Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BY0237

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-10-2012
Datum publicatie
16-10-2012
Zaaknummer
20-003539-11
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2011:BS1695, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:362, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolging van gemeenteraadslid van Bergen op Zoom; opzettelijk schenden van het ambtsgeheim als bedoeld in art. 272 WvSr., oplegging geldboete als straf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-003539-11

Uitspraak : 16 oktober 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Breda van 12 september 2011 in de strafzaak met parketnummer 02-811529-10 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1948],

wonende te [woonplaats], [adres].

waarbij de verdachte terzake van “Schending van het ambtsgeheim” werd schuldig verklaard, met bepaling dat aan verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.

Door de verdachte is primair bepleit dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging en is subsidiair bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde feit.

Geldigheid en strekking van de inleidende dagvaarding

Het hof stelt ambtshalve de geldigheid van de inleidende dagvaarding aan de orde.

In de tenlastelegging is als kwalificatieve aanduiding van het feit – kort weergegeven – opgenomen dat verdachte in de periode van 21 september 2009 tot en met 12 december 2009, in elk geval in de periode van 23 juni 2009 tot en met 21 december 2009, een geheim, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat hij uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift dan wel van vroeger ambt of beroep verplicht was het te bewaren, opzettelijk heeft geschonden.

In de daaropvolgende feitelijke omschrijving is dit in zoverre geconcretiseerd, dat het ging om (financiële) informatie en/of gegevens van de grondexploitaties (zoals percentages en/of bedragen/tekorten) van een project, aangeduid als ‘Bergse Haven’, en wel voor zover

- opgenomen in de notitie ‘Risicoprofiel Bergse Haven’ d.d. 21 maart 2007, en/of

- behandeld/besproken tijdens een besloten vergadering van een Commissie Voortgang Project Bergse Haven (d.d. 23 juni 2009), en/of

- opgenomen/vermeld in de notulen van die vergadering en/of

- behandeld/besproken tijdens een bespreking tussen (onder meer) de Gemeenteraad en de Rekenkamer (het hof begrijpt: van de gemeente Bergen op Zoom), en/of

- die verdachte ter beschikking was/waren gesteld en/of ter inzage was/waren gegeven,

en dat verdachte deze informatie (het hof vat samen) zou hebben geopenbaard door overname en/of bewerking en/of verwerking in een document en/of in/via een openbare brief en/of plaatsing op een website.

De officier van justitie heeft de tenlastelegging tijdens de terechtzitting bij de rechtbank in dier voege toegelicht dat zij uitsluitend zou zien op informatie die afkomstig is uit de notitie “Risicoprofiel Bergse Haven”, gedateerd 21 maart 2007.

Verdachte zou zijn geheimhoudingsplicht hebben geschonden door het openbaar maken van vragen die hij op 21 september 2009 aan het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Bergen op Zoom heeft gesteld, in het bijzonder de vragen 52 en 53, waarin informatie, afkomstig uit die notitie was opgenomen.

De verdediging en de rechtbank hebben zich bij deze lezing, die met de tekst van de tenlastelegging niet onverenigbaar is, aangesloten.

Bij de behandeling van de zaak in hoger beroep heeft de advocaat-generaal kenbaar gemaakt dat de tenlastelegging ook door haar in voormelde zin wordt verstaan. De verdachte heeft gezegd dat hij haar ook zo heeft begrepen.

Gelet hierop zal het hof de tenlastelegging eveneens in voormelde zin verstaan. Het hof is van oordeel dat de tenlastelegging, aldus uitgelegd, voldoende duidelijk en gespecificeerd is.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging, wegens het ontbreken van enig belang daarbij. Immers, de officier van justitie heeft bij de rechtbank gesteld dat de zaak is aangebracht ‘om een grens te trekken en niet om de verdachte te straffen’; hij heeft vervolgens ook geen straf gevorderd.

