Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BY4898

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-12-2012
Datum publicatie
03-12-2012
Zaaknummer
20-003224-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Grootschalige uitvoer van hard- en softdrugs. Veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar en 6 maanden. Met onder meer overwegingen omtrent de handelwijze van de zaaksofficier van justitie toen zij na de uitspraak van de rechtbank telefonisch werd benaderd door de voormalige raadsman van de medeverdachte met de vraag of zij hoger beroep zou instellen.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 10, geldigheid: 2012-12-03
Opiumwet 10a, geldigheid: 2012-12-03
Opiumwet 11, geldigheid: 2012-12-03
Wetboek van Strafrecht 55, geldigheid: 2012-12-03
Wetboek van Strafrecht 57, geldigheid: 2012-12-03
Wetboek van Strafrecht 63, geldigheid: 2012-12-03
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-003224-08

Uitspraak : 3 december 2012

TEGENSPRAAK

PROMIS

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Maastricht van 22 augustus 2008 in de strafzaak met parketnummer 03/702703-08 tegen de verdachte:

[De verdachte A],

geboren te [geboorteplaats] [in het jaar 1982],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans uit anderen hoofde verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Grave,

locatie Oosterhoek (Huis van Bewaring), te Grave.

A. Hoger beroep

Bij voormeld vonnis werd de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren en 6 maanden wegens feit 1 (het met anderen meerdere keren vervoeren en uitvoeren van amfetamine en cocaïne), feit 2 (het met anderen meerdere keren verkopen en uitvoeren van hennep), feit 3 (het met anderen uitvoeren van amfetamine en LSD), feit 4 (het met anderen voorbereiden van de productie van amfetaminepasta) en feit 5 (het met anderen uitvoeren van hennep). Bij het vonnis werden voorts beslissingen genomen ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

B. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal mr. C.G.J.M. van Hilten-van Heeswijk en van hetgeen door de verdachte en de raadslieden mr. A.W.T. Klappe en mr. A.S. van der Biezen - in een in belangrijke mate gelijkluidend pleidooi - naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en - opnieuw rechtdoende - het onder 1, 2, 3 primair, 4 en 5 primair ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren en 6 maanden met aftrek van voorarrest.

De raadslieden hebben primair bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte. In subsidiaire zin hebben zij bepleit dat de verdachte integraal van het ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. In meer subsidiaire zin is er een strafmaatverweer gevoerd.

C. Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring zal komen dan de rechtbank.

D. Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2007 tot en met 15 maart 2008 te Kerkrade, in de gemeente Kerkrade, althans in het arrondissement Maastricht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk, buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1, vijfde lid, van de Opiumwet, (telkens) (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende amfetamine en/of (telkens) (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) zogenaamde XTC-tabletten, bevattende MDMA en/of amfetamine en/of tenafetamine en/of N-ethyl MDA, en/of (telkens) (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde amfetamine en/of MDMA en/of tenamfetamine en/of N-ethyl MDA en/of cocaïne (telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) opzettelijk dat materiaal bevattende amfetamine en/of MDMA en/of tenamfetamine en/of N-ethyl MDA en/of cocaïne, ten vervoer aangenomen en/of contact gelegd en/of onderhouden met (de) koper(s) en/of het transport van dat materiaal geregeld (het benaderen/regelen van een chauffeur en/of koerier) en/of dat materiaal bevattende amfetamine en/of MDMA en/of tenamfetamineen/of N-ethyl MDA en/of cocaïne ten vervoer aangeboden, zulks om (telkens) naar het buitenland (te weten de Bondsrepubliek Duitsland) te (laten) vervoeren

en/of

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2007 tot en met 15 maart 2008 te Kerkrade, in de gemeente Kerkrade, althans in het arrondissement Maastricht, althans in de Bondsrepubliek Duitsland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk, heeft verkocht en/of geleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende amfetamine en/of (telkens) (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) zogenaamde XTC-tabletten, bevattende MDMA en/of amfetamine en/of tenamfetamine en/of N-ethyl MDA, en/of (telkens) (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde amfetamine en/of MDMA en/of tenamfetamine en/of N-ethyl MDA en/of cocaïne (telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2007 tot en met 15 maart 2008 te Kerkrade, in de gemeente Kerkrade, althans in het arrondissement Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk, buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1, vijfde lid, van de Opiumwet, (telkens) (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a van die wet,

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) opzettelijk die hennep ten vervoer aangenomen en/of contact gelegd en/of onderhouden met (de) koper(s) en/of het transport van die hennep geregeld (het benaderen/regelen van een chauffeur en/of koerier) en/of die hennep ten vervoer aangeboden, zulks om (telkens) naar het buitenland (te weten de Bondsrepubliek Duitsland) te (laten) vervoeren

en/of

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2007 tot en met 15 maart 2008 te Kerkrade, in de gemeente Kerkrade, althans in het arrondissement Maastricht, althans in de Bondsrepubliek Duitsland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk, heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij op of omstreeks 18 maart 2008 te Kerkrade, in de gemeente Kerkrade, althans in het arrondissement Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1, vijfde lid, van de Opiumwet, ongeveer 1 kilogram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende amfetamine en/of ongeveer 5 zegels bevattende LSD (Lysergide), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende LSD (Lysergide), zijnde amfetamine en/of LSD (Lysergide) (telkens) een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) opzettelijk dat materiaal bevattende amfetamine en/of LSD (Lysergide) ten vervoer aangenomen en/of contact gelegd en/of onderhouden met (de) koper(s) en/of het transport geregeld (het benaderen/regelen van een chauffeur en/of koerier) en/of dat materiaal bevattende amfetamine en/of LSD (Lysergide) ten vervoer aangeboden, zulks om naar het buitenland (te weten de Bondsrepubliek Duitsland) te (laten) vervoeren;

