Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BY6845

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-12-2012
Datum publicatie
21-12-2012
Zaaknummer
HV 200.094.641
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Procesrecht: twee weken voor mondelinge behandeling brief met 31 nieuwe producties in geding gebracht; geen strijd met goede procesorde; wijziging van verzoek in later stadium dan appelschrift; geen bezwaar; onderdeel van de rechtsstrijd geworden.

Huwelijksvermogensrecht; huwelijkse voorwaarden; kosten der huishouding bij verbroken samenleving; verdeling woonlasten na echtscheiding; aan man uitgekeerde bonus blijft niet buiten verrekening.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 84
Burgerlijk Wetboek Boek 1 87
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 166
Burgerlijk Wetboek Boek 3 172
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2013/27 met annotatie van M.A. Baeten

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Uitspraak: 18 december 2012

Zaaknummer: HV 200.094.641/01

Zaaknummer eerste aanleg: 71815/FA RK 212-10

In de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat: voorheen mr. F.L.I. de Vleesschauwer, thans mr. A.I. Cambier,

tegen

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. F.J.I. van den Branden.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikkingen van de rechtbank Middelburg van 24 maart 2010 en 29 juni 2011 (hierna: de bestreden beschikking).

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 28 september 2011, heeft de man verzocht – kort gezegd – de bestreden beschikking op onderdelen te vernietigen en opnieuw rechtdoende de financiële afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden vast te stellen in overeenstemming met de verzoeken van de man, kosten rechtens.

2.2. Bij verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel, met producties, ingekomen ter griffie op 21 november 2011, heeft de vrouw verweer gevoerd, verzocht de beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende – bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad –:

I. de man te veroordelen om uit hoofde van verrekening van de kosten van de huishouding over de periode van 1 januari 2009 tot 1 juli 2010 aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 26.814,-, althans een bedrag dat het hof juist acht;

II. te bepalen dat tot het te verrekenen vermogen behoort de op naam van de man staande beleggingsverzekering afgesloten bij Legal & General Nederland Levensverzekering Maatschappij N.V. met polisnummer [polisnummer] en de man te veroordelen uit hoofde van verrekening van de waarde van deze verzekering aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 1.168,35, althans een bedrag dat het hof juist acht, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 6 juli 2010, althans met ingang van een datum die het hof juist acht tot de dag der algehele voldoening.

2.3. Bij verweerschrift in incidenteel appel met producties, ingekomen ter griffie op 28 december 2011, heeft de man verzocht de verzoeken van de vrouw in incidenteel appel af te wijzen.

2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgehad op 8 juni 2012. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat mr. Cambier;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat mr. Van den Branden.

2.5. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep zijn partijen overeengekomen naar een mediator te gaan om tot een onderlinge regeling te komen. Het hof heeft de zaak daarop aangehouden.

Bij brief van 16 oktober 2012 heeft mr. Cambier het hof bericht dat mediation is mislukt en dat de situatie zoals uiteen-gezet tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep niet is gewijzigd en heeft hij het hof verzocht uitspraak te doen.

Bij brief van 17 oktober 2012 heeft mr. Van den Branden de inhoud van de brief van 16 oktober 2012 van mr. Cambier bevestigd en het hof verzocht uitspraak te doen.

2.6. Het hof heeft ook kennisgenomen van:

- de brief met bijlagen d.d. 25 mei 2012 van mr. Cambier;

- de inhoud van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 9 november 2010.

2.6.1. De vrouw heeft bezwaar gemaakt tegen de brief met bijlagen d.d. 25 mei 2012 van de man. Volgens de vrouw is sprake van strijd met de goede procesorde. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de stukken al veel eerder in het geding hadden kunnen worden gebracht en dat zij in haar verdediging is geschaad doordat zij de stukken pas op het laatste moment met haar advocaat heeft kunnen bespreken, vanwege de beperkte spreektijd maar kort kan ingaan op de inhoud ervan en onvoldoende tijd heeft gehad om ter ondersteuning van haar verweer zelf nog stukken in het geding te brengen.

2.6.2. Het hof overweegt het volgende. De man heeft twee weken voorafgaand aan de mondelinge behandeling in hoger beroep eenendertig nieuwe producties in het bezit van de vrouw en van het hof gesteld. De meeste producties beslaan niet meer dan een enkele pagina. In de begeleidende brief van acht pagina’s worden door de man nieuwe feiten gesteld. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de man zijn stellingen en producties toegelicht en is de vrouw in de gelegenheid gesteld hierop te reageren.

