Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BY4938

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-12-2012
Datum publicatie
04-12-2012
Zaaknummer
20-000516-12
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2008:BC8964, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:294, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling verdachte wegens moord tot 15 jaar gevangenisstraf.

Het scenario dat een bekende dan wel onbekende derde het slachtoffer om het leven heeft gebracht, is naar het oordeel van het hof volstrekt niet aannemelijk geworden. Op grond van de feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat de verdachte tijd heeft gehad om zich te beraden op het besluit om zijn echtgenote van het leven te beroven; tijd die hij naar het oordeel van het hof ook daadwerkelijk voor een dergelijke bezinning heeft kunnen benutten. Op grond van het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken van contra-indicaties die er op wijzen dat verdachte een dergelijke bezinning niet heeft kunnen maken, omdat hij in een drift of opwelling zou hebben gehandeld.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 289, geldigheid: 2012-12-04
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-000516-12

Uitspraak : 4 december 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen, na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Breda van 8 april 2008, parketnummer 02-800397-07 in de strafzaak tegen:

Verdachte,

geboren te [plaats] op [1960],

wonende te [adres].

1. Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het ten laste gelegde

(primair moord en subsidiair doodslag).

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

2. Onderzoek van de zaak

Het onderzoek van de zaak heeft plaatsgevonden naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden d.d. 10 januari 2012 gewezen onder nummer S 10/01715, waarbij het arrest van dit hof d.d. 6 april 2010 onder parketnummer 20-001554-08 is vernietigd en de zaak is teruggewezen naar dit hof, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het primair ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte terzake daarvan zal veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren met aftrek van voorarrest.

Namens verdachte is bepleit dat verdachte wordt vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde.

3. Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

4. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 6 april 2007 te Tilburg opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een mes negen maal in de rug, althans in het lichaam van die [slachtoffer] gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 6 april 2007 te Tilburg opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een mes negen maal in de rug, althans in het lichaam van die [slachtoffer] gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5. Bewijsmiddelen

A. Eerste optreden plaats delict

(…..)

B. Bevindingen slachtoffer

(…..)

C. Bevindingen met betrekking tot aangetroffen sporen

(…..)

D. Ten aanzien van de periode waarin [slachtoffer] werd gedood

(…..)

E. Ten aanzien van het slot en de sleutels van [de woning]

(…..)

F. Ten aanzien van de naast het slachtoffer aangetroffen slippers

(…..)

6. Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

G1.

De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van het (primair en subsidiair) ten laste gelegde

De officier van justitie is tegen dit vonnis in beroep gegaan en de advocaat-generaal heeft in hoger beroep gevorderd verdachte te veroordelen ten aanzien van moord op [slachtoffer].

Door de verdediging is bepleit dat verdachte, bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs, dient te worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

G2.

Op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen stelt het hof de hierna volgende feiten en omstandigheden vast. Het hof zal deze feiten en omstandigheden bespreken aan de hand van een aantal vraagstellingen.

G2.1. Hoe en wanneer is [slachtoffer] om het leven gebracht?

a. Het slachtoffer, is op 6 april 2007 omstreeks 16.30 uur thuis gekomen in [de woning]. (zie o.a. bewijsmiddel D14)

b. Op enig moment daarna is de dader in de woning gekomen. De dader heeft slippers, toebehorend aan verdachte, aangedaan, heeft een breekijzer ter hand genomen en heeft met het breekijzer (in de hal van de woning) [slachtoffer] enkele malen op haar hoofd geslagen ten gevolge waarvan zij hevig gewond is geraakt en is gaan bloeden.

(zie o.a. bewijsmiddelen B2, C1, C2)

c. De dader is vervolgens op de slippers naar de keuken gelopen, heeft daar een mes gepakt en is vervolgens teruggelopen naar de hal en heeft daar [slachtoffer] negen maal in haar rug gestoken.

(zie o.a. bewijsmiddelen A3, A4, B2, C1, C2, C3, C4, C9, C10)

d. De dader heeft na zijn daad de slippers in de hal, naast het slachtoffer dat op de grond lag, achtergelaten en is kennelijk naar boven gegaan om zich te ontdoen van bloedsporen. De dader heeft vervolgens de woning verlaten.

(zie o.a. bewijsmiddelen C1, C2, C5, C11, C14, C15)

e. Het slachtoffer wordt om 21.32 uur door de politie liggend in de hal van de woning met een mes in haar rug in een grote plas bloed aangetroffen. Zij blijkt negen maal in haar rug te zijn gestoken en is ten gevolge daarvan overleden. (zie o.a. bewijsmiddelen A1, A2, A3, A4, B1, B2)

G2.2. Wie heeft [slachtoffer] om het leven gebracht?

