Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BX8781

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-09-2012
Datum publicatie
01-10-2012
Zaaknummer
09-00709
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2009:BK3756, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

KB-Lux. Belanghebbenden erkennen rekeninghouderschap, maar betwisten de opgelegde aanslagen, onder meer vanwege (1) beweerdelijk onrechtmatige verkrijging van microfiches door Belgische autoriteiten en (2) onvoldoende voortvarendheid bij aanslagoplegging. Het Hof verwerpt de grieven van belanghebbenden omdat (1) de onregelmatigheden in België niet ertoe leiden dat de microfiches niet voor Nederlandse belastingdoeleinden mogen worden gebruikt en (2) de aanslagen voldoende voortvarend zijn opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/2327
V-N 2012/62.2.1
FutD 2012-2531
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Eerste meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 09/00709

Uitspraak op het hoger beroep van

de erven van de heer X,

wonende te Y,

hierna: belanghebbenden,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 6 november 2009, nummer AWB 05/1894 in het geding tussen

belanghebbenden,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost-Brabant van de rijksbelastingdienst

hierna: de Inspecteur,

betreffende de na te noemen navorderingsaanslagen en beschikkingen.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbenden zijn onder meer opgelegd de volgende navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna IB/PVV):

Jaar Aanslagnummer Dagtekening

1989

1991 0000.00.000.H.97

0000.00.000.H.17 31 mei 2003

31 mei 2003

1992 0000.00.000.H.27 31 mei 2003

1994 0000.00.000.H.47 31 mei 2003

en de navolgende navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting (hierna: VB):

Jaar Aanslagnummer Dagtekening

1990

1992 0000.00.000.K.07

0000.00.000.K.27 31 mei 2003

31 mei 2003

1993 0000.00.000.K.37 31 mei 2003

1995 0000.00.000.K.57 31 mei 2003

Gelijktijdig met de navorderingsaanslagen zijn beschikkingen inzake heffingsrente gegeven.

Na daartegen gemaakte bezwaren heeft de Inspecteur bij de bestreden, in één geschrift vervatte, uitspraken de navorderingsaanslagen en de beschikkingen inzake heffingsrente gehandhaafd.

1.2. Belanghebbenden zijn van de uitspraken op bezwaar door middel van één beroepschrift in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbenden een griffierecht geheven van € 37. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbenden ten bedrage van € 805 en de Inspecteur gelast het door belanghebbenden betaalde griffierecht van € 37 te vergoeden.

1.3. Tegen deze uitspraak hebben belanghebbenden hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbenden een griffierecht geheven van € 110. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Belanghebbenden hebben schriftelijk gerepliceerd en de Inspecteur heeft schriftelijk gedupliceerd.

1.5. Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht hebben belanghebbenden vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.6. Het eerste onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2012 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbenden, alsmede de Inspecteur.

1.7. Belanghebbenden hebben te dezer zitting een pleitnota (met bijlagen) voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De Inspecteur heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bijlagen. Het Hof rekent de pleitnota (met bijlagen) tot de stukken van het geding.

1.8. Het Hof heeft het onderzoek ter zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. Daarbij heeft het Hof partijen verzocht schriftelijk inlichtingen te geven en/of onder hen berustende stukken in te zenden, aan welk verzoek zij hebben voldaan.

1.9. De tweede meervoudige Belastingkamer heeft de behandeling van het hoger beroep vervolgens overgedragen aan de eerste meervoudige Belastingkamer. Partijen zijn hiervan bij brief van 10 mei 2012 in kennis gesteld.

1.10. Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2012 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbenden, alsmede de Inspecteur.

1.11. Belanghebbenden hebben te dezer zitting een tweetal pleitnota's voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Het Hof rekent de pleitnota's tot de stukken van het geding.

1.12. Aan het slot van deze zitting heeft het Hof het onderzoek gesloten.

1.13. Van het onderzoek ter zitting zijn processen-verbaal opgemaakt, waarvan afschriften aan deze uitspraak zijn gehecht.

2. Feiten

De Rechtbank heeft de volgende, in hoger beroep niet bestreden, feiten vastgesteld, welke feiten het Hof als vaststaand overneemt:

"2.1. In 1994 zijn door voormalige medewerkers van de Kredietbank S.A. Luxembourgeoise (hierna: KB Lux) microfiches met informatie over rekeninghouders bij de KB Lux ontvreemd. Deze gegevens zijn, althans een deel ervan is, vervolgens in handen gekomen van de Belgische autoriteiten.

2.2. Bij brief van 27 oktober 2000 heeft de Bijzondere belastinginspectie te

België op basis van de Europese Richtlijn 77/799/EEG spontaan inlichtingen verstrekt aan het Ministerie van Financiën, Belastingdienst/FIOD/A Internationaal, bestaande uit fotokopieën van microfiches (hierna: de fotokopieën) met gegevens over financiële rekeningen bij KB Lux op naam van inwoners van Nederland.

2.3. Naar aanleiding van deze inlichtingen is door de FIOD-ECD en de Belastingdienst een onderzoek ingesteld, later bekend geworden als het Rekeningenproject. Het onderzoek richtte zich onder meer op het vaststellen van de identiteit van de Nederlandse rekeninghouders waarvan de gegevens waren vermeld op de fotokopieën en op de door hen -mogelijk- verzwegen inkomens- en vermogensbestanddelen. Het Rekeningenproject is eind 2001 van start gegaan.

2.4. Belanghebbenden zijn de erfgenamen van wijlen X. Erflater is op 21 mei 1996 overleden. Nader onderzoek van de fotokopieën door de FIOD-ECD en de Belastingdienst heeft het vermoeden opgeleverd dat erflater en zijn weduwe houder waren (geweest) van op de fotokopieën vermeld rekeningnummers. Naar aanleiding van de onderzoeksbevindingen in het kader van het Rekeningenproject heeft de inspecteur ten aanzien van erflater en zijn weduwe een renseignement ontvangen van een aantal bankrekeningen bij de KB Lux met rekeningnummers en saldi per 31 januari 1994. Naar aanleiding van het renseignement heeft de inspecteur met dagtekening 31 mei 2003 de onderhavige navorderingsaanslagen opgelegd.

2.5. In de bezwaarfase heeft de weduwe op 24 september 2003 volledige openheid van zaken gegeven aan de Nederlandse belastingdienst omtrent bij de B-bank, de KB Lux en de C-bank aangehouden bankrekeningen van haarzelf en wijlen haar echtgenoot. De tegoeden op deze bankrekeningen waren tot op dat moment nooit betrokken in hun aangiften inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen en vermogensbelasting.

2.6. Nadat de inspecteur en belanghebbenden volledige overeenstemming hadden bereikt voor wat betreft de hoogte van de navorderingsaanslagen - de navorderingsaanslagen waren eerder te laag dan te hoog vastgesteld- heeft de inspecteur op 19 mei 2005 uitspraak op de bezwaarschriften gedaan.

2.7. Nadat belanghebbenden tegen die uitspraak beroep hadden ingesteld, heeft de inspecteur de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting 1989, premie volksverzekeringen 1989 en vermogensbelasting 1990 bij beschikkingen van 29 september 2009 verminderd. Omdat de inspecteur hiermee voor die aanslagen volledig aan belanghebbenden tegemoet is gekomen, hebben belanghebbenden het beroep voor zover het is gericht tegen die drie navorderingsaanslagen bij brief van 12 oktober 2009 ingetrokken met het verzoek om een proceskostenvergoeding als bedoeld in artikel 8:75a Awb."

