Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BY6924

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-12-2012
Datum publicatie
21-12-2012
Zaaknummer
HD 103.005.902 T2
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:1923
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsongeval; werknemer is aan zijn linkerarm geraakt door een bak van een graafmachine. Voorgenomen benoeming neuroloog als deskundige nadat eerder al een orthopedisch chirurg als deskundige heeft gerapporteerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 103.005.902/01

arrest van 18 december 2012

in de zaak van

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

advocaat: mr. R.M.W.H. Bedaux,

tegen:

1. Machinale Grondwerken [Machinale Grondwerken] B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te [vestigings- en kantoorplaats],

geïntimeerde in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

advocaat: mr. E.H.H. Schelhaas,

2. Koninklijke Wegenbouw [Koninklijke Wegenbouw] B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te [vestigings- en kantoorplaats],

geïntimeerde in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

advocaat: mr. L.P. Schuttelaar

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 7 augustus 2012 in het hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Sittard-Geleen, onder nummer 210551 CV EXPL 05-3948 gewezen vonnis van 31 oktober 2007.

18. Het tussenarrest van 7 augustus 2012

Bij genoemd arrest heeft het hof een meervoudige comparitie van partijen gelast in aanwezigheid van de deskundige en is iedere verdere beslissing aangehouden.

19. Het verdere verloop van de procedure

Namens [appellant] is ten behoeve van de comparitie een tweetal brieven aan het hof gezonden van 11 oktober 2012 en 16 oktober 2012 (met bijlagen).

De meervoudige comparitie van partijen is gehouden op 25 oktober 2012 in aanwezigheid van de deskundige dr. J.D. Visser. Het proces-verbaal, met daaraan gehecht voormelde brieven, bevindt zich bij de stukken.

Partijen hebben vervolgens uitspraak gevraagd. [appellant] heeft aanvullend gefourneerd en het arrest van 7 augustus 2012 en het proces-verbaal van comparitie met bijlagen overgelegd.

20. De verdere beoordeling

in principaal en incidenteel appel

20.1.Toedracht ongeval

Ter comparitie is duidelijkheid verkregen over de toedracht van het ongeval d.d. 8 oktober 1997 als omschreven in r.o. 4.1.1. van het arrest van 26 januari 2010 (hierna: het ongeval) in die zin dat geen van partijen nadere bewijslevering verlangt van de toedracht van het ongeval voor zover het gaat om de plaats waar de linkerarm van [appellant] door de bak van de graafmachine is geraakt. Alle partijen gaan ervan uit dat dit de mediale zijde ofwel de binnenzijde van de linkerarm is.

20.2.Bevindingen van dr. Visser

Naar aanleiding van de rapportage en de verklaring van dr. Visser, orthopedisch chirurg, ter comparitie gaat het hof uit van de volgende bevindingen van dr. Visser, waarmee het hof zich voorshands verenigt (waar gesproken wordt van “het rapport” is het rapport van dr. Visser van 8 februari 2012 bedoeld, tenzij anders aangegeven).

De sedert het ongeval in de linkerarm en ringvinger en pink van de linkerhand van [appellant] voorkomende tintelingen zijn het gevolg van neuropathie van de nervus ulnaris. Neuropathie van de nervus ulnaris kan optreden als gevolg van direct trauma, in dit geval: het ongeval; dat geldt niet voor een golferselleboog. Een bestaande golferselleboog kan niet door eenmalig direct trauma verergerd worden. De klachten van neuropathie van de nervus ulnaris kunnen overgaan en opnieuw optreden, bijvoorbeeld naar aanleiding van eenmalig direct trauma, zoals in het onderhavige geval.

Gezien het klachtenpatroon in 1990 en 1995 was bij [appellant] ook toen sprake van neuropathie van de nervus ulnaris van de linkerarm. Of hij toen ook klachten had vanwege een golferselleboog kan niet bevestigd worden. Een golferselleboog komt in combinatie met neuropathie van de nervus ulnaris voor.

De huidige klachten van [appellant], te weten het niet kunnen trekken en tillen en het laten vallen van dingen, zijn het gevolg van een golferselleboog. Niet kunnen duwen hoort noch bij een golferselleboog, noch bij een neuropathie van de nervus ulnarus. De tintelingen die [appellant] sinds het ongeval in zijn linkerarm en de ringvinger en pink van zijn linkerhand ervaart, zijn het gevolg van de neuropathie van de nervus ulnaris.

