Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BX9642

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-10-2012
Datum publicatie
12-10-2012
Zaaknummer
HV 200.107.603
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

art. 1:377a BW; hof bekrachtigt de door de rechtbank vastgestelde voorlopige omgangsregeling tussen de vader en de kinderen onder begeleiding van het omgangshuis ondanks uitdrukkelijke bezwaren van de kinderen tegen omgang met de vader.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2012/168
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Uitspraak: 9 oktober 2012

Zaaknummer: HV 200.107.603/01

Zaaknummer eerste aanleg: 55582 / FA RK 06-1547

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende op een geheim adres,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.P. Kapteijn,

tegen

[Y.],

wonende te [woonplaats],

verweerder,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. Ph. van Kampen.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Middelburg van 28 maart 2012 en naar de in dezelfde zaak gegeven beschikkingen van 13 juni 2007, 19 november 2008, 19 augustus 2009 en 6 april 2011.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 30 mei 2012, heeft de moeder verzocht om de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de beschikking van 28 maart 2012 ter zake van de voorlopige omgangsregeling en het opleggen van dwangsommen te schorsen alsmede om deze beschikking te vernietigen en de verzoeken van de vader af te wijzen.

Ter zitting van het hof heeft de advocaat van de moeder medegedeeld dat het hoger beroep niet is gericht tegen de afwijzing door de rechtbank van het verzoek van de hierna nader te noemen minderjarigen [dochter A.] en [dochter B.] de vader het recht op omgang met hen te ontzeggen.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 6 juni 2012, heeft de vader verzocht het verzoek van de moeder tot schorsing van de werking van de uitvoerbaar bij voorraad verklaring af te wijzen.

2.3. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 10 juli 2012, heeft de vader verzocht bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, het hoger beroep ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

Tevens heeft de vader incidenteel appel ingesteld en verzocht bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad de bestreden beschikking te vernietigen, doch uitsluitend wat betreft de door de rechtbank vastgestelde dwangsom en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de moeder er zorg voor draagt dat de hierna te noemen minderjarigen [dochter A.], [dochter B.] en [dochter C.] op tenminste vijf door het hof te bepalen tijdstippen aanwezig zullen zijn ten kantore van het Omgangshuis bij gebreke waarvan de moeder voor ieder geval dat een kind op een contactmoment afwezig zal zijn, een dwangsom verbeurt van € 5.000,-- per keer.

2.4. Er is geen verweerschrift in het incidenteel appel ingekomen.

2.5. Bij beschikking van 31 juli 2012 heeft het hof het verzoek van de moeder tot schorsing van de werking van de uitvoerbaar verklaring bij voorraad van de bestreden beschikking afgewezen.

2.6. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 september 2012. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Kapteijn;

- de vader, bijgestaan door mr. Van Kampen.

2.6.1. De Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de raad) is, met bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen.

2.6.2. Het hof heeft de hierna te noemen minderjarigen [dochter A.] en [dochter B.] in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken.

Zij hebben hiervan gebruik gemaakt en zijn voorafgaand aan de mondelinge behandeling ter zitting buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van dit verhoor zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.7. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 2 maart 2012;

- de brief van de advocaat van de moeder d.d. 27 augustus 2012;

- de door de advocaat van de moeder ter zitting van het hof overgelegde pleitnotitie.

2.7.1. De brief met bijlagen van de advocaat van de vader d.d. 29 augustus 2012 is ingekomen buiten de in het procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven gestelde termijn.

De moeder heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt. Gelet op het feit dat deze stukken kort en eenvoudig te doorgronden zijn, heeft het hof beslist dat deze stukken worden toegelaten.

2.8. Bij voormelde brief van 29 augustus 2012 heeft de vader het verzoek in incidenteel appel gewijzigd in dier voege dat hij het hof verzoekt de vrouw te veroordelen in de in beide instanties gevallen proceskosten welke kunnen worden vastgesteld op in totaal € 16.500,--.

3. De beoordeling

In het principaal en incidenteel appel:

3.1. Partijen hebben een affectieve relatie gehad, welke in april 2006 is verbroken.

Uit deze relatie zijn geboren:

- [A.] (hierna ook: [dochter A.]), geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats];

- [B.] (hierna ook: [dochter B.]), geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats];

- [C.] (hierna ook: [dochter C.]), geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats].

De vader heeft de kinderen erkend. De moeder oefent het eenhoofdig ouderlijk gezag over de kinderen uit. De kinderen wonen bij de moeder.