Naar het oordeel van het hof is de indiening van de producties en van de begeleidende brief uit het oogpunt van de eisen van hoor en wederhoor niet te laat. Gelet op de aard en omvang van de producties en van de brief, namelijk kort en eenvoudig te doorgronden, in samenhang met het tijdstip van inbrengen, te weten twee weken voor de mondelinge behandeling, heeft de vrouw naar het oordeel van het hof voldoende tijd gehad om er adequaat op te reageren.

Het hof laat de brief met producties dan ook toe.

3. De beoordeling

3.1. Partijen hebben naast de Nederlandse de Griekse nationaliteit. Het geschil heeft derhalve internationale aspecten, zodat allereerst moet worden onderzocht of de Nederlandse rechter bevoegd is er kennis van te nemen. Dat is het geval: op grond van de Verordening Brussel II bis heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht met betrekking tot de echtscheiding van partijen en op grond van artikel 4 lid 3 Rv heeft de Nederlandse rechter dan tevens rechtsmacht met betrekking tot de daarmee verband houdende nevenvoorziening inzake huwelijksvermogensrecht.

Verder heeft de rechtbank Nederlands recht toegepast. Hiertegen hebben partijen geen grief gericht, zodat ook het hof Nederlands recht zal toepassen.

3.2. In hoger beroep kan van het volgende worden uitgegaan.

i. Partijen zijn na het maken van huwelijkse voorwaarden op 24 december 1963 met elkaar getrouwd.

ii. De huwelijkse voorwaarden houden onder meer het volgende in:

(…)

Artikel 1.

Er zal tussen de echtgenoten geen gemeenschap van goederen bestaan; (…)

Artikel 2.

Ieder van de echtgenoten behoudt alle zaken, welke hij of zij thans bezit en die, welke hij of zij door erfenis, legaat, schenking of op andere wijze om niet verkrijgt.

De schulden, vóór of tijdens het huwelijk ontstaan, blijven voor rekening van hem of haar, die ze heeft aangegaan.

Artikel 3.

Ieder van de echtgenoten bestuurt zijn (haar) eigen zaken en heeft het vrije genot van zijn (haar) inkomsten.

Artikel 4.

De kosten van de huishouding en van de verzorging en opvoeding van de kinderen, die uit het huwelijk worden geboren, worden door de echtgenoten gedragen in evenredigheid van ieders inkomen.

(…)

Artikel 7.

Indien partijen op enig tijdstip hun rechten moeten of willen vaststellen, zullen alle zaken:

a. welke één van de echtgenoten thans bezit;

b. welke hij (zij) gedurende het huwelijk door erfenis, legaat, schenking of op andere wijze om niet verkrijgt;

c. welke door belegging of wederbelegging in de plaats zijn gekomen van de sub a en b bedoelde zaken;

aan de betrokken echtgenoot (echtgenote) toebehoren.

Alle overige dan aanwezige zaken, daaronder begrepen wat van beider inkomsten is bespaard, zullen voor de verrekening tussen partijen geacht worden het eigendom te zijn van beide echtgenoten tezamen, ieder voor de helft. (…)

Artikel 8.

Ieder van de echtgenoten kan overeenkomsten van levensverzekering sluiten en daarbij de ander als bevoordeelde aanwijzen.

De bevoordeelde behoeft geen premies terug te betalen aan de andere echtgenoot (echtgenote) of diens (haar) rechtverkrijgenden.

(…)”

iii. Het verzoek tot echtscheiding is op 8 juli 2009 ingediend bij de rechtbank Middelburg.

iv. Bij de beschikking van 24 maart 2010 heeft de rechtbank Middelburg tussen partijen de echtscheiding uitgesproken.

v. De echtscheidingsbeschikking is op 16 juli 2010 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.3. De bestreden beschikking is een deelbeschikking, waarin de rechtbank aan de procedure omtrent delen van de financiële afwikkeling op grond van de huwelijkse voorwaarden en de verdeling van de eenvoudige gemeenschap van partijen door een uitdrukkelijk dictum een einde heeft gemaakt.

3.4. Beide partijen kunnen zich niet met alle beslissingen van de rechtbank verenigen en zijn van de beschikking in hoger beroep gekomen.

3.5. De grieven van de man in principaal appel en van de vrouw in incidenteel appel zien op de volgende onderwerpen:

a) de kosten van de huishouding (grief 1 in principaal appel en grief 1 in incidenteel appel);

b) vergoedingsrechten in verband met een hypothecaire geldlening van fl. 150.000,- en een bedrag van € 9.881,80 aan kosten van de woning in [plaatsnaam] (grief 2 in principaal appel);

c) de woonlasten van de voormalige echtelijke woning (grief 3 in principaal appel);

d) verrekening in verband met een levensverzekering particulier pensioenplan (grief 4 in principaal appel en grief 2 in incidenteel appel);

e) betaling van een nota van [Belastingadviseurs] Belastingadviseurs en facturen van [Makelaardij] makelaardij (grief 5 in principaal appel);

f) verrekening van de waarde van de auto merk Mercedes met kenteken [KENTEKEN] (grief 6 in principaal appel).