In aanvulling op de door de Rechtbank vastgestelde feiten stelt het Hof op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting de volgende feiten vast:

2.8. De spontane uitwisseling van inlichtingen is volgens de brief van de Belgische Bijzondere Belastinginspectie van 27 oktober 2000 gebaseerd op artikel 4 van de EG-Richtlijn van 19 december 1977, gewijzigd bij die van 6 december 1979 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de Lidstaten op het gebied van de directe belastingen en van de belasting over de toegevoegde waarde (77/799/EEG) en op artikel 27 van de overeenkomst tussen België en Nederland tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen naar het inkomen en naar het vermogen en tot het vaststellen van enige andere regelen verband houdend met de belastingheffing, ondertekend te Brussel op 19 oktober 1970.

2.9. De brief van 27 oktober 2000 luidt vervolgens voor zover hier van belang:

"Hierbij worden u fotokopieën van microfiches overgemaakt die afkomstig zijn uit het gerechtelijk dossier lastens D-BANK NV en die in origineel in beslag werden genomen door de gerechtelijke politie van Brussel. Deze microfiches bevatten gegevens in verband met financiële rekening(en) bij de KREDIETBANK LUXEMBOURG (KB-Lux) op naam van de inwoners van uw land. [...]

KB-Lux betwist de juridische geldigheid van de stukken in het gerechtelijk dossier als bewijsmiddel. De Belgische fiscale administratie beschikt echter over de toelatingen tot consultatie van het betrokken gerechtelijk dossier. Deze toelating is rechtsgeldig verleend door de heer Procureur Generaal bij het Hof van Beroep te Brussel en laat de inzage en afschriftname toe, evenals het gebruik van de stukken met inachtname van

- Belgische wetgeving, meer bepaald artikel 338 van het Wetboek van de inkomstenbelasting 1992 (WIB 92),

- Beschikkingen van toepassing inzake overeenkomsten ondertekend door België en partnerlanden, ter voorkoming van dubbele belasting en tot regeling van de uitwisseling van informatie. [...]

Deze zending bevat fotokopieën van de afgedrukte microfiches. Van sommige afdrukken is de leesbaarheid niet optimaal. Het is dus niet uitgesloten dat sommige van de u toegezonden fotokopieën moeilijk leesbaar zijn.

De bewuste stukken stellen per pagina voor:

De "Rechtvaardiging van de saldi per LMI rubrieken op 31/01/1994"

[Hof: LMI is Luxemburgs Monetair Instituut].

Hoewel de meeste saldi positief zijn, kunnen negatieve saldi eveneens voorkomen.

De aard van de betrokken rekeningen kan van 5 types zijn:

. Zichtrekeningen van klanten van KB-Lux

. Termijnrekeningen/rekeningen met opzegtermijn

. Termijnspaarrekening/spaarrekening met opzegtermijn

. Rekeningen belichaamd door kasbonnen

. Rekeningen van andere aard (Cr klanten, andere interne rekeningen van de KB-Lux boekhouding,...)

De gegevens zijn afkomstig uit de interne administratie/boekhouding van de KB-Lux. De onderverdeling per nationaliteit is door KB-Lux zelf gemaakt. Vermits per klant slechts een beperkt aantal gegevens beschikbaar zijn (naam en eventueel naam van de partner, voornamen) zal het niet steeds mogelijk zijn de identificatie van de klant met 100% zekerheid te bepalen. Beide vermeldingen maken een oordeelkundig gebruik van de overgemaakte informatie noodzakelijk. De overgemaakte gegevens zijn de enige die blijken uit het gerechtelijk dossier. Verdere informatie betreffende de rekeninghouders (bijvoorbeeld voor identificatie) is niet beschikbaar.

Algemene kenmerken van de documenten [...]

. Elke pagina gedrukte microfiche bevat in de rechterbovenhoek een paginanummer. (1)

. De meeste LMI genummerde rubrieken krijgen automatisch een omschrijving die de juiste aard van de betrokken rekening herneemt. (2)

. Elke pagina vermeldt de valuta, waarin de rekeningsaldi zijn uitgedrukt. (3)

. Ter hoogte van de lijn met de LMI-sleutel is de nationaliteit van de rekeninghouder van de lijst aangegeven (zie lijst ISO-codes van de landen in bijlage B5). (4)

. Elke lijn van de inschrijving betreft een verschillende rekening. Het ligt voor de hand dat eenzelfde persoon verschillende rekeningen kan bezitten en bijgevolg meer dan eenmaal op de lijst kan voorkomen.

. Elke lijn van inschrijving vermeldt:

. het rekeningnummer van de titularis; enkel de eerste 10 cijfers komen in aanmerking (5)

. in dit nummer behoren de 6 cijfers tussen de gedachtestreepjes aan één enkele rekeninghouder toe en zijn altijd opgenomen in zijn rekeningnummer, ongeacht de aard ervan (zicht-, deposito-, spaarrekening, enz.). (6)

. De naam van de rekeninghouder. (7) Hierbij dient te worden opgemerkt dat de namen voorafgegaan door de letters W.K. codenamen betreffen waarvoor geen verdere informatie bekend is.

. Het rekeningsaldo in de gespecificeerde valuta. (8)"

2.10. De bij deze brief toegezonden informatie is in eerste instantie geschat op ongeveer 1.000 fotokopieën en naderhand nauwkeuriger geschat op ongeveer 800 fotokopieën. Op iedere fotokopie staan maximaal 47 regels. In totaal ging het om circa 20.000 bankrekeningen van circa 10.200 Nederlandse rekeninghouders.

2.11. Bij deze brief zijn, naast de toegezonden informatie - onder meer - de volgende bijlagen gevoegd:

- Bij wijze van voorbeeld een fotokopie van een microfiche waarop de hierboven tussen haken genoemde cijfers zijn geschreven en de namen zijn zwartgemaakt.

- Een lijst met valutacodes met omrekeningskoers.

- De lijst met ISO-landencodes.

2.12. In een namens de Belgische federale minister van Financiën aan de Belastingdienst FIOD-ECD (hierna: FIOD) te A gericht schrijven van 20 februari 2003, met als onderwerp "Inlichtingenuitwisseling inzake NV D-bank en Kredietbank Luxembourg" is onder meer het volgende opgenomen: "Teneinde aan te tonen dat de betreffende microfiches effectief afkomstig zijn van KB-Lux, werden de afdrukken van bepaalde van deze microfiches vergeleken met documenten die met zekerheid afkomstig waren van KB-Lux (papier met hoofding en logo van KB-Lux) en die door sommige belastingplichtigen zelf ter beschikking werden gesteld als antwoord op de aan hen gestelde vragen om inlichtingen. Bij die vergelijking werd vastgesteld dat de rekeningnummers en de saldo's die voorkomen op de microfiches wel degelijk overeenkomen met deze die voorkomen op de door de betrokken belastingplichtigen ter beschikking gestelde documenten (zie bijlagen)."

2.13. Bij deze brief zijn als bijlagen fotokopieën van afdrukken van microfiches (hierna: de fotokopieën) gevoegd en kopieën van rekeningoverzichten. Beide zijn geanonimiseerd. De volgende gegevens komen op beide stukken voor:

Rekeningnummer Saldo op 31/01/1994

00-000000-00 728,59

11-111111-11 50,00

22-222222-22 2.160.000,00

33-333333-33-3 332.520,00

44-444444-44 478,00

2.14. Na ontvangst van de informatie zijn door de Belastingdienst de volgende acties ondernomen:

(1) Om zekerheid te krijgen over de rechtmatigheid van de verkrijging van de informatie vanuit België is door B/CPP een 'tafeltje' ingericht. Daaraan namen vertegenwoordigers deel van het Ministerie, de kennisgroep Boete- en strafrecht, FIOD internationaal, een contactambtenaar en het Openbaar Ministerie (hierna: OM)/Expertisecentrum Fiscale Fraude (hierna: EFF). De vraag of de van de Belgische autoriteiten ontvangen informatie fiscaal (en strafrechtelijk) rechtmatig is te gebruiken, heeft deze groep in een nota van 16 augustus 2001 beantwoord.

