Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BY5937

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-12-2012
Datum publicatie
14-12-2012
Zaaknummer
HD 200.073.794 T
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

artikel 7:658 BW;

RSI; burn-out

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-1074
Opleidingen Legal 2014/101

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.073.794/01

arrest van 11 december 2012

in de zaak van

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante in principaal appel,

geïntimeerde in voorwaardelijk incidenteel appel,

advocaat: mr. R.J. Ruiter,

tegen:

MEDIA GROEP LIMBURG B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde in principaal appel,

appellante in voorwaardelijk incidenteel appel,

advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven,

op het bij exploot van dagvaarding van 17 mei 2010 ingeleide hoger beroep, hersteld bij exploot van 9 juli 2010 en bij exploot van 10 september 2010 van de door de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Sittard-Geleen gewezen vonnissen van 27 augustus 2008, 25 maart 2009 en 17 februari 2010 tussen principaal appellante - [appellante] - als eiseres en principaal geïntimeerde - Media Groep - als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaak/rolnr. 272128 CV EXPL 07-3182)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [appellante] vier grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen van 27 augustus 2008 en 17 februari 2010 en, kort gezegd, tot verklaring voor recht dat Media Groep aansprakelijk is voor de door [appellante] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade, voor zover deze voortvloeit uit de geestelijke en/of lichamelijk belastende werkomstandigheden bij Media Groep en/of haar rechtsvoorgangers met veroordeling van Media Groep in de proceskosten in beide instanties.

Het hof begrijpt dat het hoger beroep van het vonnis van 25 maart 2009 niet langer wordt gehandhaafd.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft Media groep de grieven bestreden. Voorts heeft Media Groep voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld, daarin twee grieven aangevoerd en geconcludeerd, kort gezegd, tot vernietiging van het eindvonnis van 17 februari 2010 en tot afwijzing van de vorderingen van [appellante], met veroordeling van [appellante] in de proceskosten in beide instanties, te vermeerderen met wettelijke rente, nakosten en eventuele verdere executiekosten.

2.3. [appellante] heeft in incidenteel appel geantwoord.

2.4. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de beide memories.

4. De beoordeling

in principaal en incidenteel appel

4.1. In het kader van de ambtshalve toetsing van de ontvankelijkheid van het appel oordeelt het hof als volgt. De appeldagvaarding van 17 mei 2010, waarbij Media groep werd opgeroepen te verschijnen op 6 juli 2010, is door [appellante] niet ingeschreven. Bij herstelexploot van 9 juli 2010, derhalve binnen de termijn van artikel 125 lid 4 Rv, is Media Groep vervolgens opgeroepen te verschijnen op 7 september 2010. Ook dit exploot is echter door [appellante] niet ingeschreven. Hiermee was in beginsel de aanhangigheid van de zaak per 7 september 2010 komen te vervallen (vgl. Hof ’s-Hertogenbosch 17 mei 2011, LJN BQ5321). Het vervolgens buiten de werking van artikel 125 lid 4 Rv om - immers niet meer binnen twee weken na de oorspronkelijke roldatum van 6 juli 2010 - uitgebrachte exploot waarbij Media Groep is opgeroepen te verschijnen op 21 september 2010, is wel tijdig ingeschreven. Op de rol van 21 september 2010 is vervolgens ten onrechte tegen Media Groep verstek verleend. Nu evenwel Media Groep het verstek heeft gezuiverd en vervolgens in haar memorie van antwoord de ontvankelijkheid van [appellante] niet aan de orde heeft gesteld doch inhoudelijk verweer heeft gevoerd, moet Media Groep geacht worden de rechtsstrijd in hoger beroep te zijn aangegaan. Hierin ligt besloten dat Media Groep heeft ingestemd met het aanbrengen van de zaak op een latere datum dan de oorspronkelijk aangezegde dag respectievelijk eerste nieuw aangezegde dag (vgl. HR 4 oktober 2002, LJN AE 4085). [appellante] is derhalve ontvankelijk in haar appel.

4.2.Het gaat in deze zaak om het volgende.

4.2.1.[appellante] is op 1 juni 1995 in dienst getreden bij (een van de rechtsvoorgangers van) Media Groep [omwille van de leesbaarheid zal in het vervolg uitsluitend worden vermeld Media Groep, ook als het om een van de rechtsvoorgangers gaat] in de functie van lay-out redacteur op basis van een arbeidsovereenkomst van 19 uur per week. [appellante] heeft meermaals aangegeven dat zij meer uren wilde werken. In de loop der jaren is de werktijd van [appellante] uitgebreid tot een fulltime dienstverband. In mei 1999 werd dit vastgelegd in een arbeidsovereenkomst voor 38 uur per week.

4.2.2.In november 1999 heeft [appellante] de bedrijfsarts geraadpleegd met hand- en armklachten, die haar heeft geadviseerd door te werken. [appellante] heeft dat advies opgevolgd en is blijven werken.

4.2.3.Op 4 februari 2000 heeft [appellante] zich ziek gemeld, volgens [appellante] vanwege RSI klachten, volgens Media Groep vanwege een conflict met haar leidinggevende, de heer Leidinggevende van de Media Groep]. [appellante] is ziek gebleven tot december 2000. Vanaf december 2000 heeft [appellante] hervat in haar werk op arbeidstherapeutische basis, waarbij het beeldschermwerk aan een maximum van 4 uur per dag was gebonden.

4.2.4.Media Groep heeft naar aanleiding van de klachten van [appellante] het RSI Instituut Nederland (hierna: het RSI Instituut) ingeschakeld om de werkplek te onderzoeken. Op 4 januari 2001 heeft het RSI Instituut een "Analyse" uitgevoerd en "Voorstel vervolgtraject individuele aanpak RSI" gedaan.

4.2.5.Op 1 maart 2001 heeft [appellante] zich weer ziek gemeld, omdat Media Groep zich in haar visie niet hield aan afspraken die waren gemaakt met de bedrijfsarts. Bij brief van 20 maart 2001 heeft de Nederlandse Vereniging voor Journalisten (hierna: de NVJ) namens [appellante] aan Media Groep onder meer medegedeeld dat, alvorens [appellante] weer kan gaan werken, er duidelijkheid dient te komen over de voorwaarden waaronder dat mogelijk is. In die brief wordt verwezen naar een verslag van de bedrijfsarts waaruit zou blijken om welke voorwaarden het zou moeten gaan. Dit verslag bevindt zich niet bij de stukken.

