Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BY5038

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-12-2012
Datum publicatie
05-12-2012
Zaaknummer
20-000602-11
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMAA:2011:BP3129, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schietincident met dodelijke afloop. Het hof acht bewezen dat verdachte met een vuurwapen heeft geschoten in de richting van zijn broer op het moment dat hun zus tussenbeide kwam. De zus werd door de kogel getroffen en is als gevolg van de schotverwonding overleden. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag op zijn broer. Het hof acht niet bewezen dat verdachte zijn zus opzettelijk van het leven heeft beroofd. Het hof is van oordeel dat verdachte weliswaar de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat hij iemand anders, in dit geval zijn zus die tussenbeide wilde komen, dodelijk zou treffen, maar dat hij ervan is uitgegaan dat het gevolg niet zal intreden. Wel acht het hof bewezen dat de dood van de zus aan de schuld van verdachte is te wijten en dat verdachte roekeloos heeft gehandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-000602-11

Uitspraak : 5 december 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Maastricht van 4 februari 2011 in de strafzaak met parketnummer 03-700251-10 tegen:

[VERDACHTE],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,

thans gedetineerd in de P.I. Vught - Nieuw Vosseveld 2 HVB te Vught.

Vonnis van de rechtbank

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank verdachte vrijgesproken van het onder 1 primair (moord op [slachtoffer 1]) en subsidiair (doodslag op [slachtoffer 1]) en onder 2 primair (poging tot moord op [slachtoffer 2]) ten laste gelegde en bewezen verklaard dat verdachte het onder 2 subsidiair (poging tot doodslag op [slachtoffer 2]) ten laste gelegde heeft begaan. De rechtbank heeft verdachte te dier zake veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van voorarrest.

Hoger beroep

De officier van justitie en de verdachte hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, verdachte zal vrijspreken van het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde en bewezen zal verklaren dat verdachte het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van voorarrest.

De verdediging heeft primair ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten vrijspraak bepleit omdat niet kan worden bewezen dat verdachte de persoon is geweest die het wapen heeft gehanteerd. Subsidiair, in het geval het hof wel bewezen acht dat verdachte de persoon is geweest die het wapen heeft gehanteerd, heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair en subsidiair en het onder 2 primair ten laste gelegde niet kan worden bewezen. Voor wat betreft een bewezenverklaring van het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde (dood door schuld ten aanzien van [slachtoffer 1]) en het onder 2 subsidiair ten laste gelegde (poging tot doodslag op [slachtoffer 2]) heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof, met dien verstande dat voor wat betreft het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde geen sprake is van roekeloosheid. Voor het overige heeft de verdediging gewezen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en verzocht dat, mocht het hof tot een veroordeling komen, de voorlopige hechtenis van de verdachte zal worden opgeheven, met dien verstande dat het hof hierop bij eindarrest zal beslissen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd reeds omdat in hoger beroep de tenlastelegging – en aldus de grondslag van het onderzoek – is gewijzigd.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep – ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 9 mei 2010 te Sittard, in de gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, een kogel afgevuurd in het lichaam van die [slachtoffer 1], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 9 mei 2010 te Sittard, in de gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet een kogel afgevuurd in het lichaam van die [slachtoffer 1], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 9 mei 2010 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen, roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam, een vuurwapen ter hand heeft genomen en/of de trekker van dat vuurwapen heeft overgehaald, waarna dat wapen is afgegaan en [slachtoffer 1] getroffen werd door een kogel uit dat wapen, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat die [slachtoffer 1] zodanig letsel, te weten een schotverwonding in het midden van de onderbuik, heeft bekomen, dat deze aan de gevolgen daarvan is overleden;

2.

hij op of omstreeks 9 mei 2010 te Sittard, in de gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, een kogel heeft afgevuurd in de richting van die [slachtoffer 2], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 9 mei 2010 te Sittard, in de gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet een kogel heeft afgevuurd in de richting van die [slachtoffer 2], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen met betrekking tot het ten laste gelegde

1. Op 9 mei 2010 omstreeks 15.00 uur is de dood vastgesteld van [slachtoffer 1], de zus van de verdachte. Zij is overleden als gevolg van een schotverwonding.

Vast is komen te staan dat de verdachte en zijn vriendin, [getuige 1], die dag – het was Moederdag – op bezoek kwamen bij [slachtoffer 1] en dat ook aanwezig waren [slachtoffer 2], zijnde de broer van [slachtoffer 1] en verdachte, mevrouw [getuige 2], zijnde hun moeder, en [getuige 3], zijnde het dochtertje van [slachtoffer 1]. [slachtoffer 1] bevond zich buiten, op het terras bij de woning. Op enig moment is er in de woning, bij de schuifpui naar het terras, een woordenwisseling en een handgemeen ontstaan tussen de verdachte en zijn broer [slachtoffer 2]. [slachtoffer 1] wilde tussenbeide komen en kwam door de schuifpui naar binnen. Op dat moment is een schot gevallen en is [slachtoffer 1] door een kogel in haar buik getroffen. Vanuit de positie van de verdachte bezien bevond het terras zich aan de linkerzijde, vanuit de positie van [slachtoffer 2] bezien aan de rechterzijde.

[slachtoffer 2] heeft – kort samengevat – verklaard dat de verdachte bij het handgemeen op de grond terecht is gekomen, een pistool heeft getrokken en heeft geschoten op het moment dat [slachtoffer 1] tussenbeide kwam.

De verdachte heeft verklaard dat hij tijdens het handgemeen een schot heeft gehoord maar dat hij niet degene is geweest die heeft geschoten.

Het wapen waarmee is geschoten is niet aangetroffen. Wel is in het lichaam van [slachtoffer 1] een kogel aangetroffen. Uit deskundigenonderzoek blijkt dat de kogel het best past bij het kaliber 9mm Parabellum. De afvuursporen in de kogel passen bij vuurwapens van het kaliber 9mm Parabellum.

