Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BY5033

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-12-2012
Datum publicatie
06-12-2012
Zaaknummer
HD 200.039.491
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMAA:2009:BI5981, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

pensioenrecht, uitleg Pensioenreglement ter zake terugwerkende kracht salarisverhoging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-1125
PJ 2013/18

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.039.491/01

arrest van 4 december 2012

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante,

advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens,

tegen:

Stichting Pensioenfonds ABP,

gevestigd te Heerlen,

geïntimeerde,

advocaat: mr. E. Lutjens,

op het bij exploot van dagvaarding van 16 juli 2009 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Heerlen gewezen vonnis van 20 mei 2009 tussen appellante - [appellante] - als eiseres en geïntimeerde - het ABP - als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (rolnr./zaaknr. 312086 CV EXPL 08-9570)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [appellante] twee grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot toewijzing van de vorderingen van [appellante] in eerste aanleg, met veroordeling van het ABP in de kosten van de procedure in beide instanties.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft het ABP de grieven bestreden.

2.3.Partijen hebben hun zaak doen bepleiten, [appellante] door mr. L.P.A. Zwijnenberg en het ABP door mr. E. Lutjens. Beide advocaten hebben gepleit aan de hand van overgelegde pleitnotities.

2.4. Partijen hebben uitspraak gevraagd en ermee ingestemd dat het hof recht doet op de op voorhand in kopie toegezonden gedingstukken.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

4.1.1.[appellante], geboren op [geboortedatum] 1976, ontvangt sinds 15 september 2004 een WAO-uitkering gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Zij was vanaf 1 maart 2002 in dienst van het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC) in de functie van orthopedist. Uit hoofde van dit dienstverband viel [appellante] onder de CAO voor Academische Ziekenhuizen (hierna: de CAO) en was zij deelneemster van het pensioenfonds van het ABP. Het dienstverband met het LUMC is per 1 maart 2004 van rechtswege geëindigd.

4.1.2.Ingevolge het CAO-akkoord van 2000-2002 werd per 1 januari 2003 een nieuw systeem - FuwaVaz - ingevoerd om alle functies binnen de academische ziekenhuizen te herwaarderen. De functie van [appellante] is bij FuwaVaz-besluit van 11 april 2005 met terugwerkende kracht per 1 januari 2003 hoger gewaardeerd. [appellante] krijgt met terugwerkende kracht per genoemde datum een hoger salaris. Daarop heeft het UWV het zogenoemde maatmanloon van [appellante] per einde wachttijd (15 september 2004) opnieuw berekend en vastgesteld op € 2.054,55 bruto per maand.

4.1.3.Het invaliditeitspensioen dat [appellante] bij besluit van het ABP van 22 februari 2007 met ingang van 15 september 2004 is toegekend, dient de WAO-uitkering (80-100%) aan te vullen tot 70% van het laatstgenoten salaris. Doordat geen rekening is gehouden met het aan [appellante] met terugwerkende kracht toegekende hogere salaris, ontvangt [appellante] een lagere aanvulling op haar WAO-uitkering. Het bezwaar van [appellante] hiertegen is bij beslissing op bezwaar van 6 juni 2007 ongegrond verklaard. Het daartegen gerichte beroep is op 22 april 2008 eveneens ongegrond verklaard. De Commissie van Beroep stelt dat op grond van het peildatumsysteem geen rekening kan worden gehouden met het tot 1 januari 2003, de voor [appellante] geldende peildatum, met terugwerkende kracht toegekende hogere salaris.

4.2.[appellante] heeft in eerste aanleg bij exploot van 17 oktober 2008 het ABP gedagvaard voor de kantonrechter te Heerlen en gevorderd het ABP te veroordelen:

I. binnen een maand na betekening van het vonnis het pensioengevend inkomen van [appellante], als bedoeld in de artikelen 3.1 en 3.2 van het Pensioenreglement, met terugwerkende kracht tot 1 januari 2003 aan te passen aan het door [appellante] met terugwerkende kracht per 1 januari 2003 genoten salaris;

II. binnen een maand na betekening van het vonnis de hoogte van het per 15 september 2004 door [appellante] ontvangen invaliditeitspensioen opnieuw te berekenen op basis van de ingevolge sub I aangepaste berekeningsgrondslag en het verschil tussen het reeds aan [appellante] betaalde invaliditeitspensioen en de nog door het ABP verschuldigde bedragen aan [appellante] te voldoen;

III. een herzien pensioenoverzicht over de periode vanaf 1 januari 2003 aan [appellante] te verstrekken;

IV. aan [appellante] te voldoen een bedrag ad € 1.500,-- met betrekking tot buitengerechtelijke kosten;

V. aan [appellante] te betalen de wettelijke rente over voornoemde gevorderde bedragen vanaf de dag dat het ABP in gebreke is gebleven tot de dag der algehele voldoening;