4.2.6.Op 5 april 2001 heeft [appellante] op kosten van Media Groep een training gevolgd bij het RSI Instituut. In mei 2001 hebben [appellante] en Media Groep, in samenspraak met de bedrijfsarts, afspraken gemaakt over de arbeidstijden en de te verrichten werkzaamheden. Deze zijn vastgelegd in een brief van 14 mei 2001. [appellante] is vanaf mei 2001 deel gaan uitmaken van het zogenaamde CCI-project. Op 23 november 2002 heeft [appellante] zich opnieuw ziek gemeld.

4.2.7.Uit de bij de inleidende dagvaarding overgelegde stukken van het GAK blijkt voor wat betreft de arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO over de hiervoor beschreven periode, dus vanaf de eerste ziekmelding op 4 februari 2000 tot de nieuwe (definitieve) uitval op 23 november 2002, het volgende. [appellante] bereikte op 2 februari 2001 het einde van de wachttijd in het kader van de WAO. Zij werd toen voorlopig 80/100% arbeidsongeschikt geacht zo lang niet duidelijk was hoe de toen reeds aan de orde zijnde re-integratie bij Media Groep zich zou gaan ontwikkelen. [appellante] is met ingang van 1 juni 2001 minder dan 15% arbeidsongeschikt geacht, omdat zij in passend werk bij Media Groep had hervat. Klaarblijkelijk is de WAO-uitkering per die datum ingetrokken.

4.2.8.Nadat [appellante] zich op 23 november 2002 opnieuw had ziek gemeld, heeft Media Groep op 12 februari 2003 een Plan van Aanpak opgesteld met als doel de re-integratie van [appellante]. Op 25 maart 2003 heeft Media Groep een Tussentijdse Evaluatie Reïntegratie opgesteld. Op 23 juni 2003 heeft de NVJ namens [appellante] aan Media Groep een brief gestuurd met de strekking dat [appellante] niet in kan gaan op aanvaarding van een functie in het kader van een sociaal plan, omdat zij nog ziek is en dat de aangeboden functie niet geschikt is vanwege de medische beperkingen van [appellante] met betrekking tot beeldschermwerk. Op 10 juli 2003 hebben partijen hierover gesproken, van welk gesprek Media Groep een verslag heeft toegestuurd aan [appellante]. Vervolgens heeft de NVJ namens [appellante] bij brief van 16 juli 2003 aan Media Groep medegedeeld (kort samengevat) dat de re-integratie dient los te staan van de reorganisatie. [appellante] heeft niet meer in eigen of ander werk bij Media Groep hervat. De arbeidsovereenkomst is op verzoek van Media Groep per 1 maart 2005 ontbonden door de kantonrechter te Maastricht.

4.2.9.Uit de bij de inleidende dagvaarding overgelegde stukken van het UWV blijkt dat aan [appellante] met ingang van 24 november 2003 een uitkering krachtens de WAO is toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45/55%.

4.3.[appellante] heeft Media Groep aansprakelijk gesteld voor schade in verband met een arbeidsgerelateerde aandoening. Kort gezegd heeft [appellante] gesteld dat zij haar werk heeft moeten staken vanwege RSI-klachten, dat zij heeft getracht het werk te hervatten maar dat zij wederom vanwege de hoeveelheid werk (overwerk), de aard van het werk (beeldschermwerk) en arbeidsgerelateerde spanningsklachten - kortom, omdat Media Groep geen, althans onvoldoende, rekening hield met haar beperkingen - opnieuw ziek is geworden waarna zij, naast de voortdurende RSI-klachten ook psychische klachten (burn-out) heeft gekregen. Media Groep heeft uitvoerig en gemotiveerd verweer gevoerd, waarna de vorderingen bij het bestreden eindvonnis zijn afgewezen.

4.4.Eerst zal ingegaan worden op de omvang van het appel. Vervolgens zullen enkele algemene uitgangspunten voor de beoordeling van het onderhavige geschil worden besproken. Daarna zal worden onderzocht of [appellante] ziekmakende werkzaamheden heeft verricht en/of zij onder ziekmakende werkomstandigheden de arbeid moest verrichten, of Media Groep een zorgplicht heeft geschonden, of [appellante] schade lijdt of heeft geleden en of sprake is van causaal verband tussen de werkzaamheden en de gestelde schade. Dan zal ook het door [appellante] gedane beroep op de omkeringsregel aan de orde komen. Hierbij zal een uitsplitsing worden gemaakt naar periode, omdat [appellante] op 4 februari 2000 ziek is geworden en na een periode van re-integratie opnieuw (en definitief) wegens ziekte is uitgevallen op 23 november 2002. Daarna zal een conclusie worden getrokken en een instructie worden gegeven voor het vervolg van de procedure.

omvang van het appel

4.5.De kantonrechter heeft bij vonnis van 27 augustus 2008 [appellante] in de gelegenheid gesteld haar stellingen aan te passen omdat de term RSI volgens de kantonrechter niet meer als zodanig erkend wordt en dat een nieuw begrip is ingevoerd: CANS. [appellante] heeft zich met grief I tegen dat oordeel gericht. Media Groep heeft terecht aangevoerd dat de grief zelfstandige betekenis mist, omdat de kantonrechter kennelijk toch (uiteindelijk) de stellingen van [appellante] over RSI heeft beoordeeld. Uit het eindvonnis van 17 februari 2010 blijkt immers niet dat de kantonrechter gevolgen heeft verbonden aan de betiteling van de door [appellante] gestelde gezondheidsklachten. Nu zowel in de processtukken als in de overgelegde medische gegevens wordt gesproken over RSI en RSI-klachten, zal het hof die terminologie aanhouden.