2. Door de advocaat-generaal is geconcludeerd dat de verdachte degene is geweest die heeft geschoten. Dit blijkt uit de verklaringen van [slachtoffer 2] dat hij heeft gezien dat de verdachte een wapen heeft getrokken en daarna een huls heeft opgeraapt. Ook de verklaringen van [getuige 2] wijzen in de richting van de verdachte. Beide getuigen hebben, toen zij voor de eerste keer door de politie werden gehoord, niet de gelegenheid gehad hun verklaringen op elkaar af te stemmen. [slachtoffer 2] heeft ook niet de gelegenheid gehad zich te ontdoen van het wapen; tijdens de doorzoeking van de woning is geen wapen aangetroffen. Verdachte had echter wel de beschikking over een vuurwapen. Hij is kort na het schietincident vertrokken en enige tijd onbereikbaar geweest. Ook het technisch onderzoek wijst in de richting van de verdachte als degene die heeft geschoten, aldus de advocaat-generaal.

Door de verdediging is bepleit dat niet kan worden bewezen dat verdachte degene is geweest die heeft geschoten. De verklaringen van [slachtoffer 2] bevatten op essentiële onderdelen onjuistheden; hij wekt de indruk er belang bij te hebben zo belastend mogelijk te verklaren over de verdachte. Zijn verklaringen vinden ook geen steun in de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 1]. [getuige 2] heeft verklaard dat zij geen wapen heeft gezien; hetgeen zij later, na haar eerste verhoor, verklaart over de plaats waar de verdachte zich bevond en over iets zwarts en ronds bij de verdachte kan een gevolg zijn van door achteraf verkregen informatie gekleurd en veranderd geheugen. Ook [getuige 1] heeft geen wapen gezien; zij heeft juist verklaard dat zij weet dat [slachtoffer 2] een pistool heeft. Ook op grond van de resultaten van het technisch onderzoek kan niet worden geconcludeerd dat het de verdachte is geweest die heeft geschoten, aldus de verdediging.

3. Het hof overweegt het volgende.

3.1 Onderzoek naar schotresten

3.1.1 Zowel de handen van de verdachte als de handen en trui van [slachtoffer 2] en de handen van [getuige 2] zijn bemonsterd op schotresten. Uit een onderzoek door de deskundige A. Brouwer-Stamouli, forensisch onderzoeker bij het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) naar de aanwezigheid van schotresten blijkt dat op de monsters schotresten zijn aangetroffen die een vrijwel zekere relatie aantonen met een schietproces. De deskundige heeft ter terechtzitting van het hof verklaard dat op basis van deze bevindingen niet kan worden vastgesteld wie het vuurwapen heeft gehanteerd. Schotresten kunnen op de handen terechtkomen door zelf te schieten, maar ook als men naast de kogelbaan of naast de schutter staat of als men voorwerpen aanraakt waarop zich schotresten bevinden.

Naar aanleiding van een door de verdediging gedaan verzoek is in opdracht van het hof op verzoek van Verilabs Nederland B.V. te Leiden door de deskundige C.R. Moynehan, Lead Scientist bij LGC Forensics, een nadere analyse verricht van de door het NFI aangetroffen schotrestsporen. De deskundige merkt op dat bij de monsterneming van de handen van de verdachte ongeveer vier uren na het schietincident een hoge hoeveelheid karakteristieke schotresten (in het grensgebied naar zeer hoog) is aangetroffen en dat dit meer is dan hij gewoonlijk zou verwachten op iemands handen vier uren na het schietincident. De deskundige geeft daarvoor een aantal mogelijke verklaringen, zoals het na het schietincident aanraken of hanteren van iets dat ernstig met schotresten verontreinigd was, bijvoorbeeld het wapen of een lege patroonhuls, het ernstig verontreinigd zijn van de handen van de verdachte met schotresten op het moment van het schietincident, de mogelijkheid dat de monstername of analyse effectiever is dan in andere zaken die de deskundige heeft onderzocht of de mogelijkheid dat schotresten op de handen van de verdachte in een langzamer tempo verloren gaan dan gewoonlijk. Hij concludeert dat het niet mogelijk is om een uitspraak te doen over de relatieve waarschijnlijkheid van elk van deze verklaringen omdat deze ieder afzonderlijk als verklaring voor de verkregen resultaten zou kunnen dienen en dat op grond van het onderzoek naar schotresten niet kan worden bepaald waar het wapen zich heeft bevonden toen het werd afgevuurd en wie op dat moment in het bezit was van het wapen. Nader onderzoek wordt, onder meer omdat het wapen niet is aangetroffen, weinig zinvol geacht.

3.1.2 Door de advocaat-generaal is aangevoerd dat volgens [slachtoffer 2] de verdachte, nadat hij heeft geschoten, de huls heeft opgeraapt en dat daarmee de bij de verdachte aangetroffen grote hoeveelheid karakteristieke schotresten kan worden verklaard.

Het hof wijst er op dat de deskundige Moynehan een aantal mogelijke verklaringen heeft gegeven voor de grote hoeveelheid schotresten op de handen van de verdachte en dat het niet mogelijk is om een uitspraak te doen over de relatieve waarschijnlijkheid van elk van deze verklaringen omdat deze ieder afzonderlijk als verklaring voor de verkregen resultaten zouden kunnen dienen.

Gezien de bevindingen en de conclusies van beide deskundigen kan aan de hand van het onderzoek naar de schotresten niet worden vastgesteld waar het wapen zich heeft bevonden en of de verdachte al dan niet heeft geschoten.

3.2 Onderzoek naar de kogelbaan en de schootsafstand

3.2.1 In het rapport ‘Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood’ met bijlage vermeldt de deskundige A. Maes, arts en patholoog, dat er bij [slachtoffer 1] een schotkanaal te herleiden is door de buik en borst van onder naar boven en van het midden en voor (middenvoor en onder) naar linksboven en -achter. Er was daarbij perforatie vanaf de buikwand, verlopend via de maag het middenrif naar de 7e rib linksachter en vervolgens naar een kogel in de weke delen van de rug ter hoogte van het linkerschouderblad. De 7e rib toonde fracturering in relatie met het schotkanaal.

In het onderzoek forensische radiologie wordt vermeld dat de inschotopening zich bevond ongeveer 6 centimeter onder de navel van [slachtoffer 1]. De kogel volgde een traject door het lichaam tot rib 8 aan de rugzijde. Deze rib is lokaal verbrijzeld. Vervolgens heeft de kogel de borstholte verlaten en is onderhuids aangetroffen op het niveau van rib 4-5, juist mediaal van het schouderblad. Wanneer er vervolgens een lijn wordt getrokken van de inschotopening tot het afbuigen van het projectiel op rib 8 kan worden bepaald wat de inschothoek geweest kan zijn. De inschothoek wordt vervolgens berekend op circa 23 graden (180 graden – 157 graden) ‘vanuit caudaal (vanaf de voeten) ten opzichte van de lange as van het lichaam’. Het hof merkt op dat het verschil in aanduiding van de rib aan de rugzijde zoals hiervoor weergegeven niet van invloed is op de vastgestelde inschothoek nu deze hoek is bepaald aan de hand van de lijn die kan worden getrokken van de inschotopening tot de plaats waar de kogel is afgebogen.

