Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BY5832

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-12-2012
Datum publicatie
12-12-2012
Zaaknummer
20-003229-11
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROE:2011:BR4339, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dodelijk steekincident. Het hof volgt de conclusie van het Pieter Baan Centrum dat de verdachte volledig toerekeningsvatbaar is en legt een gevangenisstraf van 10 jaren op.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287, geldigheid: 2012-12-12
Wetboek van Strafrecht 300, geldigheid: 2012-12-12
Wetboek van Strafrecht 302, geldigheid: 2012-12-12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-003229-11

Uitspraak : 12 december 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Roermond van

9 augustus 2011 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 04-804048-11 en 04-860027-11, en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde straf, parketnummer 04-860013-09, tegen

[VERDACHTE],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,

thans verblijvende in Huis van Bewaring Roermond te Roermond.

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van doodslag

(04-804048-11, feit 1 primair), poging tot zware mishandeling (04-804048-11, feit 2 meer subsidiair) en mishandeling (04-860027-11) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren. Daarnaast heeft de rechtbank gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en van overheidswege zal worden verpleegd.

Voorts heeft de rechtbank beslist over schadevergoeding voor de benadeelde partij en de vordering tot tenuitvoerlegging.

De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en

- opnieuw rechtdoende - verdachte zal vrijspreken voor het onder parketnummer

04-804048-11 onder 2 primair ten laste gelegde en verdachte ten aanzien van het onder parketnummer 04-804048-11 onder 1 primair en 2 subsidiair en ten aanzien van het onder parketnummer 04-860027-11 ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek van voorarrest, met last dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld met verpleging van overheidswege. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij geheel wordt toegewezen, met toepassing van de maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, en dat de vordering tot tenuitvoerlegging wordt afgewezen.

Door en namens verdachte is vrijspraak bepleit voor het onder parketnummer 04-804048-11 onder 1 primair en 2 primair en subsidiair ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder parketnummer 04-860027-11 ten laste gelegde heeft de verdediging partiële vrijspraak bepleit van het onderdeel ‘levensgezellin’ en zich voor het overige gerefereerd aan het oordeel van het hof. De verdediging heeft voorts bepleit dat aan verdachte niet de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging wordt opgelegd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank en omdat het hof tot een ander oordeel betreffende de toerekeningsvatbaarheid van verdachte en daarmee tot een andere strafoplegging komt.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

Parketnummer 04-804048-11

1.

hij op of omstreeks 15 februari 2011 te Belfeld, in elk geval in de gemeente Venlo, opzettelijk [Slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet genoemde [Slachtoffer 1] met een mes in de borst, in elk geval in het lichaam, gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [Slachtoffer 1] is overleden;

althans indien ter zake het vorenstaande onder 1 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 15 februari 2011 te Belfeld, in elk geval in de gemeente Venlo, aan [Slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door opzettelijk genoemde [Slachtoffer 1] met een mes in de borst, in elk geval in het lichaam te steken, terwijl het feit de dood van genoemde [Slachtoffer 1] tengevolge heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 12 maart 2010 in de gemeente Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [Slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, genoemde [Slachtoffer 2] met een mes in de borst, althans schouder(streek), in elk geval in het lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans indien ter zake het vorenstaande onder 2 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 12 maart 2010 in de gemeente Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [Slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet genoemde [Slachtoffer 2] met een mes in de borst, althans schouder(streek), in elk geval in het lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans indien ter zake al het vorenstaande onder 2 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 12 maart 2010 in de gemeente Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [Slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet genoemde [Slachtoffer 2] met een mes in de borst althans schouder(streek), in elk geval in het lichaam, heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Parketnummer 04-860027-11

hij in of omstreeks de periode van 10 tot en met 11 januari 2011 in de gemeente Venlo opzettelijk mishandelend zijn levensgezellin, althans een persoon, te weten [Slachtoffer 3], meermalen, althans eenmaal, gewelddadig aan de haren heeft getrokken en/of heeft geslagen, waardoor genoemde [Slachtoffer 3] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van het in de zaak met parketnummer 04-804048-11 onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het in de zaak met parketnummer

04-804048-11 onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het hof acht op grond van het dossier en de verklaringen van verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep niet bewezen dat verdachte het opzet heeft gehad op de dood van [Slachtoffer 2], ook niet voorwaardelijke zin.