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 18 maart 2008 te Kerkrade, in de gemeente Kerkrade, althans in het arrondissement Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 1 kilogram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende amfetamine en/of ongeveer 5 zegels bevattende LSD (Lysergide), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende LSD (Lysergide), zijnde amfetamine en/of LSD (Lysergide) (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4.

hij op of omstreeks 18 maart 2008 te Kerkrade, in de gemeente Kerkrade, althans in het arrondissement Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken van 1 kilogram amfetaminepasta, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal amfetamine, zijnde amfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

opzettelijk ongeveer 1 kilogram, althans een hoeveelheid, poedermengsel (bevattende coffeïne) voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en/of zijn, verdachtes, mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);

5.

hij op of omstreeks 18 maart 2008 te Kerkrade, in de gemeente Kerkrade, althans in het arrondissement Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1, vijfde lid, van de Opiumwet, ongeveer 1 kilo, in elk geval een hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) opzettelijk die kilo hennep ten vervoer aangenomen en/of contact gelegd en/of onderhouden met (de) koper(s) en/of het transport van die kilo hennep geregeld (het benaderen/regelen van een chauffeur en/of koerier) en/of die kilo hennep ten vervoer aangeboden, zulks om naar het buitenland (te weten de Bondsrepubliek Duitsland) te (laten) vervoeren;

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 18 maart 2008 te Kerkrade, in de gemeente Kerkrade, althans in het arrondissement Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 1 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkwamen, zijn deze verbeterd. Het hof heeft de in het onder 1, 2, 3 primair en 5 primair ten laste gelegde voorkomende zinsnede “(te weten de Bondsrepubliek Duitsland)” omwille van de leesbaarheid verplaatst. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

E. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

E.1

De raadslieden hebben bepleit dat het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in de strafvervolging van de verdachte. Daartoe hebben zij - op de gronden als vervat in hun pleitnota - het volgende aangevoerd.

(i) De officier van justitie heeft de rechtsgang op een zeer kwalijke wijze beïnvloed door tegen de voormalige raadsman van [medeverdachte B] - in het kader van een bespreking omtrent het eventueel instellen van hoger beroep - mede te delen dat er tussentijds aanvullend belastend materiaal tegen [medeverdachte B] was binnengekomen dat ingeval van hoger beroep aan het dossier zou worden toegevoegd, zonder dat de precieze inhoud en herkomst ervan de officier van justitie op dat moment duidelijk was;

(ii) Het dossier is dusdanig samengesteld dat het geheel aan onderzoeksverrichtingen en bevindingen niet te overzien is. Het dossier is niet transparant en niet toetsbaar. Op basis van het dossier kunnen bepaalde personen niet worden getraceerd. Andere personen die als belastend worden gepresenteerd, blijken niets van deze zaak af te weten. Het openbaar ministerie heeft blijkbaar geen enkele onderzoek naar deze personen gedaan. Er kunnen bovendien vraagtekens worden geplaatst bij de vraag of het dossier op dit moment wel volledig is. Het openbaar ministerie is voor deze gang van zaken verantwoordelijk.

Deze twee argumenten zouden in de visie van de verdediging zowel op zichzelf als in onderlinge samenhang aanleiding moeten zijn om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de strafvervolging van de verdachte.

E.2

Bij de beoordeling van dit verweer stelt het hof voorop dat het rechtsgevolg van niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking komt. Daarvoor is alleen plaats wanneer is voldaan aan het Zwolsman-criterium (HR 19 december 1995, NJ 1996, 249) of het Karman-criterium (HR 1 juni 1999, NJ 1999, 567).

Het Zwolsman-criterium is geïncorporeerd in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering en is aan de orde bij een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek, dat erin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Daarbij dient wel steeds rekening te worden gehouden met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.

Het Karman-criterium heeft betrekking op vormverzuimen in het algemeen en is aan de orde - los van de vraag of daardoor de belangen van de verdachte zijn geschaad - indien het wettelijk systeem waarop het strafproces is gebaseerd, in de kern is aangetast.

Tegen deze achtergrond moet het niet-ontvankelijkheidsverweer van de raadslieden worden bezien.

E.3

Ten aanzien van het argument onder (i) overweegt het hof als volgt. Na de uitspraak van de rechtbank heeft de voormalige raadsman van medeverdachte [B], mr. A.A.T.X. Vonken, telefonisch contact opgenomen met zaaksofficier van justitie mr. E.A. Oelmeijer-Naus met de vraag of zij hoger beroep tegen het vonnis zou aantekenen. De zaaksofficier is op verzoek van de verdediging als getuige gehoord. Over hetgeen in het gesprek met de voormalige raadsman van medeverdachte [B] ter sprake is gekomen, verklaarde zij ter terechtzitting in hoger beroep onder meer het volgende.

“Mr. Vonken […] belde mij op en vroeg of ik hoger beroep zou instellen tegen het vonnis van de rechtbank. Mijn reactie daarop was dat ik daar nog niet over uit was. Ik heb gezegd dat ik dat mede af zou laten hangen van het antwoord op de vraag of verdachte in hoger beroep zou gaan. Ik moest het vonnis nog bestuderen en kon geen uitsluitsel geven aan mr. Vonken. Mr. Vonken probeerde te achterhalen waar mijn hoger beroep op gericht zou zijn. De straf die de rechtbank had opgelegd was overeenkomstig hetgeen ik geëist had. De rechtbank heeft [B] ten aanzien van één feit vrijgesproken. Het hoger beroep zou daarop kunnen zien. Mr. Vonken vertelde mij dat hij zijn cliënt had ontraden om in hoger beroep te gaan met het argument dat de straf in hoger beroep hoger uit zou kunnen vallen. Mr. Vonken kon echter niet uitsluiten dat [B] toch in hoger beroep zou gaan, omdat hij vanuit het huis van bewaring zelf ook hoger beroep zou kunnen instellen. […]