VI. met veroordeling van het ABP in de proceskosten.

4.3.In dit geding is aan de orde de vraag of een met terugwerkende kracht toegekend hoger salaris dient te leiden tot een hoger invaliditeitspensioen. De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis, onder verwijzing naar het (tussen het ABP en een andere partij gewezen) arrest van dit hof van 21 oktober 2008, LJN BG4287, overwogen dat al sinds 1 januari 1996, de datum van invoering van het Pensioenreglement, het zogenoemde peildatumsysteem geldt, op grond waarvan een achteraf met terugwerkende kracht toegekende salarisverhoging buiten beschouwing blijft. Voorts overwoog de kantonrechter dat de civiele rechter slechts gelet op de aangevoerde uitzonderlijke omstandigheden kan oordelen dat een onverkorte toepassing van het peildatumsysteem naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De kantonrechter kwam tot de slotsom dat van dergelijke bijzondere omstandigheden geen sprake was, zodat de vordering van [appellante] werd afgewezen, met haar veroordeling in de proceskosten.

4.4.[appellante] is het met dat vonnis niet eens en is daarvan tijdig in hoger beroep gekomen.

4.5.De eerste grief is gericht tegen de rechtsoverwegingen 3.1, 3.2 en 3.3 van het bestreden vonnis. Daarmee is het geschil tussen partijen in volle omvang aan het hof voorgelegd.

4.5.1.In de toelichting op de eerste grief heeft [appellante] betoogd dat een strikte en onverkorte toepassing van het peildatumsysteem jegens haar in strijd is met de maatstaven van redelijkheid en billijkheid.

4.5.2.Bij pleidooi in hoger beroep heeft het hof aan de orde gesteld dat het eerder genoemde arrest van dit hof van 21 oktober 2008 bij arrest van de Hoge Raad van 8 oktober 2010, LJN BM9621, is vernietigd, onder bekrachtiging van het vonnis van de kantonrechter Maastricht van 28 maart 2007. De Hoge Raad overwoog in het zojuist genoemde arrest onder meer dat aan de bepalingen van het Pensioenreglement een uitleg naar objectieve maatstaven moet worden gegeven. Voorts overwoog de Hoge Raad:

“Een redelijke uitleg van art. 3.1 Pensioenreglement, zoals het in de van belang zijnde periode luidde, brengt dan ook mee dat het ABP het met terugwerkende kracht verhoogde salaris van de werknemer in de pensioengrondslag dient te betrekken indien de werkgever met die verhoging handelde overeenkomstig zijn rechtsplicht, dus ook in een geval als het onderhavige, waarin tot de verhoging is besloten in of ingevolge een bezwaarprocedure.”

Tussen [appellante] en het ABP is niet in geschil dat het Pensioenreglement dat in de onderhavige procedure aan de orde is, voor zover relevant, gelijkluidend is aan het Pensioenreglement genoemd in voormeld arrest van de Hoge Raad.

4.5.3.Zijdens [appellante] is vervolgens bij pleidooi betoogd dat de standpunten van het ABP jegens haar onaanvaardbaar zijn en in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid.

4.5.4.Zijdens het ABP is daartegen aangevoerd dat de rechtsstrijd door partijen wordt bepaald en dat uit hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, slechts toetsing op grond van redelijkheid en billijkheid aan de orde is. Volgens het ABP bestaat er geen reden om in te gaan op het hierboven genoemde arrest van de Hoge Raad van 8 oktober 2010. Bovendien zijn ook in de uitspraak van de Hoge Raad geen argumenten te vinden waarom in casu toepassing naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

4.5.5.Het hof overweegt als volgt.

4.5.6.[appellante] heeft in hoger beroep betoogd dat strikte en onverkorte toepassing van het peildatumsysteem naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en in dat kader erop gewezen dat strikte toepassing van het peildatumsysteem, dat vanaf 1 januari 1996 is neergelegd in (artikel 3.1 van) het toepasselijke Pensioenreglement, niet redelijk is. In het kader van de bespreking van het arrest van de Hoge Raad van 8 oktober 2010, vermeld in rechtsoverweging 4.5.2, op welk arrest het hof bij gelegenheid van het pleidooi heeft gewezen en waarover partijen zich bij die gelegenheid hebben kunnen uitlaten en ook hebben uitgelaten, heeft [appellante] haar standpunt gehandhaafd dat het peildatumsysteem niet strikt dient te worden toegepast en daarmee eveneens gewezen op de noodzaak van een redelijke uitleg van het Pensioenreglement. Hieruit volgt dat het hof binnen de rechtsstrijd van partijen blijft door in zijn oordeelsvorming het genoemde arrest van de Hoge Raad van 8 oktober 2010 te betrekken, zoals het hof hierna ook zal doen.

4.5.7.De Hoge Raad overwoog in dat arrest dat het niet met terugwerkende kracht verhogen van het pensioengevend inkomen op onherstelbare wijze doorwerkt in het pensioen van iemand die met (vervroegd) pensioen ging betrekkelijk kort nadat het besluit tot verhoging van zijn salaris met terugwerkende kracht werd genomen (het geval van eiser tot cassatie) en dat dat tot een onaannemelijk rechtsgevolg leidt. Voorts overwoog de Hoge Raad dat een dergelijk financieel nadeel niet optreedt voor werknemers wier dienstverband langer doorloopt na het nemen van het besluit tot salarisverhoging waaraan terugwerkende kracht is gegeven: voor hen geldt met ingang van de eerstvolgende peildatum na dat besluit de hogere pensioengrondslag, die te zijner tijd doorwerkt in de hoogte van hun pensioen.