Het hof zal de onderwerpen in het navolgende bespreken.

3.6. Ad a) de kosten van de huishouding (grief 1 in principaal appel en grief 1 in incidenteel appel)

3.6.1. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking het inkomen van de vrouw uit vermogen berekend op basis van een rendement van 4% op jaarbasis en de man veroordeeld aan de vrouw een bedrag van € 24.798,- te voldoen uit hoofde van verrekening van de kosten van de huishouding over de periode 1 januari 2009 tot 1 juli 2010.

3.6.2. De vrouw stelt in incidenteel appel dat uitgegaan dient te worden van een rendement van haar vermogen van 2% op jaarbasis, aangezien het behalen van een rendement van 4% op jaarbasis als gevolg van de economische crisis niet langer realistisch is.

3.6.3. De man heeft bij de brief van 25 mei 2012 zijn verzoek zoals geformuleerd in zijn appelschrift gewijzigd. Hij stelt zich nu primair op het standpunt dat over de periode januari 2009 tot en met juni 2010 enkel de hypotheek en zakelijke woonlasten (gemeentelijke belastingen, waterschap en verzekeringen) tussen partijen verrekend dienen te worden. Volgens de man heeft hij in die periode maandelijks de volledige lasten van € 1.162,- betaald en dient de vrouw de helft daarvan aan hem te vergoeden. In totaal gaat het om een bedrag van € 10.458,-, aldus de man.

Subsidiair stelt de man zich op het standpunt, indien de verrekening niet beperkt blijft tot de hypotheek en de zakelijke woonlasten maar alle kosten van de huishouding betreft, dat slechts verrekend moet worden over de periode van 1 januari 2009 tot 15 december 2009, de dag waarop de man de woning heeft verlaten en er geen sprake meer was van een gemeenschappelijke huishouding.

Meer subsidiair stelt de man zich op het standpunt, indien de verrekening van alle kosten van de huishouding niet beperkt blijft tot de periode van 1 januari 2009 tot 15 december 2009, maar zich uitstrekt tot en met juni 2010, dat de netto woonlasten ongeveer € 1.965,- per maand bedroegen en de variabele kosten ongeveer € 1.000,- per maand, dat zijn inkomen € 1.940,- netto per maand bedroeg en het inkomen van de vrouw gesteld kan worden op € 1.955,- gemiddeld zodat ieders aandeel in de kosten van de huishouding gesteld kan worden op 50%.

3.6.4. Het hof overweegt dienaangaande eerst het volgende. In HR 20 juni 2008, LJN BC4959, NJ 2009, 21 is met betrekking tot het tijdstip waarop grieven dienen te worden aangevoerd of een verandering of vermeerdering van eis in hoger beroep dient plaats te vinden, het volgende beslist. De in art. 347 lid 1 Rv besloten twee-conclusie-regel brengt mee dat de rechter in beginsel niet behoort te letten op grieven die in een later stadium dan in de memorie van grieven, dan wel (in het geval van een incidenteel appel) in de memorie van antwoord worden aangevoerd. Deze twee-conclusie-regel beperkt de — ingevolge art. 130 lid 1 in verbinding met art. 353 lid 1 Rv — aan de oorspronkelijk eiser toekomende bevoegdheid tot verandering of vermeerdering van zijn eis in hoger beroep in die zin dat hij in beginsel zijn eis niet later dan in zijn memorie van grieven of van antwoord mag veranderen of vermeerderen. Dit geldt ook als deze eisverandering of -vermeerdering niet als een grief moet worden aangemerkt.

Op deze in beginsel strakke regel kunnen onder omstandigheden uitzonderingen worden aanvaard, met name indien de wederpartij ondubbelzinnig erin heeft toegestemd dat de nieuwe grief alsnog in de rechtsstrijd in hoger beroep wordt betrokken of dat de eisverandering of -vermeerdering plaatsvindt, of indien de aard van het geschil meebrengt dat in een later stadium nog een grief kan worden aangevoerd of zodanige verandering of vermeerdering van eis kan plaatsvinden.

Een en ander geldt ook voor de verzoekschriftprocedure.

