Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BY1443

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-10-2012
Datum publicatie
29-10-2012
Zaaknummer
20-003068-11
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:2918, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opzettelijk dierlijke bijproducten (nerstenmest) transporteren naar Duitsland zonder geldige gezondheidscertificaten; Verordening (EG) 1774/2002; uitleg tenlastelegging 'brengen naar'; toelichting bij het gezondheidscertificaat integraal onderdeel van de (bijlage bij de) verordening; toelichting verbindend en rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat; geen onbevoegd optreden opsporingsambtenaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2013/22
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-003068-11

Uitspraak : 9 oktober 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van de economische kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Roermond van 13 juli 2011 in de strafzaak met parketnummer

82-099573-11 tegen:

[bedrijf],

statutair gevestigd te [vestigingsplaats], [adres].

Hoger beroep

Namens verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de economische politierechter zal bevestigen.

De verdediging heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken dan wel dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd reeds omdat de economische politierechter in de tot het bewijs gebezigde bewijsmiddelen niet doet uitkomen welke de redengevende feiten en omstandigheden zijn, waaruit de bewezenverklaarde pleegplaats Venlo zou kunnen volgen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

zij op of omstreeks 9 september 2010 in de gemeente Venlo, althans in Nederland, tezamen en in vereniging, al dan niet opzettelijk, dierlijke bijproducten, te weten (nertsen)mest, in strijd met artikel 8, derde lid, van verordening (EG) 1774/2002 naar een andere lidstaat (Duitsland) heeft gebracht, immers gingen twee transporten (transport met kenteken

[kenteken] en/of transport met kenteken [kenteken]) (nertsen)mest niet vergezeld van een (geldig) gezondheidscertificaat.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 9 september 2010 in de gemeente Venlo opzettelijk dierlijke bijproducten, te weten nertsenmest, in strijd met artikel 8, derde lid, van verordening (EG) 1774/2002 naar een andere lidstaat (Duitsland) heeft gebracht, immers gingen twee transporten (transport met kenteken [kenteken] en transport met kenteken [kenteken]) nertsenmest niet vergezeld van een geldig gezondheidscertificaat.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd. Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit of die bewezenverklaarde feiten waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

A. Pleegplaats

Als een feit van algemene bekendheid wordt aangemerkt dat de Nederlands-Duitse grens op/aan de A67 aan de Nederlandse zijde is gelegen in de gemeente Venlo.

B. Bewijsverweer 1

B.1

De verdediging heeft vrijspraak van het tenlastegelegde ‘heeft gebracht’ bepleit. Daartoe is aangevoerd dat, wanneer het hof van oordeel is dat de Nederlandse verbalisanten bevoegd waren om op te treden omdat de transporten Nederland nog niet hadden verlaten, niet kan worden bewezen dat verdachte de nertsenmest naar een andere lidstaat (Duitsland) heeft gebracht.

B.2

Het hof overweegt als volgt.

B.2.1

In het proces-verbaal van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van de AID Zuid-Nederland, Team Meststoffen Zuid Oost Nederland, d.d. 14 februari 2011 is het volgende opgenomen:

(Blad 4)

Op donderdag 9 september 2010 omstreeks 19.45 uur werd ik, [verbalisant 1], gebeld door het deskundigen-piket AID met de vraag om aan de Nederlands-Duitse grens op de A67 de Koninklijke Marechaussee te assisteren bij een controle van twee transporten vaste mest. De Duitse autoriteiten zouden daar namelijk twee transporten hebben gecontroleerd die met de aanwezige transportbescheiden niet de grens over zouden mogen.

(…) Omstreeks 20.10 uur bevond ik mij in het douanekantoor gelegen op de parkeerplaats aan bovenvermelde grensovergang. Samen met een senior opsporingsambtenaar van de Koninklijke Marechaussee ontmoetten wij twee geüniformeerde Duitse beambten van de Bundespolizei, die ons de desbetreffende transportbescheiden toonden.

(…) Ik controleerde van beide transporten het gezondheidscertificaat en zag dat als afgiftedatum 08/02/2010 stond vermeld en concludeerde dat de twee gezondheidscertificaten kennelijk niet meer geldig waren.

(…) Ik sprak de twee bestuurders aan.

