Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BY6580

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-12-2012
Datum publicatie
21-12-2012
Zaaknummer
HV 200.107.299
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Twaalfjaarstermijn / eindigen alimentatieplicht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Uitspraak: 18 december 2012

Zaaknummer: HV 200.107.299/01

Zaaknummer eerste aanleg: 232037 / FA RK 11-3214

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. J.J.M. van Asten,

tegen

[Y.],

wonende te [woonplaats],

verweerder,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. M. Moszkowicz Jr.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 22 februari 2012.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 22 mei 2012, heeft de vrouw verzocht, bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, haar verzoek zoals dat blijkt uit het verzoekschrift tot verlenging alimentatietermijn toe te wijzen en te bepalen dat de alimentatietermijn wordt verlengd tot de datum dat zij de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, in dier voege dat het hof bepaalt dat de man met ingang van 4 oktober 2011 met een bedrag van € 2.436,99 per maand dient bij te dragen in haar kosten van levensonderhoud, telkenmale bij vooruitbetaling te voldoen, alsmede te bepalen dat voormelde termijn na ommekomst daarvan kan worden verlengd.

Subsidiair verzoekt de vrouw een afbouwregeling vast te stellen alsmede te bepalen dat de kosten die gemaakt moeten worden wanneer de man de bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud niet, niet tijdig, of niet op de juiste wijze voldoet, voor rekening van de man komen.

2.2. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 5 juli 2012, heeft de man verzocht, bij beschikking, voor zover wettelijk geoorloofd, uitvoerbaar bij voorraad, de verzoeken van de vrouw in appel af te wijzen en in zoverre de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 november 2012. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de vrouw, bijgestaan door mr. Van Asten;

- de man, bijgestaan door mr. J. Edriouch, kantoorgenote van mr. Moszkowicz Jr.

3. De beoordeling

3.1. Partijen zijn op 28 januari 1976 met elkaar gehuwd.

Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:

- [A.] (hierna: [zoon]), op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats],

- [B.](hierna: [dochter]), op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats].

[dochter] woont thans nog bij de vrouw. [zoon] heeft tot 2008 bij de vrouw gewoond.

3.2. Bij beschikking van 10 september 1999 heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch tussen partijen onder meer de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 4 oktober 1999 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij deze beschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang, bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw moet voldoen een bedrag van f 4.000,- (€ 1.815,12) per maand met ingang van de dag waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.3. Bij beschikking van 9 juni 2009 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, voor zover thans van belang, het verzoek van de man om nihilstelling dan wel verlaging van de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw afgewezen.

3.4. De onderhoudsbijdrage ten behoeve van de vrouw beliep ingevolge de wettelijke indexering in 2011 € 2.436,99 per maand.

3.5. Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, op 1 juni 2011, heeft de vrouw verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen:

• primair dat de man gehouden is om een bijdrage te voldoen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw tot de datum dat de vrouw de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, met mogelijkheid van verlenging;

• subsidiair een afbouwregeling voor te stellen;

• dat de kosten die gemaakt moeten worden wanneer de man de bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw niet, niet tijdig, of niet op de juiste wijze voldoet, voor rekening van de man komen.

3.6. De man heeft zich verweerd tegen het verzoek van de vrouw.

3.7. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de vrouw tot verlenging van de alimentatieplicht afgewezen.

3.8. De vrouw kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.9. De grieven van de vrouw zijn in de kern terug te voeren tot het oordeel van de rechtbank dat het inleidend verzoek tot verlenging van de alimentatietermijn wordt afgewezen en lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

De vrouw voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting, samengevat, het volgende aan. De vrouw heeft, bezien naar haar omstandigheden tijdens het huwelijk van partijen en na de echtscheiding, voldoende inspanningen verricht en voldoende activiteiten ontplooid waarmee zij getracht heeft zoveel als mogelijk in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Haar mogelijkheden zijn echter beperkt geweest door de zorg voor de kinderen en voor haar ouders en, later, door haar eigen gezondheidssituatie. Tijdens het huwelijk heeft de vrouw de zorg voor het gezin, meer in het bijzonder de kinderen, op zich genomen en zij heeft vanaf de geboorte van [zoon] nauwelijks meer gewerkt. Dit had gevolgen voor haar kansen op de arbeidsmarkt na de echtscheiding. Door de zorg voor de kinderen na de echtscheiding, kon de vrouw in principe alleen onder schooltijden werken. Echter, ook daar binnen waren haar mogelijkheden beperkt door de problematiek en dientengevolge de bijzondere zorg, voor [zoon]. Ook de situatie van [dochter] heeft de nodige zorgen met zich gebracht. De zorgwekkende situatie van de dochter duurt thans nog voort. Voorts heeft de vrouw jarenlang de zorg gehad voor haar ouders en thans nog voor haar moeder.