3.2. Na het uiteengaan van partijen heeft gedurende enige maanden omgang tussen de vader en de kinderen plaatsgevonden.

3.3. De vader heeft op 8 februari 2007 de rechtbank Middelburg verzocht een omgangsregeling vast te stellen waarbij hij gedurende één weekend in de veertien dagen en de helft van de schoolvakanties omgang zal hebben met de kinderen.

3.4. De moeder heeft verweer gevoerd en verzocht het verzoek van de vader af te wijzen.

3.5. Bij beschikking van 13 juni 2007 heeft de rechtbank Middelburg de zaak aangehouden en de raad verzocht te onderzoeken welke (on)mogelijkheden er zijn voor omgang tussen de vader en de kinderen en hoe een eventuele omgangsregeling op de meest optimale wijze vorm gegeven kan worden.

3.6. Op 29 april 2008 heeft de raad gerapporteerd en geadviseerd de ouders te verwijzen naar het omgangshuis (Haaglanden) voor begeleide omgangscontacten tussen de vader en de kinderen met een door het omgangshuis te bepalen frequentie en duur gedurende tenminste zes maanden.

3.7. Bij beschikking van 19 november 2008 heeft de rechtbank Middelburg een voorlopige omgangsregeling onder begeleiding van het omgangshuis vastgesteld en de verdere behandeling van het verzoek van de vader tot het vaststellen van een omgangsregeling aangehouden. Deze voorlopige omgangsregeling is bij beschikking van de rechtbank Middelburg van 19 augustus 2009 opgeschort in afwachting van de resultaten van een door het gerechtshof ’s-Gravenhage gelast ouderschapsonderzoek. Op 20 mei 2010 heeft drs. J.A.M. Hendriks het deskundigenbericht uitgebracht. Bij beschikking van 6 april 2011 heeft de rechtbank Middelburg opnieuw een voorlopige omgangsregeling onder begeleiding van het omgangshuis vastgesteld en de verdere behandeling van het verzoek aangehouden.

3.8. Naar aanleiding van de hiervoor vermelde beschikking van 6 april 2011 is omgangsbegeleiding door het omgangshuis opgestart op 26 augustus 2011. Er zijn gesprekken geweest met de ouders en (afzonderlijk) met de minderjarigen. Er zijn evenwel geen omgangscontacten tussen de vader en de kinderen tot stand gekomen.

3.9. Bij brief van 30 december 2011 heeft de vader verzocht een dwangsom te bepalen teneinde de moeder te dwingen haar medewerking te verlenen aan de door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling. De moeder heeft verzocht dit verzoek af te wijzen.

3.10. Bij de bestreden, uitvoerbaar bij voorraad verklaarde, beschikking heeft de rechtbank - voor zover thans in hoger beroep nog aan de orde - opnieuw bepaald dat er voorlopig omgang zal zijn tussen de vader en de kinderen gedurende zes maanden na aanvang van het eerste bezoekcontact in het omgangshuis (Haaglanden) voor de duur van maximaal een half jaar, met een door het omgangshuis te bepalen frequentie en duur. De rechtbank heeft voorts bepaald dat de moeder haar medewerking dient te verlenen aan voornoemde regeling, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 250,-- per keer dat zij in gebreke blijft voornoemde regeling na te komen, met een maximum van € 5.000,--. De rechtbank heeft de verdere behandeling van het verzoek aangehouden tot 25 september 2012.

3.11. De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen wat betreft de hoogte van de vastgestelde dwangsom, het te verbeuren maximum aan dwangsommen en de compensatie van proceskosten.

3.12. De moeder voert, kort samengevat, het volgende aan. Ten onrechte heeft de rechtbank geoordeeld dat - nog steeds - niet is gebleken van contra-indicaties voor omgang tussen de vader en de kinderen. Alleen al de uitdrukkelijke en hardnekkige weigering van de kinderen omgang met de vader te hebben vormt, mede gelet op de leeftijd van de oudste twee kinderen, een zodanige contra-indicatie. Het rapport van drs. J.A.M. Hendriks, die heeft gewezen op de zeer nadelige gevolgen voor de kinderen van het opleggen of afdwingen van omgang, heeft daarbij extra betekenis gekregen, nu de oudste twee kinderen opnieuw - nu ten overstaan van een rechter via een eigen rechtsingang - hebben laten weten geen omgang met de vader te willen. De moeder is voorts van mening dat de rechtbank ten onrechte op basis van de eindrapportage van het omgangshuis geconcludeerd heeft dat omgang tussen de vader en de kinderen moet plaatsvinden. Volgens de moeder zijn de bevindingen van de omgangsbegeleider, die slechts zeer kort met de kinderen gesproken heeft en de onderliggende processtukken niet kende, onvoldoende onderbouwd. Deze bevindingen spitsen zich toe op het geweldsincident in september 2006, maar naar het inzicht van de moeder hebben de kinderen hun mening over de omgang met de vader ook ontwikkeld op basis van eigen waarnemingen tijdens de relatie van partijen. De moeder verwijst daarbij naar de brief van de psychiater van de vader van 8 februari 2008 waarin wordt gesproken over de narcistische persoonlijkheidsproblematiek van de vader en zijn verminderde agressieregulatie.