Naar het oordeel van het hof is het weliswaar zo dat vervolging in beginsel bestraffing van de verdachte ten doel zal en moet hebben, maar onder bepaalde omstandigheden kan vervolging er ook op zijn gericht om in een ‘proefproces’ onduidelijkheid omtrent het recht weg te nemen (wat kan meebrengen dat het opleggen van straf aan de verdachte, die immers zelf van die onduidelijkheid het slachtoffer kan zijn geweest, ongerechtvaardigd of in elk geval overbodig is) of om, vanuit een oogpunt van generale preventie, te markeren waar precies de grens tussen rechtmatig en strafbaar optreden is gelegen. Ook in de beide laatstgenoemde gevallen heeft het openbaar ministerie een te respecteren belang bij de vervolging.

Kennelijk heeft de officier van justitie willen aangeven dat het derde geval (markeren van een grens) zich hier, naar zijn oordeel, voordoet. Dat ook in een dergelijk geval van strafoplegging kan worden afgezien, is verdedigbaar; het is echter de rechter, die daarover uiteindelijk een oordeel moet geven.

Gelet op het voorgaande verwerpt het hof het verweer.

Nu overigens geen feiten en/of omstandigheden zijn aangevoerd of anderszins aannemelijk zijn geworden, die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij, verdachte, op een of meer tijdstippen in de periode van 21 september 2009 tot en met 12 december 2009, in elk geval in de periode van 23 juni 2009 tot en met 21 december 2009, te Bergen op Zoom, althans in Nederland, een geheim waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat hij het uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift dan wel van vroeger ambt of beroep, te weten (eenmans)fractie(voorzitter) van de Bergse Sociaal Democraten (BSD) en/of (gemeente)raadslid van de gemeente Bergen op Zoom, verplicht was te bewaren, opzettelijk heeft geschonden,

immers heeft verdachte, toen aldaar (telkens) opzettelijk vertrouwelijke/geheime informatie, te weten

(financiële) informatie en/of gegevens van de grondexploitaties (zoals percentages en/of bedragen/tekorten) van het project Bergse Haven, opgenomen in de notitie 'Risicoprofiel Bergse Haven' d.d. 21 maart 2007

en/of

behandeld/besproken tijdens een besloten vergadering van de Commissie Voortgang Project Bergse Haven (d.d. 23 juni 2009) (waarbij voorafgaand aan die vergadering door de voorzitter was medegedeeld dat door het College van B&W was besloten tot geheimhouding op grond van artikel 86 Gemeentewet

en/of

opgenomen/vermeld in de (op 2 september 2009 vastgestelde) notulen van die besloten vergadering (met het opschrift 'GEHEIM')

en/of

behandeld/besproken tijdens een bespreking tussen (onder meer) de Gemeenteraad en de Rekenkamer (d.d. 21 september 2009) (waarbij werd besproken dat de Rekenkamer in het onderzoek Bergse Haven was geconfronteerd met vertrouwelijke/geheime informatie)

en/of

die hem, verdachte, (als raadslid en/of op basis van vertrouwen) ter beschikking was/waren gesteld en/of ter inzage was/waren gegeven (door middel van afschriften van betreffende stukken) (onder de gehoudenheid - gezien het grote aantal stukken/dossiers die hij, verdachte, wilde inzien - zijn bevindingen en/of standpunten vóór eventuele publicatie/openbaarmaking aan de gemeentelijke organisatie voor te leggen (voor een toetsing op volledigheid en/of vertrouwelijke/geheime informatie en/of WOB-belangen (bedrijfsgegevens), en/of/althans een of meer passages en/of gedeelten uit/van (een) verslag(en) (met de status geheim/vertrouwelijk)

- overgenomen en/of bewerkt en/of verwerkt in een document en/of in/via (bijlage 1 bij) een openbare brief d.d. 21 september 2009 (via de raadsgriffier) aan het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Bergen op Zoom verstuurd/gemaild en/of aan een of meer journalisten en/of de redactie van dagblad BN/DeStem, en/of/althans aan een of meer journalisten en/of de redactie van dagblad BN/DeStem verstuurd/gemaild en/of telefonisch/persoonlijk ter beschikking gesteld/doorgegeven

en/of

- overgenomen en/of bewerkt en/of verwerkt in een open brief/verklaring (d.d. 12 december 2009) en op zijn, verdachtes, website en/of/althans de website van BSD geplaatst en/of laten plaatsen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkwamen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijs: de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden

Op grond van de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, waarnaar in de voetnoten bij dit arrest wordt verwezen, stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 5 januari 2010 heeft [aangeefster] namens het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Bergen op Zoom aangifte gedaan van schending van het ambtsgeheim door [verdachte] (verdachte), lid van de gemeenteraad van Bergen op Zoom namens de fractie Bergse Sociaal Democraten (BSD). Verdachte heeft op 21 september 2009 via de raadsgriffier aan het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Bergen op Zoom een op die dag gedateerde brief gezonden, met bijlagen 1 en 2, getiteld “Vragen Bergse Haven” .

De inhoud van die brief en de daarbij behorende bijlage 1 heeft hij die dag ook aan de pers bekend gemaakt.

Aangeefster heeft verklaard dat zij als afdelingshoofd ruimtelijke ontwikkeling betrokken is bij het project Bergse Haven, een project om een bedrijventerrein om te vormen tot een woongebied. Gedurende het verloop van het project is vanaf 2000 de gemeenteraad herhaaldelijk geïnformeerd. In het bijzonder de financiële cijfers zijn vertrouwelijk aan de raad ter inzage gegeven.

In de eerder genoemde notitie staan onder andere bedrijfsgegevens en financiële informatie, zoals bijvoorbeeld de onteigeningswaarde van percelen. Deze informatie zou volgens aangeefster vertrouwelijk zijn omdat individuele grondeigenaren anders meer informatie over hun onderhandelingspositie krijgen, waardoor de onderhandelingspositie van de gemeente en de [exploitatiematschappij] wordt geschaad.

Aangeefster verklaart dat verdachte in een tweetal in bijlage 1 bij deze brief opgenomen vragen heeft geciteerd uit die notitie “Risicoprofiel Bergse Haven”.

In de vragen 52 en 53 noemt de verdachte de verschillen in bedragen tussen de grondexploitatie en de actuele begrotingen.

Aan de brief en de aangifte is het volgende voorafgegaan.

Op 23 januari 2009 was verdachte, als lid van de commissie Voortgang Project Bergse Haven, aanwezig bij een besloten vergadering. Uit de notulen van deze vergadering blijkt dat de voorzitter aan het begin van de vergadering heeft meegedeeld dat het college had besloten om geheimhouding te leggen op de informatie, welke die dag zou worden verstrekt en besproken.

De voorzitter van de gemeenteraadsvergadering van Bergen op Zoom van 25 juni 2009, bij welke vergadering verdachte aanwezig was, heeft – naar aanleiding van daartoe strekkende opmerkingen/vragen - meegedeeld dat de gemeenteraad alle informatie met betrekking tot het project Bergse Haven, ook vertrouwelijke en geheime informatie, mocht inzien omdat de leden van de gemeenteraad de eed of de belofte hebben afgelegd. Voorts deelde de voorzitter mee dat dit betekent dat ook de stukken van de commissie Bergse Haven, die de dinsdag daarvoor vertrouwelijk waren gewisseld, voor de aanwezigen, als raad, ter inzage lagen bij de griffie. Het dossier was van grote omvang. Indien men toch alles vanaf een bepaald jaartal wilde hebben dan zou het goed zijn om in overleg te gaan met de ambtelijke organisatie, aldus de voorzitter.

Het hof begrijpt dat op 15 juli 2009 een dergelijk overleg heeft plaatsgevonden, te weten een gesprek tussen verdachte en een aantal gemeenteambtenaren, onder wie [getuige]. Tijdens dit overleg zijn afspraken gemaakt die zijn neergelegd in de notitie “Afspraken ter behandeling van het verzoek van raadslid [verdachte]tot inzage dossiers Bergse Haven”. Van dit gesprek is tevens een verslag opgemaakt. Uit dit verslag blijkt dat verdachte heeft gezegd dat hij informatie wil hebben in het kader van een door hem uit te voeren vooronderzoek en ter voorbereiding van een mogelijke raadsenquête.

