Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BY6126

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-12-2012
Datum publicatie
14-12-2012
Zaaknummer
HV 200.109.466
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rekening en verantwoording bewindvoerder

Omvang en bevoegdheden, alsmede toezichthoudende taak van de rechter in het kader van onderbewindstelling ter bescherming van meerderjarigen.

Het is de rechter die in individuele gevallen toezicht houdt op het bewind alsmede op het functioneren van de bewindvoerder. In dat kader kan de rechter correcties aanbrengen in de rekening en verantwoording en de verplichting opleggen het te veel in rekening gebrachte terug te betalen. In de uitoefening van zijn toezichthoudende taak kan de rechter goedkeuring (op onderdelen) onthouden aan de rekening en verantwoording die ingevolge artikel 1:445 lid 1 BW ten overstaan van hem wordt afgelegd.

Het hof legt verder de toets aan of het inschakelen van een advocaat en het maken van advocaatkosten in het belang van de rechthebbende gerechtvaardigd is.

Het hof ziet in de bijzondere aard van de onderhavige procedure geen aanleiding om een proceskostenveroordeling uit te spreken noch te bepalen dat de proceskosten worden gecompenseerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Uitspraak: 13 december 2012

Zaaknummer: HV 200.109.466/01

Zaaknummers eerste aanleg: 422554 11-2583, 468420 12-1277 en 468421 12-1278

in de zaak in hoger beroep van:

Mr. [X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: mr. [appellant],

advocaat: mr. M.J.A.M. Tonnaer.

Rechthebbende:

[Y.],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de rechthebbende,

bijgestaan door haar bewindvoerder mevrouw W. Drooghaag,

kantoorhoudende te Heerlen,

advocaat: mr. S.X.J. Zuidema.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Maastricht van 28 maart 2012.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 27 juni 2012, heeft mr. [appellant] verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- te bepalen dat de bewindvoerdersbeloning zal worden vastgesteld conform de gebruikelijke berekeningsmethodiek;

- te verklaren voor recht dat op mr. [appellant] geen terugbetalingsverplichting rust ten aanzien van de kosten voor de SmartFMS-applicatie;

- te verklaren voor recht dat de derdengelden correct en juist zijn verantwoord;

- te verklaren voor recht dat op mr. [appellant] geen terugbetalingsverplichting rust ten aanzien van de kosten voor het gebruik van de derdengeldenrekening;

- te verklaren voor recht dat op mr. [appellant] geen terugbetalingsverplichting rust ten aanzien van de advocaatkosten;

- de rechthebbende te veroordelen in de proceskosten gerezen aan de zijde van mr. [appellant], daaronder begrepen de griffierechten, salaris advocaat en overige verschotten.

2.2. Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de rechthebbende geen verweerschrift ingediend.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2012. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- mr. [appellant], bijgestaan door mr. Tonnaer;

- namens de rechthebbende: mr. Zuidema.

Mevrouw [getuige 1.] is gehoord als getuige.

2.3.1. De rechthebbende en de huidige bewindvoerder zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de brieven met bijlagen van de advocaat van mr. [appellant] d.d. 19 september 2012 en 20 september 2012;

- de ter zitting door de advocaat van mr. [appellant] overgelegde pleitnotitie;

- de nagekomen brief van de advocaat van mr. [appellant] d.d. 27 november 2012;

- de schriftelijke reactie hierop van de advocaat van de rechthebbende d.d. 28 november 2012.

3. De beoordeling

3.1. Het geschil

3.1.1.Het gaat in deze zaak, kort gezegd, om de rekening en verantwoording over het door mr. [appellant] gevoerde bewind over het vermogen van de rechthebbende in de periode van 13 oktober 2008 tot en met 31 december 2010 en de door mr. [appellant] verzochte vaststelling van de bewindvoerdersbeloning.

3.1.2.De rechtbank heeft de goedkeuring aan de rekening en verantwoording onthouden op de onderdelen beloning, betalingen aan de derdengeldenrekening, kosten gebruik derdengeldenrekening, kosten van de SmartFMS-applicatie en kosten betaald aan het aan de bewindvoerder gelieerde advocatenkantoor, zoals verder in het lichaam van de bestreden beschikking is overwogen.