(2) Er is nauw overleg gevoerd met het OM over de mate waarin posten konden worden voorgedragen voor strafrechtelijke vervolging en de criteria die daarbij van belang waren. Het aantal posten dat kon worden voorgedragen werd bepaald door de capaciteit bij het OM. Besloten werd om maximaal 200 posten daarvoor te selecteren. Op 10 oktober 2001 is gestart met de vervolging van een beperkt aantal personen met Duitse bankrekeningen. Op 30 oktober 2001 is de eerste tranche gestart met de vervolging van 50 posten KB-Lux. Op 12 december 2001 stond de tweede tranche van ongeveer 150 posten gepland.

(3) Door de Directies Particulieren (hierna: DPU), Ondernemingen Noord (hierna: DON), Ondernemingen Zuid (hierna: DOZ) en de FIOD is vooronderzoek gedaan op basis van een aantal van de beschikbaar gekomen gegevens. Dit vooronderzoek betrof onder meer de identificatie van de in de ontvangen documentatie vermelde namen.

(4) Op grond van de bevindingen van dit onderzoek is, na consultatie van de politieke leiding, besloten over te gaan tot een landelijke actie in ITO-verband (Intensief Toezicht en Opsporing) in het najaar van 2001 en de eerste maanden van 2002. Voor de uitvoering van deze actie heeft de Directieraad op 29 augustus 2001 besloten een project te starten waarin de FIOD, de DPU, DON, DOZ en het OM/EFF participeren. De directeuren van de FIOD, de DPU, DON, en DOZ zijn opdrachtgever voor dit zogenoemde Rekeningenproject. Namens deze opdrachtgevers is een stuurgroep ingesteld. Namens de directies is een Projectgroep Rekeningenproject ingesteld bestaande uit vier projectleiders.

(5) De projectopdracht is als volgt geformuleerd:

- Draag zorg voor de identificatie van de beschikbare renseignementen;

- Selecteer op basis van vooraf vastgestelde criteria (Aanmeldings- Transactie- en Vervolgingsrichtlijnen, hierna: ATV-richtlijnen) posten voor strafrechtelijke behandeling en ontwikkel een draaiboek voor de uitvoering van het traject;

- Ontwikkel een geïntegreerd draaiboek voor de administratiefrechtelijke behandeling van de posten op de eenheden Particulieren en (Grote) Ondernemingen. Besteed daarbij aandacht aan nieuwe vervolgenswaardige zaken die voldoen aan de ATV-richtlijnen;

- Draag zorg voor eenheid van beleid en uitvoering door de coördinatie van de verschillende acties, door zorg te dragen voor een geïntegreerde aanpak en door een strakke regie bij de uitvoering;

- Draag zorg voor de voortgangsbewaking, voor informatie en communicatie en (tussentijdse) rapportages.

Het totaal aantal mensdagen dat benodigd is voor het project wordt geschat op 9.280.

De startdatum van het Rekeningenproject is 1 november 2001. De verwachte einddatum was toen eind juni 2002, welke einddatum kon worden verschoven indien daarvoor aanleiding bestond.

2.15. Op 30 januari 1995 meldt zich onaangekondigd een persoon, zichzelf noemende André, bij de FIOD. Hij heeft een envelop achtergelaten inhoudende een notitie en een fotokopie van bankgegevens van X. De heer G van de FIOD heeft André op 6 februari 1995 ontvangen. In dat gesprek deelt André mee dat hij van drie verschillende banken in Luxemburg informatie kan verstrekken. Hij noemt de namen van KB-Lux en H-bank. Om aan te geven wat de inhoud van zijn informatie is, heeft hij van een drietal personen bankgegevens verstrekt. André heeft om een provisie gevraagd. Het Ministerie van Financiën besloot niet in te gaan op het voorstel. Nadat dit aan André was meegedeeld is niets meer van hem vernomen. In 1998 of 1999 is G in Luxemburg gehoord in een strafzaak over diefstal van bankgegevens. Daar bleek hem dat André in werkelijkheid J heette, zijnde een ex-werknemer van KB-Lux en H-bank.

2.16. In het zogenoemde tripartiete overleg van 11 oktober 2001 is de strafrechtelijke behandeling van de zaak tegen mevrouw K geaccepteerd. Het strafbare feit waarvan zij werd verdacht was het opzettelijk onjuist doen van de aangiften IB/PVV en VB over de jaren 1996/1997 tot en met 1999/2000, waarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting is geheven. Op 23 oktober 2001 is het gerechtelijk vooronderzoek geopend. Op 30 oktober 2001 is aan mevrouw K een bevel tot uitlevering overhandigd en naar aanleiding daarvan een verklaring opgenomen. Mevrouw K heeft verklaard niet te hebben geweten van rekeningen bij KB-Lux.

2.17. Na opening van het gerechtelijk vooronderzoek is als volgt gecorrespondeerd:

- Op 15 november 2001 heeft de advocaat van mevrouw K zich als zodanig schriftelijk kenbaar gemaakt aan de griffier van het Arrondissementsparket Breda.

- Eveneens op 15 november 2001 heeft de advocaat van mevrouw K de Officier van Justitie schriftelijk verzocht om afschriften van de verklaringen en overige processtukken en om een onderhoud met de behandelend Officier.

- Bij brief van 26 november 2001 zijn door de FIOD aan de advocaat van mevrouw K de gevraagde verklaringen en de tijdens het verhoor getoonde bescheiden toegezonden. In de begeleidende brief is door de FIOD verzocht om op korte termijn de volgende stappen in de afwerking van de zaak kenbaar te maken.

- Op 3 december 2001 is door de FIOD telefonisch contact opgenomen met de advocaat van mevrouw K. Naar aanleiding daarvan heeft de advocaat van mevrouw K op dezelfde dag een fax gezonden aan de FIOD, waarin hij aangeeft nog in afwachting te zijn van het RC-dossier.

- Bij brief van 27 december 2001 heeft de advocaat van mevrouw K aan de FIOD geschreven dat hij de door hem ontvangen stukken nog niet voldoende heeft bestudeerd. Tevens verzoekt hij om de zaak terug te brengen naar het administratieve traject en dat hij medio januari op de zaak terug zal komen.

- Op 30 januari 2002 is door de FIOD een tweetal afschriften ontvangen van door de advocaat van mevrouw K aan het expertisecentrum Fiscale Fraude te Groningen gezonden brieven. Deze brieven hebben zowel betrekking op de zaken in het algemeen, als de zaak K in het bijzonder. In deze brieven verzoekt de advocaat van mevrouw K om terugkeer naar het administratieve traject.

- Op 5 april 2002 is door de FIOD een afschrift van de reactie ontvangen van het expertisecentrum Fiscale Fraude te Groningen op de brieven van de advocaat van mevrouw K van 30 januari 2002, waarin is geschreven dat de terugkeer naar het administratieve traject op dat moment opportuun is, dat het strafrechtelijk traject wordt afgewerkt en dat aan de hand van het eindproces-verbaal een beslissing wordt genomen over de verdere afwerking.

