Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BY1170

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-10-2012
Datum publicatie
26-10-2012
Zaaknummer
HV 200.106.059
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beschikking is deels tussenbeschikking en deels eindbeschikking.

Hoger beroep tussenbeschikking niet-ontvankelijk.

Hoger beroep eindbeschikking geen belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Uitspraak: 16 oktober 2012

Zaaknummer: HV 200.106.059/01

Zaaknummer eerste aanleg: 230442 FA RK 11-396

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. T.J. Kreeftenberg,

tegen

[Y.],

wonende te [woonplaats],

verweerster,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. J.M. Molkenboer.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Breda van 24 januari 2012.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 23 april 2012, heeft de man verzocht voormelde beschikking uitvoerbaar bij voorraad te vernietigen en opnieuw rechtdoende:

1. de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek tot echtscheiding in afwachting van het opstellen van een nieuw ouderschapsplan dan wel de akkoordverklaring met het ouderschapsplan;

2. primair: de bijdrage van de man in het levensonderhoud van de vrouw vast te stellen op nihil met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking dan wel met ingang van 1 september 2012, althans op een zodanig bedrag dat het hof juist acht;

3. subsidiair: een deskundigenonderzoek te gelasten naar het inkomen dat de man zich redelijkerwijs uit de onderneming kan onttrekken zonder de continuïteit van de onderneming en zonder de pensioenverplichting van de onderneming in gevaar te brengen;

4. te bepalen dat hetgeen de man te veel aan partneralimentatie aan de vrouw heeft voldaan, door de vrouw dient te worden terugbetaald, dan wel dient te worden verrekend met een eventuele verrekenvordering van de vrouw op de man.

2.2. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 21 mei 2012, heeft de vrouw verzocht de man niet-ontvankelijk te verklaren dan wel de grieven van de man af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 september 2012. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de man, bijgestaan door mr. Kreeftenberg;

- de vrouw, bijgestaan door mr. Molkenboer.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 6 september 2012;

- de brief met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 20 juli 2012;

- de brief met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 15 augustus 2012;

- de brief met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 23 augustus 2012;

- de brief met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 27 augustus 2012

- het faxbericht van de advocaat van de man d.d. 6 september 2012.

3. De beoordeling

3.1. Partijen zijn op 1 juni 1993 in de gemeente Terschelling op huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd.

Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:

- [A.], hierna [zoon A.], op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats],

- [B.], hierna: [zoon B.], op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats],

- [C.], hierna: [dochter C.], op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats].

[zoon B.] en [zoon A.] hebben het hoofdverblijf bij de man. [dochter C.] heeft het hoofdverblijf bij de vrouw.

3.2. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank Breda tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking ten tijde van de mondelinge behandeling van het hof nog niet was ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij deze beschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang, bepaald dat de man met ingang van de dag dat de beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [dochter C.] aan de vrouw een bedrag van € 750,- per maand moet voldoen. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat de man met ingang van de dag dat de beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand als bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw een bedrag van € 5.225,- per maand moet voldoen. Ten slotte heeft de rechtbank bepaald dat voormelde bijdragen ten behoeve van [dochter C.] en de vrouw met ingang van 1 september 2012 voorlopig zijn vastgesteld, in afwachting van een nadere beslissing van de rechtbank inzake de periode ingaande 1 september 2012.

3.3. De man kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.3.1. De grieven van de man richten zich tegen de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de echtscheiding, de behoefte en de behoeftigheid van de vrouw en de draagkracht van de man.

De echtscheiding

3.4.1. De man heeft, kort samengevat, aangevoerd dat de vrouw in eerste aanleg geen door beide partijen ondertekend ouderschapsplan heeft overgelegd en dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat dit redelijkerwijs ook niet van de vrouw kon worden verlangd. De man verkeerde in de veronderstelling - naar achteraf bleek ten onrechte - dat de vrouw het door beide partijen op 6 augustus 2010 ondertekende ouderschapsplan in eerste aanleg had overgelegd en indien de man had geweten dat het ouderschapsplan geen onderdeel van het procesdossier uitmaakte, dan had hij het ouderschapsplan zelf in eerste aanleg in het geding gebracht. De man legt thans in hoger beroep het door partijen ondertekende ouderschapsplan over. De man heeft voorts nog aangevoerd dat de vrouw zich niet aan het ouderschapsplan - in het bijzonder niet aan de overeengekomen zorgregeling - houdt, doch dat dit voor hem wel voorwaarde voor de echtscheiding vormt.