3.1.3.Daarnaast heeft de rechtbank mr. [appellant] een bewindvoerdersbeloning toegekend voor de periode van 13 oktober 2008 tot en met 31 december 2008 van € 388,94, (inclusief intakekosten) voor de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009 van € 1.071,- en voor de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010 van € 1.111,46, alle voormelde bedragen inclusief BTW en ongespecificeerde kosten.

3.1.4.Ten slotte heeft de rechtbank mr. [appellant] veroordeeld tot terugbetaling aan de rechthebbende van een bedrag van € 2.716,73.

3.2.Grief 1

3.2.1.Grief 1 houdt in dat de rechtbank ten onrechte (op onderdelen) goedkeuring heeft onthouden aan de rekeningen en verantwoordingen die betrekking hebben op de periode van 13 oktober 2008 tot en met 31 december 2010. In het kader van artikel 1:445 lid 1 BW, welk artikel hier van toepassing is, kan alleen de rechthebbende, en derhalve niet de rechtbank, goedkeuring onthouden aan de rekening en verantwoording. De rechtbank kan niet beslissen over de aanvaardbaarheid van de rekening en verantwoording, doch ten aanzien hiervan enkel adviseren aan de rechthebbende. Ook de artikelen 1:445 lid 4 jo. 1:374 lid 2 BW, en de artikelen 1:445 lid 4 jo. 1:360 lid 1 BW brengen niet de bedoelde bevoegdheid voor de rechtbank mee goedkeuring te onthouden aan de rekening en verantwoording, aldus mr. [appellant].

3.2.2.Het hof stelt voorop dat het de rechter is die in individuele gevallen toezicht houdt op het bewind alsmede op het functioneren van de bewindvoerder. De rechter stelt immers het bewind in en hij benoemt en ontslaat de bewindvoerder; hij is bevoegd om de bewindvoerder ten verhore te doen oproepen en deze is verplicht de inlichtingen te verstrekken die de rechter van hem wenst; de rechter ontvangt ook jaarlijks de rekening en verantwoording van de bewindvoerder. In de uitoefening van zijn toezichthoudende taak kan de rechter goedkeuring (op onderdelen) onthouden aan de rekening en verantwoording die ingevolge artikel 1:445 lid 1 BW ten overstaan van hem wordt afgelegd. Dit geldt ook indien de rechthebbende geacht moet worden (volledige) goedkeuring te hebben verleend aan de rekening en verantwoording. Hierbij merkt het hof op dat de beslissing van de rechtbank de goedkeuring op onderdelen aan de rekening en verantwoording te onthouden, niet de aansprakelijkheid van de bewindvoerder jegens de rechthebbende impliceert. Hoe de bestreden beschikking de eventueel door de rechthebbende aan de bewindvoerder verleende decharge dan kan doorkruisen, zoals in de toelichting op de grief wordt betoogd, valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet te begrijpen. Grief 1 faalt derhalve.

3.3.Grief 2

3.3.1.Grief 2 houdt in dat de rechtbank blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het bepaalde in artikel 1:444 BW. De rechtbank heeft zich in de bestreden beschikking uitgesproken over de aansprakelijkheid van de bewindvoerder jegens de rechthebbende als bedoeld in artikel 1:444 BW en over de schade die de rechthebbende in dat verband zou hebben geleden, zonder dat een geschil daarover aan de rechtbank is voorgelegd, terwijl bovendien, door goedkeuring van de rekening en verantwoording door de rechthebbende, de bewindvoerder decharge is verleend.

3.3.2.Deze grief faalt. De rechtbank heeft op het verzoek van de bewindvoerder tot vaststelling van de bewindvoerdersbeloning, aan welk verzoek mr. [appellant] zelf refereert in grief 2, en – voorts – in het kader van haar toezichthoudende taak bij het afleggen van de rekening en verantwoording correcties aangebracht, beslist over de hoogte van de bedoelde beloning en de ten laste van de rechthebbende gebrachte kosten en vervolgens in dit verband aan mr. [appellant] de verplichting opgelegd hetgeen te veel bij de rechthebbende in rekening is gebracht, terug te betalen. De rechtbank is naar het oordeel van het hof daarmee binnen de kaders van de haar toegemeten bevoegdheden en met name haar toezichthoudende taak gebleven.

3.4.Grief 3

3.4.1.In zijn derde grief stelt mr. [appellant] dat de rechtbank ten onrechte overweegt dat de kosten van de SmartFMS-applicatie niet ten laste van de rechthebbende komen.