- In de periode tussen januari 2002 en april 2002 is tussen de FIOD en mevrouw K en haar dochter nog één maal telefonisch contact geweest. Aan beiden is de vraag voorgelegd of een van hen ooit iets had ondertekend op verzoek van de advocaat waarmee zij hem machtigden om namens hen de rekeninggevens in Luxemburg op te vragen. Beiden gaven te kennen nooit iets ondertekend te hebben en verwezen voor eventuele nadere vragen naar de advocaat.

- Op 14 mei 2002 is door de FIOD telefonisch contact gezocht met de advocaat van mevrouw K. Deze heeft op 15 mei 2002 teruggebeld. In dit gesprek is door de FIOD gevraagd naar de mogelijkheden om tot een afronding van het proces-verbaal te komen. Door de FIOD is tevens gevraagd of de advocaat van mevrouw K van plan was de bankafschriften op te vragen in Luxemburg. De advocaat gaf aan deze vraag op korte termijn te beantwoorden.

- Op 27 mei 2002 is door de FIOD telefonisch contact gezocht met de advocaat van mevrouw K, die niet bereikbaar was. Zijn secretaresse heeft te kennen gegeven dat hij zou terugbellen.

- Na het uitblijven van een reactie is door de FIOD op 4 juni 2002 een fax verzonden aan de advocaat van mevrouw K, met het verzoek om vóór 15 juni 2002 te reageren en met de mededeling dat de zaak anders zonder zijn medewerking afgedaan zou worden.

- Op 17 juni 2002 is door de FIOD een fax ontvangen van de advocaat van mevrouw K, waarin hij meedeelt dat hij na ontvangst van het overzichts-proces-verbaal zal bepalen welke stappen de verdediging opportuun acht.

Vervolgens is door de FIOD het proces-verbaal op 2 juli 2002 afgewerkt op basis van de op dat moment aanwezige gegevens. Daarbij is uitgegaan van een saldo bij KB-Lux van

ƒ 12.666.484. Het proces-verbaal is vervolgens naar de Officier van Justitie gestuurd.

- Op 3 december 2002 heeft de Inspecteur aan belanghebbenden een vragenbrief gezonden met als bijlage een formulier 'Verklaring buitenlandse bankrekeningen'.

- Bij brief van 9 december 2002 heeft de advocaat van mevrouw K gereageerd op de vragenbrief.

- Op 10 december 2002 heeft de Inspecteur aan belanghebbenden nogmaals een vragenbrief gezonden met als bijlage een formulier 'Verklaring buitenlandse bankrekeningen'. Tevens heeft hij in dat kader een brief gezonden aan de advocaat van mevrouw K.

- Bij brief van 13 december 2002 heeft de advocaat van mevrouw K gereageerd op de brieven van de Inspecteur van 10 december 2002. Hij verzoekt de Inspecteur daarin het informatieverzoek in te trekken.

- Bij brief van 17 december 2002 deelt de Inspecteur aan de advocaat van mevrouw K mee dat de brieven van 3 december 2002 en 10 december 2002 niet worden ingetrokken. Tevens kondigt hij navorderingsaanslagen in de IB/PVV 1990 en VB 1991 aan.

- Op 20 december 2002 heeft de advocaat van mevrouw K gereageerd op de brief van de Inspecteur van 17 december 2002.

- Op 5 februari 2003 heeft de Officier van Justitie gereageerd op het verzoek van de advocaat van mevrouw K om in plaats van strafrechtelijke afdoening, onder voorwaarden, over te gaan tot fiscale afdoening.

- Bij brief van 7 maart 2003 heeft de advocaat van mevrouw K gereageerd op de brief van de Officier van Justitie van 5 februari 2003.

- Op 31 maart 2003 heeft de Officier van Justitie een brief gezonden aan de advocaat van mevrouw K.

- Bij brief van 14 april 2003 heeft de advocaat van mevrouw K gereageerd op de brief van de Officier van Justitie van 31 maart 2003.

- Bij brief van 18 april 2003 kondigt de Inspecteur navorderingsaanslagen in de IB/PVV voor de jaren 1991 tot en met 1995 en VB voor de jaren 1992 tot en met 1996 aan.

2.18. Op verzoek van mevrouw K heeft de Officier van Justitie op 16 april 2003 besloten tot uitstel van de sepotbeslissing, omdat mevrouw K een fiscale afdoening van de zaak wenste en de officier van Justitie uit dit verzoek afleidde dat er bereidheid was tot het geven van openheid van zaken. Op 24 september 2003 heeft mevrouw K bescheiden overgelegd van banktegoeden, aangehouden bij de B-bank, KB-Lux en C-bank.

2.19. De Inspecteur heeft navorderingsaanslagen in de IB/PVV voor het jaar 1990 en VB voor het jaar 1991 met dagtekening 31 december 2002 respectievelijk 10 januari 2003 opgelegd. De onderwerpelijke navorderingsaanslagen, die andere jaren betreffen (zie onderdeel 1.1 hiervóór), zijn opgelegd met dagtekening 31 mei 2003.

2.20. In de ter zitting van 12 januari 2012 overgelegde pleitnota hebben belanghebbenden verzocht om toekenning van een immateriëleschadevergoeding.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil heeft betrekking op de volgende vragen:

1. Mag gebruik worden gemaakt van het renseignement, meer specifiek de fotokopieën, voor de onderbouwing van de navorderingsaanslagen?

2. Mogen de navorderingsaanslagen worden opgelegd met toepassing van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de AWR?

3. Is de uitspraak van de Rechtbank voldoende gemotiveerd?

4. Zijn de beschikkingen inzake heffingsrente juist vastgesteld?

5. Hebben belanghebbenden recht op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van behandeling van het bezwaar en/of het beroep en/of het hoger beroep?.

Het geschil in hoger beroep is beperkt tot de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 1991, 1992 en 1994 en de navorderingsaanslagen VB voor 1992, 1993 en 1995, alsmede de gelijktijdig met die aanslagen gegeven beschikkingen inzake heffingsrente.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt, en hetgeen door hen op de zittingen daaraan is toegevoegd.

3.3. Belanghebbenden concluderen tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, primair vernietiging van de navorderingsaanslagen en de beschikkingen inzake heffingsrente en subsidiair verlaging van de navorderingsaanslagen en de beschikkingen inzake heffingsrente. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Gronden

Ten aanzien van de procesorde

4.1. Bij aanvang van het tweede onderzoek ter zitting op 26 juni 2012 (hierna: de tweede zitting) zijn partijen erop gewezen, dat de tweede meervoudige Belastingkamer tijdens het onderzoek ter zitting van 12 januari 2012 was samengesteld uit W.E.M. van Nispen tot Sevenaer, voorzitter, P.J.M. Bongaarts en P.C. van der Vegt, en dat de zaak is verwezen naar de eerste meervoudige Belastingkamer in een gewijzigde samenstelling van deze Kamer door P.C. van der Vegt, voorzitter, G.J. van Muijen en J.W.J. Huige, en dat de zaak wordt voortgezet, gelet op artikel 8:64, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, in de stand waarin zij zich bevond op 12 januari 2012. Het Hof heeft partijen er daarbij op gewezen dat de aldus samengestelde eerste meervoudige Belastingkamer kennis heeft genomen van het volledige procesdossier, waaronder het intern opgemaakte verslag van het onderzoek ter zitting van het Hof van 12 januari 2012 (hierna: de eerste zitting), welk verslag ten tijde van de tweede zitting nog niet was uitgewerkt in een proces-verbaal.