G2.2.1

Om een antwoord op deze vraag te kunnen geven acht het hof het volgende van belang.

f. [slachtoffer] is op 6 april omstreeks 16.30 uur thuis gekomen in de woning.

(zie o.a. bewijsmiddel D14)

g. Verdachte is op 6 april 2007 in de periode na 16.30 uur in de woning geweest tussen 17.45 uur en ongeveer 18.30 uur en om ongeveer 21.15 uur.

(zie o.a. bewijsmiddelen D1, D2, D7, D13, D14, D15)

h. Rond 19.00 uur arriveren een tweetal neven bij de woning. Zij bellen en kloppen enkele keren maar er wordt niet open gedaan. De woning is donker en er wordt geen teken van leven in de woning waargenomen. Ook de buurvrouw (die een bordje brood wil brengen) krijgt om 19.00 uur geen reactie na enkele keren op de ruit van de woning te hebben getikt.

(zie o.a. bewijsmiddelen D8, D9, D10)

i. Na zijn thuiskomst omstreeks 21.15 uur gaat verdachte naar de woning van de buren en vraagt zijn buurvrouw 112 te bellen omdat zijn echtgenote gewond in de woning ligt.

(zie o.a. bewijsmiddelen A1 en A5)

j. Omstreeks 21.30 uur arriveren de politie en de ambulance bij de woning. Verdachte zit op dat moment nog bij de buren. De voordeur van de woning is aan de binnenzijde slotvast afgesloten met de sleutels (van slachtoffer) in het slot. De achterdeur van de woning is eveneens slotvast afgesloten.

(zie o.a. bewijsmiddelen A1, A2, A3, A4, E1, E4, E5, E6)

k. Naast verdachte en het slachtoffer, hebben de zoon, zijn vrouw, en zijn dochters een sleutel van de woning. Deze personen zijn niet in de woning geweest op 6 april 2007 na het tijdstip van vertrek van verdachte naar Drunen en hebben hun sleutels niet uitgeleend.

(zie o.a. bewijsmiddelen A1, E1, E2, E3)

l. In het eerste gesprek tussen de politie en verdachte (in de woning van de buren) wordt waargenomen dat verdachte bloedvlekken op zijn broek heeft. Dit bloed is afkomstig van het slachtoffer. Het blijken verdunde bloedvlekken te zijn die aan de buitenzijde op de broek terecht zijn gekomen.

(zie o.a. bewijsmiddelen A5, C8, C12, C14, C15, C16)

m. Nadat verdachte is aangehouden wordt een bloedvlek op de enkel van verdachte onder de door hem gedragen sok waargenomen. Dit bloed blijkt eveneens afkomstig van het [slachtoffer].

(zie o.a. bewijsmiddelen C7, C8, C11, C14)

n. Verdachte droeg bij zijn aanhouding sportschoenen en witte sportsokken. Zowel op de schoenen als op de sokken wordt geen enkel spoor van bloed aangetroffen. De handen van verdachte zijn uitzonderlijk schoon.

(zie o.a. bewijsmiddelen C7, C8, C12, C13 )

o. De persoon die [slachtoffer] om het leven heeft gebracht droeg de slippers die in eigendom toebehoorden aan verdachte. Verdachte heeft de slippers op 6 april 2007 gedragen toen hij in de woning was tussen 17.30 uur en 18.30 uur. Volgens de verklaring van verdachte droeg iedereen in huis zijn eigen slippers en waren er aparte slippers voor visite. Alleen als er veel visite was dan werden eigen slippers aangeboden.

(zie o.a. bewijsmiddelen C1, C2, C4, C9, C10, F1, F2, F3, F4)

p. De schoenafdruksporen die in de woning zijn aangetroffen zijn afkomstig van de slippers van verdachte en er zijn geen fragmenten van schoenafdruksporen aangetroffen die mogelijk afkomstig zijn van andere schoenen dan de onderzochte slippers (van verdachte).

(zie o.a. bewijsmiddelen C1, C4, C9, C10, F2, F4)

q. Volgens verklaringen van [getuige] zou verdachte op 6 april 2007 een halflange leren jas hebben gedragen. Deze jas is niet aangetroffen.