Door deze zorg voor de kinderen en haar ouders is het niet doenlijk geweest om een dienstbetrekking met regelmatige inkomsten te verwerven en te behouden.

Daar komt bij dat de vrouw sinds 2008 gezondheidsklachten heeft. Haar lichamelijke en psychische problematiek beperken haar ernstig in haar functioneren. Hierdoor is het niet alleen onmogelijk om arbeid te verkrijgen, maar ook om te behouden.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank dan ook ten onrechte overwogen dat de termijn van twaalf jaren haar voldoende gelegenheid heeft geboden om zich voor te bereiden op het voorzien in eigen levensonderhoud.

Zij betwist dat zij voldoende gelegenheid heeft gehad om haar levensstijl aan te passen aan de te verwachten toekomstige periode en wijst onder andere op de kosten voor de kinderen die de vrouw heeft moeten maken. Het is haar dan ook niet gelukt om reserves op te bouwen en voorzieningen te treffen. De overwaarde op de woning kan bezwaarlijk te gelde worden gemaakt. Bij verkoop van de woning kan zij niet een woning verkrijgen met een vergelijkbare woonlast.

Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat de psychische en lichamelijke klachten van de vrouw geen verband houden met het huwelijk van partijen. De vrouw heeft tijdens het huwelijk twee auto-ongelukken gehad, waaruit medische behandelingen zijn gevolgd. De problematiek van de vrouw komt verder ook voort uit de overbelasting van de vrouw. Haar psychische en lichamelijke klachten, die tot gevolg heeft dat zij arbeidsongeschikt is, moeten worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid, die er toe dient te leiden dat de termijn voor de betaling van een onderhoudsbijdrage door de man dient te worden verlengd.

Voorts is de vrouw van mening dat de man rekening had moeten houden met een eventuele behoefte van de vrouw aan een door hem te betalen onderhoudsbijdrage na afloop van de termijn van twaalf jaar.

De redelijkheid en billijkheid brengen in dit bijzonder geval met zich dat beëindiging van de partneralimentatie niet van de vrouw kan worden gevergd.

De rechtbank heeft ten onrechte de financiële situatie van de man niet in aanmerking genomen. Deze financiële situatie is van belang, omdat zonder een behoorlijk zicht daar op niet kan worden beoordeeld dat na ommekomst van de wettelijke termijn van twaalf jaar een definitieve beëindiging van de alimentatieverplichting naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van de vrouw kan worden gevergd.

3.10. De man betwist dat sprake was van een traditionele rolverdeling staande het huwelijk en behoorde een dergelijke verdeling evenmin tot de onderlinge afspraken van partijen. De man, en aanvankelijk ook de vrouw, streefde naar een gelijkwaardige verdeling van zowel de financiële als de zorgtaken binnen het huwelijk, maar de man werd hierin tegengewerkt door de vrouw. Er was sprake van onwil aan de zijde van de vrouw om haar werkzaamheden uit te breiden, hetgeen heeft geleid tot spanningen en uiteindelijk tot de echtscheiding. De na-huwelijkse periode staat ook in het teken van deze houding van de vrouw. De vrouw heeft in de twaalfjaarstermijn slechts een drietal sollicitaties verricht. De vrouw heeft dan ook onvoldoende activiteiten ontplooid om tot financiële zelfstandigheid te geraken.

De vrouw verschuilt zich achter de vermeende problematiek van [zoon]. De vrouw kan echter geen objectieve en betrouwbare stukken hieromtrent overleggen. Er zijn geen aantoonbare buitengewone problemen bij [zoon]. [zoon] is in 2008 bij de man gaan wonen en zonder enige vorm van hulpverlening tot volledige zelfstandigheid geraakt. Er stond aan de vrouw niets in de weg om gedurende tenminste de schooltijden zelf werkzaamheden te verrichten.

Ten aanzien van de problemen van [dochter] heeft de vrouw aangevoerd dat deze zich eerst in 2010 hebben geopenbaard. Voor zover al sprake is van zorg, beslaat deze geenszins de twaalfjaarstermijn en deze zorg kan dan ook niet gelden als bijzondere omstandigheid.