3.4.2.Anders dan mr. [appellant], is het hof – in overeenstemming met de beschikking van de Hoge Raad van 28 september 2012, LJN BX7462 – van oordeel dat het sluiten van de overeenkomsten met betrekking tot de software voor de SmartFMS-applicatie buiten de grenzen van een normale exploitatie van de onder bewind gestelde goederen en daarmee buiten het in artikel 1:438 lid 1 BW bedoelde bewind valt. Het hof overweegt dat van de zijde van mr. [appellant] ter zitting in hoger beroep is verklaard dat de SmartFMS-applicatie niet noodzakelijk is om het bewind over de goederen en financiën te voeren. Naar het oordeel van het hof kan dan ook niet worden gesproken van een “gewone beheersdaad” die de bewindvoerder ingevolge artikel 1:441 lid 2, aanhef en onder a, BW, zonder toestemming van de rechthebbende mag verrichten. Aan dit oordeel staat overigens niet in de weg dat het gebruik van de SmartFMS-applicatie (tevens) nuttig en leerzaam voor de rechthebbende kan zijn. Ter zitting in hoger beroep heeft mr. [appellant] desgevraagd verklaard dat geen van de rechthebbenden – in de bewinden waarin mr. [appellant] als bewindvoerder is benoemd – voorafgaande toestemming heeft gegeven voor het aanvragen van de applicatie en dat geen van de rechthebbenden de door mr. [appellant] met de softwareleverancier (Idieka B.V.) gesloten overeenkomst onder ogen heeft gehad. Anders dan mr. [appellant] stelt, kan uit het gegeven dat de rechthebbende gebruik heeft gemaakt van de SmartFMS-applicatie geen toestemming worden afgeleid. Het hof sluit daarbij aan bij de hiervoor genoemde beschikking van de Hoge Raad van 28 september 2012. In deze uitspraak overweegt de Hoge Raad in dit verband dat het bewind ertoe strekt kwetsbare meerderjarigen te beschermen. Door mr. [appellant] is in dit verband gesteld dat van een kwetsbare meerderjarige alleen sprake is indien deze ten tijde van het instellen van het bewind geacht moet worden een rechthebbende te zijn als bedoeld in artikel 1:445 lid 2 BW en derhalve toen niet in staat was de rekening op te nemen.

Mr. [appellant] acht het in dit kader van belang dat er nader onderzoek wordt gedaan naar de (psychische) gesteldheid van de rechthebbende en heeft het hof verzocht dat onderzoek te gelasten.

Het hof wijst dat verzoek af, nu uit het enkele gegeven dat sprake is van een onderbewindstelling de bedoelde kwetsbaarheid reeds voortvloeit.

Mr. [appellant] wijst er nog op dat in diverse dossiers verklaringen zijn overgelegd waarin rechthebbenden kenbaar hebben gemaakt dat zij gebruik wilden blijven maken van de SmartFMS-applicatie en ten aanzien van welke rekening de rechthebbenden graag inzage wilden blijven houden.

Deze verklaringen zijn naar het oordeel van het hof niet aan te merken als achteraf verkregen toestemming en ook niet als toestemming geldend vanaf de datum van die verklaringen. Niet gebleken is immers dat deze rechthebbenden door mr. [appellant] voorafgaande aan de ondertekening van de verklaring ter zake voldoende zijn geïnformeerd. Niet gesproken kan worden van een “informed consent”. Dit geldt temeer nu de nieuwsbrief van de bewindvoerder ten aanzien van het gebruik van de SmartFMS-applicatie onvolledige zo al niet misleidende informatie bevatte door de mededeling dat indien de rechthebbende een tussentijds totaaloverzicht wenste conform dezelfde richtlijnen als de jaarlijkse rekening en verantwoording, daarvoor een bedrag van € 186,83 aan extra kosten diende te worden betaald. Niet wordt vermeld, dat in de praktijk, zoals ook ter zitting naar voren is gekomen, het zelden of nooit voorkomt dat tussentijds een dergelijke rekening en verantwoording nodig is en wordt gevraagd, terwijl ook niet duidelijk uit de nieuwsbrief naar voren komt welke informatie wel kosteloos wordt gegeven c.q. kan worden verkregen.

3.4.3.Mr. [appellant] heeft voorts nog gesteld dat de SmartFMS-applicatie uitsluitend in het belang van de rechthebbende is en dat het derhalve gerechtvaardigd is dat de met de applicatie verband houdende kosten voor rekening van de rechthebbende dienen te komen.

