamer van inbeschuldigingstelling, te doen toekomen inzake [partner], wiens invrijheidstelling mits betaling van een borgsom van 2.500.000,-- frank werd bevolen.

Deze borgsom werd op heden gestort op uw rekening door advocaat Guy Schiepers (…),die verklaard heeft dat de gelden toebehoren aan [partner]”

e) De betaling van de borgsom heeft niet geleid tot voorlopige invrijheidstelling van [partner]. Op 21 december 2005 is [partner] in het kader van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen overgedragen aan Nederland.

f) De Ontvanger heeft op grond van het Benelux-invorderingsverdrag van 5 september 1952 de Ontvanger der directe belastingen te Maaseik (hierna: de Belgische Ontvanger) verzocht bijstand te verlenen bij de invordering van belastingschulden van [partner]. [partner] had op dat moment in Nederland een belastingschuld van € 299.643,47, die betrekking had op twee opgelegde aanslagen inkomstenbelasting over de jaren 1997 en 1999.

g) Op 19 mei 2006 heeft de Belgische Ontvanger ingevolge voormeld bijstandsverzoek (vereenvoudigd) fiscaal derdenbeslag gelegd onder de Depositokas op de borgsom van Bfr. 2.500.000,-- (prod. 3 bij inleidende dagvaarding).

h) Op 29 mei 2006 heeft de Depositokas een “verklaring derde beslagene” afgegeven, waarin onder meer wordt vermeld dat onder rekeningnummer 32.502 op 4 april 2001 door mr. Guy Schiepers te Tongeren een bedrag van Bfr. 2.500.000,-- werd geconsigneerd voor de voorlopige invrijheidstelling van [partner] (prod. 2 bij inleidende dagvaarding).

i) Bij brief van 8 juni 2006 (prod. 4 bij inleidende dagvaarding) heeft mr. Schiepers voornoemd aan de advocaat van [geintimeerde] bericht:

“Ik verwijs naar mijn overgemaakt bewaargevingsbewijs. Ik kan u bevestigen dat deze gelden mij overgemaakt werd door mevrouw [geintimeerde].

Waarom de bureauchef van de Deposito- en Consignatiekas als eigenaar de heer [partner] vermeld, is mij niet duidelijk. Ter zake kan ik u enkel bevestigen dat de gelden aan mij overhandigd werden door mevrouw [geintimeerde].”

j) Namens [geintimeerde] is op 8 juni 2006 bij de Ontvanger verzet aangetekend tegen het gelegde derdenbeslag (prod. 4 bij inleidende dagvaarding).

k) Op 12 juni 2006 heeft de Depositokas een aanvullende verklaring derde beslagene afgelegd. Deze verklaring (prod. 3 bij inleidende dagvaarding) houdt onder meer in:

“Ik verduidelijk dat - wat betreft de consignatie d.d. 4 april 2001 van 2.500.000,-- BEF onder rekeningnummer [rekeningnummer] - het parket bij het Hof van Beroep (…) met brief van 2 april 2001 (,..) aan het agentschap uitdrukkelijk heeft meegedeeld:

“Deze borgsom werd op heden gestort op uw rekening door advocaat Guy Schiepers,(…), die verklaard heeft dat de gelden toebehoren aan [partner].”’ Het agentschap houdt zich aan de inlichtingen medegedeeld door het parket.

Het agentschap gaat ervan uit dat gelden gestort door advocaten zonder voorafgaande verklaring ten overstaan van het parket, toebehoren aan de cliënt, zijnde in dit geval de [partner], behoudens tegenbewijs te leveren vóór de rechtbanken.”

l) Bij brief van 15 juni 2006 (prod. 6 bij inleidende dagvaarding) heeft de Ontvanger aan de raadsman van [geintimeerde] als volgt bericht:

“In uw brief van 8 juni 2006 tekent u namens mevrouw [geintimeerde] beroep aan tegen het door de ontvanger gelegde derdenbeslag bij de Deposito- en Consignatiekas te [vestigingsplaats] ten laste van de heer [partner]. (…)

De Deposito en Consignatiekas te [vestigingsplaats] merkt de heer [partner] aan als eigenaar van het onder het beslag vallend saldo. Daarnaast tonen de bijlagen bij uw brief van 8 juni 2006 op geen enkele wijze de eigendom van mevrouw [geintimeerde] aan. Gezien voorgaande zult u begrijpen dat de ontvanger het bovengenoemde beslag handhaaft.”