Ook de zorg voor de ouders kan geen bijzondere omstandigheid opleveren in het kader van de verlenging van de alimentatieduur. Dat de vrouw nog belast zou zijn met de verzorging van haar moeder, acht de man niet geloofwaardig, daar de moeder in een bejaardentehuis verblijft. Eventuele extra zorg door de vrouw kan dan ook nimmer dermate tijdrovend zijn dat zij deswege niet in staat is te werken. Daarbij komt dat ook hier geldt dat de gestelde ‘zorgperiode’ geenszins de gehele twaalfjaarstermijn beslaat.

Nog daargelaten dat het ziektebeeld van de vrouw onverlet laat dat zij gedurende de eerste 9 jaar na het huwelijk meer dan voldoende de gelegenheid had om tot financiële zelfstandigheid te geraken en dit bovendien geen gevolg was van het huwelijk en reeds daardoor niet een bijzondere omstandigheid ter verlenging van de alimentatieduur kan opleveren, kunnen de door de vrouw overgelegde stukken niet de conclusie dragen dat zij de laatste jaren wegens haar klachten niet in staat zou zijn om arbeid te verrichten.

Met het oog op het naderende einde van de alimentatie had het op de weg van de vrouw gelegen zich geleidelijk aan te passen aan een lager inkomen dan wel had zij, ter voorkoming daarvan, de nodige maatregelen dienen te treffen.

De vrouw beschikt, althans beschikte, over een spaartegoed van € 30.000,- en er is sprake van een overwaarde op de woning ten bedrage van ongeveer € 120.000,-. Van de vrouw kan worden verlangd dat zij haar vermogen aanwendt om in haar levensonderhoud te voorzien. De periode tot aan haar pensioen kan zij hiermee overbruggen.

De vrouw stelt dat de man rekening had moeten houden met een eventuele verlenging van de twaalfjaarstermijn, maar dit betwist hij. Het is juist de vrouw die rekening moet houden met het einde van de twaalfjaarstermijn. Juist op basis van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid kan gezien al het voorgaande, in het bijzonder het gegeven dat de vrouw zelf debet is aan de huidige situatie, worden geconcludeerd dat de vrouw zelf de consequentie van haar (nalatig) handelen moet dragen, en dus niet de man.

Alvorens aan een beoordeling van de financiële positie van de man en diens draagkracht kan worden toegekomen, behoort eerst de alimentatieduur te worden verlengd. Aldus kan sec de financiële situatie van de man géén bijzondere omstandigheid opleveren op grond waarvan verlenging kan worden toegewezen.

Concluderend kan van de man naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet gevergd worden dat de alimentatieverplichting wordt verlengd.

3.11. Het hof overweegt als volgt.

3.11.1. Op het onderhavige verzoek is van toepassing artikel 1:157 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Ingevolge die bepaling eindigt de verplichting tot levensonderhoud van rechtswege na het verstrijken van een termijn van twaalf jaren, die aanvangt op de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, indien de rechter niet eerder een (andere) termijn heeft vastgesteld.

In het onderhavige geval heeft de rechter niet eerder een (andere) termijn vastgesteld. De echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 4 oktober 1999, zodat de alimentatieverplichting ingevolge artikel 1:157 lid 4 BW van rechtswege is geëindigd op 4 oktober 2011.

3.11.2. Op grond van artikel 1:157 lid 5 BW kan de rechter, indien de beëindiging van de uitkering ten gevolge van het verstrijken van de in het vierde lid bedoelde termijn van zo ingrijpende aard is dat ongewijzigde handhaving van die termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van degene die tot uitkering gerechtigd is niet kan worden gevergd, op diens verzoek alsnog een termijn vaststellen.

Voor deze verlenging zijn bijzondere omstandigheden nodig. In de parlementaire geschiedenis is het uitzonderingskarakter van deze verlengingsmogelijkheid benadrukt. Of er grond voor verlenging bestaat zal moeten worden beoordeeld in het licht van de strekking van de regeling. Daarbij zal, naast de financiële situatie waarin de alimentatiegerechtigde verkeert, onder meer van belang kunnen zijn in hoeverre haar behoefte aan voortduring van een uitkering tot levensonderhoud nog verband houdt met het huwelijk en of zij alles heeft gedaan wat redelijkerwijze mag worden verwacht om tot financiële zelfstandigheid te geraken (HR 19 december 2008, LJN BF3928).

3.11.3. Wat de financiële situatie van de - alimentatiegerechtigde - vrouw betreft, merkt het hof op dat tussen partijen niet in geschil is dat de inkomensachteruitgang als gevolg van de beëindiging van de partneralimentatie met zich brengt dat de vrouw, nu zij geen andere inkomsten tot haar beschikking heeft, aangewezen zal zijn op een bijstandsuitkering. Gelet op de hoogte van de partneralimentatie enerzijds en de hoogte van een bijstandsuitkering anderzijds, is het hof van oordeel dat deze inkomensachteruitgang als ingrijpend moet worden beschouwd.

