Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BY1984

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-09-2012
Datum publicatie
01-11-2012
Zaaknummer
11/00738
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

TBS-regeling. Waardering ter beschikking gestelde onroerende zaak bij einde TBS niet noodzakelijkerwijs volgens dezelfde methode als bij aanvang TBS.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/2642
V-N 2012/63.19.3
FutD 2012-2750
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Tweede meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 11/00738

Uitspraak op het hoger beroep van

de heer X,

wonende te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 14 oktober 2011, nummer AWB 11/1470, in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst Zuidwest,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen aanslag en beschikking

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2006 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 707.884, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 288.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 94.215. Bij in hetzelfde geschrift vervatte beschikking is heffingsrente in rekening gebracht ten bedrage van € 53.862. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur, bij in één geschrift vervatte uitspraken, de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning ing van € 254.540 onder handhaving van de overige elementen van de aanslag en de beschikking inzake heffingsrente dienovereenkomstig verminderd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 41.

De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 71.485 onder handhaving van de overige elementen, de beschikking inzake heffingsrente dienovereenkomstig verminderd, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 874 en gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 41 aan hem vergoedt.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 112. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. De zitting heeft plaatsgehad op 19 april 2012 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.5. Belanghebbende en zijn gemachtigde hebben te dezer zitting ieder een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De Inspecteur heeft verklaard bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij deze pleitnota´s behorende bijlage. Het Hof heeft dat bezwaar afgewezen en zowel de pleitnota´s als die bijlage tot de stukken van het geding gerekend.

1.6. Aan het slot van deze zitting heeft het Hof het onderzoek gesloten.

1.7. Van oordeel dat het onderzoek niet volledig was, heeft het Hof besloten tot heropening van het onderzoek en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. Vervolgens heeft het Hof partijen verzocht schriftelijk inlichtingen te geven, aan welk verzoek zij hebben voldaan.

1.8. Met toestemming van partijen heeft het Hof afgezien van een nader onderzoek ter zitting en het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting de volgende feiten en omstandigheden vast als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de andere niet, dan wel onvoldoende, weersproken.

2.1. Belanghebbende is voor de onverdeelde helft eigenaar van het kantoorpand gelegen aan de A-straat 79 te Y (hierna: het pand).

2.2. Sinds 1 mei 1992 is het pand verhuurd aan B B.V. (hierna: de BV).

2.3. Belanghebbende hield tot en met 31 december 2006 een aanmerkelijk belang in de BV in de zin van hoofdstuk 4 van de Wet IB 2001, anders dan op grond van de artikelen 4.10 en 4.11 van die wet. Sinds 1 januari 2007 wordt het pand niet langer ter beschikking gesteld zoals bedoeld in artikel 3.92 van de Wet IB 2001.

2.4. De in de aangifte voor het onderhavige jaar opgenomen boekwaarde van belanghebbendes eigendomsaandeel in het pand (hierna: het eigendomsaandeel) per 31 december 2006 bedraagt € 655.463. Deze boekwaarde is gebaseerd op een van de zijde van belanghebbende verrichte taxatie naar de peildatum 1 januari 2001. Volgens deze taxatie had het pand op 1 januari 2001 een waarde in het economische verkeer van € 1.373.819. De aangiften voor de jaren 2001 tot en met 2005 en de aanslagen over die jaren waren op deze taxatie gebaseerd. Als waarde in het economische verkeer van het eigendomsaandeel is in de aangifte vermeld een bedrag van € 527.675, zodat een boekverlies, als onderdeel van het belastbaar inkomen uit werk en woning, resteert van € 127.788.

2.5. De Inspecteur is bij aanslag afgeweken van de aangifte. Hij heeft een boekwinst ter zake van het eigendomsaandeel in aanmerking genomen van € 596.287, zijnde het verschil tussen de aan de WOZ-waarde per 1 januari 2007 ontleende waarde van het eigendomsaandeel per die datum en de boekwaarde van dat eigendomsaandeel, zoals opgenomen in de aangifte.