m) De Belgische Ontvanger heeft op 5 juli 2006 uitvoerend beslag gelegd onder de Depositokas op de eerder genoemde borgsom (prod. 3 bij inleidende dagvaarding). De Depositokas heeft naar aanleiding van dit uitvoerend beslag op 5 juli 2006 haar verklaring naar aanleiding van het eerder gelegde fiscaal derdenbeslag herhaald. Het uitvoerend beslag is op 12 juli 2006 aan [partner] betekend (prod. 3 bij inleidende dagvaarding). Er is geen verzet ingesteld tegen het gelegde beslag.

n) Bij brief van 12 juli 2006 heeft de raadsman van [geintimeerde], onder verwijzing naar het eerdere verzet op 8 juni 2006, een tweetal “leningovereenkomsten” aan de Ontvanger toegezonden (prod. 5 bij inleidende dagvaarding). In reactie hierop heeft de Ontvanger bij brief van 19 juli 2006 bericht het beslag niet te zullen opheffen (prod. 7 bij inleidende dagvaarding).

o) Op 17 augustus 2006 heeft de Depositokas een bedrag van € 66.966,75 overgemaakt op de rekening van de Belgische Ontvanger, die op zijn beurt op een bedrag van € 66.581,66 heeft doorgeboekt naar de Ontvanger, waarna op de rekening van de Ontvanger een bedrag van € 66.488,07 (€ 66.581,55 minus € 93,48 transactiekosten) is bijgeschreven (prod. 2 bij conclusie van antwoord).

p) Op 29 november 2006 heeft [geintimeerde] de Ontvanger in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter van de rechtbank Roermond, en betaling gevorderd van voormeld bedrag van € 66.966,75 alsmede het gelasten aan de Ontvanger om te verklaren voor recht dat het gelegde derdenbeslag als opgeheven kan worden beschouwd . De voorzieningenrechter heeft het gevorderde afgewezen, overwegende dat in de zaak (nadere) bewijslevering noodzakelijk was, waarvoor een kort geding zich niet leent (prod. 4 bij conclusie van antwoord).

q) Bij overeenkomst vestiging pandrecht van 24 november 2009, geregistreerd op 25 november 2009, heeft [geintimeerde] de litigieuze vordering op de Ontvanger verpand aan Berndsen International Tax Lawyers BV (de praktijkvennootschap van de advocaat van [geintimeerde]) en Weski Advocaten BV (hierna: Berndsen c.s.).

4.3. [geintimeerde] vordert in de onderhavige procedure - kort gezegd - veroordeling van de Ontvanger tot betaling aan haar van € 66.581,55 met wettelijke rente.

Zij heeft aan de vordering ten grondslag gelegd - kort gezegd - dat zij de gelden voor de borgsom destijds van bevriende relaties had geleend, dat zij op grond van artikel 3:109 BW wordt vermoed die gelden voor zichzelf te hebben gehouden en derhalve als bezitter heeft te gelden, en dat zij als bezitter ingevolge artikel 3:119 lid 1 BW wordt vermoed rechthebbende van de litigieuze gelden te zijn. De Ontvanger maakt inbreuk op het eigendomsrecht van [geintimeerde] door de gelden onder zich te houden, en handelt daardoor onrechtmatig, aldus [geintimeerde].

4.4. De Ontvanger heeft gemotiveerd verweer gevoerd, op gronden als hierna bij de bespreking van de grieven weergegeven.

4.5. De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 5 augustus 2009 het beroep van [geintimeerde] op de wettelijke vermoedens van artikel 3:309 en artikel 3:119 lid 1 BW gehonoreerd. Zij heeft overwogen dat de Ontvanger het vermoeden dat [geintimeerde] rechthebbende is op de litigieuze gelden niet zodanig heeft weerlegd dat [geintimeerde] haar gepretendeerde eigendomsrecht nader zal hebben te bewijzen, zodat de Ontvanger tegen het wettelijk vermoeden tegenbewijs zal hebben te leveren. In het dictum van het tussenvonnis is de Ontvanger vervolgens toegelaten bewijs te leveren van feiten en omstandigheden, waaruit valt af te leiden dat [partner] rechthebbende is op het door [geintimeerde] gevorderde bedrag van € 66.581,55.

Nadat de Ontvanger bij akte te kennen had gegeven dat hij om hem moverende redenen had besloten geen getuigen te doen horen en hij niet over andere bewijsmiddelen beschikte, heeft de rechtbank in het eindvonnis geoordeeld dat het voormelde wettelijk vermoeden niet is weerlegd, dat [geintimeerde] daarom als rechthebbende op dat bedrag heeft te gelden, en dat de Ontvanger bijgevolg onrechtmatig jegens [geintimeerde] heeft gehandeld door het bedrag zonder rechtsgrond onder zich te houden. De rechtbank heeft de vordering tot terugbetaling van het bedrag van € 66.581,55, met wettelijke rente vanaf 5 oktober 2006, toegewezen, en de Ontvanger in de proceskosten veroordeeld.