3.6.5. Het hof is van oordeel dat het bij de brief van 25 mei 2012 gewijzigde verzoek van de man onderdeel van de rechtsstrijd is geworden. Weliswaar moet het gewijzigde verzoek worden gezien als een nieuwe grief die in een later stadium dan in het appelschrift is opgeworpen en waarvoor dan in beginsel geldt dat de rechter hierop niet behoort te letten, maar de vrouw heeft tegen de wijziging geen bezwaar gemaakt (het bezwaar van de vrouw, dat hiervoor onder 2.6.2. is afgewezen, betrof alleen de bij die brief overgelegde producties) en zij is tijdens de mondelinge behandeling ingegaan op de gewijzigde verzoeken zonder aan te voeren dat voor het wijzigen van het verzoek in dit stadium van de procedure in beginsel geen plaats meer is.

Overigens merkt het hof op dat het de man vrij stond voor het eerst in hoger beroep een verzoek ten aanzien van de huishoudkosten te doen (zie HR 7 april 2000, LJN AF4265, NJ 2000,377).

3.6.6. Het hof overweegt verder het volgende. Voor zijn primaire en subsidiaire standpunt dat enkel de hypotheek en de zakelijke woonlasten verrekend dienen te worden respectievelijk dat verrekening van alle kosten van de huishouding beperkt moet blijven tot 15 december 2009, voert de man aan dat partijen voorafgaand aan zijn definitieve vertrek uit de echtelijke woning op 15 december 2009 al jaren geen gezamenlijke huishouding meer voerden.

3.6.7. Het hof is van oordeel dat de man in zijn primaire en subsidiaire standpunt niet kan worden gevolgd. Het begrip kosten der huishouding in artikel 1:84 BW omvat meer dan alleen de hypotheek(rente) en de zakelijke woonlasten. Niet gebleken is dat partijen anders overeengekomen zijn. Artikel 1:84 BW regelt de draag- en fourneerplicht van echtgenoten voor de kosten der huishouding. Naar het oordeel van het hof blijft deze regeling gelden, ook als echtgenoten, zoals in dit geval, tijdens hun huwelijk in onderling overleg hun samenleving hebben verbroken.

3.6.8. Nu het primaire en subsidiaire standpunt van de man niet worden gevolgd, dient nog bezien te worden of de vrouw over de periode 1 januari 2009 – 30 juni 2010 kosten der huishouding met de man te verrekenen heeft.

De man voert in appel tegen de bestreden beschikking aan, zo begrijpt het hof uit zijn stellingen, dat de kosten der huishouding niet meer hebben bedragen dan € 1.965,- per maand aan woonlasten inclusief tuinman en hulp in de huishouding en € 1.000,- per maand aan overige kosten, dus in totaal € 2.965,- per maand, dat bij het bepalen van het inkomen van de vrouw uitgegaan moet worden van een vermogen van € 548.747,- en een rendement van 4% per jaar, dat hij, gelet op de inkomens van partijen, van de huishoudkosten een bedrag van € 1.476,79 voor zijn rekening diende te nemen en dat hij in de betreffende periode maandelijks al € 1.162,- aan kosten der huishouding heeft betaald, zodat de vordering van de vrouw niet meer kan bedragen dan 18 maanden × € 314,79 (€ 1.476,79 - € 1.162,-) = € 5.666,23.

De vrouw voert in incidenteel appel tegen de bestreden beschikking aan dat bij het bepalen van haar inkomen uitgegaan moet worden van een rendement van 2%.

3.6.9. Het hof overweegt dienaangaande het volgende. De vrouw stelt dat de kosten der huishouding meer hebben bedragen dan € 2.965,- per maand; de man heeft dat betwist. Naar het oordeel van het hof is de vrouw er niet in geslaagd aan te tonen dat de kosten der huishouding meer hebben bedragen dan € 2.965,-. Uit de door haar overgelegde stukken blijkt dat niet.

Partijen zijn het erover eens dat het vermogen van de vrouw in 2009 € 328.000,- bedroeg. Bij het bepalen van het inkomen van de vrouw ziet het hof geen aanleiding om, zoals door de man bepleit, uit te gaan van een fictief hoger bedrag aan vermogen. Nu de vrouw nagelaten heeft haar stelling dat uitgegaan moet worden van een rendement van 2% te onderbouwen, zal het hof gelijk de rechtbank uitgaan van een rendement van 4% .

Uitgaande van een inkomen van de man van € 1.940,- per maand en een inkomen van de vrouw van € 1.387,- per maand, bestaande uit € 622,- AOW –uitkering en € 765,- inkomen uit vermogen (€ 328.000,- × (4% - 1,2%) : 12), dient de man € 1.729,- per maand (€ 1.940,- / (€ 1.940 + € 1.387,-) × € 2.965,-) aan kosten der huishouding voor zijn rekening te nemen.

Niet in geschil is dat de man in de betreffende periode maandelijks al € 1.162,- aan kosten der huishouding heeft betaald. De vordering van de vrouw kan dan worden toegewezen tot een bedrag van € 10.206,- (18 × (€ 1.729,- - € 1.162,-)).