3.4.4.Het hof gaat hieraan voorbij. Om als professioneel bewindvoerder op de juiste wijze het beheer over de gelden en het vermogen van de rechthebbenden te kunnen voeren, dient de bewindvoerder de beschikking te hebben over een daartoe toereikend boekhoudsysteem. Ter zitting van het hof is door de advocaat van mr. [appellant] naar voren gebracht dat met het gebruik van een zodanig boekhoudsysteem jaarlijks aanzienlijke kosten gemoeid zijn. De kosten die het gebruik van de SmartFMS-applicatie voor mr. [appellant] met zich bracht, betroffen echter uitsluitend de opleidingskosten van diens medewerkers verband houdende met het omgaan met het systeem. Nu de door mr. [appellant] ter zake afgesloten overeenkomst met Idieka B.V. niet in het geding is gebracht en verdere uitleg en nadere informatie ontbreekt, kan het hof slechts concluderen dat mr. [appellant] door het aangaan van de overeenkomst ten aanzien van de SmartFMS-applicatie de kosten van een boekhoudsysteem heeft willen doen dragen door de rechthebbenden hetgeen op zichzelf reeds inhoudt dat mr. [appellant] het gebruik van de SmartFMS-applicatie mede tot zijn voordeel heeft willen doen strekken. Daarbij komt dat de SmartFMS-applicatie, ongeacht de behoefte en mogelijkheden van de individuele rechthebbende, op alle rechthebbenden is toegepast, zodat, nu kennelijk een individuele afweging heeft ontbroken, niet gezegd kan worden dat het systeem in het belang van de individuele rechthebbende is aangeschaft en gebruikt.

3.4.5.Het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien, brengt mee dat nu mr. [appellant] in 2010 ten laste van de rechthebbende een bedrag van € 120,- heeft uitbetaald aan Idieka B.V. ten behoeve van de SmartFMS-applicatie,

mr. [appellant] gehouden is dit bedrag aan de rechthebbende terug te betalen.

3.5.Grief 4

3.5.1.In zijn vierde grief stelt mr. [appellant] dat de rechtbank ten onrechte onder 2.3 van de bestreden beschikking overweegt dat het tarief voor professionele bewindvoerders pas vanaf december 2008 in rekening gebracht mag worden.

3.5.2.De bezwaren van mr. [appellant] richten zich daarbij op de overwegingen van de rechtbank ten aanzien van het inkomensbeheer, de ingangsdatum van het tarief van professionele bewindvoerders aangesloten bij de Branchevereniging van Professionele Bewindvoerders en Inkomensbeheerders (BPBI) en de door hem overgelegde betaalopdracht/transactie.

Mr. [appellant] stelt verder recht te hebben op, vergoeding van extra uren in verband met problematische schulden, het beheer van het PGB en/of begeleiding tijdens de schuldsaneringsregeling.

Inkomensbeheer

3.5.3.In de bestreden beschikking overweegt de rechtbank dat zij de door mr. [appellant] bij de rechthebbende in rekening gebrachte kosten voor inkomensbeheer niet in de eindafrekening betrekt, nu deze kosten naar het oordeel van de rechtbank niet onder het begrip bewindskosten vallen, deze “vordering” niet is onderbouwd en zij evenmin in de boedelbeschrijving noch in enig ander opvolgend schuldenoverzicht staat vermeld.

3.5.4.Tegen deze overweging van de rechtbank komt mr. [appellant] op met de stelling dat hij met de rechthebbende een overeenkomst tot inkomensbeheer is aangegaan, op grond waarvan de met dit beheer gepaard gaande kosten aan hem zijn verschuldigd. Volgens mr. [appellant] heeft hij ook de kosten voor deze dienst opgenomen in de eindafrekening, teneinde een duidelijk beeld te geven van de totale dienstverlening.

3.5.5.Het hof is van oordeel dat deze grief van mr. [appellant] niet slaagt reeds omdat niet mr. [appellant], maar Budgetbeheer Limburg B.V. de betreffende overeenkomst tot inkomensbeheer met de rechthebbende heeft gesloten. Deze omstandigheid alleen al brengt naar het oordeel van het hof mee dat mr. [appellant] de kosten voor het inkomensbeheer voorafgaand aan het bewind niet als hem toekomende gelden in de eindafrekening in het kader van het beschermingsbewind mocht betrekken.

