Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BY5924

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-12-2012
Datum publicatie
14-12-2012
Zaaknummer
HD 200.063.852 T2
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Brandverzekering. Verzekeraar niet geslaagd in bewijs merkelijke schuld verzekerde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.063.852/01

arrest van 11 december 2012

in de zaak van

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. M.J.A.M. Tonnaer,

tegen:

Achmea Schadeverzekeringen N.V., h.o.d.n. Interpolis,

gevestigd te [vestigingsplaats], tevens kantoorhoudende te [kantoorplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. B.M. Stroetinga,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 20 december 2011 in het hoger beroep van het door de rechtbank Breda onder nummer 187307/HA ZA 08-561 gewezen vonnis van 24 maart 2010.

Het hof zal de nummering van het tussenarrest voortzetten en ook thans voor Achmea de naam Interpolis hanteren.

6.Het tussenarrest van 20 december 2011

Bij genoemd arrest heeft het hof Interpolis toegelaten tot het bewijzen van feiten en omstandigheden waaruit voortvloeit dat sprake is van merkelijke schuld bij [appellant] aan de brand die zich heeft voorgedaan in diens barbecuerestaurant in de nacht van 1 op 2 oktober 2004, en is iedere verdere beslissing aangehouden.

7.Het verdere verloop van de procedure

Ter enquêtezitting van 28 juni 2012 is aan de zijde van Interpolis de heer [getuige A.] opgeroepen; aan de zijde van [appellant] is toen de heer [getuige B.] opgeroepen. Beide personen - die ieder een forensisch rapport hadden opgemaakt, dat door Interpolis respectievelijk [appellant] eerder in de procedure was overgelegd - zijn door de

raadsheer-commissaris als getuige gehoord en als deskundige, in die laatste hoedanigheid op de voet van artikel 200 Rv.

Vervolgens heeft Interpolis een memorie na enquête genomen, waarbij zij twee producties heeft overgelegd. [appellant] heeft een "memorie na enquête en contra-enquête tevens voorwaardelijke nietigheid deskundigenverhoor ex artikel 184 Rv zijdens Interpolis" genomen.

Ten slotte hebben partijen de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

8.De verdere beoordeling

8.1 [appellant] stelt dat op grond van artikel 184 Rv. het verhoor van [getuige A.] nietig moet worden verklaard. Interpolis had niet voorafgaand aan het getuigenverhoor meegedeeld dat zij de getuige [getuige A.] eveneens als deskundige wilde horen, en dat lag ook niet in de lijn met de bewijsopdracht van het hof. Daardoor heeft Interpolis volgens [appellant] gehandeld in strijd met de goede procesorde waardoor [appellant] in zijn procesbelangen is geschaad.

Het hof acht dit laatste onvoldoende onderbouwd. [appellant] heeft evenals Interpolis in verband met de bewijslevering de deskundige wiens rapport hij eerder in het geding had gebracht doen horen, en deze persoon is evenals de door Interpolis voorgebrachte persoon als getuige en als deskundige gehoord. Voor nietigverklaring op de voet van artikel 184 Rv is dan ook geen grond.

8.2 De verklaring van de door Interpolis voorgebrachte getuige/deskundige [getuige A.] bevat een nadere toelichting op en bevestiging van hetgeen reeds in het door hem opgestelde rapport is verwoord, maar voegt daar geen nieuwe feiten aan toe als bedoeld in artikel 163 Rv. terwijl de toelichting ook geen ander licht werpt op het door hem uitgebrachte rapport. Hetzelfde geldt voor de verklaring van de door [appellant] voorgebrachte getuige/deskundige [getuige B.].

8.3 In het tussenarrest van 20 december 2011 heeft het hof geoordeeld dat, gelet op de in dat arrest genoemde onduidelijkheden en onzekerheid over de manier waarop de brand kan zijn gesticht, de op de rapportage van I-tek gebaseerde stelling van Interpolis dat de brand wel moeten zijn gesticht door iemand die over een sleutel beschikte, onvoldoende is komen vast te staan, en dat daarmee die rapportage ook onvoldoende grond oplevert voor bewezenverklaring van merkelijke schuld van [appellant]. Het hof heeft daarbij overwogen dat hetgeen door de getuigen in eerste aanleg is verklaard alsmede is gerelateerd in de in eerste aanleg overgelegde rapporten (opgemaakt door de thans gehoorde personen [getuige A.] en [getuige B.]) het hof niet tot een ander oordeel leidt.