In zoverre slaagt grief 1 in principaal appel van de man en faalt de grief 1 in incidenteel appel van de vrouw.

3.7. Ad b) vergoedingsrechten in verband met een hypothecaire geldlening en kosten van de woning in [plaatsnaam] (grief 2 in principaal appel).

3.7.1. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking overwogen dat de hypothecaire geldlening een gezamenlijke schuld van partijen is, die daarom voor rekening van beide partijen komt. Het verzoek van de man om de vrouw te veroordelen tot vergoeding aan de eenvoudige gemeenschap van € 50.000,- heeft de rechtbank afgewezen.

3.7.2. De man stelt in hoger beroep dat de hypothecaire geldlening van fl. 150.000,- (€ 68.067,-) die partijen op 17 maart 1995 zijn aangegaan een privéschuld van de vrouw aan de man betreft, die zij aan de man dient te vergoeden, inclusief de wettelijke rente. Daartoe voert de man aan dat het geleende geld is gebruikt voor de financiering van de aandelen van Fun & Action Sports B.V. en dat de vrouw enig aandeelhouder van de B.V. was.

De vrouw heeft de stelling van de man gemotiveerd betwist.

3.7.3. Het hof overweegt dienaangaande het volgende. Partijen zijn samen een hypothecaire geldlening aangegaan en gesteld noch gebleken is dat hier op is afgelost. Uitgangspunt is dat schulden worden gedragen door degene die ze is aangegaan; de huwelijkse voorwaarden van partijen bepalen dat in artikel 2 nog eens expliciet. Van vergoedingsrechten kan eerst sprake zijn indien aan het vermogen van de ene echtgenoot iets wordt onttrokken ten behoeve van (het vermogen van) de andere echtgenoot. De man heeft niet aangetoond dat daarvan sprake is.

3.7.4. Verder stelt de man (voor het eerst in hoger beroep) in zijn appelschrift dat hij in de periode 1995-2005 € 8.953,36 aan kosten in verband met de woning in [plaatsnaam] heeft betaald en dat de vrouw die kosten aan hem dient te vergoeden, inclusief de wettelijke rente.

Bij zijn brief van 25 mei 2012 heeft de man zijn verzoek veranderd en verzocht te bepalen dat de vrouw niet € 8.953,36 aan hem dient te vergoeden maar € 9.881,80.

De vrouw heeft de stelling van de man gemotiveerd betwist.

3.7.5. Het hof overweegt dienaangaande eerst het volgende. Ook deze wijziging van het verzoek van de man, gedaan bij de brief van 25 mei 2012, is onderdeel van de rechtsstrijd geworden, om dezelfde redenen als hiervoor onder rechtsoverweging 3.6.5. overwogen.

3.7.6. Naar het oordeel van het hof is de man er niet in geslaagd aan te tonen dat hij schulden van de vrouw uit zijn privévermogen heeft betaald. Uit de door hem overgelegde stukken blijkt dat niet.

3.7.7. Grief 2 in principaal appel van de man faalt.

3.8. Ad c) de woonlasten van de voormalige echtelijke woning (grief 3 in principaal appel)

3.8.1. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking overwogen dat zowel de hypotheek- als de eigenaarlasten door beide partijen voor gelijke delen gedragen dienen te worden en heeft de man veroordeeld tot betaling aan de vrouw van € 525,-, zijnde de helft van de hypotheeklasten, met ingang van 1 november 2010 en zolang de voormalige echtelijke woning niet is verdeeld dan wel is geleverd aan een derde. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat voor de eigenaarlasten uitgegaan moet worden van een forfaitair bedrag van € 95,- per maand.

3.8.2. De man acht het in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid om met ingang van 1 november 2010 tot de datum van levering van de woning de helft van de hypotheek- en eigenaarlasten voor zijn rekening te moeten nemen. Hij voert daartoe aan dat het netto maandinkomen van de vrouw hoger is dan zijn netto maandinkomen, dat hij door toedoen van de vrouw verplicht was andere woonruimte te vinden (en dus dubbele woonlasten te hebben), dat de vrouw samenwoont met een partner met wie zij de woonlasten kan delen en dat de vrouw een belastingvoordeel heeft bij het betalen van de hypotheekrente. Ook dient het door hem teveel betaalde verrekend te worden, althans te worden toegerekend aan nog niet betaalde maanden, aldus de man.

De vrouw heeft de stelling van de man gemotiveerd betwist.