Ingangsdatum tarief professionele bewindvoerder aangesloten bij de BPBI

3.5.6.Mr. [appellant] heeft ter zake gesteld dat de rechtbank ten onrechte onder 2.3 van de bestreden beschikking heeft overwogen dat het hogere tarief dat geldt voor professionele bewindvoerders pas met ingang van december 2008 in rekening mag worden gebracht. Mr. [appellant] verwijst daartoe naar een verklaring van de BPBI waaruit zou blijken dat er sprake is van een lidmaatschap sinds 10 november 2008. Daarnaast verwijst mr. [appellant] naar de beschikking van dit hof van 28 november 2011 met zaaknummer HV 200.093.989/01 waarin is beslist dat ook voor de maand november 2008 het hogere tarief geldt.

3.5.7.Vast staat dat op 10 november 2008 een auditverklaring aan Budgetbeheer Limburg B.V. is afgegeven waarbij is getoetst of die organisatie voldoet aan de lidmaatschapseisen van de BPBI. Uit de bestreden beschikking blijkt dat de BPBI aan mr. [appellant] een brief heeft gezonden van 14 november 2008 waarin staat vermeld: “Uw definitieve lidmaatschap gaat in vanaf 1 december 2008 (…) zodat u gerechtigd bent vanaf die datum de tarieven voor een Professionele Bewindvoerdersorganisatie te berekenen”, waarvan de inhoud in hoger beroep niet door mr. [appellant] is betwist. Het hof zal het oordeel van de rechtbank volgen en de hogere beloning met ingang van 1 december 2008 toekennen. Het hof gaat aldus voorbij aan bovengemelde beschikking van dit hof van 28 november 2011.

Betaalopdracht/transactie

3.5.8.Mr. [appellant] stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de door hem overgelegde print van een elektronische betaalopdracht niet als rechtsgeldig bewijs kan dienen van betaling.

3.5.9.Hoewel aan mr. [appellant] kan worden toegegeven dat het hier een transactie en geen betaalopdracht betreft, zal het hof met deze transactie in zijn uitspraak geen rekening houden nu de betaling is verricht in 2011 en derhalve na de periode die thans ter beoordeling aan het hof voorligt.

Vergoeding van extra uren

3.5.10.Mr. [appellant] stelt dat het regelen van zeer problematische schulden, het beheer van het PGB en/of begeleiding tijdens de schuldsaneringsregeling niet vallen onder de reguliere taak van de bewindvoerder zodat een vergoeding voor extra uren op zijn plaats is.

3.5.11.Het verzoek van mr. [appellant] tot vergoeding van extra uren ter zake de zojuist genoemde werkzaamheden is thans in hoger beroep niet voor toewijzing vatbaar. Desgevraagd is ter zitting van het hof zijdens mr. [appellant] verklaard dat het verzoek om vergoeding van extra uren thans voor het eerst in hoger beroep voorligt en een zodanig verzoek niet eerder, ook niet in het kader van de rekening en verantwoording over de jaren 2008 tot en met 2010 aan de rechtbank is gedaan. Voor zover het onderhavige verzoek al niet heeft te gelden als een nieuw verzoek in hoger beroep en mr. [appellant] in dit verzoek daarmee niet-ontvankelijk is, is het hof van oordeel dat het hof, op basis van het voorliggende dossier en hetgeen zijdens mr. [appellant] in de stukken en ter zitting naar voren is gebracht, ook onvoldoende in staat is te beoordelen in hoeverre vergoeding van extra uren in dezen gerechtvaardigd zou zijn.

Derdengeldenrekening

3.6.Ter zitting in hoger beroep heeft mr. [appellant] zijn verzoek te verklaren voor recht dat de derdengelden correct en juist zijn verantwoord, ingetrokken. Derhalve komt het hof niet aan bespreking van dit verzoek toe.