Nu door de in hoger beroep beroep voorgebrachte personen naar het oordeel van het hof geen aanvullend bewijs is geleverd komt hetgeen door Interpolis in de memorie na enquête is aangevoerd neer op een verzoek aan het hof terug te komen op zijn eerdere beslissing. Het hof ziet daartoe echter geen aanleiding en acht zich gebonden aan zijn oordeel neergelegd in het arrest van 20 december 2011.

8.4 Gelet op het voorgaande slaagt grief 6 en behoeven de grieven 1 tot en met 5 geen verdere behandeling. Nu Interpolis niet is geslaagd in het opgedragen bewijs dient zij de door [appellant] geleden schade voor zover gedekt door de verzekering te vergoeden.

8.5 Partijen zijn het erover eens dat de door Interpolis te betalen schadevergoeding moet worden uitgekeerd aan Rabobank Maas- en Leudal. De schade als gevolg van de brand is door de experts van Interpolis en [appellant] vastgesteld op € 210.501,05 (expertiserapport, productie 2 bij conclusie van repliek) alsmede € 7.800. Het laatste bedrag is door Interpolis niet bestreden; ten aanzien van het eerste bedrag merkt Interpolis in de conclusie van dupliek evenwel op dat de schade is gewaardeerd op de vervangingswaarde (voor inventaris en voorraden) en de herbouwwaarde (huurdersbelang), welke grondslag van vergoeding krachtens de polisvoorwaarden echter enkel wordt gehanteerd in het geval de beschadigde zaken worden vervangen c.q. herbouwd en de onderneming wordt voortgezet. Interpolis heeft hiervoor verwezen naar de polisvoorwaarden, die echter door [appellant] bij de dagvaarding in eerste aanleg slechts gedeeltelijk zijn overgelegd. [appellant] heeft zich ook niet uitgelaten over deze opmerking van Interpolis.

Het hof zal [appellant] alsnog in de gelegenheid stellen de totale polis over te leggen en op deze stellingen van Interpolis te reageren.

8.6 Met grief 7 vordert [appellant] de kosten van contra-expertise van € 13.018. Dit bedrag kan als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid worden toegewezen.

8.7 Grief 8 keert zich in de eerste plaats tegen de (impliciete) afwijzing door de rechtbank van de door [appellant] geleden gevolgschade, hierin bestaande dat [appellant] ten gevolge van het niet doen betalen van de schade gedwongen was zijn onderneming geheel te staken.

Deze vordering moet worden afgewezen omdat de door [appellant] gevorderde rente over de door Interpolis te betalen uitkering de schadevergoeding wegens vertraging in de voldoening van deze geldsom beoogt te fixeren op die rente zodat overigens geleden schade niet voor vergoeding in aanmerking komt (HR 8 juli 2011, NJ 2011, 309).

8.8 In de tweede plaats vordert [appellant] in het kader van deze grief alsnog vergoeding van buitengerechtelijke kosten tot een bedrag (ingevolge Rapport Voorwerk II) van € 2.975. Uit de door [appellant] overgelegde stukken blijkt ook dat er voorafgaand aan de procedure correspondentie is gevoerd om de zaak in der minne te schikken. Interpolis heeft dit onvoldoende weersproken, zodat het gevorderde bedrag - dat het hof redelijk voorkomt - kan worden toegewezen.

8.9 De door [appellant] gevorderde rente moet worden berekend op de voet van artikel 6:119 BW, omdat de vordering van [appellant] geen vordering is als bedoeld in artikel 6:119a BW.

8.10 Grief 9 betreft de kostenveroordeling. Interpolis moet als de in het ongelijk gestelde partij worden aangemerkt, zodat zij in de kosten van het geding zal worden veroordeeld, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

8.11 Het hof betreurt het dat thans nog geen uitspraak kan worden gedaan in deze zaak, gelet op de onduidelijkheid genoemd in rechtsoverweging 8.5. Mogelijk kunnen partijen, nu overigens door het hof op alle punten is beslist, hierover in onderling overleg beslissen zodat geen eindarrest hoeft te worden gewezen.

9. De uitspraak

Het hof: verwijst de zaak naar de rol van 8 januari 2013 voor het nemen van een akte met uitsluitend het in rechtsoverweging 8.5 vermelde doel, eerste door [appellant] en vervolgens door Interpolis.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.Th. Begheyn, C.N.M. Antens en P.M. Arnoldus-Smit en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 11 december 2012.