Vast is komen te staan dat verdachte bij een woordenwisseling [Slachtoffer 2] met een mes in de rechterschouder heeft gestoken. Volgens de zich in het dossier bevindende foto’s van het litteken heeft verdachte [Slachtoffer 2] met het mes gestoken aan de voorzijde van de rechterschouder, vrijwel ter hoogte van de rechterbovenarm. Verdachte heeft het mes recht naar beneden gestoken. Uit het onderzoek is niet komen vast te staan dat verdachte de bedoeling had [Slachtoffer 2] van het leven te beroven.

Van opzet op de dood van een ander kan ook sprake zijn indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden.

Gelet op de plaats waar en de wijze waarop de verdachte [Slachtoffer 2] in de schouder heeft gestoken en in aanmerking genomen dat verdachte heeft verklaard dat hij juist op die plaats heeft gestoken omdat hij niet wilde dat [Slachtoffer 2] iets ernstigs overkwam, is niet voldoende komen vast te staan dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [Slachtoffer 2] door het steken met het mes van het leven zou worden beroofd. Het hof heeft daarbij ook de overige omstandigheden van het geval betrokken, zoals de omstandigheid dat [Slachtoffer 2] op de bank zat en niet in beweging was en de omstandigheid dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat verdachte dermate onder invloed was van alcohol en/of drugs dat hij niet meer in staat was om goed te richten met het mes.

Op grond van het bovenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat het door verdachte steken met het mes niet een aanmerkelijke kans op de dood van [Slachtoffer 2] met zich mee heeft gebracht.

Het hof zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 04-804048-11 onder 1 primair en 2 meer subsidiair en het in de zaak met parketnummer

04-860027-11 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

Parketnummer 04-804048-11

1:

hij op 15 februari 2011 te Belfeld opzettelijk [Slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet genoemde [Slachtoffer 1] met een mes in de borst gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [Slachtoffer 1] is overleden.

2:

hij op 12 maart 2010 in de gemeente Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [Slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet genoemde [Slachtoffer 2] met een mes in de schouder heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Parketnummer 04-860027-11

hij op 11 januari 2011 in de gemeente Venlo opzettelijk mishandelend [Slachtoffer 3] gewelddadig aan de haren heeft getrokken en heeft geslagen, waardoor genoemde [Slachtoffer 3] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Ten aanzien van het onder parketnummer 04-804048-11 onder 1 bewezen verklaarde

Uit de verklaringen van [Getuige 1] en [Getuige 2] blijkt dat er onenigheid was tussen de verdachte en [Slachtoffer 1]. [Slachtoffer 1] zat op dat moment op de bank, verdachte zat tegenover [Slachtoffer 1]. Verdachte is op een gegeven moment opgesprongen en naar [Slachtoffer 1] gegaan.

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 1 februari 2012 verklaard dat er op die avond van 15 februari 2011 tussen hem en [Slachtoffer 1] een woordenwisseling is ontstaan en dat hij, verdachte, toen is opgestaan en met een mes een stekende beweging heeft gemaakt.

Gebleken is dat [Slachtoffer 1] als gevolg van een steekverwonding in de borst is overleden.

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij niet de intentie had om [Slachtoffer 1] van het leven te beroven. Door de verdediging is vrijspraak bepleit omdat er slechts sprake is geweest van onvoorzichtig handelen.

Het hof overweegt het volgende.

Het hof acht bewezen dat bij een woordenwisseling tussen verdachte en [Slachtoffer 1] verdachte is opgestaan, naar [Slachtoffer 1] is gegaan, een mes heeft gepakt en met het mes een stekende beweging heeft gemaakt in de richting van [Slachtoffer 1]. Verdachte heeft daarbij [Slachtoffer 1] in de borst geraakt. [Slachtoffer 1] is ten gevolge hiervan overleden.

Door met een mes in de borst te steken, zijnde een plaats waar zich in het lichaam vitale organen bevinden, heeft verdachte minstgenomen willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat [Slachtoffer 1] daardoor zou komen te overlijden. Verdachte heeft, door aldus te handelen, de aanmerkelijke kans op het overlijden van [Slachtoffer 1] bewust aanvaard. Het hof acht dan ook bewezen dat verdachte opzet had op de dood van [Slachtoffer 1].