(Blad 11)

Opmerking: In de door [vertegenwoordiger van verdachte] bewerkte verklaring wordt meermaals beweerd dat de vrachtauto’s door de AID in Duitsland zouden zijn gecontroleerd dan wel dat de Duitse autoriteiten de auto’s in Duitsland zouden hebben stilgehouden. Tijdens het opnemen van de verklaring heb ik, [verbalisant 1], aan [vertegenwoordiger van verdachte] uitgelegd dat de vrachtauto’s niet in Duitsland zijn gecontroleerd maar aan de grens zelf. De vrachtwagens stonden namelijk op de parkeerplaats aan de grens geparkeerd (ter hoogte van de Nederlands – Duitse grens) toen zij door de Duitse autoriteiten gecontroleerd werden. Dit is ook de locatie waar ik, [verbalisant 1], de vrachtauto’s heb gezien. Van deze parkeerplaats af is er geen andere manier meer om op een Nederlandse weg te komen dan nadat Duitsland wordt binnengegaan. Ik deelde [vertegenwoordiger van verdachte] mede dat de vrachtauto’s nadat de Duitse autoriteiten de toegang geweigerd hadden, onder begeleiding, niet verder Duitsland zijn binnengereden dan nodig was om weer op een openbare Nederlandse weg uit te komen en heb uitvoerig de situatie aan de grens beschreven. Van een stilhouden van de vrachtauto’s in Duitsland is dan ook geen sprake geweest.

B.2.2

Het hof heeft geen reden om aan de juistheid dan wel betrouwbaarheid van de inhoud van de hiervoor weergegeven bevindingen te twijfelen. Het hof houdt het er dan ook voor dat van stilhouden van de vrachtwagens in Duitsland geen sprake is geweest en dat de Nederlandse verbalisanten de vrachtauto’s op Nederlands grondgebied hebben gecontroleerd, zodat van enig onbevoegd optreden van de opsporingsambtenaren geen sprake is.

B.2.3.1

In de tenlastelegging is opgenomen dat de verdachte twee transporten nertsenmest naar een andere lidstaat (Duitsland) heeft gebracht. In artikel 2.8, eerste lid aanhef en onder a, van de Regeling dierlijke bijproducten 2008 is – voor zover hier van belang en zoals dit luidde ten tijde van het tenlastegelegde – opgenomen dat het verboden is dierlijke bijproducten in strijd met artikel 8, eerste, tweede en derde lid, van verordening (EG) nr. 1774/2002 naar een andere lidstaat te brengen. Op grond van het bepaalde in artikel 2 juncto artikel 5 van de verordening (EG) 1774/2002 dient mest te worden beschouwd als een dierlijk bijproduct dat wordt aangemerkt als categorie 2-materiaal. Ten tijde van het tenlastegelegde luidde artikel 8, van de voornoemde verordening – voor zover hier van belang – als volgt:

‘Artikel 8

Verzending van dierlijke bijproducten naar andere lidstaten

1. Dierlijke bijproducten worden uitsluitend onder de in de leden 2 tot en met 6 vastgestelde voorwaarden naar andere lidstaten verzonden.

2. De lidstaat van bestemming moet de ontvangst hebben toegestaan van categorie 2-materiaal.’

B.2.3.2

In de voornoemde regeling wordt derhalve de term ‘brengen naar’ gebruikt en in de aangehaalde verordening zijn de termen ‘verzending naar’ en ‘worden verzonden’ opgenomen. Hieruit begrijpt het hof dat zowel de Europese als de nationale wetgever heeft bedoeld strafbaar te stellen het bezig zijn met het vervoeren van dierlijke bijproducten naar een andere lidstaat in strijd met de geldende voorschriften en dat niet bedoeld is dat dergelijk vervoer pas strafbaar is indien het vervoerde daadwerkelijk het grondgebied van de ontvangende lidstaat heeft bereikt.

Nu verdachte doende was met het vervoeren van de dierlijke bijproducten naar een andere lidstaat (Duitsland) is het hof, anders dan de verdediging, van oordeel dat het tenlastegelegde ‘naar een andere lidstaat (Duitsland) heeft gebracht’ wettig en overtuigend is bewezen.

B.3

Het verweer wordt met betrekking tot beide onderdelen verworpen.

C. Bewijsverweer 2

C.1

De verdediging heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde ‘niet vergezeld zijn van een geldig gezondheidscertificaat’. Hiertoe is aangevoerd dat weliswaar in de toelichting bij het modelgezondheidscertificaat voor de intracommunautaire handel, dat als bijlage bij verordening (EG) 599/2004 is opgenomen, is vermeld dat het gezondheidscertificaat slechts geldig is gedurende tien dagen vanaf de controle of inspectie in de lidstaat van oorsprong, doch dat deze toelichting geen regelgeving is op basis waarvan deze eis mag worden gesteld en dat een gezondheidscertificaat derhalve niet in geldigheidsduur is beperkt. Nu de verdachte in het bezit was van de benodigde, niet in geldigheidsduur beperkte, gezondheidscertificaten, is niet bewezen dat de transporten niet vergezeld gingen van geldige gezondheidscertificaten, aldus de verdediging.