3.12. Het hof is, evenals de rechtbank, van oordeel dat de beëindiging van de alimentatieplicht niet dusdanig ingrijpend is, dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw gevergd kan worden.

Uit de omstandigheden van het geval vloeien niet zulke zwaarwegende argumenten voort dat die een uitzondering op de regel en daarmee een voortgezette alimentatieverplichting na de wettelijke termijn van 12 jaar rechtvaardigen.

3.12.1. De vrouw is weliswaar van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij niet heeft aangetoond dat zij voldoende inspanningen heeft verricht om in haar eigen levensonderhoud te voorzien en dat zij onvoldoende activiteiten heeft ontplooid om tot zelfstandigheid te geraken (grief 1), doch het hof is van oordeel dat deze grief faalt.

3.12.2. De last aan te tonen dat zij er alles aan heeft gedaan om in eigen levensonderhoud te voorzien, maar dat dit desondanks niet is gelukt en dat dit niet verwijtbaar is, berust in dit geval bij de vrouw. Zij verzoekt immers de termijn van twaalf jaar te verlengen, aan welk verzoek zij ten grondslag legt dat maatstaven van redelijkheid en billijkheid hiertoe nopen

Gezien de geringe inspanningen die door de vrouw gedurende de gehele alimentatieperiode zijn verricht om de kansen in eigen levensonderhoud te voorzien te vergroten, is het hof op dezelfde gronden als de rechtbank – die het hof overneemt en tot de zijne maakt – van oordeel dat de vrouw niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij er alles aan heeft gedaan om tot financiële zelfstandigheid te geraken en dat zij hierin om niet verwijtbare redenen niet is geslaagd.

Daar voegt het hof aan toe dat de vrouw ter zitting desgevraagd naar voren heeft gebracht dat zij tot 2003 geen enkele sollicitatie heeft verricht en in de periode vanaf 2004 slechts enkele keren heeft gesolliciteerd, waarvan zij overigens – behoudens drie sollicitatiebrieven – geen bewijsstukken van heeft overgelegd. De vrouw heeft ook geen scholing dan wel cursussen gevolgd op haar vakgebied om de kans op passende arbeid te vergroten en evenmin heeft zij pogingen ondernomen om zichzelf te laten omscholen om haar kansen op de arbeidsmarkt te vergroten.

De vrouw stelt weliswaar dat zij door haar zorgtaken niet kon toekomen aan het verrichten van (solliciteren naar) betaalde arbeid – al dan niet onder de schooltijden van de kinderen – en (om)scholing, maar het hof is op dezelfde gronden als de rechtbank – die het hof overneemt en tot de zijne maakt – van oordeel dat zij dit onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt.

3.12.3. De vrouw beroept zich tevens op haar psychische en lichamelijke klachten. Zij stelt dat zij vanwege deze klachten arbeidsongeschikt is en dat dit moet worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die er toe dient te leiden dat de termijn voor de betaling van een onderhoudsbijdrage door de man dient te worden verlengd.

Het hof is van oordeel dat, nog daargelaten de vraag of de vrouw de door haar gestelde psychische en lichamelijke klachten, alsook het verband tussen deze klachten en het huwelijk van partijen – mede in het licht van de gemotiveerde betwisting door de man – voldoende heeft onderbouwd en aannemelijk gemaakt, de vrouw onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat deze klachten tot gevolg hebben dat de vrouw als geheel of ten dele arbeidsongeschiktheid aangemerkt dient te worden. Daartoe is van belang dat uit de stukken niet blijkt of en zo ja in hoeverre de door de vrouw gestelde klachten leiden tot arbeidsongeschiktheid. De vrouw heeft ter zitting desgevraagd ook bevestigd dat zij niet beschikt over een daadwerkelijke beoordeling door een deskundige ten aanzien van haar arbeids(on)geschiktheid.

Dat de vrouw, zoals zij ter zitting naar voren brengt, navraag heeft gedaan ten aanzien van haar arbeidsmogelijkheden en dat aan haar is medegedeeld dat deze mogelijkheden niet groot zijn, is, wat daar ook van zij, onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Aldus komt het hof tot de conclusie dat de derde grief van de vrouw faalt.

3.12.4. Voor zover de vrouw in haar tweede grief bezwaren uit tegen de overweging van de rechtbank dat de termijn van twaalf jaar de vrouw voldoende gelegenheid heeft geboden om zich voor te bereiden op het voorzien in eigen levensonderhoud, is het hof op dezelfde gronden als de rechtbank – die het hof overneemt en tot de zijne maakt – alsmede gelet op hetgeen hierboven reeds is overwogen, van oordeel dat deze grief in zoverre faalt.

