Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BY6591

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-12-2012
Datum publicatie
21-12-2012
Zaaknummer
HV 200.110.150
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toelating tot de schuldsanering. Gewijzigde omstandigheid ex artikel 1:401 BW. Nihilstelling kinderalimentatie. HR 18 november 2011, LJN: BU4937 . HR 21 september 2012, LJN: BW9247. HR 12 oktober 2012, LJN: BX5884.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Uitspraak: 18 december 2012

Zaaknummer: HV 200.110.150/01

Zaaknummer eerste aanleg: 244976 / FA RK 12-1496

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. T.P.M. Kouwenaar,

tegen

[Y.],

wonende te [woonplaats],

verweerder,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. E.A.M. Brugman.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 13 juni 2012.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 19 juli 2012, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw - uitvoerbaar bij voorraad - te bepalen dat de man met ingang van 19 december 2011 gedurende de periode dat de wettelijke schuldsaneringsregeling (de schuldsanering) op hem van toepassing is maandelijks aan de vrouw zal dienen bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen € 136,- per kind per maand en het verzoek van de man om de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding onvoorwaardelijk op nihil te stellen af te wijzen. De vrouw heeft subsidiair verzocht het verzoek van de man slechts toe te wijzen voor de duur van de schuldsaneringsregeling, kosten rechtens.

2.2. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 12 september 2012, heeft de man verzocht om de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep dan wel het hoger beroep van de vrouw af te wijzen en de vrouw te veroordelen in de kosten van de onderhavige procedure.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 november 2012. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de vrouw, bijgestaan door mr. Kouwenaar;

- de man, bijgestaan door mr. Brugman.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 1 juni 2012.

3. De beoordeling

3.1. Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit de relatie van partijen zijn geboren:

- [A.] (hierna: [zoon]), op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats],

- [B.] (hierna: [dochter]), op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats].

De man heeft de kinderen erkend.

Partijen oefenen gezamenlijk het gezag over de kinderen uit. De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw.

3.2. Bij beschikking van 25 mei 2011 heeft de rechtbank ‘s-Hertogenbosch onder meer bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [zoon] en [dochter] dient te voldoen een bedrag van € 150,- per kind per maand met ingang van 1 september 2010.

De bijdrage voor de kinderen beloopt ingevolgde de wettelijke indexering per 1 januari 2012 € 153,32 per kind per maand.

3.3. Bij vonnis d.d. 19 december 2011 heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch ten aanzien van de man de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.

3.4. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank ‘s-Hertogenbosch de beschikking van 25 mei 2011 gewijzigd voor zover het betreft de daarbij vastgestelde door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen en deze bijdrage met ingang van 19 december 2011 nader op nihil bepaald.

3.5. De vrouw kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.6. De grieven van de vrouw betreffen de draagkracht van de man, alsmede de herleving van de betalingsplicht van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding en lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

Ingangsdatum wijziging

3.7. De ingangsdatum van de wijziging van de eerder vastgestelde onderhoudsbijdrage, zijnde 19 december 2011, is tussen partijen niet in geschil, zodat ook het hof die datum als uitgangspunt zal nemen.

Behoefte kinderen

3.8. De behoefte van de kinderen ad € 300,- per kind per maand is in hoger beroep niet in geschil.

Draagkracht man

3.9. De vrouw stelt primair dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de man met ingang van 19 december 2011 geen draagkracht heeft om bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.

Inkomen

3.9.1. De vrouw heeft haar grief tegen de bestreden beschikking, voor zover daarin geen rekening is gehouden met het feit dat de man over extra inkomsten uit overuren beschikt dan wel kan beschikken, tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep ingetrokken. Deze grief behoeft dus geen bespreking.

Woonlasten

3.9.2. Volgens de vrouw heeft de rechtbank de draagkracht van de man ten onrechte niet zelfstandig beoordeeld. De vrouw voert daartoe het volgende aan.

De rechter-commissaris heeft in het kader van de schuldsanering van de man bij de bepaling van het vrij te laten bedrag rekening gehouden met huurlasten van € 206,23 per maand. Volgens de vrouw woont de man echter bij zijn ouders in en hij betaalt in werkelijkheid geen huur. De man heeft dit ter zitting van de rechtbank verklaard. Bovendien heeft de rechtbank in haar beschikking d.d. 25 mei 2011 weliswaar rekening gehouden met de woonlasten gelijk aan de ondergrens van de huurtoeslag, maar de rechtbank heeft hiermee volgens de vrouw eigenlijk impliciet overwogen dat de man de door hem gestelde huurlast ad € 525,- per maand niet aannemelijk heeft gemaakt. Door geen rekening te houden met de woonlasten ontstaat er volgens de vrouw ruimte binnen het te vrij te laten bedrag van de man. De man kan uit deze besparing volgens de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ad € 136,- per kind per maand voldoen, nu hij wegens persoongebonden aftrek fiscaal voordeel geniet. Bovendien heeft de man zelf aangegeven het vrij te laten bedrag te willen aanwenden voor de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. De uitspraken van de Hoge Raad waarin deze ruimte ten behoeve van kinderbijdragen niet wordt geboden zijn een gegeven, echter deze uitspraken hebben niet direct betrekking op de grief van de vrouw.