3.4.2. De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd betwist. De vrouw heeft gesteld dat zij zich inmiddels conformeert aan het ouderschapsplan d.d. 6 augustus 2010.

3.4.3. Het hof overweegt het navolgende.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de man bij zijn verweerschrift, tevens houdende zelfstandig verzoek in eerste aanleg heeft verzocht de echtscheiding uit te spreken. Uit het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg blijkt verder dat partijen het er bij de mondelinge behandeling in eerste aanleg over eens waren dat de echtscheiding kon worden uitgesproken. Nu er in hoger beroep een door partijen ondertekend ouderschapsplan is overgelegd, overweegt het hof dat er thans geen beletselen aanwezig zijn om het verzoek tot echtscheiding toe te wijzen en derhalve de echtscheiding te bekrachtigen. De man stelt weliswaar dat partijen twisten over de uitvoering van het ouderschapsplan, doch naar het oordeel van het hof staat eventuele onenigheid van partijen over de uitvoering van het ouderschapsplan aan het uitspreken van de echtscheiding niet in de weg. Ten overvloede merkt het hof op, dat uit de stukken in eerste aanleg niet is gebleken dat de man zijn echtscheidingsverzoek onder voorwaarden heeft gedaan en dat er overigens voor het uitspreken van de echtscheiding geen band met een goede zorgregeling is vereist.

Grief 1 van de man faalt derhalve.

Eindbeschikking, tussenbeschikking

3.5.1. De vrouw heeft aangevoerd dat de man voor de periode tot 1 september 2012 geen belang heeft bij het hoger beroep nu de echtscheiding op 1 september 2012 nog niet is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De vrouw heeft verder aangevoerd dat de man niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep over de periode na 1 september 2012 nu de bestreden beschikking na 1 september 2012 een tussenbeschikking is waartegen slechts hoger beroep mogelijk is tegelijk met de eindbeschikking van de rechtbank.

3.5.2. De man heeft gesteld dat zijn ontvankelijkheid beoordeeld moet worden op het moment van indiening van het hoger beroepschrift. De man heeft voorts gesteld dat de rechtbank de behoefte en de behoeftigheid van de vrouw zowel over de periode tot 1 september 2012 als over de periode daarna definitief heeft vastgesteld en dat de man in zoverre ontvankelijk is in zijn hoger beroep. De man is van mening dat slechts zijn draagkracht door de rechtbank kan worden heroverwogen.

3.5.3. Het hof overweegt het navolgende.

3.5.3.1. Met betrekking tot de periode tot 1 september 2012 is er sprake van een eindbeschikking en is de man voor die periode man ontvankelijk in zijn hoger beroep. Gelet evenwel op het feit dat de echtscheidingsbeschikking niet voor 1 september 2012 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand is de tot 1 september 2012 vastgestelde onderhoudsverplichting van de man jegens [dochter C.] en de vrouw nimmer van kracht geweest en heeft de man in zoverre geen belang bij zijn hoger beroep. Het verzoek van de man voor zover betrekking hebbend op de onderhoudsbijdragen tot 1 september 2012 dient daarom wegens gebrek aan belang te worden afgewezen.

Daaraan doet niet af dat de man grieven heeft gericht tegen de overwegingen van de rechtbank terzake de huwelijksgerelateerde behoefte en de behoeftigheid van de vrouw. Deze overwegingen kunnen namelijk geen gezag van gewijsde krijgen, zodat de man ook in zoverre geen belang bij het hoger beroep heeft tegen dit deel van de beschikking.

3.5.3.2. Met betrekking tot het hoger beroep voor zover betrekking hebbend op de onderhoudsbijdragen met ingang van 1 september 2012 is de man niet-ontvankelijk. De onderhoudsbijdragen van de man jegens [dochter C.] en de vrouw zijn door de rechtbank voorlopig vastgesteld, in afwachting van een nadere beslissing. In zoverre is de bestreden beschikking een tussenbeschikking - gegeven onder voorbehoud en vatbaar voor herziening -, waartegen ingevolge artikel 358 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering slechts beroep mogelijk is tegelijk met de eindbeschikking.

3.6. Gelet op het vorenstaande is de man deels niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep en dient zijn verzoek in hoger beroep voor het overige te worden afgewezen.

3.7. Het vorenstaande leidt tot de navolgende beslissing.

4. De beslissing

Het hof:

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep voorzover het betrekking heeft op de onderhoudsbijdragen met ingang van 1 september 2012;

wijst af het hoger beroep voor het overige.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.E.M. Renckens, G.J. Vossestein en F.M.J.A. Lohuis en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2012.