2.6. Bij op 19 januari 2011 gedagtekende uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de boekwinst berekend op een bedrag van € 160.124. Deze berekening is gebaseerd op een taxatie van de zijde van de Inspecteur van de waarde in het economische verkeer van het pand per 1 januari 2001 en 1 januari 2007 op € 1.980.000 respectievelijk € 2.237.000. Uitgaande van deze bedragen en rekening houdend met afschrijvingslasten van € 31.624, overeenkomstig hetgeen in de aangiften voor de jaren 2001 tot en met 2006 was verantwoord, heeft de Inspecteur de door hem in aanmerking genomen boekwinst ter zake van het eigendomsaandeel als volgt gespecificeerd.

Waarde per 31 december 2006: € 1.118.500

Boekwaarde per 31 december 2006: € 958.376 -/-

Boekwinst: € 160.124

2.7. Belanghebbende heeft in hoger beroep een taxatierapport in het geding gebracht ter vaststelling van de waarde in het economische verkeer van het pand per 1 januari 2007. Volgens het desbetreffende rapport bedraagt die waarde € 1.625.000.

2.8. Het belastbaar inkomen uit werk en woning overigens bestaat uit een huuropbrengst ter zake van het eigendomsaandeel van € 17.271 en overig inkomen van € 77.055.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil in hoger beroep betreft het antwoord op de volgende vragen:

1. Wat is de waarde in het economische verkeer van het pand per 31 december 2006?

2. Zo vraag 1 niet in de door de Inspecteur voorgestane zin wordt beantwoord: dient de waardestijging van het pand desalniettemin op € 257.000 te worden gesteld, op de grond dat op de respectieve waardepeildata dezelfde waarderingsmethodiek dient te worden gevolgd?

Ten aanzien van de eerste vraag verdedigt belanghebbende een waarde van primair € 1.625.000 en subsidiair € 1.763.000. De Inspecteur verdedigt een waarde van € 2.237.000.

Belanghebbende beantwoordt de tweede vraag ontkennend. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Ter zitting hebben zij daaraan het volgende toegevoegd.

De Inspecteur heeft enerzijds bezwaar gemaakt tegen overlegging van de bijlage bij belanghebbendes pleitnota´s, maar anderzijds de inhoud van die bijlage gemotiveerd bestreden.

De Inspecteur heeft uiteengezet dat wat in zijn verweerschrift als subsidiair standpunt is aangeduid, inhoudt dat indien de waarde van het pand per 31 december 2006 wordt vastgesteld op de door belanghebbende bepleite waarde, de boekwinst ter zake van het pand desalniettemin op € 257.000 moet worden gesteld. Belanghebbende is volgens de Inspecteur, voor zoveel nodig naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, gehouden dezelfde waarderingsmethode toe te passen voor de vaststelling van de waarde in het economische verkeer per 1 januari 2001 als per 31 december 2006. Dit laat onverlet dat de Inspecteur van mening is dat de waarde in het economische verkeer per 1 januari 2001 € 990.000 is en de boekwaarde per 31 december 2006 € 958.376.

Belanghebbende heeft ter zitting, voor het geval het hoger beroep gegrond zou worden verklaard, verzocht om een proceskostenvergoeding, bestaande uit reiskosten, een forfaitaire vergoeding van kosten van rechtsbijstand en een vergoeding van de kosten van het van zijn zijde in het geding gebracht taxatierapport van € 1.900. De Inspecteur heeft noch dit verzoek als zodanig, noch de kosten van het taxatierapport weersproken.

3.3. Belanghebbende concludeert, naar het Hof verstaat, primair tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraken op bezwaar, vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil met dienovereenkomstige vermindering van de beschikking inzake heffingsrente en tot vaststelling van het verlies uit werk en woning op een bedrag van € 51.550. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

