Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BY0035

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-10-2012
Datum publicatie
15-10-2012
Zaaknummer
20-001886-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Fluoramfetamine staat niet vermeld op één van de lijsten behorende bij de Opiumwet. Het hof acht het waarschijnlijker dat verdachte poeder (eveneens) bevattende fluoramfetamine heeft afgeleverd en vervoerd dan dat hij poeder bevattende amfetamine heeft afgeleverd en vervoerd. Dat gebruikers het afgeleverde poeder amfetamine noemden doet daar niet aan af, nu ook fluoramfetamine een stimulerend en euforiserend effect heeft, vergelijkbaar met dat van amfetamine-achtigen. Volgt vrijspraak ter zake van overtreding van artikel 2 van de Opiumwet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-001886-11

Uitspraak : 12 oktober 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Hertogenbosch van 22 april 2011 in de strafzaak met parketnummer

01-820101-10 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1955],

wonende te [woonplaats], [adres],

waarbij:

- verdachte ter zake van “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” werd veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht alsmede tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van

2 jaren;

- drie in beslag genomen telefoons werden teruggegeven aan verdachte.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende:

- de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;

- de in beslag genomen telefoons verbeurd zal verklaren.

De verdediging heeft bepleit – kort weergegeven – dat:

- het hoger beroep beperkt is ingesteld, zodat in hoger beroep de ten laste gelegde overtreding van artikel 40 van de Geneesmiddelenwet niet meer aan de orde is;

- verdachte zal worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

A.1

Verdachte is door de politierechter vrijgesproken van het tweede deel van het hem ten laste gelegde, voor zover betrekking hebbend op het al dan niet tezamen en in vereniging met anderen al dan niet opzettelijk in voorraad hebben, verkopen, afleveren en/of ter hand stellen van een geneesmiddel waarvoor geen handelsvergunning geldt, zijnde een overtreding van artikel 40 van de Geneesmiddelenwet. Het hof is van oordeel dat het ten laste gelegde moet worden opgevat als een tenlastelegging waarin cumulatief – en derhalve gevoegd – twee strafbare feiten zijn opgenomen.

A.2.1

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat de tenlastelegging voor zover deze ziet op de overtreding van artikel 40 van de Geneesmiddelenwet in hoger beroep niet meer aan de orde is, aangezien het formulier gehecht aan de akte rechtsmiddel inhoudt dat verdachte heeft opgegeven dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan het bewezen verklaarde feit, zijnde een overtreding van

artikel 2 van de Opiumwet. Daaraan kan, aldus de raadsman, niet afdoen dat de akte rechtsmiddel geen beperking van het hoger beroep inhoudt, aangezien verdachte zelf hoger beroep heeft ingesteld en hij niet deskundig is.

A.2.2

Het hof kan de raadsman niet volgen in zijn standpunt. Voor de beantwoording van de vraag of het ingestelde hoger beroep al dan niet is beperkt, is de inhoud van de appelakte immers beslissend.

A.3

Naar het oordeel van het hof kan verdachte, gelet op het bepaalde in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet in zijn hoger beroep worden ontvangen ten aanzien van het tweede deel van het hem ten laste gelegde, nu dat moet worden opgeval als een gevoegde zaak, terwijl hij met betrekking tot die gevoegde zaak van de gehele tenlastelegging is vrijgesproken. Het hof zal verdachte dan ook in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover thans nog aan de orde – ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2009 tot en met 31 maart 2010 te Veldhoven, althans binnen Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

B.1

De advocaat-generaal heeft gerequireerd tot bewezenverklaring van het aan verdachte ten laste gelegde. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat ondanks dat de onderzochte stof geen amfetamine bleek, bewezen kan worden verklaard dat verdachte amfetamine heeft vervoerd, aangezien alle betrokkenen spreken over speed, terwijl een ander woord voor speed amfetamine is.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

B.2

Door het Nederlands Forensisch Instituut is het in de woning van medeverdachte [medeverdachte] aangetroffen poeder onderzocht. Uit dit onderzoek bleek dat dit poeder geen amfetamine, bevatte doch fluoramfetamine. Fluoramfetamine staat niet vermeld op één van de lijsten behorende bij de Opiumwet.

Gelet hierop acht het hof het waarschijnlijker dat verdachte poeder (eveneens) bevattende fluoramfetamine heeft afgeleverd en vervoerd dan dat hij poeder bevattende amfetamine heeft afgeleverd en vervoerd.

Dat gebruikers het afgeleverde poeder amfetamine noemden doet daar niet aan af, nu ook fluoramfetamine een stimulerend en euforiserend effect heeft, vergelijkbaar met dat van amfetamine-achtigen.

B.4

Gelet op het vorenstaande schiet naar het oordeel van het hof het voorhanden bewijs ervoor tekort dat verdachte een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd dan wel aanwezig heeft gehad, zodat hij zal worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde.

Beslag

Van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven mobiele telefoons zal de teruggave aan de verdachte worden gelast.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de vrijspraak van het tweede onderdeel van het ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- twee rode GSM's, Samsung C270, goednr. 209971, één beschadigde voorkant, één met nummer [nummer] erop;

- één grijze GSM, Nokia 2330 classic, goednr. 209977.

Aldus gewezen door

mr. H. Harmsen, voorzitter,

mr. K. van der Meijde en mr. T.A. de Roos, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.F.S. ter Heide, griffier,

en op 12 oktober 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.