Naar aanleiding van een verzoek van de verdediging is in opdracht van het hof op verzoek van Verilabs door A. de Villiers Horne, senior wetenschapper bij LGC Forensics, een nader ballistisch onderzoek verricht. Hij concludeert dat de berekende hoek van 23 graden juist lijkt te zijn en dat er geen aanwijzingen zijn om de nauwkeurigheid van de meting in twijfel te trekken.

Dit onderzoeksresultaat is noch van de zijde van het openbaar ministerie, noch van de zijde van de verdediging betwist.

Gelet op de bevindingen zal het hof als uitgangspunt nemen dat de inschothoek circa 23 graden bedraagt.

3.2.2 Onderzocht is of mogelijk sprake kan zijn geweest van een zogenaamd ‘ricochet’, het afketsen van een afgevuurde kogel op een oppervlak.

Uit de resultaten van het door de politie verrichte forensisch onderzoek zijn daarvoor geen aanwijzingen verkregen. Er is gezocht of er beschadigingen waren die zouden kunnen wijzen op een ricochet, maar die zijn niet gevonden.

Ook de in het lichaam van [slachtoffer 1] aangetroffen kogel is onderzocht op sporen die kunnen duiden op een ricochet. Door de deskundige B. Jacobs, NFI-deskundige Wapens en Munitie, is een vervorming waargenomen in de zijkant, het cilindrisch deel, van de kogel. Daar bevindt zich een zeer geringe beschadiging in de vorm van een zeer ondiepe deuk. In deze deuk bevinden zich nagenoeg geen kraslijnen. Dat betekent dat de kogel met een lage snelheid, zijdelings tegen een object is gebotst. De deskundige concludeert dat de waargenomen beschadiging in het cilindrisch deel van de kogel past bij de door de patholoog beschreven breuk van de rib van het slachtoffer. Verder is de kogel nagenoeg gaaf. Ervan uitgaande dat de kogel niet van een grote afstand is verschoten (het schietincident voltrok zich binnenskamers) en gelet op de grote indringdiepte van de kogel in het lichaam van het slachtoffer kan volgens de deskundige gesteld worden dat de kogel met een ‘hoge’ snelheid de loop heeft verlaten. Had de kogel een object met een ‘hoge’ snelheid geraakt, dan was de kogel en/of het object beschadigd en zou dat zichtbaar geweest moeten zijn aan de kogel of aan een object op de plaats van het delict.

Ter terechtzitting van het hof heeft de deskundige B. Jacobs verklaard dat het kleine deukje aan de zijkant van de kogel betekent dat de kogel op enig moment getuimeld moet zijn. Dit kan gebeuren als een kogel een lichaam ingaat en bijna zijn snelheid kwijt is. Als de kogel dan iets raakt, zoals een rib, ontstaat er een deukje aan de zijkant van de kogel. Aan het deukje is te zien dat de kogel niet ergens is langsgegaan omdat in dat geval krassen in het deukje te zien moeten zijn. Dit betekent dat de kogel eerst is getuimeld voordat deze iets heeft aangetikt. Het deukje in de kogel is derhalve goed verklaarbaar met de gebroken rib, aldus Jacobs.

De kogel is eveneens onderzocht door A. de Villiers Horne. Hij concludeert dat er geen sporen op de kogel zijn die zouden doen vermoeden dat de kogel na het afvuren met enig ander object in aanraking is geweest. Er was wel een kleine deuk op de cilinder. Dit wijst op een inslag met lage snelheid met een object nadat de kogel instabiel is geworden en is begonnen te tuimelen. De beschadiging is verenigbaar met het raken en breken van de rib van het slachtoffer nadat de kogel haar lichaam was binnengedrongen. Na bestudering van foto’s van het vest van [slachtoffer 1] concludeert De Villiers Horne dat de vorm van het gat overeenkomt met een stabiele kogel die in een hoek inslaat.

Nu er op de plaats delict geen sporen van een ricochet zijn aangetroffen en gezien de hiervoor weergegeven bevindingen en conclusies van de deskundigen Jacobs en De Villiers Horne na onderzoek van de kogel, zijn er geen aanwijzingen dat de kogel, voordat deze het lichaam van [slachtoffer 1] is binnengedrongen, is gericocheerd en daardoor van baan is veranderd.

3.2.3 Voor wat betreft de schootsafstand heeft A. Brouwer-Stamouli gerapporteerd dat na onderzoek van de kleding van [slachtoffer 1] en na vergelijking met resultaten van proefschotenseries van het type munitie dat in het lichaam van [slachtoffer 1] is aangetroffen, er geen sporen zijn aangetroffen die wijzen op een schootsafstand kleiner dan 25 centimeter.

Ter terechtzitting van het hof heeft zij nog opgemerkt dat niet met honderd procent zekerheid kan worden gezegd dat het wapen zich niet op een schootsafstand tussen 0 en 25 centimeter van de inschotopening heeft bevonden en dat hoe korter de afstand is, hoe zekerder de deskundige kan zijn. Zo zullen er bij een afstand van bijvoorbeeld 10 centimeter zoveel sporen zijn dat de onderzoeker zich niet kan vergissen.

Door A. de Villiers Horne is na bestudering van foto’s en lezing van het rapport van A. Brouwer-Stamouli gerapporteerd dat niets is waargenomen dat zou kunnen wijzen op een schootsafstand van minder dan 25 centimeter.

3.2.4 Vervolgens rijst de vraag of uit deze bevindingen te herleiden valt waar het wapen zich moet hebben bevonden ten opzichte van het slachtoffer [slachtoffer 1] toen het werd afgevuurd.