4.6.[appellante] heeft gesteld dat haar grieven ertoe strekken het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen. Media Groep heeft dat in zoverre bestreden, dat volgens haar geen grief is gericht tegen

a. het oordeel van de kantonrechter dat er andere oorzaken zijn van de gezondheidsklachten die niet aan Media Groep zijn toe te rekenen;

b. de vaststelling door de kantonrechter dat de door [appellante] geleden schade bestaat uit twee componenten, te weten RSI-klachten en psychische klachten;

c. de vaststelling door de kantonrechter dat [appellante] definitief is uitgevallen vanwege psychische klachten;

d. de veroordeling van [appellante] in de proceskosten,

zodat dit vast staat.

a. het oordeel van de kantonrechter dat er andere oorzaken zijn van de gezondheidsklachten die niet aan Media Groep zijn toe te rekenen

4.6.1.Media Groep heeft voor wat betreft dit onderdeel verwezen naar de volgende overweging van de kantonrechter in het eindvonnis: "Uit de door haar overgelegde stukken volgt een grotendeels subjectief door [appellante] jegens derden verteld relaas, waaruit factoren volgen die werkgerelateerd zijn. Voor zover deze al voldoende geobjectiveerd zouden zijn, volgen er uit deze stukken en zijn er daarnaast door MGL [hof: Media Groep] - deels onbetwist - omstandigheden gesteld die zich weliswaar in de werkkring voordeden maar welke niet zonder meer MGL als werkgever zijn toe te rekenen. De kantonrechter noemt hier niet uitputtend het overlijden van collega's, carrièreterugslagen alsmede relationele stressfactoren".

Het hof is van oordeel dat uit de memorie van grieven niet valt op te maken dat [appellante] heeft bedoeld op te komen tegen dit oordeel (hetgeen [appellante] heeft gesteld onder 3 in de toelichting op grief II wijst eerder op het tegendeel). Daartoe volstaat niet de opmerking dat het geschil in volle omvang wordt voorgelegd en evenmin dat alle stellingen uit de eerste aanleg als herhaald moeten worden beschouwd. Dat heeft voor de omvang van het hoger beroep tot gevolg dat in hoger beroep vast staat dat de uitdrukkelijk genoemde factoren (overlijden van collega's, carrièreterugslagen, relationele stressfactoren) aan de orde zijn (geweest) en niet aan Media Groep zijn toe te rekenen.

b. de vaststelling door de kantonrechter dat de door [appellante] geleden schade bestaat uit twee componenten, te weten RSI-klachten en psychische klachten

4.6.2.Niet valt in te zien waarom Media Groep van mening is dat [appellante] tegen deze vaststelling een grief had moeten richten. [appellante] heeft immers haar vordering op deze wijze ingekleed, zoals door de kantonrechter is vastgesteld. Ook het hof zal daar vanuit gaan.

c. de vaststelling door de kantonrechter dat [appellante] definitief is uitgevallen vanwege psychische klachten

4.6.3.Het hof zal met de kantonrechter ervan uitgaan dat [appellante] uiteindelijk definitief is uitgevallen voor de werkzaamheden van Media groep vanwege psychische klachten. [appellante] heeft deze feitenvaststelling inderdaad niet bestreden.

d. de veroordeling van [appellante] in de proceskosten

4.6.4.Als het eindvonnis van de kantonrechter wordt vernietigd, dan dient het hof alsnog te beslissen over de proceskosten van de eerste aanleg. Daartegen hoefde [appellante] dus geen grief te richten.

4.7.De grieven II tot en met IV van [appellante] leggen het geschil voor het overige, dus met de hiervoor aangegeven beperkingen, aan het hof voor. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Daarbij zal het hof tevens, voor zover noodzakelijk, de voorwaardelijke grieven van Media Groep betrekken.

enkele algemene uitgangspunten

4.8.[appellante] heeft haar vorderingen primair gebaseerd op artikel 7:658 lid 2 BW. Uitgangspunt bij toepassing van die bepaling is dat het aan de werknemer is om te stellen en zo nodig te bewijzen dat een oorzakelijk verband bestaat tussen de schade en de uitoefening van de werkzaamheden waarin de schade gesteld wordt te zijn geleden en dat het aan de werkgever is om te stellen en indien nodig te bewijzen dat hij de in lid 1 genoemde zorgplicht is nagekomen. Nu [appellante] zelf heeft gesteld dat "RSI" geen eenduidig begrip is en de diverse gezondheidsklachten die daarmee worden bedoeld in zijn algemeenheid kunnen ontstaan door werk, privé of een combinatie, zal het hof dienen te onderzoeken of de gezondheidsklachten waaraan [appellante] heeft gesteld te lijden, in causaal verband staan met het werk. Daaruit volgt dat [appellante] zal dienen te stellen, en indien nodig te bewijzen, welke ziekmakende werkzaamheden zij heeft verricht en/of onder welke ziekmakende werkomstandigheden zij haar werk diende te verrichten. Dat geldt te meer omdat Media Groep uitvoerig en gemotiveerd heeft betoogd dat de klachten van [appellante] zijn terug te voeren op karaktereigenschappen en privé problemen van [appellante].

4.9.Media Groep dient te stellen en indien nodig te bewijzen dat zij haar zorgplicht als bedoeld in artikel 7:658 lid 1 BW is nagekomen. [appellante] heeft een beroep gedaan op de omkeringsregel, zoals toegepast in HR 17 november 2001 (Unilever/Dikmans, NJ 2001, 596). Kort gezegd wordt daarmee bedoeld dat, indien komt vast te staan dat de werkgever zijn zorgverplichting als bedoeld in lid 1 van artikel 7:658 BW heeft geschonden, uitgegaan kan worden van het bestaan van het causaal verband tussen werk en schade. Anders dan [appellante] meent, kan niet reeds op basis van de thans voorhanden zijnde gegevens de omkeringsregel worden toegepast. Hierna zal worden aangegeven waarom daartoe vooralsnog niet wordt overgegaan.

4.10.[appellante] heeft subsidiair artikel 7:611 BW ten grondslag gelegd aan haar vorderingen. Uit de op 11 november 2011 door de Hoge Raad gewezen arresten in de zaken TNT (LJN: BR5215) en Rooyse Wissel/Hagens (LJN: BR5223) volgt evenwel dat vorderingen gebaseerd op stellingen als de onderhavige, niet kunnen worden gebaseerd op artikel 7:611 BW, omdat daarmee het wettelijk stelsel van werkgeversaansprakelijkheid, dat is gebaseerd op tekortschieten in een zorgplicht om schade te voorkomen, te vergaand zou worden aangetast. De grieven voor zover gebaseerd op deze subsidiaire grondslag falen derhalve.

juni 1995 - februari 2000

4.11.[appellante] heeft zich op 4 februari 2000 ziek gemeld, volgens [appellante] vanwege RSI klachten, volgens Media Groep vanwege een conflict met haar leidinggevende.

ziekmakende werkzaamheden of werkomstandigheden

4.12.Over de tot 4 februari 2000 verrichte werkzaamheden heeft [appellante] gesteld dat zij veel heeft moeten overwerken, dat zij veel beeldschermwerk verrichtte, dat er bij Media Groep flinke werkdruk en werkstress was en dat de werkplek niet voldeed aan de ergonomische maatstaven.