4.5.8.Het hof stelt vast dat de situatie van [appellante] vergelijkbaar is met die van eiser tot cassatie in bovengenoemd arrest van de Hoge Raad. Ook in het geval van [appellante] leidt het niet met terugwerkende kracht verhogen van het pensioengevend inkomen immers tot een reëel financieel nadeel, dat anders dan bij werknemers van wie het dienstverband doorloopt, onherstelbaar is. In die zin is hier dus sprake van een bijzondere situatie. Dat partijen niet hebben gedebatteerd over het verschil in financieel nadeel voor de beide in rechtsoverweging 4.5.7 genoemde groepen van werknemers, doet hieraan niet af, gelet op de in dit geding vaststaande feiten en voormeld arrest van de Hoge Raad.

4.5.9.Het hof voegt hier nog aan toe dat het LUMC als werkgever van [appellante] met de verhoging van haar salaris met terugwerkende kracht per 1 januari 2003 handelde overeenkomstig zijn rechtsplicht. Zoals vaststaat, vindt de herwaardering van de functie van [appellante] en daarmee de verhoging van haar salaris met terugwerkende kracht per 1 januari 2003 haar basis in het CAO-akkoord van 2000-2002, waarin is afgesproken dat het nieuwe functiewaarderingssysteem FuwaVaz per 1 januari 2003 een feit moet zijn. Op genoemde datum van 1 januari 2003 was [appellante] nog in dienst van het LUMC. Dat de functie van [appellante] eerst bij FuwaVaz-besluit van 11 april 2005 - onbestreden is dat de functie van [appellante] deel uitmaakte van de laatste tranche die werd beoordeeld - met terugwerkende kracht hoger werd gewaardeerd, kan [appellante] niet worden aangerekend.

4.5.10.Het hof komt tot de slotsom dat een redelijke uitleg van het Pensioenreglement meebrengt dat het ABP het met terugwerkende kracht verhoogde salaris van [appellante] in de pensioengrondslag dient te betrekken, nu het LUMC als werkgever met die verhoging heeft gehandeld overeenkomstig zijn rechtsplicht. De eerste grief slaagt derhalve.

4.6.De tweede grief heeft naast de eerste grief geen zelfstandige betekenis, zodat deze grief geen afzonderlijke bespreking behoeft.

4.7.Gelet op het voorgaande en nu de vorderingen van [appellante] voor het overige niet dan wel onvoldoende gemotiveerd zijn bestreden, zullen deze worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente heeft, gelet op de onderdelen 23 en 24 van de inleidende dagvaarding, kennelijk betrekking op de in het petitum van die dagvaarding onder I en II bedoelde bedragen.

4.8.Het door het ABP gedane bewijsaanbod wordt als niet ter zake dienend gepasseerd.

4.9.Het bestreden vonnis wordt vernietigd en het hof zal opnieuw rechtdoen als na te melden. Het ABP wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep.

5. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende:

I. veroordeelt het ABP om binnen een maand na betekening van dit arrest het pensioengevend inkomen van [appellante], als bedoeld in de artikelen 3.1 en 3.2 van het Pensioenreglement, met terugwerkende kracht tot 1 januari 2003 aan te passen aan het door [appellante] met terugwerkende kracht per 1 januari 2003 genoten hogere salaris;

II. veroordeelt het ABP om binnen een maand na betekening van dit arrest de hoogte van het per 15 september 2004 door [appellante] ontvangen invaliditeitspensioen opnieuw te berekenen op basis van de ingevolge sub I aangepaste berekeningsgrondslag en het verschil tussen het reeds aan [appellante] betaalde invaliditeitspensioen en de nog door het ABP verschuldigde bedragen aan [appellante] te voldoen;

III. veroordeelt het ABP om een herzien pensioenoverzicht over de periode vanaf 1 januari 2003 aan [appellante] te verstrekken;

IV. veroordeelt het ABP om aan [appellante] te voldoen een bedrag ad € 1.500,-- met betrekking tot buitengerechtelijke kosten van juridische rechtsbijstand;

V. veroordeelt het ABP om aan [appellante] te betalen de wettelijke rente over de onder I en II bedoelde bedragen vanaf de dag dat het ABP in gebreke is gebleven tot de dag der algehele voldoening;

VI. veroordeelt het ABP in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van [appellante] worden begroot op € 286,44 aan verschotten en € 200,-- aan salaris gemachtigde in eerste aanleg en op € 347,98 aan verschotten en € 2.682,-- aan salaris advocaat voor het hoger beroep;

VII. verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.J.H.A. Venner-Lijten, C.A.M. Walsteijn en W.A. van Veen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 4 december 2012.