4. Gronden

Ten aanzien van de procesorde

4.1. De Inspecteur heeft ter zitting van het Hof bezwaar gemaakt tegen overlegging van de aan de pleitnota's van belanghebbende gehechte bijlage. Deze bijlage bevat niet meer dan de adressen van enkele objecten, vergezeld van enkele summiere verhuurgegevens. Het bezwaar van de Inspecteur houdt in dat hij zich in zijn procesbelang geschaad acht door de late overlegging door belanghebbende van deze bijlage. Het Hof heeft overlegging van deze bijlage niet in strijd met de beginselen van een goede procesorde geacht. Daarbij heeft het Hof enerzijds acht geslagen op het belang dat belanghebbende heeft bij het overleggen van deze bijlage, die als nadere adstructie van de door hem verdedigde waarde van het pand moet worden beschouwd, op de summiere inhoud van de bijlage, op de zijdens de Inspecteur aanwezige deskundigheid op het terrein van waardering van onroerende zaken en op de omstandigheid dat de Inspecteur, ondanks zijn voornoemde bezwaar, gemotiveerd de inhoud van de bijlage heeft bestreden. Onder deze omstandigheden acht het Hof de Inspecteur niet geschaad in zijn processuele belangen en heeft het Hof de bijlage tot de gedingstukken gerekend. Partijen zijn ter zitting hiervan op de hoogte gesteld.

Ten aanzien van de omvang van het geschil

4.2. De Inspecteur heeft in de door hem in hoger beroep ingebrachte stukken als standpunt verdedigd dat 'de boekwinst' ten minste € 257.000 bedraagt. Dit bedrag is het verschil tussen de waarden in het economische verkeer van het pand op 31 december 2006 en 1 januari 2001. De helft van deze waardestijging, zijnde € 128.500, betreft het eigendomsaandeel. Gezien de stukken van het geding, in het bijzonder de op 19 januari 2011 gedagtekende uitspraak op bezwaar, is, naar het Hof verstaat, tussen partijen niet in geschil dat de afschrijving op het eigendomsaandeel gedurende de jaren 2001 tot en met 2006 € 31.624 bedraagt. Dit betekent dat waar de Inspecteur een 'boekwinst' verdedigt van € 257.000 het Hof zijn stellingen aldus verstaat dat een boekwinst ter zake van het eigendomsaandeel van € 160.124 wordt bepleit.

Ten aanzien van het geschil

4.3. Zowel belanghebbende als de Inspecteur doen hun standpunten ten aanzien van de waarde van het pand per 1 januari 2007 steunen op taxatierapporten. In hetgeen in die rapporten is vervat en in de overige van hen afkomstige stukken ligt besloten een weerspreking over en weer van de juistheid van die respectieve taxaties. Gelet op die weerspreking heeft naar 's Hofs oordeel geen van beide partijen de respectievelijk verdedigde waarden aannemelijk gemaakt. Aan beide taxaties kleeft het gebrek dat niet inzichtelijk is gemaakt hoe de aan enig referentieobject ontleende gegevens zijn herleid naar de waardering van het pand. De aan de onderbouwing van de respectieve waarden ten grondslag liggende rapporten vertonen derhalve zodanige gebreken vanuit het oogpunt van inzichtelijkheid en begrijpelijkheid dat die respectieve waarden daarmee onvoldoende zijn onderbouwd. Wat het taxatierapport van belanghebbende betreft, geldt dit zowel voor de primair bepleite waarde, als voor de subsidiair bepleite waarde.

4.4. Aangezien beide partijen de door hen bepleite waarden niet aannemelijk hebben gemaakt, zal het Hof de waarde in het economische verkeer van het pand per 31 december 2006 in goede justitie vaststellen op € 2.050.000.

4.5. Partijen zijn, afgezien van de hierna te behandelen subsidiaire stellingname van de Inspecteur, eenparig van mening dat de waarde in het economische verkeer per 1 januari 2001 moet worden gesteld op € 990.000. Partijen zijn voorts eenparig van mening dat de boekwaarde moet worden gesteld op € 990.000 minus € 31.624 (afschrijving over de jaren 2001 tot en met 2006) is € 958.376.