Ik had inmiddels informatie ontvangen dat het onderzoek in Duitsland ten einde zou zijn gekomen en dat daar belastende informatie uit naar voren zou zijn gekomen. […] Ik heb gezegd dat wanneer de zaak in hoger beroep zou komen, ik die informatie in het dossier zou voegen. Mr. Vonken heeft mij wel gevraagd wat die belastende informatie is. Ik heb hierop geantwoord dat ik alleen mondeling informatie heb gehad en dat deze extra belastend zou zijn, omdat er dan meerdere leveringen bij zouden komen. Ik had die informatie niet uit stukken, maar mondeling vernomen via iemand van de politie. […] Ik heb mr. Vonken de informatie meegegeven die ik had. […] Ik vind dat ik maximaal transparant moet zijn en daarom alle informatie die ik heb moet delen. Ik kan me voorstellen dat wanneer je bepaalde informatie hebt en de verdediging hiervan niet in kennis stelt, dat deze zich genomen voelt als in hoger beroep blijkt dat er meer informatie is. […] Ik had […] geen reden om informatie achter te houden die toch wel in de openbaarheid zou komen. […]

Ik heb van mr. Vonken gehoord dat hij, reeds voordat ik hem geïnformeerd had over de belastende informatie uit Duitsland, zijn cliënt negatief geadviseerd had.”

Het hof vermag niet in te zien waarom aan deze verklaring van de zaaksofficier zou moeten worden getwijfeld, temeer niet nu deze steun vindt in brieven die mr. Vonken aan medeverdachte [B] heeft verzonden. Het hof doelt daarbij op de brieven van 3 en 4 september 2008. Bij brief van 3 september 2008 heeft mr. Vonken medeverdachte [B] onder meer het volgende laten weten:

“Conform toezegging heb ik met de officier van justitie overleg gevoerd. […] Indien u zelf geen beroep aantekent, zal het openbaar ministerie ook geen beroep aantekenen. Indien u dat wel doet, gaat het openbaar ministerie ook in beroep. Ik blijf (onderstreping hof) derhalve bij mijn advies aan u geen beroep in te stellen.”

Bij brief van 4 september 2008 voegde hij daar onder meer het volgende aan toe.

“Ik bevestig ons telefonisch onderhoud van hedenmiddag. U gaf mij aan dat uw vader en uw broer erg aandrongen op het toch instellen van hoger beroep. Ik heb u aangegeven dat het instellen van beroep betekent dat u nogal een risico loopt. Ik heb u dan ook gezegd dat ik u niet aanraad beroep in te stellen, ook (onderstreping hof) vanwege het feit dat inmiddels nieuwe belastende verklaringen in Duitsland zijn afgelegd tegen u en uw broer.

Bovendien kunt u het risico lopen dat de officier van justitie ook in hoger beroep gaat en dan wordt de kwestie van de 33.000 pillen ook opnieuw bekeken en zou de vrijspraak in hoger beroep kunnen worden vernietigd. […] Ik heb u gezegd dat het natuurlijk ook zo kan zijn dat u in beroep een beter resultaat kunt krijgen, maar ik acht de kansen daarop veel minder groot dan het risico dat het anders zal zijn.”

Het voorgaande toont aan dat de stelling van de verdediging dat de mededeling van de zaaksofficier over het inbrengen van nieuwe belastende informatie de reden was voor mr. Vonken om medeverdachte [B] te adviseren geen hoger beroep in te stellen, feitelijke grondslag mist. Mr. Vonken bleek dat advies al te hebben gegeven voordat hij met de zaaksofficier in contact trad. Dat contact heeft het advies slechts kracht bijgezet.

Het hof constateert voorts dat [C] in de beroepstermijn een nieuwe verklaring heeft afgelegd in een Duitse strafzaak tegen [een persoon]. Die verklaring dateert immers van 18 augustus 2008, terwijl de rechtbank op 9 augustus 2008 het onderzoek in eerste aanleg heeft gesloten en op 3 september 2008 het telefoongesprek tussen de zaaksofficier en mr. Vonken heeft plaatsgevonden. De verklaring is weliswaar niet belastend voor medeverdachte [B], maar wel voor de verdachte die zijn broer is en in de ogen van de zaaksofficier en de rechtbank ook in nauwe en bewuste samenwerking met medeverdachte [B] heeft gehandeld. De belastende informatie waarover de zaaksofficier sprak, zou daarop kunnen zien. De verdediging zet daartegenover dat mr. Vonken in zijn brief van 3 september 2008 spreekt over verklaringen die ene [D] en andere kopers in Duitsland zouden hebben afgelegd. De zaaksofficier heeft desgevraagd ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat de naam [D] haar helemaal niets zegt in het kader van dit onderzoek. Ook de politiefunctionaris [naam politiefunctionaris], die belast was met de aansturing van het onderzoek tegen de verdachte en diens medeverdachte broer en in die hoedanigheid contact heeft gehad met de Duitse politiefunctionarissen en het Joint Hit Team, is daarnaar als getuige ter terechtzitting in hoger beroep gevraagd. Hij kon de naam [D] evenmin in relatie brengen tot het onderzoek.

Er is naar het oordeel van het hof geen enkele reden te twijfelen aan het waarheidsgehalte van de verklaringen van de zaaksofficier en voornoemde politiefunctionaris. Het hof houdt het er daarom voor dat van aanvullende belastende informatie van [D] geen sprake is en neemt aan dat mr. Vonken deze naam op een andere manier dan van de zaaksofficier heeft opgevangen.