Vastgesteld is dat [slachtoffer 1] aan de voorzijde van haar lichaam is geraakt. Voorts is vastgesteld dat zij een lichaamslengte had van 178 centimeter en dat de inschotopening zich bevond op een hoogte van 101 centimeter van de voetzoolranden en juist in het midden aan de onderbuik van [slachtoffer 1]. De inschothoek is berekend op circa 23 graden. De kogelbaan verloopt door de buik en borst van [slachtoffer 1] van onder naar boven en van het midden en voor (middenvoor en onder) naar linksboven en -achter in een vrij rechte/steile lijn. Gelet op het verloop van de schootsbaan en de omstandigheid dat [slachtoffer 1] toen zij tussenbeide kwam, stond , was de loop van het wapen toen het werd afgevuurd schuin omhoog gericht en heeft het wapen zich tussen de vloer en de inschotopening bevonden. Door A. de Villiers Horne wordt gesteld dat in het geval het slachtoffer rechtop stond en de mond van het vuurwapen zich op een afstand bevond van meer dan 25 centimeter van het slachtoffer, het vuurwapen ongeveer 22 centimeter onder de hoogte van het middel van het slachtoffer moet zijn geweest. Hoe hoger van de vloer de mond van het vuurwapen gehouden wordt, hoe dichter het bij het slachtoffer gehouden moet worden om de hoek van 23 graden te kunnen maken. Het hoogste dat het vuurwapen geweest zou kunnen zijn is op dezelfde hoogte als de inschotverwonding en er tegen aan, doch daarvoor zijn geen aanwijzingen, aldus A. de Villiers Horne.

3.3 Afgelegde verklaringen

3.3.1 Door de verdachte is verklaard dat hij door [slachtoffer 2] is vastgepakt en naar de grond is geduwd en dat op dat moment het schot is gevallen. Het schot is gevallen toen zij elkaar vast hadden. De verdachte stond op dat moment voorover gebukt, met zijn gezicht naar de grond gericht. [slachtoffer 2] bevond zich boven de verdachte. Nadat het schot was gevallen voelde hij iets branden in zijn gezicht. Hij heeft geen wapen gezien. Hij heeft wel in zijn nek iets hards gevoeld bij zijn broer, ter hoogte van diens broekzak. [slachtoffer 1] is niet tussen hen in geweest; verdachte en [slachtoffer 2] stonden tegen elkaar aan. Over de lengte van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] verklaart de verdachte dat [slachtoffer 1] iets kleiner is dan hijzelf en dat [slachtoffer 2] een stuk groter is.

3.3.2 Door [slachtoffer 2] is kort na het schietincident, op 9 mei om 15.10 uur, verklaard dat hij de verdachte heeft vastgepakt en naar de grond heeft gewerkt en dat de verdachte, toen hij van de grond omhoog kwam, een pistool in zijn hand had. [slachtoffer 1] kwam op dat moment van het terras buiten naar binnen gelopen door de schuifpui en bevond zich net tussen hen beiden toen er werd geschoten. Meer specifiek verklaart hij dat de verdachte hem bij de nek heeft gepakt, dat hij, [slachtoffer 2], daardoor een beetje door zijn benen is gezakt en op een knie terecht kwam en meteen weer opstond en achteruit ging en dat de verdachte hem toen niet meer vast had, dat de verdachte een beetje op zijn knieën, een beetje languit half tussen twee stoelen terecht is gekomen, dat de verdachte toen hij omhoog kwam een zwart met bruin vuurwapen tevoorschijn haalde en dat dat het moment was dat hun zus naar binnen kwam en ertussen is gesprongen. Hij heeft ook verklaard dat hij het wapen kende omdat hij het eerder bij de verdachte thuis heeft gezien. Het is een 9mm pistool, zwart met een bruine handgreep.

3.3.3 Door de moeder, [getuige 2], is kort na het schietincident, op 9 mei 2010 om 15.00 uur, verklaard dat de ruzie tussen de verdachte en [slachtoffer 2] plaatsvond voor de schuifpui, dat [slachtoffer 2] en de verdachte elkaar vasthadden, dat zij [slachtoffer 2] vastpakte bij zijn arm, dat [slachtoffer 1] op dat moment van buiten kwam, dat zij, [getuige 2], een knal hoorde en dat [slachtoffer 2] en de verdachte toen een heel klein stukje van elkaar verwijderd waren, dat [slachtoffer 1] toen op de grond viel en dat de verdachte riep: ‘Er is niks aan de hand’.

3.3.4 Door de vriendin van de verdachte, [getuige 1], is op 9 mei om 19.20 uur verklaard dat er een ruzie ontstond tussen de beide broers, dat [slachtoffer 1] vanuit de tuin tussen [slachtoffer 2] en de verdachte in gaat staan, dat de verdachte en [slachtoffer 2] toen met hun gezicht naar elkaar toe stonden en dat zij toen in een keer een knal hoorde. Op 11 mei 2010 heeft zij verklaard dat zij in het begin van het jaar een pistool heeft aangetroffen onder het bed aan de zijde waar de verdachte slaapt, en dat dit pistool een lichtbruin handvat had en dat het ijzeren gedeelte donkerder bruin was.

3.3.5 Uit de verklaring van [getuige 3] , het dochtertje van [slachtoffer 1], is geen relevante informatie naar voren gekomen.

3.3.6 Bij een reconstructie van het schietincident hebben de verdachte, [slachtoffer 2], [getuige 2] en [getuige 1] de gelegenheid gehad te verklaren hoe in hun beleving het schietincident heeft plaatsgevonden.

[slachtoffer 2] heeft verklaard dat de verdachte hem bij de nek pakte, dat [slachtoffer 2] de verdachte tegen de grond duwde en ook meeging naar de grond, dat de verdachte tussen de stoelen op de grond heeft gelegen, dat hij, [slachtoffer 2], meteen is opgestaan en achteruit is gelopen en dat dat het moment is geweest waarop [slachtoffer 1] naar binnen kwam. [slachtoffer 1] stond met de rug naar hem, [slachtoffer 2], toe, en toen waren de schoten eigenlijk al gevallen. Met het overeind komen had de verdachte het wapen al getrokken.

Tijdens de bij de reconstructie afgelegde verklaring van [slachtoffer 2] zijn de afstanden gemeten tussen het pistool en de plaats waar volgens [slachtoffer 2] [slachtoffer 1] zich bevond op het moment dat het vuurwapen afging en de hoogte van het wapen ten opzichte van de vloer. Daaruit blijkt dat de hoogte waarop het wapen is gehouden, gemeten tot het hart van de loop, door [slachtoffer 2] wordt geschat op niet hoger dan 38 centimeter. De afstand tot de voet waar [slachtoffer 1] zou hebben gestaan bedraagt ongeveer 100 centimeter.