Ten slotte stelt de moeder dat de rechtbank ten onrechte dwangsommen heeft verbonden aan de medewerking van de moeder. De moeder stelt wel degelijk te beseffen dat omgang met de vader in beginsel voor de ontwikkeling van de minderjarigen van groot belang is, maar zij weet niet meer hoe zij de kinderen tot omgang moet bewegen. Voor verhoging van de dwangsommen is geen enkele aanleiding.

Ter zitting heeft de moeder naar voren gebracht dat zij de kinderen tegen de vader wil beschermen en daarom het contact tussen de vader en de kinderen niet wil ondersteunen.

3.13. De vader stelt zich, kort samengevat, op het volgende standpunt. Aan de zijde van de vader is niet gebleken van contra-indicaties die aan een omgangsregeling met de kinderen in de weg staan. De bezwaren van de kinderen tegen omgang met de vader dienen niet als een contra-indicatie te worden aangemerkt. De kinderen hebben recht op omgang met de vader en de moeder heeft de wettelijke plicht om de ontwikkeling van de banden van de kinderen met de vader te bevorderen. De moeder schiet hierin ernstig tekort. De moeder laat ook na hulp in te roepen bij het overwinnen van haar weerstand jegens de vader. Uit het rapport van de raad blijkt dat de oudste twee kinderen begin 2008 enigermate nieuwsgierig waren naar de vader. Het is volgens de vader slechts uit loyaliteit met de moeder dat de kinderen later steeds sterker zijn gaan benadrukken dat zij geen omgang met de vader meer willen. De ontwikkelingsrisico’s voor de kinderen die de medewerker van het Omgangshuis signaleerde, waren ook al beschreven door de raad. De door de rechtbank bevolen proefcontacten vormen in de visie van de vader een uitgelezen mogelijkheid voor de kinderen om zich een eigen oordeel over de vader te vormen. Daarbij dient de moeder - zo nodig onder begeleiding van professionele hulp - de kinderen voldoende ruimte te bieden om deze proefcontacten aan te gaan.

Tot slot is de vader van mening dat de door de rechtbank bepaalde dwangsom en het te verbeuren maximum te laag zijn. Tevens is het onduidelijk om vast te stellen wanneer de moeder de regeling niet nakomt en dwangsommen verbeurt.

3.14. Het hof overweegt als volgt.

3.14.1. Ingevolge artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (BW) stelt de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast.

3.14.2. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, een voorlopige omgangsregeling onder begeleiding van het omgangshuis tussen de vader en de kinderen heeft vastgelegd. Het hof voegt hier nog het volgende aan toe.

Aan de zijde van de vader is niet gebleken van contra-indicaties die een omgangsregeling met de kinderen in de weg staan. [dochter A.] en [dochter B.] hebben aan het hof laten weten dat zij geen contact met de vader willen. Gelet op hun leeftijd, [dochter A.] is thans dertien jaar, [dochter B.] is twaalf jaar, dienen de meningen van [dochter A.] en [dochter B.] in de besluitvorming te worden betrokken.

Het hof heeft geluisterd naar hetgeen de kinderen naar voren hebben gebracht en daarbij vastgesteld dat hun weerstand met name is terug te voeren op een ernstig incident in september 2006 waarbij de vader de moeder heeft belaagd en van welk incident de kinderen (ten dele) getuige zijn geweest. Na dit incident is elk contact tussen de vader en de kinderen verbroken.

Het hof betrekt het standpunt van [dochter A.] en [dochter B.] in zijn besluitvorming maar wenst daaraan in dezen geen doorslaggevende betekenis toe te kennen voor zijn oordeel. De kinderen waren ten tijde van het geweldsincident nog erg jong en hebben het gebeurde, mede vanwege de houding van de moeder, waarvan weinig positieve stimulans is uitgegaan, niet kunnen relativeren. De kinderen kunnen de mogelijke ontwikkelingsrisico’s op termijn als gevolg van het ontbreken van contact met de vader niet overzien. Het is in hun belang dat zij hun vaderbeeld kunnen bijstellen. Voorts moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat zij in een andere leeftijdsfase hun mening met betrekking tot contact met de vader kunnen wijzigen, voor welke wijziging enig contactherstel op dit moment de voorwaarden zou kunnen creëren.