4.13.Het hof kan [appellante] niet volgen in haar stelling dat zij enorm veel heeft overgewerkt. Uit de door [appellante] overgelegde beloningsoverzichten blijkt wel dat zij loon kreeg voor overwerk, maar zonder enig inzicht in wat de overeengekomen arbeidstijd was en mededeling over het percentage waartegen overwerk werd beloond, zegt dit niets. De stelling van [appellante] dat zij eigenlijk al vanaf indiensttreding meer dan fulltime heeft gewerkt, is niet nader toegelicht en blijkt ook overigens niet uit de stukken. Media Groep heeft, onbetwist, aangevoerd dat [appellante] als parttimer bij haar in dienst is getreden en meermaals zelf om uitbreiding van haar uren heeft gevraagd. Vanaf mei 1999 heeft [appellante] een fulltime contract gekregen. [appellante] heeft niet gesteld dat of hoeveel overwerk zij vanaf dat moment - hetzij gemiddeld hetzij bij wijze van pieken - heeft verricht tot aan haar ziekmelding op 4 februari 2000.

4.14.Volgens [appellante] was er te veel werkdruk en werd er te veel van haar gevergd. Zij heeft daartoe onder meer verwezen naar het rapport van de arbeidsdeskundige van 2 april 2001 en naar de door het RSI Instituut opgemaakte rapportage en de Analyse en voorstel vervolgtraject "individuele aanpak RSI" naar aanleiding van het op 4 januari 2001 gehouden werkplekonderzoek en de op 5 april 2001 gevolgde training.

4.15.Het rapport van de arbeidsdeskundige is opgemaakt ter beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid per einde wachttijd, zodat de arbeidsdeskundige onderzoek heeft gedaan naar de voor [appellante] geldende maatman, dat wil zeggen, naar de belasting in de functie zoals door [appellante] verricht direct voorafgaand aan haar ziekmelding op 4 februari 2000. In het rapport wordt melding gemaakt van veel pc werk met muisbediening, computergebonden werk van 3 tot 6 uur per dag en van tijds- en tempodruk. Ook in de Rapportage van het RSI Instituut wordt onder het kopje 'Bedrijfsorganisatorisch' onder meer melding gemaakt van een hoog werktempo waarop weinig persoonlijke invloed kan worden uitgeoefend, dat er sprake is van een grote hoeveelheid werk, dat het kennelijk als belastend wordt beschouwd dat er veel onderbrekingen zijn, dat veel informatie wordt gedeeld en dat een hoge productie aan de orde is. Voorts wordt vermeld dat 80% van de taken bestaat uit muisgebruik. Weliswaar heeft het onderzoek en de training pas ongeveer een jaar na de eerste ziekmelding van [appellante] plaatsgevonden, maar niet aannemelijk is dat de werkomstandigheden in de periode voorafgaand aan de ziekmelding beter waren dan daarna. Op grond van deze twee rapportages, in onderling verband beschouwd, dient ervan uitgegaan te worden dat de werkdruk hoog was.

4.16.Media Groep heeft erkend dat er veel beeldschermwerk verricht moest worden. Volgens Media Groep werd er daarom gewerkt met intervallen, dus één uur werken aan een pagina, 10 minuten rust en dan weer een uur werken. Volgens Media Groep gebeurde dat werken met intervallen vanaf 1999. Volgens [appellante] moest er echter onder zeer hoge druk worden gewerkt, uren achtereen, zonder pauze aan drie beeldschermen. De door Media Groep genomen maatregelen kwamen volgens [appellante] te laat en zijn pas genomen na haar ziekmelding.

4.17.Nu partijen zo lijnrecht van mening verschillen over het al dan niet werken met tijdsintervallen, had het op de weg van Media Groep gelegen om nadere gegevens in het geding te brengen waaruit de juistheid van haar stelling blijkt. Het gaat hierbij immers om informatie die in haar domein ligt. Volgens Media Groep werden tot juli 2000 de arbeidsomstandigheden geëvalueerd binnen de Arbo-commissie. Media Groep heeft echter geen enkele evaluatie in het geding heeft gebracht.

4.18.Voorts heeft [appellante], onder verwijzing naar het rapport van het RSI Instituut, gesteld dat haar werkplek niet voldeed aan de ergonomische maatstaven. Uit het rapport valt af te leiden dat bijvoorbeeld de stoel onvoldoende instelbaar was, kennelijk voor wat betreft reikwijdtes. Media Groep heeft weliswaar gesteld dat alle werknemers vanaf eind jaren '90 beschikten over in hoogte verstelbare bureaus en stoelen, maar dat deze niet in reikwijdte verstelbaar waren, heeft zij niet betwist. Daaruit dient te worden afgeleid dat de werkplek niet voldeed aan de ergonomische maatstaven. Over de omgevingsfactoren worden kritische kanttekeningen gemaakt in voornoemd rapport: "reflectie, lawaai, tocht, droge lucht".

4.19. Samenvattend dient ervan uitgegaan te worden dat [appellante] tot haar ziekmelding geen overwerk heeft verricht, maar wel dat zij het werk onder grote tijds- en tempodruk heeft moeten verrichten, dat het werk veel uit beeldschermwerk bestond waarbij de muis veel diende te worden gebruikt, dat er niet met tijdsintervallen werd gewerkt en dat de werkplek niet voldeed aan de ergonomische maatstaven. Voor een meer concrete omschrijving daarvan kan worden uitgegaan van de door [appellante] als productie 10 bij inleidende dagvaarding overgelegde Rapportage en Analyse en voorstel vervolgtraject "individuele aanpak RSI" van het RSI Instituut, waarvan de inhoud onvoldoende gemotiveerd door Media Groep is betwist.

zorgplicht

4.20.Het is aan Media Groep om te stellen en indien nodig te bewijzen dat zij haar zorgplicht, zoals bedoeld in artikel 7:658 lid 1 BW, voorafgaand aan de eerste ziekmelding van [appellante] is nagekomen. De stelplicht omvat ook het in het geding brengen van voldoende feitelijke en concrete gegevens waaruit de juistheid van de stellingen kunnen worden afgeleid.