De verdachte heeft bij de reconstructie verklaard dat [slachtoffer 2] hem tegen de grond wilde duwen, dat hij toen tegen zijn broer aanduwde, hem tegen de kast duwde, dat hij voorover gebukt stond en tegen de lies van zijn broer aankwam – A. de Villiers Horne beschrijft dit overeenkomstig de beelden van de reconstructie als volgt: verdachte had zijn schouder tegen het middel van [slachtoffer 2], met zijn hoofd en nek gedrukt tegen de linkerflank van [slachtoffer 2]; [slachtoffer 1] kwam door de schuifdeur, aan de rechterzijde van [slachtoffer 2] – en dat hij daar iets hards voelde, dat hij daar op iets hards is gestoten en dat toen meteen het schot is afgegaan. Wat hij voelde was geen bot, het was echt iets wat uitstak, keihard. Op het moment dat hij de knal hoorde voelde hij iets branden in zijn gezicht.

3.4 Het oordeel van de deskundigen aan de hand van de afgelegde verklaringen

3.4.1 De deskundige B. Jacobs heeft naar aanleiding van de bij de reconstructie afgelegde verklaring van de verdachte geconcludeerd dat als de kogel zou zijn afgevuurd vanaf de heuphoogte van [slachtoffer 2] en direct het slachtoffer zou hebben geraakt, de sterk omhoog gerichte kogelbaan in het lichaam van het slachtoffer niet kan worden verklaard. Naar aanleiding van de verklaring van [slachtoffer 2] heeft de deskundige geconcludeerd dat de door [slachtoffer 2] getoonde schootsrichting sterk schuin omhoog is en dat dit kan passen bij de schootsbaan in het lichaam van het slachtoffer. Op de terechtzitting van de rechtbank heeft de deskundige verklaard dat een lichaam beweegt en dat een wapen op verschillende manieren kan worden vastgehouden, maar dat bij de verklaring van [slachtoffer 2] in ieder geval sprake is van een schootsbaan die omhoog gaat. Als wordt uitgegaan van de verklaring van de verdachte en van de aanname dat het wapen zich in de broeksband van [slachtoffer 2] heeft bevonden toen het schot gelost werd, kan de omhooggaande baan van de kogel niet worden verklaard.

Ter terechtzitting van het hof is door Jacobs verklaard dat is gebleken dat de schootsbaan schuin omhoog is gegaan en dat het wapen zich onder de inschotopening moet hebben bevonden. In het scenario van [slachtoffer 2] bevond het wapen zich onder de inschotopening.

Door de verdediging is naar voren gebracht dat bij de gemeten hoogte van het vuurwapen en de gemeten afstand van het wapen tot het slachtoffer, uitgaande van een rechtop staand slachtoffer, de vastgestelde hoek van 23 graden niet kan worden bereikt. De deskundige heeft dit bevestigd doch heeft er aan toegevoegd dat de werkelijke afstand kan afwijken en dat het slachtoffer in beweging was .

3.4.2 A. de Villiers Horne is bij de interpretatie van de onderzoeksresultaten ervan uitgegaan dat [slachtoffer 1] zich in een staande positie bevond en heeft er op gewezen dat niet bekend is wat haar exacte lichaamshouding was. Als zij voorover, achterover of naar de zijkant was gebogen, dan was de hoek van 23 graden ten opzichte van de lengteas van het lichaam nog steeds dezelfde geweest; de hoek ten opzichte van de grond zou echter significant veranderen. Als het slachtoffer voorover en/of naar rechts gebogen was, zou die hoek kleiner worden en had de mond van het vuurwapen dichterbij moeten zijn dan 40 centimeter, op het niveau van de grond en uitgaande van een rechtop staand slachtoffer. Als het slachtoffer achterover en/of naar links was gebogen zou het vuurwapen verder weg kunnen zijn dan 40 centimeter. Als het slachtoffer in een hoek van 35 graden weggebogen stond van de mond van het vuurwapen, zou een hoek van 23 graden ten opzichte van de lengteas van het lichaam verkregen kunnen worden op 30 centimeter boven de grond op een afstand van 1 meter van het slachtoffer.

Voor wat betreft het door de verdachte beschreven scenario beoordeelt de deskundige het gebied rond de gordel of het kruis van [slachtoffer 2], die langer is dan [slachtoffer 1], als een uiterst onwaarschijnlijke (praktisch onmogelijke) positie voor het vuurwapen, onder meer omdat, als het wapen in de gordel of broekzak was weggestopt, de loop in een neerwaartse hoek zou zijn gericht en een vuurwapen op die hoogte niet het schootskanaal in het lichaam van [slachtoffer 1] zou kunnen hebben veroorzaakt.

De verklaring van [slachtoffer 2] wordt beoordeeld als mogelijk en aannemelijk omdat de baan van een schot dat vanaf de grond opwaarts wordt afgevuurd geleid zou kunnen hebben tot het verloop van het schootskanaal van 23 graden ten opzichte van de lengteas van het lichaam. Dit is mogelijk op verschillende afstanden van het slachtoffer en op verschillende hoogtes, afhankelijk van de hoek die het bovenlichaam van [slachtoffer 1] maakte ten opzichte van de grond.

3.5 Beoordeling

3.5.1 Uit de hiervoor vermelde korte weergave van de verklaringen blijkt dat alleen [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij heeft gezien dat de verdachte een wapen heeft getrokken. Door de verdediging is aangevoerd dat deze verklaring niet betrouwbaar is en onvoldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen om op grond daarvan tot een bewezenverklaring te komen.

3.5.2 Het hof is, anders dan de verdediging, van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 2] betrouwbaar is en voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen. [slachtoffer 2] heeft verklaard over de positie van de verdachte toen het schot is gelost: de verdachte is op de grond terecht gekomen en heeft op het moment dat hij omhoog kwam het wapen gepakt. Dat was het moment dat [slachtoffer 1] naar binnen kwam. [slachtoffer 2] en de verdachte hadden elkaar toen niet meer vast. Vervolgens is er geschoten.