3.6.1.Het hof deelt de bezwaren van de rechtbank tegen het in rekening brengen bij de rechthebbende van het gebruik door mr. [appellant] van de derdengeldenrekening. Behalve dat ter zake kennelijk forfaitaire bedragen, min of meer willekeurig – soms wel, dan weer niet – in rekening zijn gebracht, waarvoor bovendien een reële onderbouwing ontbreekt, is het hof van oordeel dat via de derdengeldenrekening gelden bestemd voor de rechthebbende werden ontvangen en betalingen ten behoeve van de rechthebbende c.q. doorstortingen op de bewindrekening van de rechthebbende werden verricht; alle zaken die tot de normale taakuitoefening van een bewindvoerder behoren waarvoor deze een bewindvoerderssalaris ontvangt. Voorts zien, anders dan zijdens mr. [appellant] ter zitting is aangevoerd, de voor het gebruik van de derdengeldenrekening in rekening gebrachte bedragen van in totaal

€ 30,- niet op kosten die de rechthebbende ook zonder bewind had moeten maken. Deze bedragen zijn dan ook, zoals de rechtbank juist heeft geoordeeld, ten onrechte aan de betreffende rechthebbende in rekening gebracht en dienen daarom te worden gerestitueerd.

3.7. Grief 5

3.7.1.Mr. [appellant] voert als vijfde grief aan dat de rechtbank ten onrechte de goedkeuring heeft onthouden aan de betalingen aan een aan mr. [appellant] gelieerd advocatenkantoor.

3.7.2.Het hof overweegt dat de meest verstrekkende stelling van mr. [appellant] in dezen is dat de rechtbank hier geen oordeel over toekomt nu de rechthebbende zelf de opdrachtgeefster is, de rechthebbende een vrije advocaatkeuze toekomt alsmede of, door wie en op welke wijze deze haar zaak behandeld wenst te zien.

Het hof gaat aan deze stelling voorbij onder verwijzing naar hetgeen ten aanzien van de toezichthoudende taak van de rechtbank hiervoor is overwogen.

3.7.3. Ten aanzien van de betalingen aan een aan mr. [appellant] gelieerd kantoor overweegt het hof in het bijzonder dat de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Maastricht, in haar beschikking van 11 oktober 2011 (zaaknummer 447688 BM VERZ 11-1786), bij welke beschikking mr. [appellant] ook ten aanzien van het onderhavige bewind is ontslagen als bewindvoerder, heeft geconstateerd dat in ongeveer 50 procent van de bewinden waarin mr. [appellant] als bewindvoerder was benoemd betalingen zijn verricht aan een aan mr. [appellant] gelieerd advocatenkantoor terwijl dit bij andere (advocaat-)bewindvoerders zelden het geval is. Het door de rechtbank genoemde percentage is in hoger beroep door mr. [appellant] niet, althans niet voldoende gemotiveerd, betwist. De enkele stelling dat de onderbewindstellingen waarmee mr. [appellant] werd belast met name schuldhulpverlening gerelateerde onderbewindstellingen zouden betreffen, vormt geen afdoende verklaring voor dit hoge percentage.

3.7.4.De rechtbank heeft in dit verband overwogen van oordeel te zijn dat van een ongewenste belangenverstrengeling sprake is indien mr. [appellant] als advocaat en tegelijkertijd als bewindvoerder optreedt.

Zijdens mr. [appellant] is aangevoerd dat van belangenverstrengeling in het geheel geen sprake is en dat het juist in het belang van de rechthebbende en kostenbesparend is indien haar zaak door mr. [appellant], dan wel door een kantoorgenoot, als advocaat wordt behartigd.

Het hof kan mr. [appellant] hierin niet volgen. Het is evident dat een bewindvoerder er financieel belang bij heeft om voor een rechthebbende als advocaat te kunnen optreden of een van zijn kantoorgenoten als zodanig te kunnen laten optreden en dat dit op zijn minst genomen de schijn van belangenverstrengeling met zich brengt. Bovendien ontbreekt door vermenging van de rollen van bewindvoerder als wettelijk vertegenwoordiger van de rechthebbende en die van advocaat (of aan de bewindvoerder gelieerde advocaat) adequaat toezicht op een goede taakvervulling van de advocaat. De rechtbank heeft in dit verband in februari 2010 de eis gesteld dat mr. [appellant] vanaf dat moment in alle dossiers machtiging vraagt alvorens geprocedeerd gaat worden.

Mr. [appellant] heeft zich op het standpunt gesteld dat deze eis niet door de rechtbank kan worden gesteld. Ter zitting van het hof heeft mr. [appellant] nog verwezen naar de uitspraak van de Hoge Raad van 28 september 2012, LJN BX7464, waarin is geoordeeld dat artikel 1:443 BW geen verplichting inhoudt tot het vragen van een machtiging om in rechte op te treden.