4.21. Media Groep heeft gesteld dat zij voldoende aandacht heeft gehad voor de arbeidsomstandigheden. Daartoe heeft zij verwezen naar hetgeen daarover wordt opgemerkt in de Rapportage Risico- inventarisatie en -evaluatie (hierna RI&E) van 1 juli 2000 en naar het expertiserapport van [expertiserapporteurs] van 10 juni 2005. Volgens Media Groep gaat het daarbij om gehoortesten, een laagdrempelig arbeidsgezondheidskundig spreekuur, systematische ergonomische werkplekanalyse en actieve begeleiding en (afhankelijk van de wens van de werknemer) een oogonderzoek. Ook ziet die zorgplicht volgens Media Groep op de ergonomische omstandigheden en op het geven van een persoonlijk advies over tijdsindeling en werkhouding. Volgens [appellante] had de zorgplicht met name ook gericht moeten zijn op het werken met tijdsintervallen, hetgeen volgens haar niet het geval is geweest.

4.22.Hetgeen in de RI&E van 1 juli 2000 wordt vermeld is van onvoldoende belang, omdat dit de zorgplicht betreft nadat [appellante] is uitgevallen voor haar werk, terwijl het hier dient te gaan om de zorgplicht tot februari 2000. Hetgeen in de RI&E wordt vermeld over het tot dat moment gevoerde beleid (nr. 3.1 Arbozorg) is wel van belang, maar onvoldoende toegelicht en geconcretiseerd. Immers in de RI&E van 1 juli 2000 wordt vermeld dat in 1997 een beleid is geformuleerd met betrekking tot de arbeidsomstandigheden, dat dit beleid steeds de basis is geweest van de uitvoering en is geëvalueerd binnen de Arbo-commissie, en dat tot en met 1999 steeds is gewerkt met jaarplannen en verslagen. Media Groep heeft echter geen van deze stukken in het geding gebracht. Met name de verslagen van de Arbo-commissie hadden overgelegd dienen te worden, zodat inzichtelijk was geweest of het gestelde beleid ook door Media Groep is uitgevoerd. Hetgeen in het expertiserapport van [expertiserapporteurs] wordt vermeld is grotendeels gebaseerd op de RI&E van 1 juli 2000 en voor zover dat niet het geval is, niet nader gedocumenteerd. Media Groep heeft daardoor volstrekt onvoldoende inzichtelijk gemaakt of zij aan haar zorgplicht heeft voldaan, zodat ervan uitgegaan wordt dat dit niet het geval is geweest.

schade

4.23.[appellante] heeft (relatief) kort na haar ziekmelding medische behandeling gezocht voor klachten aan haar vingers en polsen. Dat blijkt uit de patiëntenkaart van de huisarts en uit een brief van orthopedisch chirurg dr. [orthopedisch chirurg] van 8 augustus 2000. Voorts is in dit verband van belang dat in een brief van Cesar-oefentherapeut [Cesar-oefentherapeut] van 17 januari 2001 melding wordt gemaakt van RSI elleboog- pols en hand en dat in het rapport van de verzekeringsarts van het Gak van 8 maart 2001 onder het kopje diagnose wordt vermeld: RSI van elleboog/onderarm rechts.

4.24. Het voorgaande betekent niet dat het hof er al van uitgaat dat de gezondheidsklachten van [appellante] moeten worden beschouwd als RSI-klachten. Media Groep heeft de daarover in het eindvonnis opgenomen overweging met grief II in voorwaardelijk incidenteel appel bestreden. Media Groep heeft de diagnose betwist en gesteld dat nooit een duidelijke diagnose is gesteld. Volgens de medisch adviseur van Media Groep, [medisch adviseur van de Media Groep], kan een andere oorzaak worden aangewezen voor de klachten van [appellante] aan haar vinger, namelijk een zwelling in de vinger en een mogelijk ganglion in de pols.

4.25.Naar het oordeel van het hof heeft [appellante] voldoende medische gegevens in het geding gebracht om er vooralsnog vanuit te gaan dat zij serieuze gezondheidsklachten heeft gehad na haar ziekmelding. Voorts acht het hof de mogelijkheid dat [appellante] daardoor schade lijdt of heeft geleden aannemelijk. Of sprake is van schade waarvoor Media Groep aansprakelijk is, kan thans nog niet worden vastgesteld.

causaal verband en omkeringsregel

4.26.De stelling van [appellante] dat reeds uit de diverse medische rapporten blijkt dat de gezondheidsklachten zijn veroorzaakt door het werk, wordt verworpen. Immers, uit geen van die rapporten blijkt dat de desbetreffende arts of therapeut, uitgezonderd de arbeidsdeskundige van het Gak/UWV, zijn of haar opmerkingen die daarop betrekking hebben, heeft gebaseerd op eigen onderzoek naar de werkomstandigheden. De betreffende opmerkingen zijn uitsluitend gebaseerd op de door [appellante] verstrekte informatie.

4.27.Evenmin kan [appellante] worden gevolgd in haar stelling dat, omdat zij al zoveel bewijs heeft aangedragen, de bewijslast van het niet bestaan van het causaal verband tussen haar gezondheidsklachten en de werkzaamheden bij Media Groep dient te liggen. De stellingen van [appellante] zijn weliswaar uitvoerig, maar vooral algemeen van aard zonder nadere uitwerking op de onderhavige situatie.

4.28.Zoals door [appellante] zelf ook is onderkend, kunnen RSI-klachten ook (mede) worden veroorzaakt door andere omstandigheden dan de werkomstandigheden. Media Groep heeft meerdere redenen aangevoerd waarom de gezondheidsklachten van [appellante] zijn toe te schrijven aan andere omstandigheden, zoals relatieproblemen, teleurstelling en frustratie over de afwijzing voor de sollicitatie naar de functie chef lay-out, stroeve samenwerking en conflict met de leidinggevende, resulterend in een escalatie daarvan. Ook heeft Media Groep onder verwijzing naar een rapport van haar medisch adviseur [medisch adviseur van de Media Groep] van 7 september 2005 een andere oorzaak aangewezen voor de klachten van [appellante] aan haar vinger, namelijk een zwelling in de vinger en een mogelijk ganglion in de pols. [appellante] heeft niet alle door Media Groep aangevoerde mogelijke andere oorzaken betwist. De RSI-klachten van [appellante] kunnen dus (mede) veroorzaakt zijn door andere factoren dan de werkomstandigheden bij Media Groep. Om die reden ziet het hof (vooralsnog) geen aanleiding de omkeringsregel toe te passen. [appellante] zal worden toegelaten tot bewijslevering.

