Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BY6269

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-12-2012
Datum publicatie
14-12-2012
Zaaknummer
HD 200.112.511 T
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:678, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het recht om de proceshandeling (memorie van grieven) te verrichten vervalt nu in plaats van die proceshandeling een incidentele vordering ex art. 843a Rv is ingesteld.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 843a, geldigheid: 2012-12-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2013/460

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer 200.112.511/01

rolbeslissing van 11 december 2012

in de zaak van

[Flushing Yard] Flushing Yard B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

advocaat: mr. B.J.M.P. Cremers te Breda,

tegen

[Overig Materieel] Overig Materieel I B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. J. van den Brande te Rotterdam,

Het geding in hoger beroep

1.1.[appellante] heeft bij dagvaarding aan [geintimeerde] aangezegd in hoger beroep te komen van het tussen partijen op 1 februari 2012 door de rechtbank Breda onder nummer 220930/ HA ZA 10-1157 gewezen vonnis. Daarbij heeft [appellante] [geintimeerde] opgeroepen te verschijnen ter zitting van dit hof op 4 september 2012. Op die datum is de zaak ingeschreven. In de appeldagvaarding zijn geen grieven opgenomen. Na een aanhouding, op grond van art. 127a Rv ter controle van de betaling van het griffierecht, is aan [appellante] een termijn van zes weken gegeven, derhalve tot 13 november 2012, voor het nemen van de memorie van grieven.

1.2.[geintimeerde] heeft op grond van art. 2.13 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (verder LRH) aan [appellante] partijperemptoir aangezegd tegen de zitting van 13 november 2012 en akte niet dienen tegen de zitting van 27 november 2012.

1.3.Op 27 november 2012 heeft [appellante] niet van grieven gediend.

Op die roldatum heeft [appellante] wel een incidentele memorie met vordering ex artikel 843a Rv ingediend. Aan het slot van die memorie concludeert [appellante] tot veroordeling van [geintimeerde] om op straffe van een dwangsom aan [appellante] afschrift en inzage te verstrekken van de processtukken van de procedure die [geintimeerde] bij de rechtbank Middelburg heeft gevoerd tegen Multraship Salvage B.V., Multiship Ocean Towage B.V. en Multratug B.V. (hierna tezamen: Multraship).

Laatstgenoemde procedure handelde over de verschuldigdheid van bergingskosten door [geintimeerde] aan Multraship. Laatstgenoemde partijen hebben een schikking getroffen voor een bedrag van € 1.050.000 waarna de procedure is beëindigd.

1.4. In het in dit hoger beroep bestreden vonnis heeft de rechtbank geoordeeld (r.o. 3.49) dat [appellante] aan [geintimeerde] aan hoofdsommen verschuldigd is een totaalbedrag van € 2.378.384,29 te vermeerderen met rente. Het onder 1.3 hiervoor genoemde bedrag van € 1.050.000 maakt van dit totaalbedrag deel uit.

1.5.[geintimeerde] heeft op de roldatum van 27 november 2012 gevorderd dat aan [appellante] akte niet dienen wordt verleend zodat haar recht tot het nemen van een memorie van grieven komt te vervallen.

1.6.De advocaten van partijen hebben hun standpunten vervolgens in faxberichten aan het hof uiteen gezet. Zij hebben daarbij steeds vermeld een afschrift van het bericht aan de wederpartij te hebben gezonden.

Het hof beschikt over faxberichten met de volgende data:

- 28 november 2012 ([geintimeerde])

- 28 november 2012 ([appellante])

- 30 november 2012 ([geintimeerde])

- 30 november 2012 ([appellante])

- 3 december 2012 ([geintimeerde]).

1.7.Op 28 november 2012 heeft [geintimeerde] de door [appellante] in het incident gevorderde stukken in afschrift verstrekt.

In zijn faxbericht van 28 november 2012 heeft de advocaat van [appellante] meegedeeld dat er gelet hierop geen noodzaak meer is om op de incidentele vordering te beslissen. Hij deelt voorts mee dat [appellante] thans in staat is om alle grieven te formuleren.

De beoordeling

2.1.Het hof overweegt dat [appellante] op grond van art. 1.7 en 2.13 LRH op de roldatum van 27 november 2012 geen uitstel meer kon verkrijgen voor het nemen van de memorie van grieven. Nu zij op die roldatum niet van grieven heeft gediend is haar recht om alsnog die proceshandeling te verrichten in beginsel komen te vervallen (art. 133 Rv).