Ten aanzien van het onder parketnummer 04-804048-11 onder 2 bewezen verklaarde

Door met een mes in de schouder van [Slachtoffer 2] te steken, heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat [Slachtoffer 2] daardoor zwaar lichamelijk letsel zou worden toegebracht. Algemeen bekend is dat zich op of in de directe nabijheid van de plaats waar is gestoken (onder andere) spieren en/of pezen bevinden die door een messteek ernstig kunnen worden beschadigd. Verdachte heeft door met een mes met kracht in de schouder van [Slachtoffer 2] te steken, willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat [Slachtoffer 2] daardoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het in de zaak met parketnummer 04-804048-11 onder 1 bewezen verklaarde levert op:

doodslag.

Het in de zaak met parketnummer 04-804048-11 onder 2 bewezen verklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling.

Het in de zaak met parketnummer 04-860027-11 bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Het hof komt tot een veroordeling ter zake van (kort gezegd) doodslag, poging zware mishandeling en mishandeling.

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Voorts heeft het hof rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die doorgaans voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof heeft acht geslagen op de over de persoon van verdachte opgemaakte rapporten van gedragsdeskundigen.

Psychiater H.E.M. van Beek, in zijn rapport van 18 mei 2011, en GZ-psycholoog A.F.J.M. Zwegers, in zijn rapport van 16 juni 2011, hebben geconcludeerd dat verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in de vorm van ADHD (overwegend onoplettendheidtype), alcoholafhankelijkheid en amfetamineafhankelijkheid, alsmede aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de vorm van een borderline persoonlijkheidsstoornis. De ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestonden op het moment dat de ten laste gelegde feiten plaatshadden. De deskundigen hebben onder meer op basis van verdachtes impulsiviteit, zijn stemmingswisselingen en zijn behoefte aan externe structuur, tegen de achtergrond van de invloed van alcohol en amfetamine, geadviseerd verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. Voorts is door de genoemde deskundigen ingeschat dat er een verhoogd risico op gewelddadig gedrag is. Zij achten een klinische behandeling in het kader van TBS met dwangverpleging noodzakelijk, waarbij is overwogen dat vooral behandeling van een borderline persoonlijkheidsstoornis een intensieve langdurige aangelegenheid is.

Psychiater T. Zandi en GZ-psycholoog A.H. Bouwman, onder supervisie van GZ-psycholoog R.J.A. van Helvoirt, werkzaam bij het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum, hebben op 6 september 2012 gerapporteerd over de persoon van verdachte. De deskundigen komen tot de diagnostische conclusie dat verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in de vorm van afhankelijkheid van alcohol en amfetamine. Alhoewel wel borderline persoonlijkheidskenmerken met anti-sociale trekken worden waargenomen, wordt een borderline persoonlijkheidsstoornis, zoals door deskundigen Van Beek en Zwegers gerapporteerd, niet herkend. Wel constateren zij problemen in het verleden op het gebied van impulscontrole en een adequate afstemming van emotionele reacties in het contact met anderen. Hierbij is evenwel telkens sprake geweest van middelengebruik en zijn de genoemde problemen in de optiek van de deskundigen niet primair een gevolg van eventuele persoonlijkheidsproblematiek. De diagnose ADHD, gesteld door deskundigen Van Beek en Zwegers, wordt evenmin onderschreven, met name omdat essentiële informatie uit de kindertijd van verdachte ontbreekt waardoor een historische verankering van ADHD kenmerken niet kan worden vastgesteld. De deskundigen rapporteren dat zij bij verdachte, los van zijn verslavingsproblematiek, geen zelfstandig te onderscheiden persoonlijkheidspathologie of anderszins als pathologisch te duiden problemen op relationeel gebied of met betrekking tot zijn impulsregulatie hebben waargenomen. De middelenverslaving bestond ten tijde van de ten laste gelegde feiten, maar levert niet zelfstandig op dat – los van een (persoonlijkheids)stoornis – enige vermindering van toerekeningsvatbaarheid kan worden geadviseerd. Gelet op dat advies van volledige toerekeningsvatbaarheid, kan geen onderbouwde uitspraak over het herhalings¬gevaar worden gedaan. Hoewel sprake is van een ernstige verslavingsproblematiek bestaat naar de mening van deskundigen Zandi en Bouwman derhalve geen aanleiding voor een advies tot behandeling in een gedwongen (TBS-)kader.

Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 28 november 2012 heeft deskundige Van Beek verklaard dat psycholoog Zwegers en hij volledige overeenstemming bereikten over diagnose, conclusies en advies, en dat zij beiden – na kennis te hebben genomen van de afwijkende conclusies en advies van de deskundigen van het Pieter Baan Centrum – volharden bij de in hun rapporten opgenomen bevindingen en conclusies. Van Beek heeft ter terechtzitting in hoger beroep voorts verklaard dat hij een chronisch beloop van de zogeheten borderlinetrekken bij verdachte ziet, als gevolg waarvan de conclusie moet zijn dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, te weten een borderline persoonlijkheidsstoornis. Van Beek meent dat deze stoornis jarenlang is gemaskeerd door het middelengebruik. Ook ziet hij ruimschoots voldoende kenmerken als drugsgebruik, ziekteverzuim, concentratie- en relatieproblemen om ADHD te kunnen diagnosticeren.

Ook de deskundigen Zandi, Bouwman en Van Helvoirt zijn ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 28 november 2012 gehoord. Zij zijn unaniem in hun beoordeling dat een duurzaam patroon van disfunctioneren van verdachte niet aan de orde is. In het bijzonder achten zij de emotieregulatie en impulscontrole niet zozeer verstoord dat sprake is van een chronisch disfunctioneren. Weliswaar is sprake van een behoorlijke kwetsbaarheid bij verdachte (gevoeligheid voor afwijzing, impulsief – maar niet structureel, somberheid), maar diens gedrag (agressie) zien zij voortkomen uit het middelengebruik (of algemener geformuleerd: de situatieve oorzaken voor een impulsdoorbraak), en niet uit een persoonlijkheidsstoornis. Daarbij komt dat verdachte voldoende inzicht heeft in het effect van middelen op zijn gedrag.

Het voorgaande in ogenschouw nemend, tegen de achtergrond van het door het Pieter Baan Centrum uitgevoerde milieuonderzoek inclusief uitgebreid referentenonderzoek, volgt het hof de bevindingen en conclusies van de deskundigen Zandi, Bouwman en Van Helvoirt. Ter terechtzitting in hoger beroep is door deze deskundigen uiteengezet dat bij verdachte tot 2007 sprake is van een blanco psychiatrische geschiedenis, en dat zijn problemen een vlucht namen toen verdachte de structuur in zijn leven verloor (baan, relatie). Met deze deskundigen acht het hof aannemelijk dat het onvermogen van verdachte om zijn boosheid of irritatie onder controle te houden grotendeels door het misbruik van alcohol en/of drugs lijkt te komen, welk onvermogen heeft geleid tot forse gedragsproblemen. Doorslaggevende betekenis is daarbij toegekend aan de uiteenzetting van deskundige Zandi ter terechtzitting dat een duurzaam patroon van disfunctioneren, essentieel om een persoonlijkheidsstoornis aan te nemen, bij verdachte niet aan de orde is. Het hof tekent daarbij aan dat het ontbreken van een duurzaam patroon van disfunctioneren door de deskundigen van het PBC onder meer is vastgesteld op basis van de verkregen informatie uit het door hen uitgevoerde uitgebreide milieuonderzoek.

Het hof neemt de conclusies van de deskundigen Zandi, Bouwmans en Van Helvoirt over, als gevolg waarvan het hof verdachte volledig toerekeningsvatbaar acht voor het plegen van de bewezen verklaarde feiten. Voor het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling acht het hof aldus geen gronden aanwezig.

Verdachte heeft op 15 februari 2011 met een messteek een einde gemaakt aan het leven van de 24-jarige [Slachtoffer 1]. Verdachte heeft op geen enkele manier duidelijk kunnen maken waarom hij handelde zoals hij deed. De dood van [Slachtoffer 1 ]heeft bij zijn nabestaanden onherstelbaar veel verdriet en leed veroorzaakt. De moeder van [Slachtoffer 1] heeft ter terechtzitting in hoger beroep een brief voorgelezen die zij geschreven heeft aan haar overleden zoon. In die brief verwoordt zij op indrukwekkende wijze hoe het gezin zijn plotselinge en brute dood heeft ervaren en schrijft zij [Slachtoffer 1] over hun verdriet, boosheid, angsten en diep gemis.