4.2. De gemachtigde van belanghebbenden heeft verklaard bezwaar te hebben tegen deze voortgezette behandeling. Zij klaagt erover dat de gewijzigde samenstelling meebrengt dat de tijdens de eerste zitting gevoerde inhoudelijke behandeling dient te worden overgedaan en dat zij daarop onvoldoende is voorbereid. De zaak dient daarom volgens haar te worden aangehouden en een hernieuwde behandeling van de zaak dient op een later tijdstip plaats te vinden. De Inspecteur heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen de gewijzigde zetelsamenstelling, maar wel bezwaar te hebben tegen aanhouding van de zaak.

4.3. Het Hof heeft zich beraden over de door partijen naar voren gebrachte bezwaren. De voorzitter heeft partijen vervolgens meegedeeld de behandeling van de zaak niet aan te houden en de behandeling in de gewijzigde samenstelling voort te zetten. Het Hof heeft partijen er daarbij op gewezen dat het Hof kennis heeft genomen van het volledige procesdossier, waartoe behoort het intern opgemaakte verslag van de zitting van 12 januari 2012, waarvan ten tijde van de tweede zitting van het Hof nog geen proces-verbaal was opgemaakt. Voorts heeft de voorzitter, aan de hand van dat intern opgemaakte verslag, kort gereleveerd hetgeen ter eerste zitting van het Hof is voorgevallen en belanghebbenden in de gelegenheid gesteld desgewenst nogmaals naar voren te brengen hetgeen zij reeds ter eerste zitting van het Hof naar voren hadden gebracht, echter niet op een nadere zitting, aangezien belanghebbenden, gezien 's Hofs kennis van hetgeen tijdens de eerste zitting was voorgevallen, daarbij geen redelijk belang hebben en wegens het belang van een goede procesorde. Het Hof overweegt in dit verband nog dat partijen reeds bij brief van 10 mei 2012 door de griffier van het Hof in kennis zijn gesteld van de verwijzing van de zaak door de tweede meervoudige Belastingkamer naar de eerste meervoudige Belastingkamer, zodat belanghebbenden op een wijziging in de zetelsamenstelling bedacht hadden kunnen zijn.

Ten aanzien van het geschil

Met betrekking tot de vraag of voor de onderbouwing van de navorderingsaanslagen gebruik mag worden gemaakt van het renseignement

4.4. De inhoud van het renseignement is, volgens de Inspecteur, ontleend aan documenten die afkomstig zijn van KB-Lux. Niet in geschil is dat deze documenten onrechtmatig in het bezit zijn gekomen van ex-werknemers van KB-Lux. De Nederlandse belastingdienst heeft dit al bij de verkrijging van de informatie beseft.

4.5. Belanghebbenden beroepen zich op de - Franstalige - uitspraak van Rechtbank Brussel van 8 december 2009, Fida20095956.

4.6. Aan de uitspraak van Rechtbank Brussel kan het volgende worden ontleend:

De KB-Lux documenten zijn op enig moment door een van de ex-werknemers overgebracht naar het adres waar de informant verbleef. Deze heeft daarvan buiten weten van de ex-werknemer fotokopieën vervaardigd. Op een onbekende datum, gelegen tussen 4 augustus 1994 en het einde van 1994 hebben twee politiemensen deze fotokopieën, in een á twee kisten, meegenomen uit de woning waar de informant verbleef. Daarvan is geen proces-verbaal opgesteld, er is geen inventaris opgesteld, de documenten zijn niet officieel in beslag genomen en ze zijn ook niet ter griffie neergelegd.

Bij de overhandiging door de informant van de stukken op

16 maart 1995 is geen inventaris opgesteld van de overhandigde stukken, deze werden niet genummerd, niet geparafeerd, niet beschreven en niet geteld. Er wordt bijna 14 maanden gewacht vooraleer de stukken op 8 mei 1996 ter griffie worden gedeponeerd. Het proces-verbaal van deze deponering vermeldt de overhandiging van twee verzegelde dozen bevattende documenten van KB-Lux genummerd van 1 tot 2.995. Deze dozen worden op dezelfde dag weer meegenomen door de GPP om er pas op 3 juni 1999 opnieuw te worden gedeponeerd. In die tussentijd was slechts een fractie van de 2.995 stukken teruggebracht naar de griffie.

In de procedure is ernstige twijfel ontstaan over de vraag of de documenten wel op 16 maart 1995 aan de GPP zijn overhandigd. Een andere mogelijkheid is dat de GPP al over de documenten beschikte en deze overhandiging in scene is gezet.

Rechtbank Brussel komt tot de conclusie dat na zoveel jaren de juiste toedracht niet meer kan worden vastgesteld. De informant is inmiddels overleden, de belangrijkste politieman is met pensioen. Veel stukken zijn van een zodanige ouderdom dat zij uit de archieven zijn verdwenen, de herinnering van de betrokkenen is vervaagd en is beïnvloed door publicaties in de media.

4.7. Door belanghebbenden is voorts de volgende officiële vertaling van een passage uit de uitspraak van het Hof van beroep van Brussel van 10 december 2010 ingebracht, waaraan het volgende kan worden ontleend:

"[...] IV. Uit het hierboven aangehaalde eerste onderdeel trekt het hof de conclusie dat de gerechtelijke politie van Brussel, na het vaststellen van de kans op het bestaan van een aanzienlijke belastingfraude met betrokkenheid van kaderpersoneel en directieleden van een bank, aan het begin van dit dossier en rekening houdend met de hiervoor aangehaalde jurisprudentie van het Hof van Cassatie, de manier heeft onderzocht waarop zij op officiële wijze ongeveer drieduizend documenten

in bezit kon krijgen waarvan zij wist dat deze door werknemers van deze bank waren ontvreemd en, buiten medeweten van deze laatsten en voornamelijk om redenen van corruptie, gekopieerd door J.-P.L., informant van de politie.

- De rechercheurs en hun informant hebben derhalve, in een vroeg stadium, het hierboven beschreven scenario bedacht en uitgevoerd: de 'toevallige ontdekking' en de 'inbeslagneming' van deze documenten die zogenaamd in het bezit waren van een derde, R.V., die was aangehouden in het kader van een andere zaak. Er werden processen- verbaal opgesteld waarin deze 'inbeslagneming' werd opgenomen, maar de inbeslaggenomen documenten kwamen op geen enkele inventarislijst voor.

- Deze processen-verbaal, aanvankelijk toegevoegd aan dossier nr. 35/96 van onderzoeksrechter L, werden, onder de reeds beschreven omstandigheden, vernietigd - op aanraden of in ieder geval met toestemming van de rechter en de plaatsvervangend officier die waren belast met dit dossier - rekening houdend met de verzoeken van de verdediging van deze verdachten waarbij de

rechtmatigheid in twijfel werd getrokken van de wijze waarop de gerechtelijke politie deze documenten in bezit had gekregen.

Voornoemde processen-verbaal werden vervangen door geantedateerde processen-verbaal die, in de ogen van de onderzoeksrechter, beter voldeden aan de eisen van het Hof van Cassatie en die valselijk de vrijwillige overdracht van de documenten, die reeds in het bezit van de politie waren, beschreven door J.-P.L., ten kantore van de gerechtelijke politie.

- De onderzoeksrechter handelt op vergelijkbare wijze in het tweede onderdeel van het dossier.

[...]

- Door opzettelijk de omstandigheden te verhullen die essentieel zijn voor de beoordeling door de rechtbank betreffende de rechtmatigheid van het bewijs en door het organiseren, met de bewuste hulp van de politie, van scenario's met als doel elementen van het bewijs 'wit te wassen', heeft de onderzoeksrechter, reeds vanaf het begin van zijn onderzoek, op zijn minst de hem krachtens artikel 56, lid 1 van het Wetboek van Strafvordering toekomende fundamentele verplichting om te waken voor de wettigheid van de bewijsmiddelen en de loyaliteit waarmee ze worden verzameld, niet nageleefd.