4.29.Volgens Media Groep had de door [appellante] gestelde schade niet kunnen worden voorkomen wanneer zij wel aan haar zorgplicht had voldaan. Media Groep zal worden toegelaten tot bewijslevering van die stelling. Het beroep van Media Groep op eigen schuld van [appellante] - waarbij Media Groep niet beoogt een beroep te doen op artikel 7:658 lid 2 BW - , heeft zij nader toegelicht door te verwijzen naar aanlegfactoren, persoonlijke eigenschappen en karaktertrekken van [appellante]. Voor een groot deel zullen die factoren reeds aan de orde komen in de beoordeling van de vraag of de gezondheidsklachten van [appellante] zijn veroorzaakt door de werkzaamheden. De beslissing of deze factoren daarnaast nog een rol dienen te spelen in de beoordeling van het beroep op eigen schuld of proportionele aansprakelijkheid, zal derhalve worden aangehouden.

december 2000 - november 2002

4.30.Vanaf december 2000 heeft [appellante] op arbeidstherapeutische basis gewerkt, waarbij het beeldschermwerk aan een maximum van 4 uur per dag was gebonden. Op 1 maart 2001 heeft [appellante] zich weer ziek gemeld, omdat Media Groep zich in haar visie niet hield aan afspraken die waren gemaakt met de bedrijfsarts. Uit de stukken valt niet af te leiden wanneer [appellante] haar werkzaamheden weer heeft hervat. Kennelijk is deze ziekteperiode van relatief korte duur geweest, omdat [appellante] op 5 april 2001 een training van het RSI Instituut heeft ondergaan. Op 25 november 2002 heeft [appellante] zich opnieuw ziek gemeld en nadien heeft zij geen arbeid meer verricht voor Media Groep. De periode dat [appellante] heeft getracht te re-integreren heeft dus - uitgezonderd een korte onderbreking in maart 2001 - van december 2000 tot 25 november 2002 geduurd.

4.31.Voor wat betreft de in deze periode door [appellante] uitgeoefende functie geldt het volgende. De kantonrechter heeft als vaststaand aangenomen dat [appellante] als plaatsvervangend art-director heeft gewerkt. De daartegen gerichte grief I in voorwaardelijk incidenteel appel van Media Groep slaagt. De stelling van [appellante] dat haar functie art-director was, blijkt nergens uit - ook niet uit de door haar in eerste aanleg overgelegde productie 4 bij conclusie van repliek - en is voorts niet te rijmen met de door haarzelf op 27 oktober 2003 verstrekte informatie aan de arbeidsdeskundige (pagina 2 van productie 8 bij inleidende dagvaarding). [appellante] heeft geen bewijs aangeboden van die stelling.

ziekmakende werkzaamheden of werkomstandigheden

4.32.Volgens [appellante] heeft Media Groep in deze periode te hoge eisen aan haar gesteld met als gevolg dat zij is uitgevallen met arbeidsgerelateerde spanningsklachten. Het hof is van oordeel dat [appellante] onvoldoende heeft gesteld om ervan uit te kunnen gaan dat de werkzaamheden en/of werkomstandigheden ziekmakend zijn geweest in de onderhavige periode. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.33.Volgens [appellante] heeft Media groep in deze periode niet, althans onvoldoende, rekening gehouden met haar beperkingen. [appellante] heeft daartoe verwezen naar de hiervoor besproken rapportage van het RSI Instituut, naar een brief van 20 maart 2001 van de NVJ, naar het onderzoek van de verzekeringsarts van 8 maart 2001 en het onderzoek van de arbeidsdeskundige van 28 oktober 2003.

4.34.Uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt dat de werkomstandigheden zeker voor verbetering vatbaar waren na de hervatting in december 2000. Uit het feit dat Media Groep de werkplek heeft laten onderzoeken en [appellante] de mogelijkheid heeft geboden een training te volgen, blijkt dat Media Groep de klachten van [appellante] vanaf dat moment serieus heeft genomen. [appellante] heeft niet gesteld dat de door het RSI Instituut gedane aanbevelingen niet zijn opgevolgd.

4.35.Volgens [appellante] zijn er afspraken gemaakt met de bedrijfsarts, waar Media Groep zich vervolgens niet aan heeft gehouden. Zij heeft in dat verband verwezen naar een brief van de NVJ van 20 maart 2001. Uit die brief kan worden afgeleid dat de afspraken op schrift zijn gesteld, maar [appellante] heeft deze niet in het geding gebracht. [appellante] heeft wel gesteld dat die afspraken inhielden dat zij niet langer dan 4 uur per dag beeldschermwerk mocht verrichten, maar voor het overige heeft zij niets concreets daarover aangevoerd. Anders dan [appellante] heeft gesteld, blijkt uit de brief van de NVJ onvoldoende dat Media Groep zich niet hield aan de afspraken. In die brief wordt vermeld dat er over die voorwaarden onduidelijkheden in de praktijk bestaan en dat, alvorens [appellante] weer kan gaan werken, er eerst duidelijke afspraken gemaakt moeten worden. Voor zover al uit die brief kan worden afgeleid dat Media Groep van [appellante] heeft verlangd dat zij, in strijd met de door de bedrijfsarts gestelde voorwaarden, langer dan 4 uur beeldschermwerk verrichtte, heeft [appellante] dat geweigerd en zich ziek gemeld. Van een situatie dat [appellante] heeft gewerkt in strijd met de door de bedrijfsarts gestelde voorwaarden is toen dus geen sprake geweest.