Voor zover de raadslieden hebben willen bepleiten dat zelfs het enkele doorspelen van mondeling verkregen informatie door de zaaksofficier zonder zich van de inhoud daarvan te vergewissen, een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde met zich brengt, slaagt het verweer evenmin. Het hof merkt op dat het, evenals de advocaat-generaal, overtuigd is van de integriteit van de zaaksofficier. Met haar handelwijze nam zij het risico dat zij in een lastig parket zou worden gebracht, maar dat heeft zij voor lief genomen. De transparantie die zij daarbij voor ogen had, valt in haar te prijzen. Immers, het zij herhaald: het was de voormalige raadsman van medeverdachte [B] die met haar contact opnam en die medeverdachte [B] op dat moment al had ontraden om hoger beroep in te stellen.

E.4

Ten aanzien van het argument onder (ii) overweegt het hof als volgt. Anders dan de raadslieden is het hof van oordeel dat het dossier voldoende overzicht biedt op het geheel aan onderzoeksverrichtingen en bevindingen. Het hof ziet bovendien geen aanleiding te veronderstellen dat het dossier niet volledig is. In hoger beroep zijn op verzoek van de verdediging alle Duitse stukken in het dossier gevoegd. Het hof heeft de verdediging vervolgens ruimschoots de gelegenheid gegeven om de in die stukken genoemde personen, voor zover zij konden worden getraceerd, als getuige te kunnen horen. Van de zijde van het openbaar ministerie zijn herhaaldelijk diverse inspanningen geleverd om alle getuigen te traceren. Voor zover dat traceren is mislukt, is dat volgens de verdediging het openbaar ministerie te verwijten: het openbaar ministerie heeft - zo begrijpt het hof de raadslieden tenminste - de betrouwbaarheid van het door de Duitsers aangeleverde materiaal, met name de personalia van de bedoelde personen daarin, niet dan wel onvoldoende geverifieerd. Het hof verwerpt die stellingname van de verdediging. Miskend wordt dat het gaat om stukken van een Duits onderzoek. In redelijkheid kan een zo vergaande eis niet aan het functioneren van het openbaar ministerie worden gesteld. Wat de wel getraceerde getuigen hebben verklaard, is verder in het geheel niet relevant voor de vraag of het openbaar ministerie haar recht op vervolging heeft verspeeld. Dat zou hooguit iets kunnen zeggen over de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van het voorhanden bewijsmateriaal.

Het hof is dan ook van oordeel dat zo er al gebreken zouden zijn aan de dossiervorming, deze niet op het conto van het openbaar ministerie kunnen worden geschreven.

E.5

Met het vorenstaande is zowel het argument onder (i) als het argument onder (ii) weerlegd. Het hof zijn ook anderszins uit het onderzoek ter terechtzitting geen feiten of omstandigheden gebleken die nopen tot een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie. Het hof is dan ook van oordeel dat het openbaar ministerie in de strafvervolging van de verdachte kan worden ontvangen.

[BEWIJS]*

F. Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs ten aanzien van feit 1 en 2

F.1

De raadslieden hebben bepleit dat de verdachte van het onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten zal worden vrijgesproken. Daartoe hebben zij verweer gevoerd ten aanzien van de betrouwbaarheid van de voor de verdachte belastende verklaringen alsook ten aanzien van de aan hem toegeschreven tapgesprekken.

F.2

Het betrouwbaarheidsverweer keert zich in het bijzonder tegen de verklaringen van [C] en die van [E]. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat voor zowel de periode van oktober 2007 tot en met februari 2008 als die van februari 2008 tot en met 15 maart 2008 slechts één belastende verklaring voorhanden is, respectievelijk van [C] en van [E]. De verdediging heeft voorts gewezen op verklaringen waaruit zij afleidt dat [C] en [E] wel eens zelf de leveranciers kunnen zijn geweest en zodoende bij hun belastende verklaringen belang kunnen hebben. Verder meent de verdediging dat in elk geval de verklaring van [C] de in de Nomads-zaak (Rb Amsterdam, 17 maart 2003, LJN AT0873) aangelegde betrouwbaarheidstoets niet doorstaat.

F.3

Het hof overweegt als volgt. Vooropgesteld dient te worden dat het hof de beide periodes bij de bewijswaardering niet heeft gescheiden, zoals de verdediging dat wel - om haar moverende redenen - heeft gedaan. De beide periodes sluiten immers op elkaar aan, vormen tezamen de onder 1 en 2 ten laste gelegde periode en hebben betrekking op dezelfde strafbare feiten.

Van belang voor de betrouwbaarheid van de verklaringen van [C] en [E] is naar het oordeel van het hof dat zij elkaar over en weer bevestigen. [C] was degene die in eerste instantie door de verdachte werd ingeschakeld als vervoerder van de verdovende middelen. [E] was degene die later werd ingeschakeld en die rol geheel overnam toen [C] in Duitsland werd gearresteerd. De verklaringen van [C] en [E] vinden voorts bevestiging in de observaties van de politie op 18 maart 2008. Daaruit blijkt namelijk dat [E] die dag met één tas de woning van de ouders van de verdachte en medeverdachte [B] is binnengegaan en het pand vervolgens heeft verlaten met twee tassen, waarvan later is vastgesteld dat daarin verdovende middelen zaten. De verklaringen van [C] en [E] vinden voorts steun in vele tapgesprekken. Het hof verwijst naar de gesprekken die voor het bewijs zijn gebruikt.