4.6. De Ontvanger heeft, na daartoe te zijn aangesproken door Berndsen c.s. als pandhouders op de vordering, het ter uitvoering van het eindvonnis aan [geintimeerde] verschuldigde bedrag op de derdengeldrekening van Berndsen c.s. voldaan.

4.7. Met de grieven I en II, in onderling verband en samenhang gelezen, stelt de Ontvanger zich op het standpunt dat de betaling aan de Ontvanger slechts het feitelijke sluitstuk was van een in het kader van international verdragsrecht door de Belgische Ontvanger in België getroffen invorderingsmaatregel, dat ingevolge artikel 4 lid 2 Benelux-invorderingsverdrag ter zake de betwisting van de geldigheid of de gevolgen van conservatoire en executoriale handelingen een actie moet worden ingesteld bij de bevoegde rechter van het aangezochte land, en dat dit in het onderhavige geval, waar sprake is van een executiegeschil, de Belgische rechter is. Gezien de toepasselijkheid van (voormelde bepaling van) het Benelux- invorderingsverdrag had de rechtbank [geintimeerde] niet ontvankelijk dienen te verklaren in haar vorderingen dan wel deze vorderingen dienen af te wijzen.

De grieven treffen geen doel. Nu de grondslag van de vorderingen van [geintimeerde] is dat de Ontvanger inbreuk op haar eigendomsrecht maakt door zich de vanuit België ontvangen gelden toe te eigenen c.q. onder zich te houden en daardoor onrechtmatig handelt, is van toepasselijkheid van het Invorderingsverdrag bij de beoordeling van die grondslag geen sprake.

4.8. De grieven III tot en met IX lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Met de grieven stelt de Ontvanger zich op het standpunt dat de rechtbank een verkeerde insteek heeft gekozen bij de beoordeling van het geschil en ten onrechte een doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan het vermeende houderschap/bezit van [geintimeerde] met betrekking tot de gelden die zij via de Belgische advocaat Schiepers als borgsom voor de invrijheidstelling van [partner] bij de Depositokas heeft doen deponeren. De rechtbank is er ten onrechte aan voorbijgegaan, aldus de Ontvanger, dat de rechtsgrond van de betaling van het bedrag van € 66.581,55 aan de Ontvanger het door de Belgische Ontvanger gelegde derdenbeslag, en meer in het bijzonder de in dat kader door de derdebeslagene (de Depositokas) afgelegde verklaring was.

De Ontvanger heeft in de toelichting op de grieven aangevoerd dat als gevolg van de gedane stortingen via de Belgische advocaat mr. Schiepers op de rekening van de Depositokas als borgsom voor de invrijheidstelling van [partner] een vordering op de Depositokas tot terugbetaling van het gestorte bedrag (indien en voor zover aan de voorwaarden voor terugbetaling was voldaan) is ontstaan, en dat deze vordering het onderwerp van het gelegde beslag is geweest. Nu de beheerder van de Depositokas heeft verklaard dat de geconsigneerde gelden toebehoorden aan [partner], was er voor de Ontvanger geen aanleiding om niet af te gaan op die verklaring. De beslaglegger mag immers afgaan op de verklaring van de derdebeslagene en is, indien uit die verklaring blijkt van een vordering van de beslagdebiteur (i.c. [partner]) op de derdebeslagene, bevoegd om in plaats van de beslagdebiteur die vordering te innen c.q. afdracht conform de verklaring te vragen. Het Belgisch wettelijk systeem is in zoverre gelijk aan het Nederlands systeem, aldus de Ontvanger.

De rechtbank heeft ten onrechte in r.o. 4.4.3. en 4.4.4. de toepasselijkheid van de bewijsvermoedens van de artikelen 3:109 en 3:119 BW tot uitgangspunt genomen voor de beoordeling van de onderhavige zaak. Indien [geintimeerde] meent rechthebbende te zijn op het bedrag dat volgens de derdebeslagene door het beslag is getroffen, dient zij zich met haar vordering (tot terugbetaling) tot de Depositokas als derdebeslagene te wenden, nu immers haar vordering op de Depositokas niet is tenietgegaan door betaling aan de Ontvanger.