2.2.1.Vervolgens is het de vraag of het verzuim van [appellante] om haar memorie van grieven te nemen werd gerechtvaardigd door het instellen van haar incidentele vordering van 843a Rv. Het hof overweegt daarbij dat de partijperemptoirstelling door [geintimeerde] erop was gericht dat [appellante] uiterlijk op 27 november 2012 de proceshandeling zou verrichten waar de zaak voor stond, dan wel dat het recht van [appellante] om die proceshandeling te verrichten zou komen te vervallen.

2.2.2.Tussen partijen staat vast dat [appellante] op geen enkel moment buiten rechte aan [geintimeerde] heeft verzocht om afgifte van de processtukken in de zaak [geintimeerde]/Multraship. [appellante] heeft in rechte de incidentele vordering op de laatst mogelijke datum ingesteld, toen zij na de peremptoirstelling van grieven moest dienen, op straffe van verval van het recht daartoe. Niet is gebleken van enig beletsel voor [appellante] om eerder de afgifte door [geintimeerde] te verzoeken of te vorderen. De stelling van [appellante], dat de verhouding tussen partijen al jaren lang ernstig verstoord is, staat er niet aan in de weg dat [appellante] voor, tijdens of na het tussen partijen naar aanleiding van het bestreden vonnis gevoerde overleg een dergelijk verzoek had kunnen doen. Voorts brengt het bepaalde in art. 20 lid 2 Rv met zich dat van [appellante] had mogen worden verwacht dat zij op een eerder moment in de procedure haar incidentele vordering zou hebben gedaan.

2.2.3.[appellante] heeft in haar incidentele memorie verder gesteld dat zij over voornoemde processtukken dient te beschikken teneinde haar verweer tegen de bergingskosten goed te kunnen substantiëren en om goed op de reeds in eerste aanleg in het geding gebrachte opinie van [X.] te kunnen reageren.

Het hof is [geintimeerde]eel dat hetgeen [appellante] aanvoert haar niet belette om de memorie van grieven te nemen.

De gevorderde afgifte van een afschrift van de processtukken heeft slechts betrekking op een onderdeel van de vorderingen. In de motivering van de rechtbank (van p. 5 tot 17) besteedt de rechtbank ongeveer een halve bladzijde aan de bergingskosten. Ook in de stellingen van [appellante] was er dus geen beletsel om de, dwingend door de peremptoirstelling voorgeschreven, termijn voor het nemen van de memorie van grieven te benutten ten aanzien van alle overige overwegingen en beslissingen van de rechtbank. Op basis van de informatie, die [appellante] reeds voorhanden had, moest [appellante] eveneens in staat geacht worden haar bezwaren tegen het oordeel omtrent de bergingskosten te kunnen formuleren. Voor het geval de – latere – verstrekking van de processtukken van de procedure [geintimeerde]/Multraship voor [appellante] nieuwe feiten of omstandigheden zouden opleveren, zou voor haar, ingevolge inmiddels vaste jurisprudentie, de mogelijkheid bestaan om haar stellingen aan deze nieuwe of nieuw gebleken feiten of omstandigheden aan te passen en zonodig een nieuwe grief te formuleren.

Mede gelet op de partijperemptoirstelling en de door de handelwijze van [appellante] ontstane onredelijke vertraging (zie hiervoor onder 2.2.2) had van [appellante] dus verwacht mogen worden dat zij haar memorie van grieven op de laatste daarvoor aangewezen roldatum zou hebben genomen.

2.5.Het hof is dan ook [geintimeerde]eel dat het instellen van de incidentele vordering [appellante] niet belette de proceshandeling te verrichten waar de zaak voor stond.

Het gevolg hiervan is dat het recht van [appellante] om de memorie van grieven te nemen is vervallen omdat die proceshandeling niet binnen de daarvoor gestelde termijn is verricht en daarvoor geen nader uitstel is verkregen

2.6.[appellante] heeft meegedeeld dat haar incidentele vordering geen behandeling meer behoeft. Het hof zal de zaak naar nader te noemen roldatum verwijzen voor beraad aan de zijde van [geintimeerde].

De beslissing

Het hof

3.1. verklaart het recht van [appellante] om de memorie van grieven te nemen vervallen;

3.2. verwijst de zaak naar de rol van 8 januari 2013 voor beraad aan de zijde van [geintimeerde];

3.3 houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beslissing is gegeven door mr. S.M.A.M. Venhuizen, rolraadsheer, in het openbaar uitgesproken op 11 december 2012 en ondertekend door de griffier en de rolraadsheer.