Bij de straftoemeting betrekt het hof ook de poging tot zware mishandeling van [Slachtoffer 2] en de mishandeling van [Slachtoffer 3]. Voor wat betreft de poging tot zware mishandeling van [Slachtoffer 2] acht het hof het kwalijk dat verdachte blijkens zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep kennelijk van mening is dat het min of meer de eigen schuld van [Slachtoffer 2] is geweest. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring van [Slachtoffer 2] blijkt dat [Slachtoffer 2] nog steeds de gevolgen ondervindt van het steekincident.

Verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten gepleegd onder invloed van alcohol en/of drugs. Verdachte kent de uitwerking van deze middelen op zijn gemoed. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft hij verklaard dat hij agressief wordt van alcohol en dat hij dat al eerder ervaren heeft.

Slechts circa 11 maanden voor het noodlottige voorval met [Slachtoffer 1] heeft verdachte [Slachtoffer 2] in zijn schouder gestoken. Dit was een zeer agressieve en disproportionele reactie op een opmerking van [Slachtoffer 2] dat deze het niet eens was met de wijze waarop verdachte zich gedroeg. Verdachte is na dit voorval echter niet op zoek gegaan naar hulp voor zijn klaarblijkelijke alcohol- en drugsprobleem en zijn daarmee gepaard gaande agressie. Hij is doorgegaan met het gebruik van alcohol in grote hoeveelheden, gecombineerd met het gebruik van drugs. Hij nam hiermee welbewust het risico dat er meer incidenten zouden volgen, voortvloeiend uit zijn agressie, hetgeen enige tijd later helaas ook bewaarheid is geworden. Het hof rekent dit verdachte zwaar aan.

Het hof houdt voorts rekening met de omstandigheid dat verdachte blijkens het hem betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 25 oktober 2012 reeds eerder onherroepelijk voor geweldsdelicten is veroordeeld.

Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor aanzienlijke duur met zich brengt.

Alles overwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren passend en geboden.

Het hof merkt nog op dat het zich door de over de verdachte uitgebrachte rapporten voldoende voorgelicht acht. Het opmaken van een nieuw reclasseringsrapport, zoals door de verdediging eerder is verzocht, acht het hof, mede gelet op de aan de verdachte op te leggen straf, niet noodzakelijk.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 6.778,51. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde partij] als gevolg van verdachtes onder parketnummer 04-804048-11 onder 1 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. Het hof neemt bij deze beslissing in aanmerking dat de vordering door de verdediging niet is betwist.

Het toe te wijzen bedrag aan schadevergoeding zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 maart 2011 tot aan de dag der algehele voldoening. Het hof heeft voor het vaststellen van deze datum aansluiting gezocht bij de datum waarop blijkens het voegingsformulier de als laatst vermelde schadepost is ontstaan.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Vordering tot tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te Roermond van 11 september 2009 opgelegde voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 152 uren. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Zoals hiervoor overwogen zal het hof aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren opleggen, met aftrek van voorarrest. Gelet hierop acht het hof toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging van voornoemde werkstraf in dit geval niet opportuun en zal het hof, in navolging van het standpunt van de advocaat-generaal en de verdediging, de vordering afwijzen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36f, 45, 57, 287, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 04-804048-11 onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 04-804048-11 onder 1 primair en 2 meer subsidiair en het in de zaak met parketnummer 04-860027-11 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij]

ter zake van het in de zaak met parketnummer 04-804048-11 onder 1 bewezen verklaarde en veroordeelt de verdachte om het bedrag van € 6.778,51 (zesduizend zevenhonderdachtenzeventig euro en eenenvijftig cent) ter zake van materiële schade tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 25 maart 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij], een bedrag te betalen van € 6.778,51 (zesduizend zevenhonderdachtenzeventig euro en eenenvijftig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 68 (achtenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 25 maart 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Roermond van

14 juli 2011, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Roermond van 11 september 2009, parketnummer 04-860013-09, voorwaardelijk opgelegde taakstraf voor de duur van 152 (honderdtweeënvijftig) uren.

Aldus gewezen door

mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans, voorzitter,

mr. F.P.E. Wiemans en mr. P.J. Hödl, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.E.M. de Ridder, griffier,

en op 12 december 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. P.J. Hödl is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.