3.14.3. Met de raad - en anders dan [dochter A.] en [dochter B.] - is het hof van oordeel dat de kinderen een mogelijkheid moeten krijgen om in contact met de vader te komen teneinde zich een eigen beeld van hem te kunnen vormen. Blijkens de uitlatingen van [dochter A.] en [dochter B.] tegenover het hof is er op dit moment bij hen geen enkele ruimte om ook de positieve ervaringen die zij met de vader tijdens de relatie van partijen hebben gehad, naar voren te halen. Ook is er bij hen geen plaats voor positieve gevoelens ten opzichte van de vader. Het hof sluit niet uit dat deze gevoelens er wel zijn en is van oordeel dat voor een evenwichtige ontwikkeling van de kinderen contactherstel met de vader van groot belang is. In hetgeen [dochter A.] en [dochter B.] aan het hof hebben laten weten kan het hof, redelijkerwijs gesproken, niet anders zien dan een bevestiging van het beeld dat de kinderen vast zitten in het negatieve beeld over hun vader. Het hof acht dit een zorgelijke situatie. Met enige voorzichtigheid durft het hof te concluderen dat contact in welke minimale vorm dan ook een aantal vragen van de kinderen ten aanzien van de vader zal kunnen oplossen.

3.14.4. Van de moeder kan worden gevergd dat zij het belang van de kinderen bij omgang met de vader laat prevaleren boven haar bezwaren tegen die omgang. Het hof merkt daarbij op dat na het uiteengaan van partijen er nog enige tijd omgang heeft plaatsgevonden tussen de vader en de kinderen, zodat hetgeen zich tijdens de relatie van partijen heeft afgespeeld voor de moeder thans in redelijkheid geen aanleiding meer kan vormen om de omgang niet meer te hervatten. In dit kader overweegt het hof voorts dat de moeder als gezagdragende ouder de wettelijke plicht heeft om de ontwikkeling van de banden van de kinderen met de vader te bevorderen. Naar het oordeel van het hof mag van de moeder meer inspanning worden verwacht dan zij tot op heden heeft laten zien om de kinderen te bewegen aan omgang mee te werken. Het hof deelt de visie van de raad dat de moeder hulp moet zoeken voor de verwerking van haar angst en boosheid jegens de vader, zodat zij beter in staat is die angst en boosheid los te zien van het belang van omgang van de kinderen met hun vader en aldus een omgangsregeling in het belang van de kinderen te ondersteunen. Dit mag evenwel niet betekenen dat gewacht moet worden met het laten plaatsvinden van de begeleide omgangscontacten.

3.14.5. De moeder heeft in afwachting van dit hoger beroep geen medewerking verleend aan de beslissing van de rechtbank dat er begeleide omgangscontacten bij het omgangshuis moeten plaatsvinden. Gelet op de weigerachtige opstelling van de moeder is naar het oordeel van het hof een dwangsom nodig als prikkel om de omgangsregeling na te komen. Het hof zal bepalen dat de moeder een dwangsom zal verbeuren van € 250,-- per keer dat zij geen gevolg geeft aan een oproep van het omgangshuis tot overleg of tot begeleide omgang tussen de vader en de kinderen, tot een maximum van € 5.000,--. Voor een verhoging van de dwangsom en het te verbeuren maximum ziet het hof geen aanleiding. Daarnaast zal het hof het verzoek van de vader om data voor omgang vast te stellen, afwijzen nu dit aan het omgangshuis dient te worden overgelaten.

3.15. De bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal derhalve gedeeltelijk worden vernietigd.

Proceskosten

3.16. In hetgeen de vader heeft gesteld, ziet het hof onvoldoende aanleiding om af te wijken van de gebruikelijke regel die inhoudt dat de proceskosten worden gecompenseerd, nu partijen een affectieve relatie hebben gehad.

4. De beslissing

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel:

vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Middelburg van 28 maart 2012, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, doch uitsluitend voor zover de rechtbank heeft bepaald dat de moeder haar medewerking dient te verlenen aan de vastgestelde voorlopige omgangsregeling zulks op verbeurte van een dwangsom van € 250,-- per keer dat zij in gebreke blijft voornoemde regeling na te komen, met een maximum van € 5.000,--,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de moeder een dwangsom van € 250,-- zal verbeuren per keer dat zij geen gevolg geeft aan een oproep van het omgangshuis tot overleg of tot begeleide omgang tussen de vader en de kinderen, tot een maximum van € 5.000,--;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;

compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.C.G. Brants, M.C. Bijleveld-van der Slikke en C.E.M. Renckens en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2012.