Voorts heeft de verdachte gezegd dat hij besefte dat zaken in het dossier konden staan die niet voor publicatie bedoeld waren.

Volgens de getuige [getuige] is tijdens voormeld overleg van 15 juli 2009 door de verdachte toegezegd dat hij pas iets met de informatie zou doen en verdere stappen zou ondernemen nadat hij dit met de gemeentelijke organisatie had terug gekoppeld. De teneur van het hele gesprek was dat verdachte op basis van vertrouwen alles zou inzien.

Verdachte heeft ter terechtzitting bij de eerste rechter verklaard dat hij vervolgens het dossier met daarin de notitie “Risicoprofiel Bergse Haven” heeft ontvangen en dat het hem verbaasde dat op dit stuk geen geheimhoudingsstempel stond. Een dergelijk stempel zou doorgaans op een stuk als dit worden gezet als het door het college van Burgemeester en Wethouders naar de gemeenteraad wordt gestuurd. Verder verklaart hij dat hij veel ervaring heeft met stukken van rekenkamercommissies. Ook heeft hij als onderzoeker naar grondexploitaties bij andere gemeentes de nodige ervaring. Het karakter van een risicoprofiel brengt een zekere mate van vertrouwelijkheid met zich, aldus verdachte.

Ter terechtzitting van de rechtbank heeft verdachte voorts nog verklaard dat de gemeente op 21 september 2009, formeel bezien, nog niet volledig was gestopt met onteigenen.

De verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat zijn brief aan het college van Burgemeester en Wethouders van 21 september 2009 en de daarbij behorende bijlage 1 een openbaar karakter hadden. De inhoud van de brief en van bijlage 1 heeft hij dan ook aan de pers bekend gemaakt. Op 12 december 2009 heeft verdachte bovendien een open brief/verklaring geplaatst op zijn website [website verdachte], waarin hij opnieuw de tekst van de bedoelde vragen heeft opgenomen.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De verdachte heeft bepleit dat hij van het hem ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. Daartoe heeft hij –zakelijk weergegeven- aangevoerd:

I. dat geen sprake is van het schenden van een geheim als bedoeld in artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht, omdat dit artikel naar zijn mening geen betrekking heeft op gemeenteraadsleden; hun geheimhoudingsplicht is immers uitputtend geregeld in de Gemeentewet;

II. dat hij door het opleggen van geheimhouding wordt beperkt in zijn recht van vrijheid van meningsuiting zoals opgenomen in artikel 7 van de Grondwet en artikel 10 van het Europees Verdrag van de rechten van de mens (EVRM); de daarin gestelde regels zijn door middel van artikel 25 van de Gemeentewet vormgegeven; ingevolge artikel 25 lid 3 van de Gemeentewet dient een eerder door het college van Burgemeester en Wethouders of een commissie opgelegde geheimhouding door de gemeenteraad te worden bekrachtigd, welke situatie zich in Bergen op Zoom tot en met 2009 nooit heeft voorgedaan;

III. dat de door hem geciteerde documenten ten tijde van het stellen van zijn vragen op 21 september 2009 in de zin van de wet geen geheime of vertrouwelijke documenten waren; dat hij met zijn vragen of publicaties niet uit andere bronnen heeft geput dan uit documenten die hem met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (WOB) ter beschikking waren gesteld; dat hij zich daarom niet bewust kon zijn van het geheim of vertrouwelijk zijn van stukken, die overigens niet de uiterlijke kenmerken droegen van een eventueel opgelegde geheimhouding.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Ad I.

Artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht betreft de schending van vertrouwen door openbaarmaking van geheimen waarvan men weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat men die moet bewaren uit hoofde van (vroeger) ambt, (vroeger) beroep of een wettelijk voorschrift. Artikel 25 van de Gemeentewet betreft het bewaren van wat kan worden aangeduid als ‘gemeentelijke geheimen’ door de leden van de gemeenteraad. De sanctie op de schending van deze geheimen is niet daar te vinden, maar in artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht betreft dus wel degelijk, anders dan verdachte stelt, ook gemeenteraadsleden.