De in 1998 operatief verwijderde losse kalkfragmenten betroffen nieuw gevormd bot. Deze moeten veroorzaakt zijn door de operatie in 1990 en waren dus vóór het ongeval al aanwezig. Deze fragmenten hebben niets te maken met de klachten van [appellant].

20.3.Klachten [appellant]

De klachten van [appellant], beschreven in r.o. 4.4.11. van het arrest van 26 januari 2010, zijn door hem nog eens uiteengezet ter comparitie en komen erop neer, dat hij sinds het ongeval voortdurend last heeft van tintelingen en een doof gevoel in zijn linkerarm en ringvinger en pink van zijn linkerhand en dat hij continu elektrische schokjes krijgt in zijn linkerarm. [appellant] ervaart hierdoor pijn. Tengevolge van deze pijn kan hij niet tillen, duwen en trekken en laat hij dingen vallen. Hij krijgt bij geregeld tillen van een gewicht van één kilo een bult aan de binnenkant van zijn linkerarm. Hij ervaart een blokkade in zijn linkerarm en krachtsverlies. [appellant] slaapt slecht van de pijn en is snel geïrriteerd. Tussen 1995 en het ongeval was [appellant] klachtenvrij en heeft hij gewoon gewerkt. Aldus [appellant].

20.4. Causaliteit

20.4.1.Het hof verwijst naar r.o. 4.4.9. van het arrest van 26 januari 2010, waarin is overwogen dat sprake is van een conditio sine qua non verband.

20.4.2.Verwezen wordt tevens naar r.o. 4.4.10. van het arrest van 26 januari 2010, waarin is overwogen dat beoordeeld moet worden of de door [appellant] gestelde schade aan het ongeval kan worden toegerekend in de zin van het bepaalde in artikel 6: 98 BW. In dat verband is het volgende van belang.

Volgens dr. Visser moeten de door [appellant] ervaren klachten bij het tillen en trekken worden toegeschreven aan de golferselleboog. De ervaren klacht bij het duwen is noch aan de golferselleboog, noch aan de neuropathie van de nervus ulnaris toe te schrijven. Nu de golferselleboog niet als gevolg van het ongeval kan worden aangemerkt, kunnen ook de beperkingen die [appellant] ervaart niet aan het ongeval worden toegeschreven volgens dr. Visser. Dr. Visser heeft geconcludeerd dat er als gevolg van de neuropathie van de nervus ulnaris, die wel aan het ongeval kan worden toegeschreven, geen beperkingen zijn. Verwezen zij naar het tussenarrest van 7 augustus 2012, waar in 16.3. het rapport van dr. Visser is geciteerd. In antwoord op vraag 9. van het rapport stelt dr. Visser feitelijk dat alle klachten van [appellant], met uitzondering van de tintelingen en het dove gevoel, veroorzaakt worden door de golferselleboog en ook zouden hebben kunnen ontstaan zonder het ongeval.

Verwezen zij ook naar de conclusie sub 2. van het rapport waarin wordt vermeld dat er geen sprake is van motorische uitval, maar wel van een allodynie [verschijnsel waarbij niet-pijnlijke prikkels als pijnlijk worden ervaren, hof] en naar de conclusie sub 4. van het rapport waarin dr. Visser een discrepantie meldt tussen het anamnestische nauwelijks gebruiken van de linkerarm en het ontbreken van boven- en of onderarmatrofie links.

Door dr. Visser is ter comparitie verklaard dat de pijn- en de andere zojuist beschreven klachten van [appellant] niet op zijn vakgebied liggen en door hem niet zijn meegenomen bij de beantwoording van de vragen van het hof.

Het hof volgt voorshands dr. Visser in zoverre, dat tussen het ongeval enerzijds en de klachten van [appellant], die zijn toe te schrijven aan de golferselleboog, anderzijds geen sprake is van causaal verband.

Aan de door [appellant] ten behoeve van de comparitie overgelegde brief d.d. 16 oktober 2012 van drs. [orthopedisch chirurg], orthopedisch chirurg, aan wie de advocaat van [appellant] advies heeft gevraagd, kan in dit verband overigens geen waarde worden toegekend alleen al omdat drs. [orthopedisch chirurg] [appellant] niet heeft onderzocht.