3.9.3. De man stelt zich in zijn verweer op het standpunt dat er wel degelijk rekening gehouden dient te worden met de huurlasten. De rechter-commissaris heeft dat ook bij de berekening van het vrij te laten bedrag gedaan. De man woont bij zijn ouders en stort maandelijks een bedrag van € 525,- aan woonlasten op de rekening van zijn ouders, hetgeen ook blijkt uit de door de man overgelegde bankafschriften. De rechter-commissaris heeft enkel het bedrag van € 206,23 bij de berekening meegenomen. Indien de rechter-commissaris wel van de daadwerkelijke woonlast was uitgegaan, was het vrij te laten bedrag nog lager uitgevallen. De man is dan ook van mening dat hij geen draagkracht meer heeft om enige kinderbijdrage te voldoen, hetgeen tot een nihilstelling dient te leiden.

3.9.4. Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 18 november 2011, LJN: BU4937 mag de rechter die tot taak heeft een onderhoudsbijdrage vast te stellen of te wijzigen ten behoeve van een kind van een schuldenaar op wie de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing is, niet zonder meer uitgaan van een verhoging van het vrij te laten bedrag. Het is immers enkel de rechter-commissaris die in het kader van de schuldsanering een discretionaire bevoegdheid heeft om al dan niet te bepalen of het vrij te laten bedrag wordt verhoogd met een te betalen onderhoudsbijdrage, waarbij de rechter-commissaris per geval met de omstandigheden rekening kan houden. Dat deze bevoegdheid niet aan de alimentatierechter toekomt, is recentelijk opnieuw door de Hoge Raad bevestigd in de uitspraken van 21 september 2012, LJN: BW9247 en van 12 oktober 2012, LJN: BX5884. Het hof stelt vast dat de rechter-commissaris bij het vaststellen van het vrij te laten bedrag geen rekening heeft gehouden met de aan de man opgelegde verplichting tot betaling van een kinderbijdrage, ondanks dat de man daarom heeft verzocht. De rechter-commissaris heeft bij de berekening van het vrij te laten bedrag wel rekening gehouden met huurlasten van de man ad € 206,23 per maand.

Het hof is van oordeel dat, wat er verder ook zij van de stelling van de vrouw, zolang er geen andersluidende uitspraak is van de rechter-commissaris, het hof niet anders kan concluderen dan dat er binnen het vrij te laten bedrag van de man geen ruimte is voor de betaling van een kinderbijdrage. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de man niet over enige draagkracht beschikt en de kinderbijdrage mitsdien terecht op nihil heeft bepaald.

Herleving betalingsplicht

3.10. Nu - zoals uit het voorgaande blijkt - het primaire verzoek van de vrouw zal worden afgewezen, dient het hof nog een oordeel te geven over het subsidiaire verzoek van de vrouw om het verzoek van de man om nihilstelling van de door hem te betalen bijdrage slechts toe te wijzen voor de duur van de schuldsanering.

3.10.1. De vrouw voert hiertoe aan dat de rechtbank haar subsidiaire verzoek verkeerd heeft beoordeeld. De vrouw heeft namelijk niet verzocht te bepalen dat de vastgestelde kinderbijdrage zal herleven zodra de schuldsanering is beëindigd, maar dat de betalingsverplichting wordt opgeschort gedurende de periode dat de schuldsanering op de man van toepassing is. De grondslag hiervoor is volgens de vrouw gebaseerd op de wettelijke schuldsaneringsregeling. Zodra de schuldsanering niet meer op de man van toepassing is, herleeft zijn onderhoudsverplichting jegens de kinderen weer. Het ligt haars inziens dan ook voor de hand om de nihilstelling voor de duur van de schuldsanering te bepalen en niet voor onbepaalde tijd. De man werkt nog altijd bij dezelfde werkgever en zal blijven verdienen wat hij nu ook verdient. De vrouw verwacht niet dat de (financiële) situatie van de man zal veranderen in de toekomst. Het ‘risico’ omtrent eventuele toekomstige wijzigingen behoort volgens de vrouw bij de man te liggen. Mocht de man na de afloop van de schuldsanering van mening zijn dat hij wegens gewijzigde omstandigheden niet meer over (dezelfde) draagkracht beschikt om de kinderbijdrage te voldoen, dan kan hij de vrouw benaderen dan wel een wijzigingsverzoek bij de rechtbank indienen.