(zie o.a. bewijsmiddelen D3, D4 en D5)

r. In de woning op de bovenverdieping worden met behulp van Luminol (verwijderde) bloedsporen aangetroffen op de spiegel in de badkamer en op de vloer voor de kast in de slaapkamer. Het bloed in deze sporen is afkomstig van [slachtoffer]. In de prullenbak wordt een opgevouwen kniebroek aangetroffen die doordrenkt is met bloed van [slachtoffer].

(zie o.a. bewijsmiddelen C2, C5, C11, C14, C15)

G2.2.2

Op grond van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden stelt het hof allereerst vast dat [slachtoffer] op 6 april 2007 tussen ongeveer 16.30 en ongeveer 21.30 uur om het leven is gebracht.

Vaststaat dat verdachte in die periode enige tijd alleen met [slachtoffer] in de woning is geweest.

G2.2.3

Uit de bovenstaande, onder G2.2 genoemde feiten en omstandigheden leidt het hof af dat het verdachte kan zijn geweest die [slachtoffer] om het leven heeft gebracht.

G2.2.4

Verdachte heeft steeds ontkend dat hij [slachtoffer] om het leven heeft gebracht. Ten verweer en ter ondersteuning van die stelling is aangevoerd dat er zeer wel een alternatief scenario denkbaar is. Bij de behandeling van dat verweer ziet het hof zich vervolgens voor de vraag gesteld of er op 6 april 2007 na het tijdstip van vertrek van verdachte uit zijn woning om ongeveer 17.30 en voor het betreden van de woning door de politie om ongeveer 21.30 uur een ander persoon zowel de tijd als de gelegenheid heeft gehad om [slachtoffer] om het leven te brengen en zo ja of daar ook ondersteunend bewijs voor te vinden is in het dossier.

G2.2.4.1

Uit de bewijsmiddelen zoals hiervoor weergegeven onder E blijkt dat geen van de overige personen die een sleutel van de woning hadden in de woning zijn geweest op 6 april 2007 na het tijdstip van vertrek van verdachte naar Drunen. Het is derhalve uitgesloten dat één van hen of iemand met gebruikneming van hun sleutel [slachtoffer] om het leven heeft gebracht.

Verdachte heeft op 6 april 2007 omstreeks 18.30 uur de woning verlaten en is omstreeks 21.00 uur terug gekomen. In die periode zou het derhalve zo kunnen zijn dat een derde (bekende dan wel onbekende) persoon in de woning is geweest.

G2.2.4.2

Het is vervolgens de vraag of dit scenario, dat deze derde (bekende dan wel onbekende) persoon [slachtoffer] om het leven heeft gebracht, uit het onderzoek ter terechtzitting aannemelijk is geworden .

Het hof stelt allereerst vast dat, buiten hetgeen verdachte zelf heeft verklaard, in het dossier geen enkele aanwijzing of zelfs een begin van een aanwijzing te vinden is dat het slachtoffer [slachtoffer] nog in leven was op 6 april 2007 na het moment van vertrek van verdachte uit zijn woning om 18.30 uur en voorts dat er voor 21.30 uur nog een ander persoon in de woning is geweest.

In tegendeel,

- zowel de neven als de buurvrouw krijgen geen enkele reactie als zij aanbellen en op

het raam tikken omstreeks 19.00 uur en het is dan donker in de woning.

- het slachtoffer lag bij het betreden door de politie, in de woning waarvan zowel de voordeur (op slot gedraaid met aan de binnenzijde de sleutel in het slot) als de achterdeur slotvast waren afgesloten, hetgeen er op kan duiden dat verdachte ter bemanteling van de waarheid, valselijk over het verlaten en afsluiten van de woning heeft verklaard. Gelet op de uitkomsten van het onderzoek dat is verricht naar de mogelijke gevolgen van het uitoefenen van geweld op de voordeur, kan de verklaring van verdachte op dit punt immers niet juist zijn;

- de dader heeft de slippers van verdachte gebruikt, terwijl het meer aannemelijk is dat een eventueel ander persoon de slippers zou dragen die voor visite beschikbaar waren dan wel in het geheel niet van schoeisel heeft gewisseld;

- er zijn geen schoenafdruksporen aangetroffen die afkomstig zijn van ander schoeisel dan van de slippers van verdachte;

- verdachte heeft geen aannemelijke verklaring voor de op zijn kleding aangetroffen bloedsporen;

