Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BY3311

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-10-2012
Datum publicatie
15-11-2012
Zaaknummer
12/00131
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2012:BW0401, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het afgeven (dan wel ophalen) van een zogenoemde SD geheugenkaart bij een fotozaak kan niet worden gekwalificeerd als het onmiddellijk laden en lossen in de zin van Hoge Raad 12 mei 1999, nr. 33286, BB 99/566, gepubliceerd in LJN: AA2760 (Onder het doen of laten staan van een voertuig voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen dient te worden verstaan: het onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht bij voortduring inladen of uitladen van zaken van enige omvang of enig gewicht, gedurende de tijd die daarvoor nodig is).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/2685
Belastingblad 2012/562
V-N 2013/8.18.8
FutD 2012-2950
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 12/00131

Uitspraak op het hoger beroep van

de heer X, wonende te Y

hierna: belanghebbende,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 13 maart 2012, kenmerk AWB 11/6634 inzake het geding tussen:

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de Gemeente Tilburg,

hierna: de Heffingsambtenaar,

betreffende de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting met aanslagnummer 000000.0000.000000.

Onderzoek ter zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 11 oktober 2012 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Heffingsambtenaar.

Na behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 25 oktober 2012, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Gronden

1. Het volgende staat tussen partijen in hoger beroep vast: Op 17 november 2011 omstreeks 14.53 uur stond de auto van belanghebbende met het kenteken XX-XX-00 minimaal 3 minuten geparkeerd op een parkeerplaats aan de A-straat te Tilburg zonder dat er activiteiten bij waren.

Deze locatie is door het college van burgemeester en wethouders van Tilburg op grond van de Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2011 van de gemeente Tilburg (hierna: de Verordening) aangewezen als een parkeerplaats voor betaald parkeren. Tijdens een controle op voormelde datum en voornoemd tijdstip hebben twee parkeercontroleurs geconstateerd dat er in de auto geen geldig betaalbewijs aanwezig was. Naar aanleiding hiervan is aan belanghebbende een naheffingsaanslag van € 52,90 opgelegd, bestaande uit € 0,90 parkeerbelasting en € 52 kosten van die aanslag.

2. In hoger beroep is uitsluitend in geschil of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Niet in geschil is dat belanghebbende geen parkeerkaart heeft aangeschaft.

3. Ingevolge artikel 1, onder a, van de Verordening wordt onder parkeren verstaan het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen, dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen.

4. Onder het doen of laten staan van een voertuig voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen dient te worden verstaan: het onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht bij voortduring inladen of uitladen van zaken van enige omvang of enig gewicht, gedurende de tijd die daarvoor nodig is (Hoge Raad 12 mei 1999, nr. 33286, BB 99/566, gepubliceerd in LJN: AA2760).

5. De parkeercontroleur heeft ter zitting (nogmaals) verklaard dat belanghebbende op de bewuste dag van 17 november 2011 zelf aan de parkeercontroleurs heeft verklaard dat het pakketje in kwestie waarvoor hij bij "B" was een zogenoemde SD geheugenkaart betrof. Het Hof heeft geen enkele aanleiding deze verklaring van de parkeercontroleur in twijfel te trekken en gaat dan ook van de juistheid ervan uit. Deze fotozaak is schuin gelegen tegenover het parkeervak waar de auto van belanghebbende stond geparkeerd. Belanghebbende is na het afgeven van de geheugenkaart teruggelopen naar zijn auto. Op dat moment trof hij de parkeercontroleurs aan bij zijn auto.

6. Nu niet in geschil is dat de auto van belanghebbende op de bewuste datum en tijdstip geparkeerd stond op een parkeerplaats waarvoor geen parkeerbelasting was betaald, is het aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat geen sprake was van parkeren, maar van laden en lossen.

7. Tegenover de gemotiveerde betwisting van de Heffingsambtenaar heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat het pakketje waarvoor hij bij B was van een zodanige omvang en gewicht was, dat dit bezwaarlijk anders dan per voertuig kon worden vervoerd. Integendeel, het mag van algemene bekendheid worden verondersteld dat het desbetreffende pakketje, een zogenoemde SD geheugenkaart, gelijk de Rechtbank terecht heeft overwogen, een pakketje van zeer geringe omvang en zeer gering gewicht betreft. Daarom kan het afgeven (dan wel ophalen) daarvan niet als het onmiddellijk laden en lossen in de hiervoor bedoelde zin worden gekwalificeerd. Gelijk de Rechtbank vervolgens heeft overwogen, is dan niet meer van belang hoe lang het voertuig in het parkeervak heeft gestaan.

8. Voor zover belanghebbende (ook) in hoger beroep heeft bedoeld te stellen dat de onderwerpelijke naheffingsaanslag anderszins als zijnde in strijd met enig in het rechtsbewustzijn levend algemeen beginsel van behoorlijk bestuur dient te worden vernietigd, heeft hij deze stelling, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de Heffingsambtenaar, niet feitelijk onderbouwd. Ook dit kan belanghebbende niet baten.

9. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is en dat beslist dient te worden zoals hiervoor is vermeld.

Ten aanzien van het griffierecht

10. Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn te gelasten dat de verweerder belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

11. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Slot

12. Gelet op het vorenstaande moet worden beslist als bovenvermeld.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus gedaan door P.J.M. Bongaarts, voorzitter, P. Fortuin en W.E.M. van Nispen tot Sevenaer, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van R.O.J.M. de Windt, griffier, in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2012.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 6 november 2012

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH

's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht.

d. de gronden van het beroep in cassatie

Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt de indiener de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.