Voor zover de vrouw in haar tweede grief zich keert tegen de overweging van de rechtbank dat de dat vrouw voldoende gelegenheid heeft gehad om haar levensstijl aan te passen aan de te verwachten toekomstige periode, wijst het hof naar hetgeen daaromtrent in 3.12.8. wordt overwogen.

3.12.5. In haar vierde grief werpt de vrouw tegen de overweging van de rechtbank op, dat niet valt in te zien waarom de man rekening had kunnen houden met een eventuele behoefte van de vrouw aan een door hem te betalen onderhoudsbijdrage na afloop van een termijn van twaalf jaar. Het hof is van oordeel dat deze grief evenmin kan slagen. Uitgangspunt is, zoals hiervoor overwogen, dat de verplichting tot levensonderhoud van rechtswege eindigt na twaalf jaren, mits sprake is van bijzondere omstandigheden die verlenging rechtvaardigen. Van dergelijke omstandigheden is, zoals blijkt uit het vorenoverwogene, naar het oordeel van het hof geen sprake. Aldus is het hof, anders dan de vrouw, van oordeel dat niet valt in te zien dat de man rekening had behoren te houden met het voortduren van de behoefte van de vrouw aan een onderhoudsbijdrage na afloop van vorenbedoelde twaalfjaarstermijn. Derhalve faalt ook de vierde grief van de vrouw.

3.12.6. De vrouw heeft voorts nog een grief gericht tegen het feit dat de rechtbank de financiële situatie van de man niet in aanmerking heeft genomen. Zij is van oordeel dat deze financiële situatie bij de beoordeling van het verzoek van belang kan zijn, omdat zonder een behoorlijk zicht daarop niet kan worden beoordeeld dat na ommekomst van de wettelijke termijn van twaalf jaar een definitieve beëindiging van de alimentatieverplichting naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid kan worden gevergd.

Het hof overweegt hieromtrent dat het ingevolge artikel 1:157 lid 4 BW eindigen van de alimentatieplicht na ommekomst van eerdergenoemde twaalfjaarstermijn een in beginsel definitief karakter heeft en plaatsvindt ongeacht de financiële draagkracht van de alimentatieplichtige. Eerst indien bijzondere omstandigheden aan de zijde van de alimentatiegerechtigde in beginsel zwaarwegend genoeg geacht worden om te komen tot de conclusie dat beëindiging van de alimentatie niet zonder meer kan worden gevergd, zullen de omstandigheden aan de zijde van de alimentatieplichtige, waaronder diens draagkracht, in de beoordeling betrokken dienen te worden. Het hof wijst in dit verband op de uitspraak van de Hoge Raad d.d. 19 december 2008 (NJ 2009, 136). Nu van dergelijke bijzondere omstandigheden aan de zijde van de vrouw niet is gebleken, bestaat er geen aanleiding om de financiële situatie van de man te bezien en faalt de zevende grief van de vrouw.

3.12.7. Met het falen van de voorgaande grieven, falen ook de vijfde, zesde en achtste grief, welke grieven voortborduren op de reeds verworpen grieven.

3.12.8. In haar tweede grief komt de vrouw op tegen de overweging van de rechtbank, inhoudende dat de vrouw voldoende gelegenheid heeft gehad om haar levensstijl aan te passen aan de te verwachten toekomstige periode. Zij voert daartoe onder meer aan dat de door haar ontvangen alimentatie is afgestemd op de welstand tijdens het huwelijk en derhalve op haar behoefte. Het is de vrouw dan ook niet gelukt om reserves op te bouwen en voorzieningen te treffen. Verkoop van haar woning kan in redelijkheid niet van haar worden verlangd en bovendien zal de opbrengst van de verkoop onvoldoende vermogen opleveren om de periode tot aan haar pensioen te overbruggen, aldus de vrouw.

Het hof is van oordeel dat, nu niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die met zich brengen dat ongewijzigde handhaving van de twaalfjaarstermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd, de vraag of de vrouw al dan niet de mogelijkheid heeft (gehad) om haar levensstijl aan te passen, reserves op te bouwen en de overwaarde van de woning te gelde te maken, in dit kader niet meer relevant is en derhalve geen beantwoording hoeft. Aldus kan ook dit deel van de tweede grief niet slagen.

3.13. De beschikking waarvan beroep dient dus te worden bekrachtigd.

4. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 22 februari 2012;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. O.G.H. Milar, P.C.G. Brants en J.U.M. van der Werff en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2012.