3.8.3. Het hof overweegt dienaangaande het volgende. Op grond van art. 3:166 lid 2 BW hebben partijen ieder een half aandeel in de eigendom van de woning. Immers: gesteld noch gebleken is dat uit hun rechtsverhouding anders voortvloeit. Uit art. 3:172 BW in verband met art. 6:10 BW volgt dan dat zij ook ieder voor de helft draagplichtig zijn in de tot de lasten van de ter financiering van de aankoop van die woning aangegane hypothecaire geldlening, waarvoor zij zich hoofdelijk hebben verbonden. In het door de man gestelde ziet het hof geen aanleiding een andere draagplicht vast te stellen.

Overigens heeft de rechtbank bepaald dat de man ter compensatie voor het niet kunnen beschikken over zijn aandeel in de woning een gebruiksvergoeding zal ontvangen.

In zoverre faalt grief 3 in principaal appel van de man.

3.8.4. Daarnaast stelt de man dat hij in 2010 heeft meebetaald aan de gebruikskosten van de woning, te weten Delta-energie ad € 896,66 en waterschap Scheldestromen ad € 382,45 en dat in dat verband een bedrag van € 1.279,11 verrekend dient te worden.

3.8.5. Het hof overweegt dienaangaande het volgende. Uit de stelling van de man begrijpt het hof dat hij bezwaar maakt tegen de beslissing van de rechtbank dat voor de eigenaarlasten uitgegaan moet worden van een forfaitair bedrag van € 95,-. Hoewel de bestreden beschikking op dit onderdeel een tussenbeschikking is, staat het de man vrij de forfaitaire eigenaarlasten in zijn hoger beroep te betrekken, nu hij zijn hoger beroep ook gericht heeft tegen onderdelen waarop de bestreden beschikking een eindbeschikking is. De man heeft zijn stelling met stukken onderbouwd en de vrouw heeft niet betwist dat de man de door hem gestelde kosten voor zijn rekening heeft genomen. Daarmee staat vast dat de man de schulden volledig voor zijn rekening heeft genomen en heeft de man recht op vergoeding van hetgeen hij uit eigen vermogen voor de vrouw heeft betaald, te weten € 639,55.

In zoverre slaagt grief 3 in principaal appel van de man.

3.9. Ad d) verrekening in verband met een levensverzekering particulier pensioenplan (grief 4 in principaal appel en grief 2 in incidenteel appel)

3.9.1. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking overwogen dat de tijdens het huwelijk opgebouwde contante waarde van de levensverzekering particulier pensioenplan voor verrekening tussen partijen in aanmerking komt, dat de vrouw uit de polis € 15.000,- heeft ontvangen en de man € 13.000,- en dat van het resterende saldo van € 2.400,- een bedrag van € 2.200,- aan de man toekomt en een bedrag van € 200,- aan de vrouw.

3.9.2. De man stelt in principaal appel dat de polis niet voor verrekening in aanmerking komt en dat hij aanspraak heeft op het bedrag van € 15.000,- dat uit de polis aan de vrouw is uitgekeerd. Hij voert daartoe aan dat de levensverzekering is betaald met het geld dat hij als bonus voor zijn inspanningen van zijn werkgever heeft gekregen, dat hij verzekeringnemer en eerste begunstigde was en dat de vrouw het bedrag niet besteed heeft aan kosten van de huishouding.

Mocht het toch tot verrekening van de polis komen, dan dient hij een bedrag van € 162,80 aan de vrouw te betalen, aldus de man.

3.9.3. De vrouw stelt in incidenteel appel dat ook aan de man € 15.000,- is uitgekeerd, zodat de waarde van de polis per 31 december 2009 voor verrekening bij helfte in aanmerking komt. Aan haar komt aldus toe een bedrag van € 1.168,35, te vermeerderen met wettelijke rente met ingang van 6 juli 2010 tot de dag der algehele voldoening, aldus de vrouw in haar verweerschrift in hoger beroep.

Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de vrouw haar verzoek beperkt in die zin dat zij geen aanspraak meer maakt op een bedrag van € 1.168,35 maar op een bedrag van € 162,80.

3.9.4. Het hof overweegt dienaangaande het volgende. Niet in geschil is dat de man voor zijn inspanningen van zijn werkgever een bonus heeft ontvangen van € 30.124,77, dat hij daarvan in januari 2004 een levensverzekering heeft gekocht en dat de polis in april 2004 € 15.000,- heeft uitgekeerd die op de bankrekening van de vrouw is gestort. Artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden van partijen bepaalt dat voor verrekening in aanmerking komen alle op de peildatum aanwezige zaken, daaronder begrepen wat van beider inkomsten is overgespaard. Uit de huwelijkse voorwaarden die partijen overeengekomen zijn volgt niet dat het bedrag, dat de man van zijn werkgever heeft gekregen als bonus voor zijn inspanningen, niet voor verrekening in aanmerking komt; uit wet of jurisprudentie volgt dat evenmin. De man maakt daarom ten onrechte aanspraak op vergoeding van de € 15.000,- die in april 2004 op de bankrekening van de vrouw is gestort. In hoger beroep is niet langer in geschil dat voor verrekening in aanmerking komt een bedrag van € 325,60. Nu partijen het daarover eens zijn, zal het hof bepalen dat de man aan de vrouw een bedrag van € 162,80 dient te betalen.