- Net als de rechtbank constateert het hof dat de inbreng in de procedure van stukken die de voornaamste, zo niet volledige, basis vormen van onderhavige aanklachten, in beide zaken, op deloyale wijze is geschied en dat de werkelijke omstandigheden omtrent het verkrijgen van deze stukken opzettelijk zijn verdraaid door de gerechtelijke politie en de onderzoeksrechter met als doel de verdachten en tevens de rechterlijke macht te bedriegen. Er werden bewust obstakels geplaatst

door de gerechtelijke autoriteiten en de politie om te voorkomen dat de waarheid aan het licht zou komen.

Deze is slechts aan het licht gekomen dankzij nauwgezet onderzoek, zoals hierboven aangehaald, dat is uitgevoerd op initiatief van de raadslieden van de verdachten, door de raadsheer van het Hof van Cassatie M, de onderzoeksrechters N en O en het Comité P.

- Uit bestudering van het dossier blijkt bovendien dat de onderzoeksrechter, vanaf het begin en gedurende het onderzoek van deze twee zaken, overtuigd was van de realiteit van de strafbare feiten die zijn aanhangigmaking ondersteunden en de betrokkenheid bij het plegen ervan van de huidige verdachten; deze overtuiging bepaalde de loop van zijn onderzoek.

Zo interpreteert het hof in het bijzonder de vele ondoordachte verklaringen aan de pers, waarin bepaalde verdachten in diskrediet werden gebracht, de ontoelaatbare druk die hij uitoefende op getuige S.D., wiens beweringen het scenario onderuit konden halen dat hij, overtuigd van zijn gelijk, had uitgewerkt of in ieder geval toegestaan, zoals in het eerste onderdeel hiervoor reeds beschreven, en de omstandigheid dat hij zich willens en wetens onthield van het opstellen van processen-verbaal van meerdere belangrijke onderzoekshandelingen die hij zelf uitvoerde.

[...]

- Het parket nam deel aan deze praktijken en voldeed niet aan de hem krachtens artikel 28, lid 3 van het Wetboek van Strafvordering toekomende verplichting om te waken voor de wettigheid van de bewijsmiddelen en de loyaliteit waarmee ze worden verzameld, op zijn minst door opzettelijk, zoals bescherven in het eerste deel van dit dossier, te verhullen dat processen-verbaal over de wijze waarop de gerechtelijke politie aanvankelijk de bij KBL gestolen documenten in bezit had gekregen, waren vernietigd en vervangen, iets waarvan het parket op de hoogte was.

- Het hof constateert tot slot dat zowel de politie als de gerechtelijke autoriteiten zich, bij het in bezit krijgen van vele stukken die zijn ontvreemd bij KB en KBL, bewust heeft onthouden van het direct opstellen van een rechtsgeldige inventarislijst, ondanks het belang van deze documenten.

Deze autoriteiten waren echter, zoals de rechtbank heeft benadrukt, belast met het verzekeren van de onaantastbaarheid en onveranderlijkheid van deze documenten.

Het hof, in het bijzonder rekening houdend met de hiervoor aangehaalde verklaringen van een speciale inspecteur der belastingen, van de griffier en van de werknemer van de onderzoeksrechter, heeft derhalve geen enkele redelijke garantie dat deze stukken, waarvan enkele tot op de dag van vandaag onvindbaar zijn, niet, zoals door enkele van de verdachten stelselmatig beweerd, op frauduleuze wijze zijn gemanipuleerd of op een aan partijen en rechters onbekende manier aan het

dossier zijn toegevoegd.

- Uit voorgaande overwegingen blijkt dat het onderzoek van het begin af aan ernstig deloyaal was en dat de rechten voor de verdediging van de verdachten herhaaldelijk ernstig en onherroepelijk zijn geschaad.

- Aan verdachten is dus, rekening houdend met de voorgaande omstandigheden, het recht op een rechtvaardig proces, dat een essentiële waarde vormt van ons strafproces, ontnomen. Iets dat, ondanks de ernst van de feiten (het betrof hier de organisatie, op het hoogste niveau van twee bancaire instellingen, van geavanceerde mechanismen voor belastingfraude ten behoeve van

gefortuneerde belastingbetalers die aanzienlijke schade hebben toegebracht aan de schatkist en dus aan de samenleving), op geen enkele wijze aan hen mocht worden onthouden.

[...]"

Het Hof van Cassatie van België heeft bij uitspraak van 31 mei 2011 de cassatieberoepen tegen de uitspraak van het Hof van beroep van Brussel van 10 december 2010 verworpen.

4.8. Het Hof is van oordeel dat het renseignement, meer specifiek de fotokopieën, mogen worden gebruikt ter onderbouwing van de navorderingsaanslagen - en, daarmee, van de beschikkingen inzake heffingsrente - en overweegt daartoe als volgt.

4.9. Er is naar het oordeel van het Hof geen enkele aanwijzing dat Belgische of Nederlandse overheidsdienaren op enigerlei wijze direct of indirect betrokken zijn geweest bij de onrechtmatige verkrijging van de informatie van KB-Lux of op enigerlei andere wijze frauduleus gedrag van ex-werknemers van KB-Lux hebben geïnitieerd of gefaciliteerd.

4.10. De verkrijging van de informatie door de Belgische justitiële autoriteiten is met onzekerheden omgeven. Naar het oordeel van het Hof bestaat thans geen twijfel meer dat daarbij onvoldoende zorgvuldig te werk is gegaan. Het Hof komt echter tot de conclusie dat, hoewel de Belgische justitiële autoriteiten (zeer) onzorgvuldig hebben gehandeld, daarmee aan belanghebbenden niet wordt ontnomen het recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak door de Nederlandse belastingautoriteiten en de Nederlandse rechter. Ditzelfde geldt voor de manier waarop de documenten door de Belgische autoriteiten zijn behandeld, waarbij opvalt dat een inventarisatie ontbreekt. In het bijzonder zijn de inhoud en herkomst van het renseignement voldoende controleerbaar. Het Hof stelt verder vast dat eventuele onzorgvuldigheden niet zijn begaan in een onderzoek naar belanghebbenden zelf.

4.11. Het voorgaande zou anders zijn indien aannemelijk zou zijn dat de inhoud van de fotokopieën zou zijn gemanipuleerd. Het Hof acht zulks echter volstrekt onaannemelijk. Het Hof wijst er in dit verband niet alleen op dat belanghebbenden ter zitting van het Hof desgevraagd hebben herhaald dat de ten aanzien van de heer en mevrouw K op de fotokopieën voorkomende gegevens juist zijn, maar wijst er ook op dat gesteld noch gebleken is dat de inhoud van de fotokopieën zou zijn gemanipuleerd.

4.12. Zoals de Inspecteur voorts heeft gesteld, behelst de door belanghebbenden ingebrachte Belgische jurisprudentie geen aanwijzing voor de opvatting dat de op de fotokopieën voorkomende gegevens onbetrouwbaar zouden zijn. Het ligt naar 's Hofs oordeel veeleer voor de hand dat de onregelmatigheden begaan door de Belgische justitiële autoriteiten hun oorzaak vonden in de betrekkelijke strengheid van de Belgische 'silver platter doctrine', zoals de Inspecteur ook heeft betoogd, en niet in de wens om de inhoud van documenten te manipuleren.