- Verdachte heeft geen aannemelijke verklaring gegeven voor het op zijn enkel aangetroffen bloedspoor, immers zijn stelling dat dit menstruatiebloed van zijn vrouw zou zijn dat in bed op zijn enkel terecht zou zijn gekomen, wordt weerlegd reeds door de inhoud van de brief van het Nederland Forensisch Instituut van 26 juni 2007;

- verdachte heeft geen aannemelijke verklaring voor de in de bad- en slaapkamer aangetroffen bloedsporen, die er op zouden kunnen duiden dat de dader zich boven is gaan ontdoen van bloed van het slachtoffer, in het bijzonder nu dit bloed immers veelal pas aangetroffen is na de behandeling met luminol;

- het is niet aannemelijk dat een ander persoon (als dader) in de, op de eerste verdieping van de woning van het slachtoffer aanwezige slaapkamer en badkamer bloedsporen heeft achtergelaten en deze daarna heeft willen verwijderen;

- de [getuige] heeft verklaard dat verdachte op 6 april 2007 om ongeveer 18.30 uur een donkere leren jas droeg. Deze jas is niet aangetroffen. Voor het ontbreken van die lederen jas heeft verdachte geen (aannemelijke) verklaring.

Het hof is van oordeel dat het scenario dat een bekende dan wel onbekende derde [slachtoffer] om het leven heeft gebracht, volstrekt niet aannemelijk is geworden.

G2.2.4.3

Het verweer wordt daarom verworpen.

G2.2.5

Het vorenstaande dient naar het oordeel van het hof tot de conclusie te leiden dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de persoon is geweest die zijn echtgenote [slachtoffer] om het leven heeft gebracht.

G2.3. Moord of doodslag?

G2.3.1

De raadsman heeft aangevoerd dat de aard en veelheid van de verwondingen van het slachtoffer veeleer duiden op een zeer emotionele dader en derhalve op een ogenblikkelijke gemoedsopwelling bij de dader zodat de feiten en omstandigheden veeleer duiden op doodslag dan op moord.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

G2.3.2

Voor een bewezenverklaring van moord is onder meer vereist dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Daarvan is sprake indien de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de beoordeling van dit criterium moet een weging en waardering worden gemaakt van de omstandigheden van het concrete geval, met dien verstande dat het gewicht moet worden bepaald van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van de voorbedachte raad pleiten.

G2.3.3

In het voorliggende geval kan aan de hand van de bewijsmiddelen worden vastgesteld dat er zich een scenario heeft afgespeeld waarin verdachte zijn echtgenote in de hal van zijn woning enkele malen met een breekijzer op het hoofd heeft geslagen. [slachtoffer] is ten gevolge van deze slagen ernstig gewond geraakt op haar hoofd en hevig gaan bloeden. Niet kan worden uitgesloten dat zij hierdoor ook het bewustzijn heeft verloren. Op enig moment na het slaan met het breekijzer (ten minste voor zijn vertrek om ongeveer 18.30 uur, maar niet kan worden uitgesloten eerst na terugkomst om ongeveer 21.00 uur) is verdachte (op zijn slippers) naar de keuken gelopen, heeft het keukenmes gepakt, is terug gelopen naar de hal, en heeft vervolgens daar zijn echtgenote 9 maal met het mes in de rug gestoken ten gevolge waarvan zij is overleden.

G2.3.4

Het hof acht bewezen dat de verdachte tenminste gedurende het tijdsbestek dat hij rechtstreeks na het slaan naar de keuken is gelopen om een mes te pakken en weer terug te lopen naar het slachtoffer, tijd heeft gehad om zich te beraden op het besluit om zijn echtgenote van het leven te beroven; tijd die hij naar het oordeel van het hof ook daadwerkelijk voor een dergelijke bezinning heeft kunnen benutten. Op grond van het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken van contra-indicaties die er op wijzen dat verdachte een dergelijke bezinning niet heeft kunnen maken, omdat hij in een drift of opwelling zou hebben gehandeld. Een weging en waardering van de omstandigheden van dit geval brengt het hof dan ook tot de conclusie dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, in die zin dat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Derhalve acht het hof het primair ten laste gelegde (moord) wettig en overtuigend bewezen.

Het verweer wordt verworpen.

7. Bewezenverklaring

Op grond van de hiervoor onder G door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden, zoals die naar voren komen uit de daaraan onder A tot en met F opgenomen bewijsmiddelen (genoemd in de voetnoten), in onderling verband en samenhang beschouwd, acht het hof het aan verdachte primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat hij:

op 06 april 2007 te Tilburg opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een mes negen maal in de rug van die [slachtoffer] gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

8. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het primair bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit luidde ten tijde van het bewezen verklaarde, en levert op:

Moord

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

9. Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

10. Op te leggen straf

H1.

Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan moord op zijn echtgenote [slachtoffer], door deze opzettelijk en met voorbedachten rade meermalen met een mes in haar rug te steken.

H2.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting gevorderd dat het hof de verdachte, ter zake van moord zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

H3.1.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het is begaan, heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

H3.2.

Verdachte heeft op 6 april 2007 opzettelijk en met voorbedachten rade zijn echtgenote, die niet bij machte was zich te verdedigen, van achteren aangevallen en vervolgens op brute wijze van het leven beroofd. Dat dit gevoelens van angst en onveiligheid te weeg brengt in de samenleving, behoeft geen betoog. Door dit gewelddadig en niets ontziende optreden is aan de kinderen en verdere familieleden van het slachtoffer een immens en onherstelbaar leed aangedaan. Vooral het feit dat verdachte tot op de dag van vandaag geen enkel inzicht heeft gegeven in de beweegredenen voor zijn handelwijze maakt dat de vraag waarom verdachte zijn echtgenote heeft vermoord naar alle waarschijnlijkheid nooit zal worden beantwoord. Dit brengt diep leed met zich mee en kan een belemmerende werking hebben bij de leedverwerking.

Gelet op de omstandigheid dat volstrekt onduidelijk is waarom verdachte tot deze daad is gekomen, kan niet worden uitgesloten dat verdachte onder gelijke omstandigheden in staat is om ook in de toekomst een soortgelijk feit te begaan.

H3.3.

Gelet hierop en gelet op de ernst van het bewezen verklaarde feit in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor lange duur met zich brengt.

H3.4.

Bij het bepalen van de duur van deze straf heeft het hof aansluiting gezocht bij het bij dit hof gangbare uitgangspunt dat voor moord in de regel niet minder dan een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren wordt opgelegd. Aan dat uitgangspunt ligt ten grondslag dat moord algemeen wordt beschouwd als het ernstigste commune delict, nu het opzettelijk en met voorbedachten raden benemen van iemands leven de meest ernstige en onomkeerbare aantasting van het hoogste rechtsgoed, te weten het recht op leven, is.

Een strafverhogende omstandigheid is in dit geval dat het slachtoffer de echtgenote van verdachte betreft en dat verdachte zodanig heeft gehandeld dat zij zich niet heeft kunnen verweren. Door zijn echtgenote in de echtelijke woning eerst met een breekijzer achter op het hoofd te slaan te slaan is zij zodanig gewond geraakt dat zij niets meer tegen verdachte kon beginnen. Vervolgens is zij bij leven nog negen maal met een mes in haar rug gestoken. De verdachte heeft met dit handelen de nabestaanden een wond toegebracht waarvan de littekens nooit helemaal zullen genezen, temeer nu het uitgerekend de vader van de nabestaanden is, die deze daad op zijn geweten heeft.

H4.

Alles afwegende, is het hof tot de slotsom gekomen dat de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf zowel passend als geboden is. Het hof zal de verdachte dan ook veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren.

11. Voorlopige hechtenis

Bij de onderhavige uitspraak wordt verdachte ter zake van moord veroordeeld tot een gevangenisstraf van lange duur. Verdachte wordt aldus veroordeeld voor een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Bovendien is sprake van een feit waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van twaalf jaren of meer is gesteld en is naar het oordeel van het hof, gelet op de aard van het bewezen verklaarde feit en op het aan de nabestaanden van het slachtoffer aangedane leed, de rechtsorde door dat bewezen verklaarde feit ernstig geschokt. Het tijdsverloop maakt dat niet anders. Dit brengt mee dat sprake is van een gewichtige reden van maatschappelijke veiligheid, welke de onverwijlde vrijheidsbeneming van verdachte vordert. De omstandigheid dat een eerder gegeven bevel tot voorlopige hechtenis is opgeheven, maakt dit niet anders. Nieuwe bezwaren zijn daarvoor niet noodzakelijk. Het hof zal dan ook de gevangenneming van de verdachte bevelen.

12. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit luidde ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de gevangenneming van de verdachte, welk bevel apart zal worden geminuteerd.

Aldus gewezen door

mr. H. Harmsen, voorzitter,

mr. K. van der Meijde en mr. S.C. van Duijn, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. C.A. Blokx-van Roosmalen, griffier,

en op 4 december 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.