20.4.3.Er moet voorshands verband worden aangenomen tussen het ongeval en de door [appellant] ervaren tintelingen, pijn en voortdurende elektrische schokjes in de linkerarm (zie 20.3.), die gekoppeld zijn aan de neuropathie van de nervus ulnaris. Immers, vóór het ongeval had [appellant] deze tintelingen en pijn niet en sedert het ongeval wel. Het standpunt van [appellant] is, dat hij beperkingen ondervindt vanwege de door hem ervaren tintelingen, pijn en voortdurende elektrische schokjes. Nu dr. Visser dit element niet in zijn beoordeling heeft betrokken/heeft kunnen betrekken, ziet het hof aanleiding deze kwestie alsnog voor te leggen aan een neuroloog. In zoverre wordt ingegaan op het door [appellant] ter comparitie gedane bewijsaanbod. Verwezen zij naar 20.5. e.v.

20.4.4.Voor zover [appellant] in de brief van mr. Bedaux van 11 oktober 2012 stelt dat het niet uitmaakt of de golferselleboog dan wel de neuropathie van de nervus ulnaris de oorzaak is van de beperkingen omdat beide aan de door [appellant] bij [geintimeerde sub 2.] ondervonden arbeidsomstandigheden moeten worden toegerekend, verwerpt het hof dat betoog. Bij arrest van 26 januari 2010 is in r.o. 4.4.3. de vermeerdering van de grondslag van de eis, namelijk dat [geintimeerde sub 2.] ook los van het ongeval aansprakelijk is voor het ontstaan van de klachten aan zijn linkerarm, reeds afgewezen bij gebreke van voldoende onderbouwing.

20.5. Zoals hiervoor reeds overwogen ziet het hof aanleiding om een neuroloog als deskundige te benoemen. Partijen dienen zich erover uit te laten of zij het eens zijn met de benoeming van één deskundige, of dat zij de benoeming van drie deskundigen wensen. Het hof gaat ervan uit dat [appellant] de deskundige(n) desgewenst zal machtigen om relevante gegevens op te vragen bij de huisarts en andere behandelaars. Verder overweegt het hof om mogelijk in een later stadium van de procedure een verzekeringsdeskundige en een arbeidsdeskundige te benoemen.

20.5.1.Het hof is voornemens de volgende vragen aan de neuroloog voor te leggen, waarbij de IWMD-vraagstelling (Interdisciplinaire Werkgroep Medisch Deskundigen), versie januari 2010 wordt gehanteerd, waaraan nog een extra vraag is toegevoegd bij 1. g. Ten behoeve van de deskundige zal bij het arrest waarbij de deskundige zal worden benoemd de vraagstelling, voorzien van de algemene toelichting en de vermelde aanbevelingen Richtlijn Medisch Specialistische Rapportage, hierna: RMSR) worden bijgevoegd. Voor zover de vragen in de te zijner tijd te zenden bijlage afwijken van de vragen die aan de deskundige worden gesteld bij arrest door het hof, gelden laatstbedoelde vragen.

1. De situatie met ongeval

Anamnese (aanbeveling 2.2.4 RMSR)

a. Hoe luidt de anamnese voor wat betreft de aard en de ernst van het letsel, het verloop van de klachten, de toegepaste behandelingen en het resultaat van deze behandelingen? Welke overige klachten en beperkingen op uw vakgebied worden desgevraagd gemeld? Wilt u in uw anamnese vermelden welke beperkingen op uw vakgebied de onderzochte aangeeft in relatie tot de activiteiten van het algemene dagelijkse leven (ADL), loonvormende arbeid en het uitoefenen van hobby’s, bezigheden in recreatieve sfeer en zelfwerkzaamheid?

Medische gegevens (aanbeveling 2.2.6 RMSR)

b. Wilt u op basis van het medisch dossier van de onderzochte een beschrijving geven van:

1) de medische voorgeschiedenis van de onderzochte op uw vakgebied;

2) de medische behandeling van het letstel van de onderzochte en het resultaat daarvan.

Medisch onderzoek (aanbevelingen 2.2.5 en 2.2.7 RMSR)

c. Wilt u een beschrijving geven van uw bevindingen bij lichamelijk en eventueel hulponderzoek?