4.36.Kennelijk heeft op 4 mei 2001 een gesprek plaatsgevonden, zo blijkt uit de door Media Groep overgelegde brief van 14 mei 2001 waarin wordt bevestigd welke afspraken na dit conflict zijn gemaakt over de werktijden en werkomstandigheden. [appellante] heeft niet gesteld dat Media Groep daarna nog eens van haar heeft verlangd dat zij langer dan 4 uur beeldschermwerk verrichte. [appellante] heeft slechts in algemene termen gesteld dat Media Groep zich niet aan de gemaakte afspraken heeft gehouden. Wanneer en op welke onderdelen dat is geweest, heeft zij echter niet toegelicht, zodat die stelling als onvoldoende toegelicht wordt verworpen.

4.37.Klaarblijkelijk vond [appellante] het werken aan het CCI-project te zwaar. Volgens [appellante] moest zij naast de reguliere werkzaamheden ook allerlei systemen testen en cursussen geven. De gevolgtrekking die [appellante] daaruit maakt (hard werken en zeer veel stress) kan zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet worden gedeeld. Het had op de weg van [appellante] gelegen om ook deze stelling nader te concretiseren nu Media Groep hierover heeft aangevoerd dat het niet ging om extra taken maar om andere taken en dat [appellante] met dat project niet meer te maken had met de dagelijkse deadlines van de lay-out pagina's - en daarmee samenhangende werkdruk - en dat zij het werk naar eigen inzicht kon indelen.

4.38.Ook uit de overige stukken kan niet worden afgeleid dat Media Groep zich niet aan de afspraken heeft gehouden, of dat het werk nadien ziekmakend is geweest. De verzekeringsarts van het GAK heeft [appellante] onderzocht in het kader van de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid per einde wachttijd, op 8 maart 2001, dus na de hiervoor besproken ziekmelding. De verwijzing in zijn rapport (productie 5 bij inleidende dagvaarding) naar de van [appellante] afkomstige opmerking "Toch houdt het bedrijf zich niet aan de beperkingen en daarom heeft ze zich afgelopen donderdag met wat escalaties ziek gemeld", heeft betrekking op de hiervoor onder 4.35 besproken ziekmelding en kan niet leiden tot het oordeel dat [appellante] onder ziekmakende omstandigheden werkzaamheden heeft verricht. Ook de verwijzing naar het rapport van de arbeidsdeskundige van 2 april 2001 gaat niet op. Zoals hiervoor reeds is vermeld was het onderzoek van de arbeidsdeskundige gericht op de maatman, dus op de functie van [appellante] tot haar eerste ziekmelding. Weliswaar wordt in het rapport ook een en ander opgemerkt over de re-integratie, maar daaruit blijkt niet dat de re-integratie niet goed en/of in strijd met afspraken verliep vanwege de werkomstandigheden. Ook uit het rapport van de arbeidsdeskundige van het UWV van 28 oktober 2003 kan niet worden afgeleid dat de werkomstandigheden tijdens de re-integratie vanaf december 2000 ziekmakend waren. In dat rapport wordt, op basis van door [appellante] verstrekte gegevens, vermeld dat [appellante] zich het CCI systeem op korte termijn eigen diende te maken en dat zij wederom werd geconfronteerd met veel beeldschermwerk, dat zij om assistentie heeft verzocht die werd toegezegd, maar dat deze niet werd verkregen. Het enkele feit dat melding wordt gemaakt van veel beeldschermwerk, wil echter niet zeggen dat daarmee de maximale tijdslimiet werd overschreden. Ook dit verwijt heeft [appellante] niet nader toegelicht, zodat ook hieraan voorbij wordt gegaan. Evenmin valt de stelling van [appellante] af te leiden uit een brief van mevrouw [Cesar-oefentherapeut], Praktijk Oefentherapie-Cesar van 17 februari 2001 omdat daarin kennelijk wordt verwezen naar de hiervoor reeds besproken periode en het dus niet gaat om de onderhavige periode.

4.39.Op 25 november 2002 heeft [appellante] zich weer ziek gemeld. Onbetwist is gebleven dat de aanleiding voor deze ziekmelding het overlijden van een collega was. Uit het voorgaande volgt dat [appellante] niet, althans onvoldoende heeft gesteld dat of waarom de werkzaamheden of de werkomstandigheden tot die datum te belastend voor haar waren.

4.40.Voorts wordt Media Groep verweten dat zij van [appellante] heeft verlangd mee te doen aan een reorganisatie omstreeks juni/juli 2003. Uit het verslag van 10 juli 2003 en uit de brieven van de NVJ van 16 juli 2003 en 23 november 2003 valt niet af te leiden wat Media Groep te verwijten valt. In het verslag wordt vermeld dat [appellante] vanuit medisch oogpunt nog niet in staat is om keuzes te maken, maar dat haar wel wordt gevraagd alvast na te denken over een andere passende functie in verband met de reorganisatie. Wat hieraan onoorbaar is valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet te begrijpen.

zorgplicht

4.41.Uit het voorgaande volgt dat onbesproken kan blijven of Media Groep in deze periode heeft voldaan aan haar zorgverplichting

schade

4.42. [appellante] heeft gesteld dat zij naast de hiervoor reeds besproken RSI klachten, arbeidsgerelateerde spanningsklachten heeft ontwikkeld waardoor zij in november 2002 opnieuw is uitgevallen. Uit het voorgaande volgt dat geen rekening wordt gehouden met spanningsklachten voor zover deze zijn veroorzaakt in de periode december 2000 - november 2002. Voor zover [appellante] heeft bedoeld dat spanningsklachten nog steeds zijn terug te voeren op de periode voorafgaand aan haar ziekmelding op 4 februari 2000, heeft zij onvoldoende concrete gegevens aangedragen om daarvan uit te kunnen gaan. Media Groep heeft weliswaar gesteld dat [appellante] al na haar eerste ziekmelding last had van psychische klachten (die volgens Media Groep niet werkgerelateerd zijn) maar [appellante] heeft zelf het standpunt ingenomen dat haar psychische klachten zijn terug te voeren op de wijze waarop Media Groep met haar is omgegaan in de periode van re-integratie. Ook uit de door [appellante] overgelegde medische gegevens blijkt dat de psychische problemen niet eerder zijn ontstaan dan in de loop van 2001. De medisch adviseur van [appellante], mr. drs. [medisch adviseur van appellante], maakt daar melding van in zijn rapport van 7 mei 2007 op pagina 3 en in zijn eindconclusie. In dat rapport wordt wel vermeld dat deze psychische klachten zijn geluxeerd door het werk, maar uit het voorgaande volgt dat die stelling wordt verworpen. Dit rapport biedt geen aanknopingspunten om daar anders over te denken. De gegevens waarop [medisch adviseur van appellante] die conclusie baseert zijn te algemeen en/of slechts terug te voeren op mededelingen van [appellante] in plaats van op onderzoek naar de feitelijke werkomstandigheden.