Vastgesteld is dat [slachtoffer 1] aan de voorzijde van haar lichaam is geraakt op een hoogte van 101 centimeter van de voetzoolranden en dat de kogel door de buik en borst van onder naar boven en van het midden en voor (middenvoor en onder) naar linksboven en -achter is gegaan in een vrij rechte/steile lijn. De loop van het wapen moet toen het werd afgevuurd schuin omhoog gericht zijn geweest en moet zich tussen de vloer en de inschotopening hebben bevonden. In de door [slachtoffer 2] gegeven beschrijving van hetgeen is voorgevallen was de schootsbaan schuin omhoog gericht en bevond het wapen zich op een positie onder de inschotopening. Daarbij kon een inschothoek van 23 graden ten opzichte van de lengteas van het lichaam van [slachtoffer 1] worden bereikt.

Voorts blijkt niet alleen uit de verklaring van [slachtoffer 2] maar ook uit de op de terechtzitting van het hof afgelegde verklaring van [getuige 2] dat [slachtoffer 1], toen zij binnenkwam, naar de verdachte gericht was. [getuige 2] heeft hierover verklaard dat zij bij [slachtoffer 2] stond en heeft gezien hoe [slachtoffer 1] de kamer in kwam. Zij heeft beschreven hoe [slachtoffer 1], omdat zij haar rechterhand niet goed kon gebruiken, met haar rechterbovenarm of -schouder de schuifpui verder openduwde en dat [slachtoffer 1] daarbij naar de verdachte was gericht. Het hof ziet in hetgeen door de verdediging is aangevoerd geen reden om te twijfelen aan deze verklaring. Door [getuige 2] is heel specifiek beschreven wat zij heeft waargenomen. Deze waarneming past bij de vaststelling dat de inschotopening zich aan de voorzijde van het lichaam van [slachtoffer 1] bevond.

Gelet op het voorgaande vindt de door [slachtoffer 2] gegeven beschrijving van het afvuren van het wapen bevestiging in de onderzoeksresultaten voor wat betreft de schootsbaan. Daarbij merkt het hof nog op dat [slachtoffer 2], toen hij voor de eerste maal bij de politie zijn verklaring aflegde , niet bekend was met de omstandigheid dat de kogel in het lichaam van [slachtoffer 1] een traject heeft afgelegd in een steile lijn van onder naar boven en zijn verklaring niet heeft kunnen afstemmen op de onderzoeksgegevens.

Met het door de verdachte geschetste scenario – het wapen is afgegaan tijdens het handgemeen tussen hem en [slachtoffer 2] – kan volgens de deskundigen Jacobs en De Villiers Horne , ervan uitgaande dat het wapen zich op heuphoogte of ter hoogte van het kruis van [slachtoffer 2] heeft bevonden, de vastgestelde schootsbaan niet worden verklaard, in aanmerking genomen dat [slachtoffer 1] een lichaamslengte had van 178 centimeter en de inschotopening bij [slachtoffer 1] zich bevond op een hoogte van 101 centimeter van de voetzoolranden, dat [slachtoffer 2] een stuk groter was dan verdachte en [slachtoffer 1] en dat het wapen zich onder de inschotopening heeft bevonden. Het hof merkt daarbij nog op dat de verdachte zelf een indicatie heeft gegeven waar het wapen zich moet hebben bevonden: ter hoogte van het middel of het kruis van [slachtoffer 2].

Voorts blijkt uit de verklaring van [getuige 1], inhoudende dat zij begin 2010 een pistool met een bruin handvat onder het bed van de verdachte heeft aangetroffen, dat de verdachte enkele maanden voor het schietincident in het bezit was van een vuurwapen dat overeenkomt met het wapen zoals dit door [slachtoffer 2] wordt omschreven.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen acht het hof de verklaring van [slachtoffer 2] dat de verdachte heeft geschoten betrouwbaar. Dat [slachtoffer 2] spreekt van een tweetal schoten terwijl anderen verklaren over één enkel schot en er ook overigens geen aanwijzingen zijn dat meer dan één keer is geschoten, maakt zijn verklaring over het trekken van een wapen door de verdachte nog niet onbetrouwbaar.

Ook hetgeen door de verdediging overigens is aangevoerd – [slachtoffer 2] wekt met zijn verklaringen de indruk belang te hebben om zo belastend mogelijk te verklaren over de verdachte. Zo heeft hij verklaard dat de verdachte zich heeft gebukt om hulzen op te rapen en nog heeft rondgelopen met het wapen terwijl dit door niemand anders is waargenomen en dat hij het wapen op afstand heeft herkend als een 9mm pistool terwijl hij ook verklaart geen verstand van wapens te hebben – brengt het hof niet tot een ander oordeel. Zoals hiervoor is overwogen moet de loop van het wapen toen het werd afgevuurd schuin omhoog gericht zijn geweest en moet het zich tussen de vloer en de inschotopening hebben bevonden. In de door [slachtoffer 2] gegeven beschrijving van hetgeen is voorgevallen was de schootsbaan schuin omhoog gericht en bevond het wapen zich op een positie onder de inschotopening. Met het door de verdachte geschetste scenario kan de vastgestelde schootsbaan niet worden verklaard.

Het hof wijst ten overvloede nog op de door [slachtoffer 2] en de door [getuige 2] afgelegde verklaring dat verdachte kort nadat er was geschoten heeft gezegd dat er niets aan de hand was. Beiden hebben dit al verklaard toen zij kort na het incident door de politie werden gehoord. Een dergelijke uitlating past niet bij de verklaring van de verdachte dat hij plotseling een knal hoorde en niet direct wist wat er aan de hand was, doch veeleer bij het trachten de ernst van de gevolgen te ontkennen of te bagatelliseren.

3.5.3 Het voorgaande brengt mee dat het hof in hetgeen door de verdediging is aangevoerd geen reden ziet om te twijfelen aan de verklaring van [slachtoffer 2] dat het de verdachte is geweest die heeft geschoten. Het hof hecht geen geloof aan de verklaring van de verdachte dat hij niet degene is geweest die heeft geschoten en dat het wapen derhalve in het bezit moet zijn geweest bij [slachtoffer 2] en tijdens de worsteling is afgegaan.

Het hof verwerpt het verweer van de verdediging.