4.13. Meer in het algemeen is het Hof niet gebleken dat in enig stadium van de verkrijging van de informatie, vanaf de verkrijging in Luxemburg tot en met de verkrijging door de Nederlandse belastingdienst, onrechtmatig of onzorgvuldig is gehandeld tegenover belanghebbenden zelf. Het Hof ziet dan ook geen grond voor bewijsuitsluiting van de microfiches, althans de bekennende verklaringen van belanghebbenden (zie ook HR, NJ 2007/179, HR, BNB 2008/159 en de afdoening van middel 4 in de arresten van de Hoge Raad van 30 maart 2012 en 6 april 2012, nrs. 11/02222 en 11/02224, LJN: BW0188 en BW0935, BNB 2012/158 en 159).

4.14. Belanghebbenden stellen voorts dat de Nederlandse autoriteiten zelfstandig onderzoek hadden moeten verrichten naar de rechtmatigheid van de verkrijging van het bewijs. Het Hof is van oordeel dat de Nederlandse belastingautoriteiten op geen enkel tijdstip de verplichting hadden om zelfstandig een onderzoek in te stellen naar de wijze waarop de Belgische autoriteiten de informatie in handen hebben gekregen. Naar het oordeel van het Hof waren de aanwijzingen tot het moment dat de aanslagen werden opgelegd, niet sterk genoeg om een dergelijk onderzoek te rechtvaardigen. De door belanghebbenden ingebrachte verklaringen van de heer Apeldoorn en de heer G maken dit niet anders. Uit de verklaringen volgt slechts dat kennis bestond bij de Belastingdienst over diefstal van de gegevens van KB-Lux. Het Hof acht verder niet aannemelijk dat André na zijn bezoek aan de FIOD in 1995 microfiches heeft achtergelaten. Het Hof acht evenmin aannemelijk dat dit bezoek en de latere strafzaak bij de Belastingdienst de verwachting hebben gewekt, dat een gerichte zoekactie naar de informatie waarover André naar zijn zeggen beschikte, resultaat zou hebben opgeleverd.

4.15. De onderwerpelijke informatie is op basis van artikel 4 van de EG-Richtlijn van 19 december 1977, 77/779/EEG (hierna: Richtlijn), rechtsgeldig door de Belgische belastingdienst aan de Nederlandse belastingdienst verstrekt. Onder deze informatie valt naar het oordeel van het Hof ook informatie die in een voorafgaande fase onrechtmatig in andere handen is overgegaan.

4.16. Op grond van het internationale vertrouwensbeginsel mag de Nederlandse belastingdienst ervan uitgaan dat in België de daar geldende voorschriften zijn nageleefd, die de verkrijging van de informatie door de Belgische belastingdienst en het doorzenden daarvan naar de Nederlandse belastingdienst regelen. Een schending van die voorschriften is overigens niet aannemelijk gemaakt.

4.17. Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat het renseignement, althans de bekennende verklaringen van belanghebbenden, ten grondslag mag worden gelegd aan de vaststelling van de navorderingsaanslagen. Gebruik van deze informatie is niet strijdig met enig beginsel van internationaal recht, is niet strijdig met de artikelen 6 en 8 EVRM en is niet strijdig met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. De gegevens zijn door de Nederlandse belastingdienst niet op een wijze verkregen die zozeer indruist tegen wat van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat het gebruik van die gegevens in deze procedure ontoelaatbaar moet worden geacht.

Met betrekking tot de vraag of de navorderingsaanslagen mogen worden opgelegd met toepassing van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de AWR

4.18. De onderhavige navorderingsaanslagen zijn alle opgelegd met toepassing van de verlengde navorderingstermijn. Niet gebleken is dat de Inspecteur aan belanghebbenden voor de betreffende jaren uitstel heeft verleend voor het doen van aangifte.

4.19. Bij de beoordeling van de vraag of de navorderingsaanslagen met redelijke voortvarendheid zijn opgelegd, moet in de eerste plaats worden vastgesteld wanneer de Inspecteur aanwijzingen heeft gekregen van het bestaan van bankrekeningen van belanghebbenden bij KB-Lux.

De Belgische belastingdienst heeft eind oktober 2000 informatie aan de Nederlandse belastingdienst gezonden. Er zijn geen aanwijzingen dat de Nederlandse belastingdienst al eerder over deze informatie beschikte. In het bijzonder acht het Hof niet aannemelijk dat André in 1995 microfiches heeft achtergelaten die vergelijkbaar zijn met de informatie die eind oktober 2002 door de Belgische belastingdienst is uitgewisseld. Het Hof acht verder niet aannemelijk dat dit bezoek bij de Belastingdienst en de strafzaak tegen J en Derauw, de verwachting heeft gewekt, dat een gerichte zoekactie naar de informatie waarover André naar zijn zeggen beschikte, resultaat zou hebben opgeleverd.

4.20. Na ontvangst van de door de Belgische belastingdienst toegezonden informatie zijn vier perioden te onderscheiden.

4.21. De eerste periode loopt vanaf de ontvangst van de informatie vanuit België tot de identificatie van mevrouw K. Gelet op de acceptatie van de strafrechtelijke behandeling van de zaak tegen mevrouw K in het tripartiete overleg van 11 oktober 2001 en hetgeen bekend is geworden over de voortgang van het proces van identificatie, acht het Hof aannemelijk dat mevrouw K eind september 2001 als rekeninghouder is geïdentificeerd.

De verkregen informatie betrof gegevens van duizenden rekeninghouders. De informatie was bovendien zeer summier. In deze periode is beoordeeld of de informatie rechtmatig gebruikt kon worden. Verder moest inzicht worden verkregen in de inhoud van de informatie. In deze periode is onderzoek gedaan naar de mogelijkheden om te komen tot identificatie van rekeninghouders. Vervolgens is de identificatie gestart. Als gevolg van de beperkte naamsomschrijving bleek het nodig daarvoor een bij de RDW aanwezig bestand te raadplegen. Daarvoor waren aanvullende maatregelen op het terrein van de automatisering nodig. Het Hof acht aannemelijk dat het identificeren van duizenden rekeninghouders veel tijd in beslag heeft genomen. In verband met het grote aantal rekeninghouders is in deze periode een organisatie opgezet welke zorg droeg voor de noodzakelijke coördinatie.

Het Hof acht aannemelijk dat voor dit alles een periode van ongeveer 11 maanden nodig was.

4.22. De tweede periode loopt van eind september 2001 tot de brief van de Inspecteur aan belanghebbenden van 3 december 2002. In deze periode is het strafrechtelijk onderzoek voorbereid en uitgevoerd. Het onderzoek heeft gelopen van 23 oktober 2001 tot medio 2003. Eerst op 24 september 2003 hebben belanghebbenden openheid van zaken gegeven. Naar het oordeel van het Hof bestonden er goede gronden om met het fiscale onderzoek te wachten totdat het strafrechtelijk onderzoek zou zijn afgerond. Weliswaar behoefden in rechtskundig opzicht geen beletselen te bestaan tegen het gelijktijdig uitvoeren van het strafrechtelijke en het fiscale onderzoek, maar het door twee instanties gelijktijdig onderzoeken van hetzelfde feitencomplex zou niet doelmatig zijn geweest en gemakkelijk hebben kunnen leiden tot verwarring bij belanghebbenden omtrent de verantwoordelijkheid voor en het doel van elk van deze onderzoeken en de bij elk van deze onderzoeken in acht te nemen waarborgen en (mogelijke) dwangmiddelen. Uit een strafrechtelijk onderzoek waarbij personen worden verhoord en huiszoeking wordt gedaan, kunnen ook meer feiten naar voren komen dan uit een fiscaal onderzoek. Het strafrechtelijk onderzoek is met redelijke voortvarendheid voorbereid en uitgevoerd. Het Hof neemt daarbij in aanmerking de ingewikkeldheid van de zaak en de omstandigheid dat het onderzoek deel uitmaakte van een complex van zaken welke zaken centraal werden aangestuurd, alsmede het langdurende overleg tussen de Officier van Justitie en (de advocaat van) mevrouw K.