3.10.2. De man heeft hiertegen ingebracht dat de rechtbank het verzoek van de vrouw wel op de juiste wijze heeft beoordeeld. Het gevolg van het verzoek van de vrouw is er immers op gericht dat de man na de beëindiging van de schuldsanering weer van rechtswege verplicht is om conform de beschikking van de rechtbank van 25 mei 2011 de kinderbijdrage te voldoen. Het is echter zonder meer begrijpelijk dat de rechtbank de verplichting om de kinderbijdrage te voldoen heeft stopgezet, nu immers niet duidelijk is hoe lang de schuldsanering zal duren en hoe de financiële situatie van de man dan zal zijn. De inkomsten van de man zijn reeds gedaald omdat de man enige tijd als ‘tweede man’ heeft gewerkt. Ondanks de reorganisaties heeft de man gelukkig zijn baan behouden, maar zijn inkomsten zullen nimmer hetzelfde zijn als dat voorheen het geval was, zodat hij ook nooit meer die hoge draagkracht zal hebben, aldus de man. Bovendien zal de looptijd van de schuldsanering hoogstwaarschijnlijk worden verlengd omdat de man extra kosten heeft moeten maken als gevolg van de onnodige procedures die de vrouw voert. Zoals de rechtbank reeds heeft bepaald, zal de man de vrouw inlichten zodra de schuldsanering is beëindigd en zullen de partijen proberen onderling tot afspraken te komen ten aanzien van de kinderbijdrage. Hiermee is zijn verplichting om de kinderbijdrage te betalen voldoende gewaarborgd en is er van enig risico geen sprake, aldus de man.

3.10.3. Het hof stelt voorop dat, voorzover al op de wet gebaseerd, uit het stelsel van artikel 1:401 van het Burgerlijk Wetboek (BW) voortvloeit dat een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak enkel kan worden gewijzigd of ingetrokken wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Het gaat daarbij om de omstandigheden die door de rechter ten tijde van diens beslissing zijn vastgesteld. In artikel 1:401 BW wordt niet de mogelijkheid tot opschorting van een onderhoudsbijdrage gegeven.

Het hof is daarnaast van oordeel dat de toelating van de man tot de schuldsaneringsregeling een wijziging van omstandigheden is op grond waarvan de vastgestelde kinderbijdrage opnieuw dient te worden beoordeeld. De nihilstelling van de door de man te betalen kinderbijdrage is een wijziging welke zich naar het oordeel van het hof in beginsel niet leent voor een tijdelijke dan wel voorwaardelijke toepassing. Dit zou anders kunnen zijn indien er voldoende duidelijkheid bestaat over de (financiële) toekomst van de onderhoudsplichtige. Het hof is van oordeel dat hiervan in het onderhavige geval geen sprake is. De duur van de schuldsanering en de einddatum staan immers niet vast. De schuldsanering wordt weliswaar in beginsel voor de duur van drie jaar uitgesproken, maar het is niet uit te sluiten dat er zich in die periode wijzigingen kunnen voordoen op grond waarvan de rechter de schuldsanering tussentijds beëindigt of de termijn van de regeling verlengt. Gebleken is dat de situatie van de man zich lastig laat voorspellen. Het is niet zeker hoe lang precies de schuldsaneringsregeling op de man van toepassing zal zijn. Daarnaast zijn de inkomsten van de man door het wegvallen van de overuren teruggelopen en onduidelijk is of de man gelet op de ontwikkelingen bij zijn werkgever in redelijkheid weer over dezelfde inkomsten zal kunnen beschikken als dat voorheen het geval was. Het hof ziet in het licht van hetgeen hierover is overwogen thans geen aanleiding om de kinderbijdrage op te schorten voor de duur van de schuldsanering en zal het verzoek van de vrouw afwijzen.

Proceskosten

3.11. De man voert in zijn verweer aan dat hij reeds door het toedoen van de vrouw genoodzaakt was een beroep te doen op de schuldsanering. Nu is de man genoodzaakt om inhoudelijk verweer te voeren en hiervoor onnodige kosten te maken, omdat de vrouw ongemotiveerd en met onwaarheden de vaststaande feiten en omstandigheden van de man probeert tegen te spreken. De man is van mening dat er sprake is van een onnodige procedure van de zijde van de vrouw en dat zij veroordeeld dient te worden in de proceskosten.

3.11.1. De vrouw stelt dat zij een gerechtvaardigd belang heeft bij het ontvangen van de kinderbijdrage en derhalve ook bij het voeren van de onderhavige procedure. De situatie van de vrouw is immers niet verbeterd; de vrouw zit nog steeds met grote schulden, zij draagt de dagelijkse zorg voor de kinderen en zij beschikt slechts over een maandelijks inkomen onder de € 1000,-.

3.11.2. Het hof ziet in hetgeen de man heeft aangevoerd geen aanleiding af te wijken van de regel om in geschillen tussen voormalige partners de proceskosten te compenseren.

Het hof zal het verzoek van de man dan ook afwijzen en de proceskosten tussen partijen compenseren.

3.12. Op grond van al het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen en de verzoeken van de vrouw en de man afwijzen.

4. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 13 juni 2012, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. O.G.H. Milar, P.C.G. Brants en J.U.M. van der Werff en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2012.