Consistentie (aanbevelingen 2.2.8 en 2.2.10 RMSR)

d. Is naar uw oordeel sprake van een onderlinge samenhang als het gaat om de informatie die is verkregen van de onderzochte zelf, de feiten zoals die uit het medisch dossier naar voren komen en uw bevindingen bij onderzoek en eventueel hulponderzoek?

e. Voor zover u de vorige vraag ontkennend beantwoordt, wilt u dan aangeven wat de reactie was van de onderzochte op de door u geconstateerde inconsistenties en welke conclusies u daaruit trekt?

Diagnose (2.2.15 RMSR)

f. Wat is de diagnose op uw vakgebied? Wilt u daarbij uw differentiaaldiagnostische overweging geven?

Beperkingen (aanbevelingen 2.2.17 en 2.2.18 RMSR)

g. Welke beperkingen op uw vakgebied bestaan naar uw oordeel bij onderzochte in zijn huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het ongeval? Wilt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven, op semi-kwantitatieve wijze weergeven en zonodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige?

Kunnen de door onderzochte gestelde (pijn)klachten en beperkingen door u worden bevestigd en zo ja, zijn deze toe te schrijven aan neuropathie van de nervus ulnaris van de linkerarm van [appellant]?

Medische eindsituatie (aanbeveling 2.2.14 RMSR)

h. Acht u de huidige toestand van de onderzochte zodanig dat een beoordeling van de blijvende gevolgen van het ongeval mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde letsel?

i. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?

j. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?

k. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 1g)?

2. De situatie zonder ongeval

Meestal zal het niet mogelijk zijn om onderstaande vragen (met name de vragen 2 c- 2 e) met zekerheid te beantwoorden. Van u wordt ook niet gevraagd zekerheid te bieden. Wel wordt gevraagd of u vanuit uw kennis en ervaring op uw vakgebied uw mening wilt geven over kansen en waarschijnlijkheden. Het is dus de bedoeling dat u aangeeft wat u op grond van uw deskundigheid op uw vakgebied op deze vragen kunt antwoorden (aanbevelingen 2.214 en 2.2.16).

Klachten, afwijkingen en beperkingen voor ongeval

a. Bestonden voor het ongeval bij onderzochte reeds klachten en afwijkingen op uw vakgebied die de onderzochte thans nog steeds heeft?

b. Zo ja, kunt u dan aangeven welke beperkingen (zie aanbevelingen 2.2.17 en 2.2.18 RMSR) voor het ongeval uit deze klachten en afwijkingen voortvloeiden en thans nog steeds uit deze klachten en afwijkingen voortvloeien?

Klachten, afwijkingen en beperkingen zonder ongeval

c. Zijn er daarnaast op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest of op enige moment ook hadden kunnen ontstaan, als het ongeval de onderzochte niet was overkomen?

d. Zo ja (dus zonder ongeval ook klachten), kunt u dan een indicatie geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en afwijkingen dan hadden kunnen ontstaan?

e. Kunt u aangeven welke beperkingen (aanbevelingen 2.2.17 en 2.2.18 RMSR) uit deze klachten en afwijkingen zouden zijn voortgevloeid?

f. Verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van de op uw vakgebied geconstateerde en niet-ongevalgerelateerde klachten en afwijkingen?

g. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?

h. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 2 e)?

3. Slotvraag (aanbeveling 2.2.11 RMSR)

a. Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van deze zaak?

b. Acht u expertise op een ander vakgebied wenselijk en, zo ja, op welk vakgebied?

20.6.De zaak zal naar de rol worden verwezen om partijen de gelegenheid te geven zich uit te laten over het aantal en de persoon van de te benoemen deskundige(n) en de hiervoor genoemde vragen. Het verdient aanbeveling dat partijen met name voor wat betreft de persoon van de deskundige een gezamenlijk voorstel doen. Het hof zal te zijner tijd bepalen dat het voorschot op de kosten van de deskundige(n) door [geintimeerde sub 1.] en [geintimeerde sub 2.], ieder voor de helft, moet worden betaald.

20.7. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

21. De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel

verwijst de zaak naar de rol van 29 januari 2013 voor akte aan de zijde van [appellant], [geintimeerde sub 2.] en [geintimeerde sub 1.] met de hiervoor onder 20.6. vermelde doeleinden;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden, A.P. Zweers-van Vollenhoven en C.A.M. Walsteijn en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 december 2012.