3.6 Vrijspraak van het onder 2 primair ten laste gelegde (poging tot moord op [slachtoffer 2])

Met de rechtbank, de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet is komen vast te staan dat voor verdachte op enig moment gelegenheid heeft bestaan na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Verdachte heeft in een opwelling gehandeld. Mitsdien acht het hof niet bewezen dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad en zal verdachte worden vrijgesproken van de onder 2 primair ten laste gelegde poging tot moord op [slachtoffer 2].

3.7 Bewijsoverweging met betrekking tot het onder 2 subsidiair ten laste gelegde (poging tot doodslag op [slachtoffer 2])

Door [slachtoffer 2] is verklaard dat de verdachte, toen hij van de grond omhoog kwam, een pistool in zijn hand had en dat [slachtoffer 1] op dat moment naar binnen kwam en zich juist tussen hen beiden in bevond toen er werd geschoten. [slachtoffer 1] is in haar buik geraakt. De verklaring van [slachtoffer 2] houdt in dat verdachte in de richting van [slachtoffer 2] heeft geschoten. De verdachte heeft daarbij minstgenomen willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij [slachtoffer 2] dodelijk zou treffen.

Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder feit 2 subsidiair is ten laste gelegd.

3.8 Vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde (moord op [slachtoffer 1])

Met de rechtbank, de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet is komen vast te staan dat voor verdachte op enig moment gelegenheid heeft bestaan na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Verdachte heeft in een opwelling gehandeld. Mitsdien acht het hof niet bewezen dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad en zal verdachte worden vrijgesproken van de onder 1 primair ten laste gelegde moord op [slachtoffer 1].

3.9 Overwegingen met betrekking tot het onder 1 subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde (doodslag of dood door schuld ten aanzien van [slachtoffer 1])

3.9.1 Door de advocaat-generaal is aangevoerd dat door een wapen af te vuren in een woning en in de onmiddellijke nabijheid van meerdere personen, de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij [slachtoffer 1] dodelijk zou verwonden.

Door de verdediging is aangevoerd dat geen aanmerkelijke kans bestond dat [slachtoffer 1] door de kogel zou worden geraakt en dat, gelet op de goede verstandhouding met [slachtoffer 1], de verdachte nimmer die kans bewust heeft aanvaard. De verdediging heeft zich voor wat betreft de meer subsidiair ten laste gelegde dood door schuld gerefereerd aan het oordeel van het hof, met dien verstande dat volgens de verdediging roekeloosheid niet kan worden bewezen.

3.9.2 Het hof overweegt het volgende.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 25 maart 2003, LJN: AE9049, NJ 2003, 552, het volgende overwogen:

“Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden.

De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip “aanmerkelijke kans” afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten.

Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Uit de enkele omstandigheid dat die wetenschap bij de verdachte aanwezig is dan wel bij hem moet worden verondersteld, kan niet zonder meer volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat in geval van die wetenschap ook sprake kan zijn van bewuste schuld.

Van degene die weet heeft van de aanmerkelijke kans op het gevolg, maar die naar het oordeel van de rechter ervan is uitgegaan dat het gevolg niet zal intreden, kan wel worden gezegd dat hij met (grove) onachtzaamheid heeft gehandeld maar niet dat zijn opzet in voorwaardelijke vorm op dat gevolg gericht is geweest.

Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld dan wel van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.”

3.9.3 Op het moment van het handgemeen tussen [slachtoffer 2] en de verdachte in de woning van [slachtoffer 1], welk handgemeen plaatsvond ter hoogte van de schuifpui naar het terras waar [slachtoffer 1] zich tot dat moment bevond, is [slachtoffer 1] in de richting van [slachtoffer 2] en de verdachte gelopen en is tussenbeide gekomen. Verdachte heeft door een vuurwapen te pakken en dit af te vuren in de richting van zijn broer, dit in de onmiddellijke nabijheid van anderen, waaronder [slachtoffer 1], de aanmerkelijke kans in het leven geroepen dat hij iemand anders, in dit geval [slachtoffer 1] die tussenbeide wilde komen, dodelijk zou treffen. Dat [slachtoffer 1] zich aanvankelijk nog buiten op het terras bevond doet daar niet aan af: het terras bevond zich direct achter de schuifpui en de schuifpui was niet gesloten.

Gebleken is dat alles zich in een zeer korte tijdspanne heeft afgespeeld. De verdachte heeft zelf geen inzicht gegeven in wat op dat moment in hem is omgegaan. Het hof gaat er wel van uit dat de verdachte, door onder genoemde omstandigheden een vuurwapen te pakken en af te vuren, wetenschap moet hebben gehad van de aanmerkelijke kans dat hij een ander dan zijn broer [slachtoffer 2] zou treffen. Het hof acht echter niet bewezen dat de verdachte die kans ten tijde van de gedraging ook bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Hoewel zoals gezegd de verdachte geen inzicht heeft gegeven in wat in hem is omgegaan, gaat het hof ervan uit dat hij weliswaar moet hebben geweten van de aanmerkelijke kans op het gevolg, maar dat hij ervan is uitgegaan dat het gevolg niet zal intreden. Het hof laat bij dit oordeel meewegen dat het voor eenieder onomstreden is dat verdachte het wapen nooit zou hebben afgevuurd indien hij zich tijdig had gerealiseerd welke onaanvaardbare risico’s hij met betrekking tot de zich in de directe nabijheid van zijn broer bevindende personen, waaronder zijn zus [slachtoffer 1], nam.

Mitsdien acht het hof niet bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven heeft beroofd, zodat hij van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.

3.9.4 Wel acht het hof bewezen dat de dood van [slachtoffer 1] aan de schuld van verdachte is te wijten. Anders dan door de verdediging is betoogd, is het hof van oordeel dat sprake is van roekeloosheid als bedoeld in artikel 307, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. De verdachte heeft in een woning met een vuurwapen geschoten in de richting van zijn broer. Verdachte heeft het vuurwapen getrokken en geschoten op het moment dat hij van de grond opstond. Hij wist op dat moment dat anderen, ook [slachtoffer 1], zich in de directe nabijheid bevonden. Er is sprake van uiterst onvoorzichtig gedrag waarbij verdachte welbewust onaanvaardbare risico’s heeft genomen. Verdachte heeft daarmee roekeloos gehandeld. Het hof gaat, zoals hiervoor is overwogen, ervan uit dat een aanmerkelijke kans bestond dat een ander, in dit geval [slachtoffer 1], door de kogel zou worden geraakt. Dit gevolg was ook voor de verdachte voorzienbaar. Door desondanks onder voornoemde omstandigheden met een vuurwapen een kogel af te schieten, is verdachte welbewust op zeer lichtzinnige wijze omgegaan met de onaanvaardbaar grote risico’s die dat met zich brengt.