conclusie

4.43.Het voorgaande leidt tot de conclusie dat hooguit gezondheidsschade aan de vingers, polsen en armen, kortom aan het bewegingsapparaat, dus geen psychische klachten, als gevolg van werkzaamheden zoals uitgevoerd in de periode vóór 4 februari 2000 voor vergoeding in aanmerking kan komen. Nadien geleden schade aan het bewegingsapparaat, dus ook schade geleden in de periode december 2000 - november 2002 kan uitsluitend voor vergoeding in aanmerking komen indien en voor zover deze in causaal verband staat met de werkzaamheden zoals verricht tot 4 februari 2000. Anders dan Media Groep heeft aangevoerd, kan uit de mededeling in de brief van Cesar-oefentherapeut [Cesar-oefentherapeut] van 17 februari 2001 dat [appellante] klachtenvrij was, niet worden afgeleid dat toen een definitief einde is gekomen aan haar schade, omdat in het rapport van de verzekeringsarts van het Gak van 8 maart 2001 wordt vermeld dat na onderzoek de RSI aan de rechter onderarm wordt bevestigd en beperkingen worden vastgesteld. Evenmin kan Media Groep worden gevolgd in haar standpunt dat dit oordeel in het eindvonnis niet door de grieven is bestreden. Uit de toelichting op grief II van [appellante] blijkt duidelijk dat [appellante] heeft bedoeld op te komen tegen de overweging dat de RSI-klachten volledig zijn verdwenen. Evenmin kan Media Groep worden gevolgd in haar verweer dat van geen enkele schade sprake (meer) is, zodat de vorderingen van [appellante] reeds daarop stranden. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat [appellante] gezondheidsklachten heeft gehad. Of deze in causaal verband staan met de bij Media Groep uitgevoerde werkzaamheden in de periode vóór 4 februari 2000 staat thans nog niet vast, maar indien dat het geval blijkt te zijn, dan is daarmee voldoende aannemelijk dat [appellante] dientengevolge schade heeft geleden.

4.44.[appellante] zal in de gelegenheid worden gesteld te bewijzen dat haar gezondheidsklachten aan vingers, handen en polsen zijn veroorzaakt door de door haar tot 4 februari 2000 verrichte werkzaamheden. Daartoe zal een deskundigenbericht worden gelast.

Het hof is voornemens de volgende vragen te stellen:

1. Zijn de als RSI aangeduide gezondheidsklachten van [appellante] ontstaan in of door de uitoefening van de bij Media Groep uitgevoerde werkzaamheden, waarbij voor wat betreft de aard van de werkzaamheden en de belasting moet worden uitgegaan van hetgeen in dit arrest onder 4.19 wordt overwogen?

2. Zouden de gezondheidsklachten van [appellante] ook zijn ontstaan wanneer Media Groep de in rov. 4.21 omschreven zorgplicht in acht had genomen?

3. Was het door Media Groep vóór 4 februari 2000 gevoerde arbeidsomstandighedenbeleid in overeenstemming met de toen geldende normen?

4. Heeft u voor het overige nog opmerkingen waarvan u het zinvol acht dat het hof daarvan kennis neemt?

4.45.Partijen kunnen zich bij akte uitlaten over aantal, deskundigheid en - bij voorkeur eensluidend - over de persoon van de te benoemen deskundige(n). Voorts kunnen partijen suggesties doen over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen.

Het hof is voornemens het voorschot met betrekking tot de kosten van de deskundige(n) voorshands ten laste van [appellante] als eiseres volgens de hoofdregel van artikel 195 lid 1 Rv te brengen.

4.46.[appellante] heeft in eerste aanleg aangegeven bezwaar te hebben tegen het in het geding brengen van al haar medische gegevens, maar geen bezwaar te hebben tegen overlegging van al die gegevens aan een deskundige. Het hof gaat ervan uit dat [appellante] alle gegevens die de deskundige(n) noodzakelijk acht, zal verstrekken, dus ook de gegevens die worden genoemd in de rapportages van de medisch adviseurs van zowel [appellante] als van Media Groep, maar die zich (nog) niet in de procesdossiers bevinden.

4.47.Het hof wijst er voorts - mogelijk ten overvloede - op dat gegevens die door de ene partij aan de deskundige worden verschaft, tegelijkertijd in afschrift of ter inzage worden verstrekt aan de wederpartij. Dit geldt echter niet onverkort voor medische gegevens die aan de deskundige worden verstrekt door de partij die eventueel gebruik kan maken van het blokkeringsrecht als bedoeld in artikel 7:464 lid 2, aanhef en onder b BW. Deze partij, [appellante], is, met het oog op de eventuele uitoefening van haar blokkeringsrecht, in beginsel niet verplicht de door haar aan de deskundige verschafte medische gegevens tegelijkertijd aan de wederpartij, Media Groep, in afschrift of ter inzage te verstrekken.

4.48.Indien [appellante] van dit blokkeringsrecht geen gebruik maakt en het deskundigenbericht ter beschikking van de wederpartij wordt gesteld, dan is zij, indien Media Groep het verlangt of op bevel van de rechter, alsnog verplicht alle door haar aan de deskundige verschafte medische gegevens aan Media Groep in afschrift of ter inzage te verstrekken. Weigert zij dit te doen, zonder dat zij daartoe gewichtige redenen als bedoeld in artikel 22 Rv heeft aangevoerd welke door het hof gegrond zijn geoordeeld, dan zal het hof uit die weigering de gevolgtrekking kunnen maken die hij geraden acht (vgl. HR 22 februari 2008, LJN BB5626).

4.49.Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5. De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel

verwijst de zaak naar de rol van 8 januari 2013 voor akte aan de zijde van [appellante] met de hiervoor in 4.45 vermelde doeleinden, waarna Media Groep in de gelegenheid zal worden gesteld hierop bij antwoordakte te reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.P. Zweers-van Vollenhoven, R.R.M. de Moor en M. van Ham en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 11 december 2012.