4.23. De derde periode loopt van 3 december 2002 tot de brief van de Inspecteur aan belanghebbenden van 18 april 2003. In deze brief kondigde de Inspecteur de navorderingsaanslagen IB/PVV 1991 tot en met 1995 en VB 1992 tot en met 1996 aan. In deze periode is met belanghebbenden gecorrespondeerd over de vraag of zij de beschikking had over buitenlandse bankrekeningen. Omdat belanghebbenden de benodigde informatie niet verstrekten is door de Inspecteur besloten zich bij de belastingheffing te baseren op de informatie die was verkregen van rekeninghouders die wel de benodigde informatie hadden verstrekt. Het Hof acht aannemelijk dat hiermee de nodige tijd was gemoeid. Daarvoor was het immers nodig eerst voldoende informatie van bekenners te verkrijgen. Deze informatie moest vervolgens centraal worden verzameld en in tabellen worden verwerkt. Weliswaar is deze informatie bij belanghebbenden niet rechtstreeks gebruikt voor het vaststellen van de schattingen, maar naar het oordeel van het Hof waren er goede redenen om met het aankondigen van aanslagen te wachten tot deze informatie was verzameld en gesystematiseerd. Het Hof acht aannemelijk dat deze informatie wel van belang is geweest voor de uiteindelijke beslissing om bij saldi boven ƒ 500.000 een andere methode van schatting te volgen. Verder zijn de aan deze informatie ontleende jaren van opening en sluiting van rekeningen ook van belang voor belastingplichtigen, zoals belanghebbenden, met een saldo van meer dan ƒ 500.000.

4.24. De vierde periode loopt van 18 april 2003 tot 31 mei 2003. Deze periode ziet op het tijdsverloop tussen het moment van aankondiging en het moment van oplegging van de aanslagen. Het Hof acht aanvaardbaar dat daarmee een termijn van ongeveer anderhalve maand was gemoeid.

4.25. Het Hof oordeelt dat in ieder van deze vier perioden, en in deze vier perioden gezamenlijk, de Inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslagen een termijn in acht heeft genomen die na het verkrijgen van de informatie uit België noodzakelijkerwijs gemoeid was met het verkrijgen van de inlichtingen die nodig waren voor het bepalen van de verschuldigde belasting, bestaande uit de ontkenning van belanghebbenden en de van meewerkers verkregen gegevens, en vervolgens de aanslagen aan de hand van die informatie op prudente wijze met redelijke voortvarendheid heeft voorbereid en vastgesteld (vgl. ook HR 13 juli 2012, nr. 11/01326, LJN: BX0902, ov. 3.1.1. tot en met 3.1.4.)

4.26. Het Hof overweegt in dit verband nog dat, anders dan belanghebbenden betogen, de Inspecteur niet gehouden was reeds eind 2002/begin 2003 alle onderwerpelijke aanslagen op te leggen. Zoals de Inspecteur in dit verband gemotiveerd heeft uiteengezet en het Hof aannemelijk acht, was zulks enerzijds feitelijk onmogelijk vanwege de massaliteit van het aanslagopleggingsproces, terwijl anderzijds de wens werd gekoesterd om de uitkomst van het strafrechtelijk traject af te wachten en om eventuele reacties op de aanslagoplegging ultimo 2002 af te wachten alvorens nadere aanslagen zouden worden opgelegd, waardoor werd volstaan met het opleggen van die navorderingsaanslagen wier oplegging, in verband met de in acht te nemen termijnen, niet langer kon wachten.

4.27. Belanghebbenden hebben in hun tijdens de eerste zitting voorgedragen pleitnota een aanbod gedaan bewijs te leveren door middel van het horen van een tweetal getuigen, voor het geval het Hof van oordeel zou zijn dat op belanghebbenden een nadere bewijslast rust in verband met het antwoord op de onderwerpelijke vraag. Door het horen van die personen wensen belanghebbenden over het (tijds)verloop van het fiscale onderzoek jegens de heer X nadere feiten vast te stellen, aldus de pleitnota. Het Hof passeert dit aanbod reeds op de grond dat het geen opgave behelst van concrete feiten en omstandigheden die zullen worden bewezen (vgl. HR 24 maart 1999, nr. 34 295, BNB 1999/218).

Met betrekking tot de vraag of de uitspraak van de Rechtbank voldoende is gemotiveerd

4.28. De stelling van belanghebbenden dat de uitspraak van de Rechtbank onvoldoende is gemotiveerd, treft geen doel. Schending van de motiveringsplicht door de Rechtbank zou, daargelaten of daarvan in het onderhavige geval al sprake zou zijn, alleen tot gevolg hebben dat het Hof, zo het de uitspraak van de Rechtbank bevestigt, verplicht is zelf de gronden daarvoor in haar uitspraak op te nemen. Gesteld noch gebleken is dat er in het onderhavige geval grond zou zijn om, in verband met de door belanghebbenden beweerde motiveringsgebreken, iets anders te doen dan bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank onder verbetering van gronden.

Met betrekking tot de vraag of de heffingsrente juist is vastgesteld

4.29. Belanghebbenden betwisten de berekening van de beschikkingen inzake heffingsrente bij gebrek aan wetenschap en verzoeken de Inspecteur de berekeningen van die beschikkingen. De Inspecteur heeft in reactie hierop berekeningen ingebracht als bijlagen bij het verweerschrift in eerste aanleg. De Inspecteur heeft hiermee naar 's Hofs oordeel reeds aan het verzoek van belanghebbenden voldaan. Het Hof overweegt in dit verband nog dat de berekening van heffingsrente rechtstreeks uit wettelijke bepalingen volgt. Aangezien belanghebbenden geen concrete bezwaren tegen de beschikkingen inzake heffingsrente hebben ingebracht en het Hof ook niet is gebleken dat die beschikkingen onjuist zouden zijn vastgesteld, moet ook de onderwerpelijke grief worden verworpen.

Slotsom

4.30. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van de vergoeding van immateriële schade

4.31. Belanghebbenden verzoeken om vergoeding van immateriële schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn. Naar het Hof begrijpt klagen belanghebbenden zowel over de duur van de bezwaarfase als over de duur van de gerechtelijke procedure en verzoeken zij zowel om vergoeding van schade geleden door de duur van de bezwaarprocedure als om vergoeding van schade geleden door de duur van de gerechtelijke procedure. Het Hof bepaalt dat het onderzoek na de hierna vermelde datum van de beslissing zal worden heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de verzoeken van belanghebbenden. Het Hof zal alsdan de Minister van Veiligheid en Justitie in de gelegenheid stellen als partij aan het geding deel te nemen.

Ten aanzien van het griffierecht

4.32. Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Staat aan belanghebbenden het door hen betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.33. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Beslissing

Het Hof

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank;

- bepaalt dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek om schadevergoeding van belanghebbenden wegens mogelijke overschrijding van de redelijke termijn en merkt de Minister van Veiligheid en Justitie aan als partij in die procedure.

Aldus gedaan op 20 september 2012 door P.C. van der Vegt, voorzitter, G.J. van Muijen en J.W.J. Huige, in tegenwoordigheid van L. Arts, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.