De verklaringen waarop de raadslieden hebben gewezen, maken dat niet anders. Naar het oordeel van het hof is daarmee allerminst aannemelijk gemaakt dat de verdachte en zijn medeverdachte broer geen bemoeienis hadden met de transporten. De verklaring van [E] wordt door de verklaring van [F] en [G] zelfs op belangrijke onderdelen ondersteund. Frappant is ook dat [E] na zijn aanhouding de verdachte heeft gebeld om hem van die aanhouding op de hoogte te stellen. Dat bepaalde afnemers als getuige hebben verklaard dat zij de namen van de verdachte en zijn medeverdachte broer niet kennen, wekt bij het hof geen bevreemding. Zij hebben de drugs immers niet zelf afgeleverd. Bovendien gaat het om verklaringen die in een Duitse strafzaak zijn afgelegd, waarvan niet altijd duidelijk is of degenen die de verklaringen hebben afgelegd, afnemers waren waaraan [C] en [E] de drugs hebben geleverd of de eindafnemers die de drugs via een andere afnemer hebben verkregen. Dat bepaalde afnemers hebben verklaard dat zij - anders dan in het Duitse dossier is vermeld - überhaupt niet in een Duitse strafzaak zijn verhoord, maakt een en ander ook niet anders. Er kan vanuit worden gegaan dat de Duitse autoriteiten de personalia van deze personen op de geëigende manier hebben vastgesteld.

Anders dan de raadslieden is het hof verder van oordeel dat de verklaring van [C] ook de betrouwbaarheidstoets in de Nomads-zaak doorstaat. Die toets gaat immers niet zo ver - en dat is ook logisch - dat ten aanzien van alle toetselementen een bevestiging nodig is. Het gaat erom dat die elementen een leidraad kunnen vormen bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van een bepaalde verklaring. In dit geval acht het hof beslissend in hoeverre de verklaring van [C] steun vindt in andere bewijsmiddelen. Voor zover er sprake is van verschillen, zijn die naar het oordeel van het hof van ondergeschikte aard; en voor zover [C] niet consistent is geweest in zijn verklaringen, heeft hij daar een geloofwaardige uitleg voor gegeven. Dat daarbij zijn eigen belang een rol heeft gespeeld, tast de betrouwbaarheid van zijn verklaring niet aan. Overigens heeft [C] zijn eerdere verklaringen bij de rechter-commissaris vooral in een voor de verdachte ontlastende zin bijgesteld: sommige transporten had hij aan de verdachte toegeschreven, omdat hij daarmee een derde leverancier buiten schot wilde houden.

Gelet op het vorenstaande concludeert het hof dat de verklaringen van [C] en [E] als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt.

F.4

Het verweer tegen het gebruik van de tapgesprekken faalt eveneens. Immers, nu het hof hiervoor gemotiveerd heeft aangegeven waarom de verklaringen van [C] en [E] betrouwbaar zijn, spreekt het voor zich dat dit ook geldt voor zover zij bepaalde telefoonnummers aan de verdachte en zijn medeverdachte broer hebben toegeschreven.

Dat klemt des temeer nu de verdachte de tenaamgestelde was van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] - een telefoonnummer dat in de telefoon van [C] stond (als [A 4]) -, terwijl uit een met dat nummer gevoerd gesprek valt af te leiden dat dit niet zijn enige telefoon was. Hem wordt namelijk op 29 februari 2008 gevraagd om te bellen “met die andere telefoon”, waarop hij reageerde met “ok”. Dat was aanleiding voor de officier van justitie om te bevelen ook het telefoonnummer [telefoonnummer 2] te tappen - een telefoonnummer dat terug te vinden was in de telefoon van [C] (als [A 3]). Dat de telefoonnummers terecht aan de verdachte en medeverdachte [B] worden toegeschreven, vindt verder nog bevestiging in het feit dat in het geheugen van de onder de verdachte in beslag genomen telefoon het telefoonnummer [telefoonnummer 3] vermeld stond bij de naam “[B2]”. Dat telefoonnummer stond ook in de telefoons van [C] (als [B], [B; andere spelling] en [B; weer een andere spelling]) en behoorde volgens hem toe aan medeverdachte [B].

F.7

Het hof houdt derhalve vast aan de verklaringen van [C] en [E] en de aan de verdachte en zijn medeverdachte broer toegeschreven tapgesprekken. Bijgevolg wordt het verweer van de verdediging in al zijn onderdelen verworpen.

F.8

Op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte tezamen en in vereniging met anderen hoeveelheden amfetamine, cocaïne en hennep heeft vervoerd en naar Duitsland uitgevoerd, zoals een en ander hierna in de bewezenverklaring tot uitdrukking zal worden gebracht. Uit de vastgestelde feiten en omstandigheden kan ook worden afgeleid dat zij circa 14.000 XTC-tabletten naar Duitsland hebben uitgevoerd. Echter, XTC zelf is - anders dan bijvoorbeeld cocaïne en amfetamine - niet een middel dat op lijst I van de Opiumwet staat, terwijl van algemene bekendheid is dat de in het spraakgebruik als XTC aangeduide drug haar effect behalve aan MDMA, (N-ethyl) MDA, MDEA, amfetamine of tenamfetamine, ook aan andere - al dan niet op de bij de Opiumwet behorende lijst I vermelde stoffen - kan ontlenen (vgl. HR 25 november 2003, LJN AM2764). Uit het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof de chemische samenstelling van de onderhavige XTC-tabletten niet kunnen afleiden. Daarom zal het hof de verdachte partieel van het onder 1 ten laste gelegde vrijspreken, namelijk ten aanzien van de uitvoer van de XTC-tabletten.

G. Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs ten aanzien van feit 3, 4 en 5

G.1

De raadsman, mr. A.S. van der Biezen, heeft bepleit dat de verdachte van het onder 3, 4 en 5 ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. Daartoe heeft hij - mede onder verwijzing naar het verweer ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde - aangevoerd dat uit het voorhanden bewijs niet kan worden geconcludeerd dat de verdachte bij deze feiten is betrokken. Zoals ten aanzien van [E] geldt, mag volgens de raadsman ook geen bewijswaarde worden toegedicht aan de verklaring van [H]. Hij is teruggekomen op zijn verklaring bij de rechter-commissaris. De bevindingen uit observatie in combinatie met de onder de medeverdachten aangetroffen verdovende middelen zijn onvoldoende om de betrokkenheid van de verdachte te kunnen bewijzen, aldus de raadsman.