Op zich is het juist dat voor een optreden in rechte geen voorafgaande toestemming van de rechtbank nodig is. Dit laat echter onverlet dat de rechtbank, indien, zoals in dezen onbestreden is, wordt geconstateerd dat er verhoudingsgewijs in de door mr. [appellant] uitgevoerde bewindzaken onevenredig veel betalingen worden verricht aan een aan de bewindvoerder gelieerd advocatenkantoor, gerechtigd en zelfs gehouden is ter zake verscherpt toezicht te houden. Dat de rechtbank daarbij de eis heeft gesteld van voorafgaande machtiging is in dat kader zonder meer begrijpelijk.

3.7.5.Aan de rechtbank komt, naar het oordeel van het hof, in de gegeven situatie, ongeacht de eventuele toestemming van de rechthebbende tot het maken van advocaatkosten, de bevoegdheid toe om de noodzaak van het maken van deze advocaatkosten en de gegrondheid van de in rekening gebrachte bedragen te toetsen en daaraan consequenties te verbinden. Al hetgeen mr. [appellant] ter zake nog verder heeft aangevoerd, maakt dit oordeel niet anders.

3.7.6.Hoewel in dezen door de rechtbank wordt overwogen dat geen voorafgaande machtiging is verleend, is de rechtbank wel overgegaan tot een toetsing van de noodzaak van het inschakelen van een advocaat en de in rekening gebrachte advocaatkosten. Het hof zal in dezen de toets aanleggen of het inschakelen van een advocaat en het maken van advocaatkosten in het belang van de rechthebbende gerechtvaardigd is.

Namens mr. [appellant] is aangevoerd dat van noodzakelijke advocaatwerkzaamheden die vergoed moeten worden, sprake is indien daarvoor een toevoeging is verleend, nu de afweging of het noodzakelijk was een advocaat in te schakelen, is getoetst door de Raad voor Rechtsbijstand.

Het hof verwerpt deze stelling, nu de toets die door de Raad voor Rechtsbijstand wordt gehanteerd bij het al dan niet verlenen van een toevoeging niet op één lijn is te stellen met de toets waar het in het kader van het bewind om gaat en die het hof, zoals hiervoor aangegeven, zal aanleggen.

Voor zover blijkt van aldus noodzakelijk te achten advocaatwerkzaamheden waarvan de hoogte van de daarvoor verschuldigde vergoeding op basis van hetgeen thans voorligt met voldoende zekerheid is vast te stellen, zal het hof deze kosten in aanmerking nemen.

In het onderhavige geval is het hof niet gebleken van feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel kunnen leiden dan dat van de rechtbank. Mr. [appellant] is verder niet inhoudelijk op de overwegingen van de rechtbank ingegaan en heeft volstaan met het overleggen van stukken. Deze stukken hebben deels betrekking op een ontslagkwestie (productie 16) en bevatten mede een uitdraai van een factuur (productie 20) met vermelding [rechthebbende]/ontslagvergunning, met als datum 20 september 2012 en met kenmerk [factuurnummer], benevens een urenspecificatie. Nog afgezien van het gegeven dat geen fotokopie van de originele factuur is overgelegd, is de overgelegde uitdraai van een factuur ook qua datum en kenmerk niet te herleiden tot de niet door de rechtbank geaccepteerde betalingen zoals weergegeven in de beschikking van de rechtbank. Een en ander kan dan ook niet ter onderbouwing van deze betalingen dienen. Verder is overgelegd een veroordelend vonnis van de rechtbank Maastricht van 14 oktober 2009 gewezen tussen ICS B.V. en de rechthebbende (productie 17). Facturen ter zake zijn niet overgelegd, noch een verantwoording van verrichte werkzaamheden en gewerkte uren, terwijl ook niet op voorhand blijkt van de noodzaak ter zake een advocaat in te schakelen. Van de overigens overgelegde stukken is het hof de relevantie in het kader van betaalde advocaatkosten niet gebleken. Concluderend is het hof van oordeel dat van het totaal aan betaalde advocaatkosten tot een bedrag van € 2.564,- niet gebleken is dat deze advocaatkosten in het belang van de rechthebbende gerechtvaardigd waren.

Mr. [appellant] droeg hiervoor als bewindvoerder verantwoordelijkheid en dient de niet in het belang van de rechthebbende gerechtvaardigde aan het aan hem gelieerde advocatenkantoor betaalde kosten van € 2.564,- aan de rechthebbende terug te betalen.