Dat betekent dat het belastbare inkomen uit werk en woning voor het onderhavige jaar als volgt moet worden vastgesteld:

WEV eigendomsaandeel pand per 31/12/2006: € 1.025.000

Boekwaarde eigendomsaandeel per 31/12/2006: € 958.376

Boekwinst eigendomsaandeel pand: € 66.624

Huuropbrengst 2006 € 17.271

Overig inkomen uit werk en woning € 77.055

Belastbaar inkomen uit werk en woning € 160.950

4.6. Wat de subsidiaire stellingname van de Inspecteur betreft, overweegt het Hof als volgt.

4.6.1. Voor zover de Inspecteur met die stelling heeft bedoeld dat, ongeacht welke waarde in het economische verkeer per 31 december 2006 aan het pand wordt toegekend, maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat hoe dan ook een boekwinst ter zake van het eigendomsaandeel van € 160.124 wordt verantwoord, vindt zijn opvatting geen steun in het recht. Aangezien de Inspecteur heeft gesteld dat de waarde in het economische verkeer van het pand per 1 januari 2001 gelijk is aan € 990.000 en dat de waardering waarop de in de aangifte verantwoorde boekwaarde is gebaseerd onjuist is, kan de boekwinst ter zake van het eigendomsaandeel niet hoger worden gesteld dan op het hiervóór berekende bedrag, uitgaande van 's Hofs oordeel over de waarde in het economische verkeer van het eigendomsaandeel per 31 december 2006.

4.6.2. Voor zover de Inspecteur bedoelt te stellen dat belanghebbende, al dan niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, is gehouden dezelfde waarderingsmethode toe te passen bij de vaststelling van de waarde in het economische verkeer van het eigendomsaandeel per 1 januari 2001 en 1 januari 2007, hetgeen in de visie van de Inspecteur zou moeten leiden tot dezelfde conclusie, vindt die opvatting evenmin steun in het recht. Het staat een partij vrij bij de waardering van dezelfde zaak op verschillende waardepeildata gebruik te maken van verschillende waarderingsmethoden, mits die methoden als zodanig geschikt zijn voor de vaststelling van de waarde in het economische verkeer van die zaak. Aan laatstgenoemde voorwaarde is in het onderhavige geval naar 's Hofs oordeel voldaan.

4.6.3. Voor zover de Inspecteur, tot besluit, subsidiair bedoelt te stellen dat de waarde in het economische verkeer van het eigendomsaandeel per 1 januari 2001 onjuist is en dat die waarde met toepassing van de foutenleer neerwaarts moet worden aangepast, geldt dat hij met hetgeen hij heeft aangevoerd geenszins aannemelijk heeft gemaakt dat die waardering onjuist is.

Slotsom

4.7. Gezien het vorenoverwogene is het hoger beroep gegrond. Het Hof zal de uitspraak van de Rechtbank vernietigen, doch uitsluitend voor zover zij de handhaving van het in de aanslag begrepen belastbaar inkomen uit werk en woning betreft, de aanslag verminderen overeenkomstig het vorenoverwogene en bepalen dat de beschikking inzake heffingsrente dienovereenkomstig wordt verminderd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.8. Aangezien de uitspraak van de Rechtbank gedeeltelijk wordt vernietigd, dient de Staat aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 112 te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.9. Aangezien het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.10. Het Hof stelt deze tegemoetkoming, overeenkomstig hetgeen belanghebbende ter zitting onweersproken heeft verzocht en mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2 (punten) x € 437 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 874, vermeerderd met een bedrag aan reiskosten van belanghebbende voor het bijwonen van de zitting van € 14,80, alsmede een bedrag voor de kosten van het van de zijde van belanghebbende ingebrachte taxatierapport van € 1.900, welk bedrag door de Inspecteur niet is betwist. In deze niet-betwisting ligt besloten dat de Inspecteur erkent, dat zowel het aantal aan de taxatie bestede uren als het berekende bedrag per uur zich verdraagt met artikel 2, lid 1, onderdeel b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het totaal van de onderhavige tegemoetkoming bedraagt derhalve € 2.788,80.

4.11. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5. Beslissing

Het Hof

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend voor zover zij de handhaving van het in de aanslag begrepen belastbaar inkomen uit werk en woning en dienovereenkomstige vaststelling van de beschikking inzake heffingsrente behelst,

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 160.950, onder handhaving van de overige elementen van de aanslag zoals vastgesteld door de Rechtbank,

- vermindert de beschikking inzake heffingsrente dienovereenkomstig,

- gelast dat de Staat aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 112 vergoedt, en

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op, in totaal, € 2.788,80.

Aldus gedaan op 14 september 2012 door P.C. van der Vegt, voorzitter, P.J.M. Bongaarts en W.E.M. van Nispen tot Sevenaer, in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.