Het verzoek van de vrouw ook de wettelijke rente te vergoeden acht het hof, gelet op HR 2 december 2011, LJN BU6591, toewijsbaar.

3.9.5. Grief 4 van de man in principaal appel faalt; grief 2 van de vrouw in incidenteel appel slaagt.

3.10. Ad e)betaling van een nota van [Belastingadviseurs] Belastingadviseurs en facturen van [Makelaardij] makelaardij (grief 5 in principaal appel)

3.10.1. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking overwogen dat de nota van [Belastingadviseurs] Belastingadviseurs een schuld betreft die de man alleen dient te dragen en dat de facturen van [Makelaardij] makelaardij schulden betreffen die partijen gezamenlijk, ieder voor de helft, dienen te dragen. De rechtbank heeft de man veroordeeld tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 1.566,52 in verband met de nota en facturen.

3.10.2. De man stelt dat de nota van [Belastingadviseurs] Belastingadviseurs weliswaar op zijn naam staat, maar kosten betreft die zijn gemaakt ten behoeve van de belastingaangifte van de vrouw en dat het om die reden onjuist is hem bij te laten dragen in die kosten.

3.10.3. Het hof overweegt dienaangaande het volgende. De vrouw heeft onweersproken gesteld dat zij de nota van [Belastingadviseurs] Belastingadviseurs voor haar rekening heeft genomen. De stelling van de man dat de nota werkzaamheden ten behoeve van de vrouw betreft, is door de vrouw betwist en zij heeft als productie 12 bij haar verweerschrift in hoger beroep een e-mailwisseling tussen de man en [Belastingadviseurs] Belastingadviseurs overgelegd, waaruit blijkt dat laatstgenoemde werkzaamheden voor de man heeft verricht en hem daarvoor gefactureerd heeft. De rechtbank heeft naar het oordeel van het hof dan ook terecht bepaald dat de man aan de vrouw het bedrag van € 571,20 moet vergoeden dat zij voor hem aan [Belastingadviseurs] Belastingadviseurs heeft betaald.

3.10.4. Voorts stelt de man dat er sprake is van een dubbeltelling in de berekening van de rechtbank en dat de factuur van [Makelaardij] makelaardij van 22 augustus 2008 is betaald met gelden afkomstig van de gezamenlijke rekening van partijen, zodat er van vergoeding geen sprake kan zijn.

Daarbij stelt de man dat hij niet hoeft bij te dragen in de facturen van [Makelaardij] makelaardij, omdat de vrouw nooit daadwerkelijk de intentie heeft gehad mee te werken aan verkoop van de woning. Het is daarom redelijk dat zij die kosten voor haar rekening neemt en hem in het kader van een misgelopen creditering van de taxatienota bij de verkoop van de woning een bedrag van € 608,57, zijnde de helft van de taxatienota, vergoedt, aldus de man.

3.10.5. Het hof overweegt dienaangaande het volgende. De vrouw heeft in haar verweerschrift in hoger beroep erkend dat sprake is van een dubbeltelling in de berekening van de rechtbank. In hoger beroep maakt zij aanspraak op vergoeding van de nota van 22 augustus 2008 van € 1.217,13, van de nota van 21 oktober 2009 van € 178,50 en van de nota van 9 februari 2010 van € 416,50. De vrouw heeft de stelling van de man dat de nota van 22 augustus 2008 is betaald met geld afkomstig van de gezamenlijke rekening van partijen weersproken en zij heeft als productie 13 bij haar verweerschrift in hoger beroep een rekeningafschrift en een overzicht van haar bankrekeningen overgelegd, waaruit volgt dat de nota is voldaan ten laste van het privévermogen van de vrouw. Van de overige nota’s heeft de man niet betwist dat zij zijn voldaan ten laste van het privévermogen van de vrouw. Beide partijen zijn draagplichtig voor deze schulden. Het door de man gestelde maakt dat niet anders. Voor de nota van [Belastingadviseurs] Belastingadviseurs en voor de facturen van [Makelaardij] makelaardij dient de man aan de vrouw te vergoeden een bedrag van € 1.191,66 ((€ 571.20 + € 1.217,13 + € 178,50 + € 416,50) : 2).