3.8.Het hiervoor overwogene leidt ertoe dat mr. [appellant] over het gevoerde bewind tot en met 31 december 2010 aan de rechthebbende een bedrag van in totaal € 2.716,73 dient terug te betalen, te weten:

-de te veel geïnde bewindvoerdersbeloning van € 2,73 (zoals door de rechtbank vastgesteld);

-de ten onrechte bij de rechthebbende in rekening gebrachte kosten van het gebruik van de derdengeldenrekening van € 30,-;

-de kosten van de SmartFMS-applicatie van € 120,-;

-de ten onrechte aan het aan mr. [appellant] gelieerde advocatenkantoor betaalde

advocaatkosten van € 2.564,-.

3.9.Proceskosten

3.9.1.Ten slotte heeft mr. [appellant], met een beroep op artikel 1:442 BW, het hof verzocht om veroordeling van de rechthebbenden in de proceskosten. Bij schrijven van 27 november 2012 heeft mr. [appellant] het verzoek om de rechthebbende te veroordelen in de proceskosten niet langer gehandhaafd en verzocht de proceskosten te compenseren. Hoewel de brief is ingekomen nadat de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, zal het hof het gewijzigde verzoek in behandeling nemen nu dit niet ten nadele van de rechthebbende strekt.

3.9.2.Van de zijde van de rechthebbende is verzocht mr. [appellant] in de proceskosten te veroordelen. Op voormelde brief van de advocaat van mr. [appellant] van 27 november 2012 is zijdens de advocaat van de rechthebbende gereageerd bij faxbericht van 28 november 2012, waarin wordt aangegeven dat wordt gepersisteerd bij de zijdens de rechthebbende verzochte proceskostenveroordeling van mr. [appellant]. Daarbij is nog aangegeven dat de rechthebbende het eens is met de bestreden beschikking en dat zij niet heeft gevraagd om deze procedure waarin zij zich moet verweren.

3.9.3.Het hof ziet in de bijzondere aard van de onderhavige procedure, waarin geen griffierecht wordt geheven en waarbij het hof nog verwijst naar hetgeen hiervoor onder 3.2 en 3.3 is overwogen aanleiding om geen proceskostenveroordeling uit te spreken en evenmin te bepalen dat de proceskosten worden gecompenseerd.

3.10.Bewijs

3.10.1.Mr. [appellant] biedt aan van al zijn stellingen en weren bewijs te leveren. Voorts biedt hij aan als getuigen te doen horen de heer [getuige 2.] en mevrouw [getuige 3.], uitvoerend bewindvoerders van de rechthebbende, die beiden “kunnen verklaren over het gevoerde bewind en de daarvoor in rekening gebrachte kosten”. Ten slotte biedt mr. [appellant] aan de rechthebbende als getuige te doen horen. De rechthebbende kan verklaren te hebben ingestemd met de uitgaven, goedkeuring te hebben verleend aan de rekening en verantwoording en decharge te hebben verleend aan mr. [appellant].

3.10.2.Het hof oordeelt als volgt. Het aanbod van mr. [appellant] van al zijn stellingen en weren bewijs te leveren, passeert het hof als onvoldoende gespecificeerd, nu mr. [appellant] slechts in de hierboven weergegeven algemene bewoordingen bewijs van deze stellingen en weren heeft aangeboden. Ook het aanbod de heer [getuige 2.], mevrouw [getuige 3.] en de rechthebbende als getuigen te doen horen (wat de rechthebbende betreft ter zake haar instemming met “de uitgaven”) verwerpt het hof als onvoldoende gespecificeerd, nu mr. [appellant] bij het doen van dit aanbod niet, althans niet voldoende concreet heeft aangegeven op welke van zijn stellingen dit aanbod betrekking heeft. Het aanbod, ten slotte, om de rechthebbende als getuige te doen horen ter zake de door haar verleende goedkeuring aan de rekening en verantwoording en de door haar verleende decharge, passeert het hof als niet ter zake dienend. De beslissing van het hof zal immers, in het bijzonder gelet ook op hetgeen hiervoor onder 3.2.2 werd overwogen, niet anders zijn wanneer de rechthebbende op die punten zal verklaren zoals door mr. [appellant] is aangegeven.

4. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Maastricht van 28 maart 2012;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H.J.M. Mertens-Steeghs, M.C. Bijleveld-van der Slikke en G.J. Vossestein en in het openbaar uitgesproken op 13 december 2012.