G.2

In reactie op dit verweer verwijst het hof allereerst naar hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [E]. Het hof acht zijn verklaringen betrouwbaar. Dat betekent dat de verklaring van [H], zoals die voor het bewijs is gebruikt, niet op zichzelf staat. De verklaring vindt steun in de andere bewijsmiddelen. Het enkele feit dat [H] later bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij zich niet meer kan herinneren dat hij tegenover de politie heeft verklaard dat hij een pakketje bij [B] heeft opgehaald en dat hij nooit hand- en spandiensten heeft verleend in verband met drugshandel, maakt dat niet anders.

G.3

Naar het oordeel van het hof is dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich op 18 maart 2008 schuldig heeft gemaakt aan de uitvoer van amfetamine, LSD en hennep en de voorbereiding van de productie van amfetamine, zoals een en ander onder 3 primair, 4 en 5 primair ten laste is gelegd. Uit de vastgestelde feiten en omstandigheden komt immers naar voren dat vanuit de ouderlijke woning van de verdachte tassen naar buiten zijn gedragen waarin later amfetamine, LSD, cafeïne en LSD-trips zijn aangetroffen.

Eerder die dag had [H] een pakketje met harddrugs bij het ouderlijk huis van de verdachte afgeleverd. Daarover heeft de verdachte [H] ook gebeld en gevraagd of er ook cafeïne bij zat. De verdachte heeft de verdovende middelen die dag uiteindelijk aan [E] overhandigd. De verdachte heeft die dag bovendien contact gehad met een Duits sprekende man over het afleveren van verdovende middelen.

Het verweer van de raadsman wordt derhalve verworpen.

H. Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs ten aanzien van alle feiten

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

I. Bewezenverklaring

Op grond van de hiervoor vermelde redengevende feiten en omstandigheden, de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 primair, 4 en 5 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 oktober 2007 tot en met 15 maart 2008 in het arrondissement Maastricht tezamen en in vereniging met anderen,

meermalen, telkens opzettelijk, buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1, vijfde lid, van de Opiumwet, een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine of cocaïne, zijnde amfetamine en cocaïne middelen als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I,

immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders telkens opzettelijk dat materiaal bevattende amfetamine of cocaïne, ten vervoer aangenomen en contact gelegd en onderhouden met de kopers en het transport van dat materiaal geregeld (het benaderen/regelen van een chauffeur en/of koerier) en dat materiaal bevattende amfetamine of cocaïne ten vervoer aangeboden, zulks om naar het buitenland, te weten de Bondsrepubliek Duitsland, te (laten) vervoeren

en

hij in de periode van 1 oktober 2007 tot en met 15 maart 2008 in het arrondissement Maastricht, tezamen en in vereniging met anderen,

meermalen, telkens opzettelijk, heeft vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine of cocaïne, zijnde amfetamine en cocaïne middelen als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;

2a.

hij in de periode van 1 oktober 2007 tot en met 15 maart 2008 in het arrondissement Maastricht, tezamen en in vereniging met anderen,

meermalen, telkens opzettelijk, buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1, vijfde lid, van de Opiumwet, een hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II,

immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders telkens opzettelijk die hennep ten vervoer aangenomen en contact gelegd en onderhouden met de kopers en het transport van die hennep geregeld (het benaderen/regelen van een chauffeur en/of koerier) en die hennep ten vervoer aangeboden, zulks om naar het buitenland, te weten de Bondsrepubliek Duitsland, te (laten) vervoeren

en

hij in de periode van 1 oktober 2007 tot en met 15 maart 2008 in het arrondissement Maastricht, tezamen en in vereniging met anderen,

meermalen, telkens opzettelijk, heeft vervoerd, een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2b.

hij in de periode van 1 oktober 2007 tot en met 15 maart 2008 te Kerkrade, in de gemeente Kerkrade, tezamen en in vereniging met anderen,

meermalen, telkens opzettelijk, heeft verkocht een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.

hij op 18 maart 2008 te Kerkrade tezamen en in vereniging met anderen,

opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1, vijfde lid, van de Opiumwet, ongeveer 1 kilogram van een materiaal bevattende amfetamine en 5 zegels bevattende LSD (Lysergide), zijnde amfetamine en LSD (Lysergide) telkens een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I,

immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders opzettelijk dat materiaal bevattende amfetamine en LSD (Lysergide) ten vervoer aangenomen en/of contact gelegd en/of onderhouden met de koper en/of het transport geregeld (het benaderen/regelen van een chauffeur en/of koerier) en/of dat materiaal bevattende amfetamine en LSD (Lysergide) ten vervoer aangeboden, zulks om naar het buitenland, te weten de Bondsrepubliek Duitsland, te (laten) vervoeren;

4.

hij op 18 maart 2008 te Kerkrade, tezamen en in vereniging met anderen,

om een feit, bedoeld in het vierde lid, van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken van een hoeveelheid van een materiaal amfetamine, zijnde amfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

opzettelijk ongeveer 1 kilogram poedermengsel bevattende coffeïne voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en zijn, verdachtes, mededaders wisten dat dat bestemd was tot het plegen van dat feit;

5.

hij op 18 maart 2008 te Kerkrade, tezamen en in vereniging met anderen,

opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1, vijfde lid, van de Opiumwet, ongeveer 1 kilo hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II,

immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders opzettelijk die kilo hennep ten vervoer aangenomen en/of contact gelegd en/of onderhouden met de koper en/of het transport van die kilo hennep geregeld (het benaderen/regelen van een chauffeur en/of koerier) en/of die kilo hennep ten vervoer aangeboden, zulks om naar het buitenland, te weten de Bondsrepubliek Duitsland, te (laten) vervoeren.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

J. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde is telkens als misdrijf voorzien bij artikel 2, aanhef en onder A en B, van de Opiumwet juncto artikel 47, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht en strafbaar gesteld in artikel 10, vierde en vijfde lid, van de Opiumwet.