Ad II.

Ingevolge artikel 10 lid 2 EVRM kan men worden beperkt in zijn grondwettelijk recht van vrijheid van meningsuiting. Dit kan op velerlei manieren, onder meer door een op artikel 25 Gemeentewet gebaseerde geheimhoudingsplicht. De wet biedt de leden van de gemeenteraad voldoende mogelijkheid om tegen een hen opgelegde plicht tot geheimhouding van bepaalde informatie op te komen. Van een onredelijke beperking is op zichzelf geen sprake.

Het onderhavige geval bracht een plicht tot geheimhouding mee van aan verdachte als lid van de raad overgelegde stukken, onder welke de notitie “Risicoprofiel Bergse Haven” d.d. 21 maart 2007, zoals bedoeld in artikel 25 lid 4 van de Gemeentewet, en niet, zoals de verdachte stelt, van aan de gemeenteraad zelf overgelegde stukken. Anders dan verdachte meent is artikel 25 lid 3 van de Gemeentewet hier dan ook niet van toepassing, zodat de daarin genoemde procedure ook niet behoefde te worden gevolgd.

Ad III.

De door de verdachte in de vragen 52 en 53 van bijlage 1 bij de brief van 21 september 2009 bekend gemaakte informatie was naar het oordeel van het hof wel degelijk geheim. Dit blijkt niet alleen uit de mededelingen, die de voorzitter van de gemeenteraad in de vergadering van 25 juni 2009 heeft gedaan, maar ook uit de aard van de documenten, waaraan verdachte deze informatie ontleende, in het bijzonder de notitie “Risicoprofiel Bergse Haven” d.d. 21 maart 2007. Deze notitie bevatte financiële informatie en gegevens van de grondexploitaties en begrotingen, alsmede gevoelige en vertrouwelijke informatie met betrekking tot een project waarmee grote financiële belangen waren gemoeid. Met bekendmaking zouden betrokken marktpartijen hun voordeel kunnen doen, waardoor de belangen van de gemeente konden worden geschaad. Van zo oude informatie, dat openbaarmaking niet meer zou kunnen schaden, was geen sprake. Ook verdachte zelf heeft verklaard dat deze informatie van belang was in verband met onteigening door de gemeente, die op 21 september 2009, in elk geval formeel gezien, nog niet volledig was gestopt.

Dat het vertrouwelijke informatie betrof moet de verdachte, gelet op zijn jarenlange raadservaring en ervaring in rekenkamercommissies, en gelet op de in verband daarmee tijdens de vergaderingen van 23 januari en 25 juni 2009 gedane mededelingen en de bespreking van 15 juli 2009, duidelijk zijn geweest. Het enkele feit dat de meergenoemde notitie niet voorzien was van een stempel “geheim” of “vertrouwelijk”, doet hieraan niets af, en evenmin het feit dat de betreffende informatie, naar de verdachte stelt, al eerder, geheel of gedeeltelijk, in een gerechtelijke procedure aan de orde was gekomen en daardoor bij een of meer belanghebbenden bekend was geworden. Wat tegenover de één geen geheim meer is, kan dat tegenover anderen nog steeds zijn.

De verklaring van de verdachte dat hij de informatie ingevolge een mondeling door hem gedaan beroep op de Wet openbaarheid van bestuur ter beschikking kreeg, wordt door het hof als ongeloofwaardig verworpen.

Van een dergelijk beroep, dat zou zijn gedaan na afloop van de raadsvergadering van 25 juni 2009, blijkt niets; bovendien deed de verdachte eerdere beroepen op de Wet openbaarheid van bestuur steeds schriftelijk. Een reden waarom dit nu anders zou zijn geweest, heeft hij niet opgegeven.

In de afsprakenlijst, die werd gemaakt in verband met de inzage van het dossier Bergse Haven door de verdachte, komt de aantekening voor: ‘Controle: is het dossier compleet en voldoet het aan de eisen van de WOB?’. Ook hieraan heeft de verdachte, gelet op de inhoud van hetgeen hem ter inzage werd gegeven, naar het oordeel van het hof niet kunnen afleiden dat hem alleen openbare stukken werden verstrekt.