3.10.6. Grief 5 van de man in principaal appel slaagt deels.

3.11. Ad f) verrekening van de waarde van de auto merk Mercedes met kenteken [KENTEKEN] (grief 6 in principaal appel).

3.11.1. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking overwogen dat de auto merk Mercedes met kenteken [KENTEKEN] tot het te verrekenen vermogen behoort en bepaald dat de waarde die de auto ten tijde van de aanvang van de echtscheidingsprocedure had, te weten € 6.000,-, verrekend dient te worden, zodat de man aan de vrouw een bedrag van € 3.000,- dient te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 6 juli 2010 tot de dag der algehele voldoening.

3.11.2. De man stelt dat de waarde van de auto niet verrekend dient te worden, gelet op de uitdrukkelijke afspraken en bedoelingen van partijen. De Mercedes is door partijen gekocht en zij hebben een deel van de koopsom voldaan door een auto merk Volkswagen in te ruilen. De Volkswagen was eigendom van de zoon van partijen. Partijen hebben met hem de afspraak gemaakt dat de Mercedes door hem gebruikt zou worden en te zijner tijd zijn eigendom zou worden. De waarde van de Mercedes, door de man geschat tussen € 4.000,- en € 7.000,-, komt niet overeen met de waarde die de Volkswagen zou hebben. Daarom dient de waarde van de auto merk Mercedes buiten de verrekening te blijven, aldus de man.

3.11.3. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank terecht en op goede gronden geoordeeld dat de Mercedes tot het te verrekenen vermogen behoort en dat de man aan de vrouw een bedrag van € 3.000,- dient te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 6 juli 2010 tot de dag der algehele voldoening. In hoger beroep heeft de man geen feiten aangevoerd die tot een ander oordeel nopen. Het hof neemt de beslissing en de overwegingen die de rechtbank daaraan ten grondslag heeft gelegd over en maakt die tot de zijne.

3.11.4. Grief 6 van de man in principaal appel faalt.

3.12. Het hof vat het voorgaande als volgt samen:

- uit rechtsoverweging 3.6.9. volgt dat grief 1 in principaal appel (deels) slaagt en dat de man uit hoofde van verrekening van de kosten van de huishouding over de periode van 1 januari 2009 tot 1 juli 2010 aan de vrouw een bedrag van € 10.206,- dient te voldoen;

- uit rechtsoverweging 3.8.5. volgt dat grief 3 in principaal appel (deels) slaagt en dat de man recht heeft op vergoeding door de vrouw van € 639,55, zijnde het bedrag dat hij voor de vrouw aan eigenaarlasten voor zijn rekening heeft genomen;

- uit rechtsoverweging 3.9.4. volgt dat grief 2 in incidenteel appel slaagt en dat de man uit hoofde van verrekening van de levensverzekering particulier pensioenplan aan de vrouw dient te voldoen een bedrag van € 162,80, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 6 juli 2010 tot de dag der algehele voldoening;

- uit rechtsoverweging 3.10.5. volgt dat grief 5 in principaal appel (deels) slaagt en dat de man uit hoofde van vergoeding van de door de vrouw voor haar rekening genomen nota van [Belastingadviseurs] Belastingadviseurs en facturen van [Makelaardij] Makelaardij aan de vrouw dient te voldoen een bedrag van € 1.191,66;

- de grieven falen voor het overige.

Dit betekent dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven.

3.13. In het feit dat partijen gewezen echtgenoten zijn, ziet het hof aanleiding de proceskosten in hoger beroep te compenseren in die zin, dat ieder de eigen kosten draagt.

4. De beslissing

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Middelburg van 29 juni 2011 wat betreft de kosten van de huishouding, de eigenaarlasten van de echtelijke woning, de levensverzekering particulier pensioenplan en de nota en facturen van [Belastingadviseurs] Belastingadviseurs en [Makelaardij] Makelaardij en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt de man om uit hoofde van verrekening van de kosten van de huishouding over de periode van 1 januari 2009 tot 1 juli 2010 aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 10.206,-;

veroordeelt de vrouw om uit hoofde van vergoeding van door de man voor zijn rekening genomen eigenaarlasten aan de man te voldoen een bedrag van € 639,55;

veroordeelt de man om uit hoofde van verrekening van de levensverzekering particulier pensioenplan aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 162,80, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 6 juli 2010 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de man om uit hoofde van vergoeding van de door de vrouw voor haar rekening genomen nota van [Belastingadviseurs] Belastingadviseurs en facturen van [Makelaardij] Makelaardij aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 1.191,66;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. B.A. Meulenbroek, I.B.N. Keizer en T.J. Mellema-Kranenburg en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2012.