Het onder 2a bewezen verklaarde is telkens als misdrijf voorzien bij artikel 3, aanhef en onder A en B, van de Opiumwet juncto artikel 47, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht en strafbaar gesteld bij artikel 11, tweede en vierde lid, van de Opiumwet.

Het onder 2b bewezen verklaarde is telkens als misdrijf voorzien bij artikel 3, aanhef en onder B, van de Opiumwet juncto artikel 47, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht en strafbaar gesteld bij artikel 11, tweede lid, van de Opiumwet.

De rechtbank heeft beslist dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde in eendaadse samenloop is gepleegd. De verdediging heeft zich achter die beslissing geschaard. Het hof beslist echter anders. Het onder 1 bewezen verklaarde heeft betrekking op de uitvoer en het vervoer van amfetamine en cocaïne; het onder 2a bewezen verklaarde op de uitvoer en vervoer van hennep; het onder 2b bewezen verklaarde op de verkoop van hennep. Nog daargelaten dat daarbij niet telkens sprake is van eenheid in tijd en plaats (het is met andere woorden niet telkens één fysiek gebeuren), moet worden vastgesteld dat het om verschillende handelingen gaat. Het betreft immers niet de uitvoer, het vervoer en de verkoop van dezelfde drugs. Het hof is wel met de rechtbank van oordeel dat zowel binnen het onder 1 als het onder 2a bewezen verklaarde eendaadse samenloop kan worden aangenomen ten aanzien van de uitvoer en het vervoer.

Het onder 1 bewezen verklaarde wordt daarom als volgt gekwalificeerd:

De eendaadse samenloop van:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Het onder 2a bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

De eendaadse samenloop van:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Het onder 2b bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Het onder 3 bewezen verklaarde is telkens als misdrijf voorzien bij artikel 2, aanhef en onder A, van de Opiumwet juncto artikel 47, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht en strafbaar gesteld in artikel 10, vijfde lid, van de Opiumwet.

Het onder 3 bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Het onder 4 bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 10a, eerste lid, aanhef en onder 3°, juncto artikel 10, vierde lid, en artikel 2, aanhef en onder B, van de Opiumwet en artikel 47, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Het onder 4 bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

Medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid, van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Het onder 5 bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien bij artikel 3, aanhef en onder A, van de Opiumwet juncto artikel 47, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht en strafbaar gesteld in artikel 11, vierde lid, van de Opiumwet.

Het onder 5 bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van deze bewezen verklaarde feiten uitsluiten.

K. Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

L. Op te leggen straf

De bewezenverklaring van het hof komt er kort gezegd op neer dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het met anderen meerdere keren vervoeren van verdovende middelen (amfetamine, cocaïne en hennep), het met anderen meerdere keren uitvoeren daarvan naar Duitsland, het met anderen meerdere keren verkopen van hennep, het met anderen uitvoeren naar Duitsland van amfetamine en LSD, het met anderen voorbereiden van de productie van amfetamine en het met anderen uitvoeren van hennep.

De rechtbank heeft de verdachte voor een soortgelijke bewezenverklaring veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren en 6 maanden met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft zich achter die beslissing van de rechtbank geschaard.

De raadsman heeft uiterst subsidiair bepleit dat een strafmitigerende werking zal uitgaan van de lange duur van de behandeling in hoger beroep.

Het hof overweegt als volgt

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Voor zover het bewezen verklaarde betrekking heeft op de uitvoer van harddrugs zoekt het hof aansluiting bij de landelijke (LOVS) oriëntatiepunten, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. Voor de uitvoer van meer dan 20 kilogram harddrugs geldt als indicatie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van meer dan 60 maanden.

In deze zaak is er sprake van uitvoer van harddrugs die de grens van 20 kilogram ruimschoots overschrijdt. Dat het gewicht van de uitgevoerde drugs vrijwel steeds op schattingen is gebaseerd, kan daaraan niet afdoen. Het gaat immers naar schatting om 75 tot 86 kilogram amfetamine, 120 gram cocaïne en 5 LSD-zegels. Zelfs al zouden die schattingen ruim genomen zijn, hetgeen niet is gesteld en evenmin uit het onderzoek ter terechtzitting aannemelijk is geworden, kan met recht worden gesproken van een grootschalige uitvoer van harddrugs.

Daar komt bij dat de verdachte samen met zijn mededaders ook op grote schaal hennep heeft uitgevoerd: naar schatting in totaal 77 kilogram.

De onderhavige uitvoer van hard- en softdrugs was goed doordacht en vond plaats in een min of meer vast samenwerkingsverband. De verdachte had binnen dit samenwerkingsverband een leidende rol. Hij zorgde voor de levering van de verdovende middelen. Als eigenaar van een illegale coffeeshop verkocht hij bovendien grote hoeveelheden hennep. De handel in drugs draagt bij aan allerlei vormen van (ernstige) criminaliteit. Ten aanzien van de harddrugs geldt bovendien dat deze, eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren opleveren voor de gezondheid van die gebruikers. De verdachte heeft zich daarom niet bekommerd en kennelijk slechts gehandeld met het oog op financieel gewin. Het hof rekent dat de verdachte aan.