Vrijspraken

Het hof acht, zoals hiervoor overwogen, niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en subsidiair en onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 meer subsidiair en onder 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 9 mei 2010 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen, roekeloos een vuurwapen ter hand heeft genomen en de trekker van dat vuurwapen heeft overgehaald, waarna dat wapen is afgegaan en [slachtoffer 1] getroffen werd door een kogel uit dat wapen, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat die [slachtoffer 1] zodanig letsel, te weten een schotverwonding in het midden van de onderbuik, heeft bekomen, dat deze aan de gevolgen daarvan is overleden;

2.

hij op 9 mei 2010 te Sittard, in de gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet een kogel heeft afgevuurd in de richting van die [slachtoffer 2], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Nadere bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaard levert op:

Aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Poging tot doodslag.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De advocaat-generaal heeft zich – in verband met het bepalen van de op te leggen straf – op het standpunt gesteld dat de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten geen op zichzelf staande feiten zijn en dienen te worden gekwalificeerd als eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof volgt de advocaat-generaal daarin niet. Zowel in artikel 307 als in artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht wordt het veroorzaken van een bepaald gevolg, de dood van een ander, strafbaar gesteld. Verdachte heeft, weliswaar met één handeling, meerdere rechtsbelangen geschonden. Dit levert meerdaadse samenloop op.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Het hof komt tot een veroordeling ter zake van – kort samengevat – dood door schuld in de zin van roekeloosheid en poging tot doodslag.

De verdediging heeft gewezen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder in het bijzonder zijn slechte gezondheidstoestand, de omstandigheid dat als gevolg van de onderhavige feiten de familieverhoudingen ernstig onder druk zijn komen te staan, de omstandigheid dat bij verdachte rouwverwerking over de dood van zijn zus nog niet heeft plaatsgevonden en de omstandigheid dat verdachte hoopt zich te kunnen verenigen met [getuige 1] en zijn dochtertje met wie hij momenteel weinig contact heeft. De verdediging heeft betoogd dat, mede gelet op het bepaalde in artikel 67a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, de voorlopige hechtenis van de verdachte dient te worden opgeheven.

Het hof overweegt als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Voorts heeft het hof rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die doorgaans voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Op Moederdag 2010 heeft zich in de woning van [slachtoffer 1] een tragedie voorgedaan. Die dag is de verdachte samen met zijn vriendin naar de woning van zijn zus, [slachtoffer 1], gegaan. Aldaar waren aanwezig zijn zus, haar dochtertje [getuige 3], zijn moeder [getuige 2] en zijn broer [slachtoffer 2]. Verdachte is de woning binnengaan met een vuurwapen dat kennelijk was geladen. In de woning ontstond een woordenwisseling tussen de verdachte en zijn broer hetgeen ontaardde in een handgemeen. Nadat de verdachte op de grond terecht was gekomen, heeft hij het vuurwapen tevoorschijn gehaald en een schot afgevuurd in de richting van zijn broer. Zijn zus [slachtoffer 1], die tussenbeide kwam, werd door de kogel getroffen. [slachtoffer 1] is aan de gevolgen van de schotverwonding overleden. Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij een geladen vuurwapen heeft meegenomen naar de woning van zijn zus, waar ook zijn nichtje, moeder en broer aanwezig waren. Verdachte heeft geschoten in de richting van zijn broer en daarbij willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij zijn broer dodelijk zou verwonden. De dood van zijn zus valt hem in ernstige mate te verwijten.

[slachtoffer 1] laat een dochtertje na dat zonder haar moeder zal moeten opgroeien. [getuige 2] draagt sinds het incident de zorg voor het dochtertje van haar eigen kind. Met zijn handelen heeft verdachte zijn eigen familie een intens diep leed aangedaan. Blijkens hun verklaringen worstelen zij nog iedere dag met de gevolgen.

Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor aanzienlijke duur met zich brengt.

Voorts heeft het hof acht geslagen op de omtrent de verdachte uitgebrachte reclasseringsrapporten en op het omtrent de persoon van verdachte opgemaakte rapport van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie d.d. 15 november 2010. Hieruit volgt dat bij verdachte geen sprake is van een gebrekkige ontwikkeling of een ziekelijke stoornis van de geestvermogens en dat verdachte als volledig toerekeningsvatbaar kan worden beschouwd.

Het hof heeft voorts acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 21 september 2012, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder ter zake een geweldsdelict is veroordeeld.

In strafmatigende zin heeft het hof rekening gehouden met de gezondheidstoestand van de verdachte. Gelet op hetgeen uit het onderzoek ter terechtzitting omtrent de gezondheid van de verdachte is gebleken moet er rekening mee worden gehouden dat de verdachte als gevolg van zijn slechte fysieke gezondheid meer dan gebruikelijk de nadelige gevolgen van een langdurige gevangenisstraf zal ondervinden.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren en 6 maanden passend en geboden. Het hof wijst erop dat het, anders dan de advocaat-generaal, niet bewezen acht dat verdachte opzettelijk zijn zus [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd.

Het hof ziet in hetgeen overigens door de verdediging omtrent de persoonlijke omstandigheden van de verdachte is aangevoerd geen reden om tot een andere strafoplegging te komen.

Gelet op de duur van de door het hof op te leggen gevangenisstraf en de tijd die verdachte inmiddels in voorarrest heeft doorgebracht, ziet het hof geen grond om de voorlopige hechtenis op te heffen. Dit verzoek wordt dan ook afgewezen.

Beslag

Ten aanzien van de onder verdachte in beslag genomen personenauto zal de teruggave aan verdachte worden gelast.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 45, 57, 63, 287 en 307 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en subsidiair en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair en 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren en 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van verdachte.

Gelast de teruggave aan verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een personenauto Ford Taunus, kenteken [kenteken].

Aldus gewezen door

mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans, voorzitter,

mr. J. Buhrs-Platschorre en mr. F.P.E. Wiemans, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. F. Gerritsen, griffier,

en op 5 december 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.