C.2

Het hof overweegt als volgt.

C.2.1

Verordening (EG) 599/2004 is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. Het modelgezondheidscertificaat, dat wordt gevolgd door de toelichting bij dit certificaat, is in de bijlage van deze verordening opgenomen.

De verordening en de bijbehorende bijlage – bestaande uit het modelcertificaat en de toelichting bij dit certificaat – zijn als één geheel gepubliceerd.

C.2.2

Het hof is gelet daarop – met de advocaat-generaal – van oordeel dat de toelichting bij het certificaat integraal onderdeel uitmaakt van de (bijlage bij de) verordening en dat dientengevolge ook die toelichting verbindend is en rechtstreeks toepasselijk is in elke lidstaat.

In de toelichting is opgenomen dat gezondheidscertificaten slechts 10 dagen geldig zijn vanaf de controle of inspectie in de lidstaat van oorsprong. Nu die termijn op

9 september 2010 reeds ruimschoots was verstreken, is naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend bewezen dat de transporten niet vergezeld gingen van een geldig gezondheidscertificaat, zoals in de bewezenverklaring is opgenomen.

C.3

Hetgeen de verdediging in dit kader overigens heeft aangevoerd maakt dit niet anders. Het hof verwerpt mitsdien het verweer.

D. Kleurloos opzet

D.1

Voor zover de verdediging voorts heeft willen betogen dat geen sprake is van opzettelijk handelen, overweegt het hof dat in het economisch strafrecht de term ‘opzet’ dient te worden uitgelegd als kleurloos opzet. Dit betekent dat verdachtes opzet slechts gericht behoeft te zijn op de gedraging en niet op de wederrechtelijkheid daarvan.

D.2

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt naar het oordeel van het hof dat verdachte op

9 september 2010 te Venlo willens en wetens twee transporten met nertsenmest naar Duitsland heeft gebracht. Hiermee is het (kleurloos) opzet gegeven.

Hieraan doet niet af dat verdachte niet zou hebben geweten dat de hiervoor benodigde gezondheidscertificaten slechts 10 dagen geldig zijn vanaf de controle of inspectie in de lidstaat van oorsprong.

Van verdachte, een professionele deelnemer in het economische verkeer, en met name in het intracommunautair vervoeren van partijen mest, had ten minste mogen worden verwacht dat hij de van toepassing zijnde regelgeving kende.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Hetgeen hiervoor onder C.1 is aangevoerd dient er naar het oordeel van de verdediging meer subsidiair toe te leiden dat de verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging, aangezien het voorhanden hebben van niet bij wet in geldigheidsduur beperkte gezondheidscertificaten maakt dat geen sprake is van een strafbaar feit.

Met verwijzing naar hetgeen het hof hiervoor onder C.2 – C.3 reeds heeft overwogen, is het hof van oordeel dat ook dit verweer faalt.

Ook overigens zijn er geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert op:

Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 81b van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de aard en hoedanigheid van de verdachte rechtspersoon, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder rekening gehouden met de omstandigheden dat:

- weliswaar geen sprake is van een strafbaar feit ten gevolge waarvan (grote) schade aan het milieu is ontstaan, doch dat verdachte zich als vervoerder van dierlijke bijproducten niet heeft gehouden aan een belangrijk milieuvoorschrift: dit valt een professionele onderneming als verdachte te verwijten;

- de verdachte blijkens het haar betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d.

13 augustus 2012 voorafgaand aan het bewezenverklaarde feit niet eerder is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.

Alles afwegende, acht het hof een straf zoals is opgelegd door de economische politierechter en is gevorderd door de advocaat-generaal passend en geboden. Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, artikel 81b van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren en artikel 2.8 van de Regeling dierlijke bijproducten 2008, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro).

Bepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot € 1.250,00 (duizend tweehonderdvijftig euro), niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr. H. Harmsen, voorzitter,

mr. K. van der Meijde en mr. P.J. Hödl, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.A.G.W.M. van der Vleuten, griffier,

en op 9 oktober 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.