4.9. Het gestelde treft doel. Het hof stelt voorop dat, anders dan [geintimeerde] heeft gesteld en de rechtbank heeft gehonoreerd, het onderhavige geschil niet goederenrechtelijk dient te worden benaderd, in die zin dat aangenomen moet worden dat [geintimeerde] rechthebbende/bezitter is (gebleven) van de gelden die onder de Depositokas zijn gestort en zij deze gelden kan opvorderen. Daarvoor is immers vereist dat een zekere individualisering heeft plaatsgevonden waaruit blijkt welke individueel bepaalde zaak zij opvordert. Nu de gelden giraal zijn overgemaakt dan wel per postmandaat zijn gestort op derdenrekening van mr. Schiepers en de gelden vervolgens zijn doorgestort naar de Depositokas, is van bedoelde individualisatie geen sprake. Het hof volgt de Ontvanger in zijn stelling dat in rechte heeft te gelden dat ten gevolge van de storting van de gelden in de Depositokas een vordering (tot terugbetaling) op de Depositokas is ontstaan, indien en voor zover zij deze gelden zonder rechtsgrond heeft betaald. Derhalve heeft de Ontvanger terecht het verweer gevoerd dat indien [geintimeerde] meent rechthebbende op de gestorte gelden te zijn, zij zich met een vordering tot terugbetaling tot de Depositokas had moeten wenden. Dit verweer slaagt.

4.10. Het voorgaande betekent dat het oordeel van de rechtbank dat [geintimeerde] wordt vermoed rechthebbende te zijn op de beslagen en aan de Ontvanger afgedragen gelden, en de Ontvanger tegenbewijs zal hebben te leveren, in appel niet in stand blijft, zodat het beroepen tussenvonnis wordt vernietigd en de tegen dit vonnis opgeworpen grieven slagen. Zulks betekent dat ook de grieven X tot en met XII, gericht tegen het oordeel dat het wettelijk vermoeden niet is weerlegd en [geintimeerde] derhalve als rechthebbende op het gevorderde bedrag heeft te gelden, slagen.

4.11. De conclusie is derhalve dat de vorderingen jegens de Ontvanger, gebaseerd op het maken van inbreuk op haar eigendomrecht, bij gebreke van feitelijke grondslag, niet voor toewijzing vatbaar zijn.

4.12. Ten overvloede overweegt het hof nog dat, indien en voor zover [geintimeerde] heeft bedoeld aan haar vordering wegens onrechtmatige daad naast inbreuk op haar eigendomsrecht tevens ten grondslag te leggen dat de Ontvanger door het niet afdragen van het ontvangen bedrag onzorgvuldig jegens haar heeft gehandeld, zulks evenmin tot toewijzing van de vordering zou kunnen leiden. De Ontvanger heeft immers uiteengezet dat de beslaglegger ingevolge het Belgisch wetsysteem (dat in zoverre gelijk is aan het Nederlands systeem) mag afgaan op de verklaring van de derdebeslagene, en dat indien uit die verklaring blijkt van een vordering van de beslagdebiteur op de derdebeslagene - hetgeen in casu het geval is - de beslaglegger bevoegd is om in plaats van de beslagdebiteur die vordering te innen c.q. afdracht conform de verklaring te vragen, hetgeen door [geintimeerde] niet is weersproken. Nu in rechte vaststaat dat door de Depositokas als derdebeslagene is verklaard dat de door mr. Pieper ter consignatie gestorte gelden aan [partner] toebehoorden, heeft de Ontvanger op die verklaring mogen afgaan. De omstandigheid dat deze verklaring mogelijk ten onrechte of abusievelijk is gedaan, betekent niet dat de Ontvanger onzorgvuldig handelen jegens [geintimeerde] kan worden verweten.

4.13. Het voorgaande leidt het hof tot de slotsom dat de toewijzing van de vorderingen van [geintimeerde] in het eindvonnis niet in stand blijft. Het hof zal de beide beroepen vonnissen vernietigen, en de vorderingen alsnog afwijzen. Daarmee slaagt ook grief XIII.

[geintimeerde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van beide instanties worden veroordeeld.

5. De uitspraak

Het hof:

vernietigt de beroepen vonnissen van de rechtbank Roermond,

en, opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [geintimeerde] tot betaling aan de Ontvanger van hetgeen de Ontvanger ter uitvoering van het vonnis van 2 december 2009 heeft voldaan, vermeerderd met wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 8 januari 2010 tot aan de dag van voldoening;

veroordeelt [geintimeerde] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van de Ontvanger worden begroot op € 1.465,-- aan verschotten en op € 4.023,-- aan salaris advocaat in eerste aanleg en op € 2.015,-- aan verschotten en op € 1.631,-- aan salaris advocaat voor het hoger beroep;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.Th. Begheyn, Th.C.M. Hendriks-Jansen en S. Riemens en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 december 2012.