De ernst van die feiten maakt ook dat naar het oordeel van het hof niet kan worden volstaan met de door de rechtbank opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf. De persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gekomen, leggen tegenover de ernst van het bewezen onvoldoende gewicht in de schaal om tot een ander oordeel te komen. De verdachte is weliswaar eerder veroordeeld ter zake van overtreding van de Opiumwet, doch gezien de aard en omvang van de straf die hem in dat kader is opgelegd (een geldboete van € 900,00) gaat het hof ervan uit dat het hier om een relatief geringe overtreding ging, zodat het hof deze eerdere veroordeling niet als strafverhogende omstandigheid laat meewegen.

Ten aanzien van de duur van de behandeling van de zaak in hoger beroep merkt het hof nog het volgende op. De verdediging heeft, overigens zonder daarbij te stellen dat de redelijke termijn is overschreden, op die lange duur gewezen en ook de advocaat-generaal heeft zich daarover uitgelaten. De behandeling van de zaak ter terechtzitting in hoger beroep is niet afgerond met een eindarrest binnen twee jaren nadat het rechtsmiddel is ingesteld. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld op 27 augustus 2008 en het hof doet vandaag uitspraak. De berechting in hoger beroep heeft aldus ruim 4 jaren en 1 maand geduurd. Desalniettemin is het hof met de advocaat-generaal van oordeel dat voor deze lange duur bijzondere omstandigheden zijn aan te wijzen. De procesgang is met name vertraagd door het grote aantal getuigenverzoeken van de verdediging. Het hof heeft die in het belang van de verdediging ruimhartig toegewezen: de stukken werden in handen gesteld van de rechter-commissaris om 23 getuigen te horen en ter terechtzitting zijn nog eens 4 getuigen gehoord. Van tevoren kon al worden ingeschat dat niet alle getuigen gemakkelijk te traceren waren.

Bovendien moesten meerdere getuigen in Duitsland worden gehoord en was bovendien een rechtshulpverzoek naar Tunesië nodig. Er is verder vertraging ontstaan, zij het in mindere mate, door het grote aantal verhinderingen dat de verdediging heeft doorgegeven (bijvoorbeeld bij brief van 4 juli 2011, waarin wordt medegedeeld dat de verdediging de hele maand juli, augustus en nagenoeg de hele maand september is verhinderd).

Daar staat tegenover de vertraging die is ontstaan doordat de advocaat-generaal in een laat stadium een vordering tot wijziging van de tenlastelegging deed. Het hof heeft toen op verzoek van de verdediging de stukken in handen gesteld van de raadsheer-commissaris om drie getuigen te horen. Ook zij hebben geen gehoor gegeven aan twee oproepen om voor de raadsheer-commissaris te verschijnen. Ook na de daaropvolgende oproep met bevel tot medebrenging zijn de getuigen niet verschenen. Uiteindelijk heeft de raadsheer-commissaris slechts een getuige kunnen horen. Een andere getuige is, na opnieuw een bevel tot medebrenging, alsnog ter terechtzitting gehoord.

Anders dan de advocaat-generaal, die het standpunt heeft ingenomen dat kan worden volstaan met de enkele constatering van een schending van de redelijke termijn, is het hof van oordeel dat de hiervoor genoemde bijzondere omstandigheden maken dat de redelijke termijn niet is geschonden.

Alles afwegende, komt het hof tot het oordeel dat in het onderhavige geval een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren en 6 maanden passend en geboden is. Het hof zal de verdachte daartoe dan ook veroordelen. Deze straf is hoger dan de aan de medeverdachte [B] opgelegde straf, met name omdat uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte, anders dan [B], een leidende rol heeft gespeeld bij de bewezen uitvoer van verdovende middelen.

M. Opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte zal worden opgeheven. Die schorsing was eerder door het hof uitgesproken. Nadien heeft de verdachte zich echter, zo blijkt uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, opnieuw bij een rechter moeten verantwoorden ter zake van een overtreding van artikel 2 van de Opiumwet. De verdachte is daarvoor op 7 november 2012 veroordeeld. Volgens de verdachte ging het om een aantal gram cocaïne en is dat afgedaan: de verdachte verklaarde te berusten in de geldboete die hij daarvoor van de rechter heeft gekregen. Het hof stelt vast dat de verdachte met deze nieuwe overtreding van de Opiumwet, hoe gering ook, een van de schorsingsvoorwaarden heeft overtreden, namelijk de voorwaarde de verdachte zich gedurende de schorsing van de voorlopige hechtenis zou onthouden van het plegen van strafbare feiten. Het hof is daarom met de advocaat-generaal van oordeel dat de schorsing van de voorlopige hechtenis moet worden opgeheven. Bij een belangenafweging dienen de strafvorderlijke belangen die gediend zijn met de voorlopige hechtenis, thans naar het oordeel van het hof zwaarder te wegen dan de persoonlijke belangen die de verdachte heeft bij het voortduren van de schorsing van de voorlopige hechtenis. De schorsing van de voorlopige hechtenis zal derhalve worden opgeheven.

N. Beslag

Onder de verdachte zijn een personenauto en een Tom-Tom navigator in beslag genomen. Volgens opgave van de verdachte behoren deze aan hem toe. Het hof ziet geen reden deze voorwerpen verbeurd te verklaren. De voorwerpen zullen daarom aan de verdachte worden teruggegeven.

O. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 2, 3, 10, 10a en 11 van de Opiumwet en de artikelen 27, 47, 55, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 primair, 4 en 5 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het 1, 2, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dat als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren en 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Heft op de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten een personenauto van het merk BMW (kleur: grijs, XGU-325) en een Tom-Tom navigator.

Aldus gewezen door

mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,

mr. E.A.A.M. Pfeil en mr. J.G. Sillevis Smitt, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.P. Verhaegh griffier,

en op 3 december 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. J.G. Sillevis Smitt is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

* Ten behoeve van de leesbaarheid van het arrest is het bewijs weggelaten en vervangen door “[BEWIJS]”.