Bewezenverklaring

Op grond van de hiervoor vermelde redengevende feiten en omstandigheden en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij, verdachte, in de periode van 21 september 2009 tot en met 12 december 2009, te Bergen op Zoom, een geheim waarvan hij wist dat hij het uit hoofde van ambt, te weten gemeenteraadslid van de gemeente Bergen op Zoom, verplicht was te bewaren, opzettelijk heeft geschonden, immers heeft verdachte, toen aldaar opzettelijk vertrouwelijke/geheime informatie, te weten financiële informatie en/of gegevens van de grondexploitaties (zoals percentages en bedragen/tekorten) van het project Bergse Haven, opgenomen in de notitie 'Risicoprofiel Bergse Haven' d.d. 21 maart 2007, die hem, verdachte, als raadslid ter beschikking waren gesteld en ter inzage waren gegeven door middel van afschriften van betreffende stukken

- overgenomen en verwerkt in een document en in bijlage 1 bij een openbare brief d.d. 21 september 2009, via de raadsgriffier aan het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Bergen op Zoom gemaild en

- overgenomen en verwerkt in een open brief/verklaring d.d. 12 december 2009 en op zijn, verdachtes, website geplaatst.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde feit is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 272, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Het wordt gekwalificeerd, zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Het hof heeft bewezen verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het schenden van zijn ambtsgeheim door opzettelijk geheime informatie openbaar te maken.

De eerste rechter heeft de verdachte ter zake van dit feit schuldig verklaard, met bepaling dat aan verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep de bevestiging van het beroepen vonnis gevorderd.

Door de verdachte is ten aanzien van een eventueel op te leggen straf niets aangevoerd.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte is als gemeenteraadslid van Bergen op Zoom opgekomen tegen wat hij zag als onbehoorlijk bestuur. Hij had vastgesteld dat het ten aanzien van het project Bergse Haven gevoerde beleid tot ernstige tekorten zou leiden, en vreesde dat die tekorten in de toekomst nog verder zouden oplopen, wat ook daadwerkelijk gebeurd is. Hij wenste transparantie hieromtrent en zag zich gedwarsboomd door de hem opgelegde geheimhouding. Hij heeft deze geheimhouding willens en wetens doorbroken. Hij heeft niet stiekem informatie gelekt, maar speelde open kaart.

Het hof onderkent het belang dat klokkenluiders voor de gemeenschap kunnen hebben. De verdachte stonden als gemeenteraadslid echter andere middelen ter beschikking om het door hem nagestreefde doel te bereiken; die middelen waren naar het oordeel van het hof nog geenszins uitgeput. Zo had het voor de hand gelegen om eerst de gewraakte geheimhouding in de gemeenteraad aan de kaak te stellen.

Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte willens en wetens en ondanks waarschuwingen, maar met het openbaar belang voor ogen, zijn geheimhoudingsplicht heeft geschonden. Het hof houdt er rekening mee dat zijn optreden, en dat van Burgemeester en Wethouders, zal zijn beïnvloed door de naderende gemeenteraadsverkiezingen.

Tenslotte houdt het hof rekening met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op de inhoud van het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 16 augustus 2012, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor delicten als de onderhavige door de strafrechter is veroordeeld en op zijn persoonlijke omstandigheden, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Het hof is alles bijeen genomen van oordeel dat niet, zoals door de rechtbank is bepaald en door de advocaat-generaal is gevorderd, kan worden volstaan met een beslissing als genoemd in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, maar dat aan de verdachte een onvoorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte moet worden opgelegd.

Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c en 272 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde oplevert:

Enig geheim waarvan hij weet dat hij uit hoofde van zijn ambt verplicht is het te bewaren, opzettelijk schenden.

Verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. J. Huurman-van Asten, voorzitter,

mr. J.M. Reijntjes en mr. P.J. Hödl, raadsheren,

in tegenwoordigheid van A. van Baast, griffier,

en op 16 oktober 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. J. Huurman-van Asten is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.