Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BX8741

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-10-2012
Datum publicatie
01-10-2012
Zaaknummer
20-001150-11
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2011:BP7288, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:3149, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Deze zaak hangt samen met LJN BX8736.

art. 55, 288 sr. 6 WVW: In de zaak die zich afspeelde bij de Geffense Plassen, waarbij twee verdachten in een auto op de vlucht waren geslagen na de diefstal van brandslangen/-haspels en waarbij tijdens die vlucht een aanrijding is ontstaan, waardoor aan het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, veroordeelt het hof de bestuurder voor poging tot (gekwalificeerde) doodslag. Naar het oordeel van het hof heeft de bestuurder het risico dat aan het slachtoffer – die doende was de uitgangspoort van het terrein te sluiten – dodelijk letsel zou kunnen worden toegebracht bewust aanvaard en was zijn opzet derhalve (in voorwaardelijke zin) gericht op de dood van het slachtoffer.

Ten aanzien van de bijrijder heeft het hof niet kunnen vaststellen dat hij tijdens de vlucht het slachtoffer op enig moment heeft gezien. Naar het oordeel van het hof kan de bijrijder derhalve niet als medepleger worden aangemerkt en wordt hij vrijgesproken voor zover de tenlastelegging inhoudt dat zijn opzet was gericht op de dood van het slachtoffer.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 45
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 288
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2012/93 met annotatie van mr. W.H. Regterschot
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-001150-11

Uitspraak : 1 oktober 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 10 maart 2011 in de strafzaak met parketnummer 01-849322-10 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1992],

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte veroordeeld ter zake van feit 1 meer subsidiair “diefstal door twee of meer verenigde personen”, feit 2 subsidiair ‘poging tot doodslag, voorafgegaan door diefstal door twee of meer verenigde personen, terwijl de poging tot doodslag werd gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan een andere deelnemer aan het misdrijf straffeloosheid of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren” en feit 3 “overtreding van artikel 7 van de Wegenverkeerswet 1994” tot een gevangenisstraf van 18 maanden met aftrek van voorarrest.

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is aanvankelijk door de officier van justitie onbeperkt ingesteld, maar later bij akte d.d. 12 september 2012 door de advocaat-generaal ingetrokken voor zover het betreft de feiten 2 en 3.

Ter beoordeling van het hof in hoger beroep staat daarom uitsluitend hetgeen is ten laste gelegd onder feit 1, alsmede de strafoplegging voor de door de rechtbank onder 2 en 3 bewezen verklaarde feiten

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen, met dien verstande dat het gerechtshof hierna tevens voor de overige, door de eerste rechter bewezen verklaarde feiten, gelet op artikel 423, lid 4, van het Wetboek van Strafvordering, na te melden beslissing zal nemen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. In hoger beroep is de tenlastelegging gewijzigd.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – zal vernietigen en opnieuw rechtdoende het, na wijziging van de tenlastelegging, onder 1A. subsidiair en onder 1B ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden “zodat het totaal met de door de rechtbank reeds opgelegde straf uitkomt op 30 maanden” en verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen zal ontzeggen voor de duur twee jaar.

Namens verdachte is het volgende bepleit:

- vrijspraak van het onder 1A primair, subsidiair, meer subsidiair, uiterst subsidiair en1B ten laste gelegde;

- ontslag van alle rechtsvervolging op grond van psychische overmacht indien het hof tot bewezenverklaring komt;

- toepassing van de samenloopbepalingen bij bewezenverklaring;

- geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging - en aldus de grondslag van het onderzoek - is gewijzigd.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

Feit 1A.

hij op of omstreeks 23 mei 2010 te Oss en/of Geffen, gemeente Maasdonk, althans in het arrondissement 's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachte rade, althans na kalm beraad en rustig overleg, [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet en met die voorbedachte rade, althans na dat beraad en overleg, met een door hem en/of zijn mededader bestuurde auto op die [slachtoffer 1] is ingereden en/of tegen die [slachtoffer 1] is aangereden (die zich op dat moment voor de auto van verdachte en/of zijn mededader bevond en/of bezig was een hek te sluiten), althans tegen een hekwerk is/zijn gereden, waarachter/waarbij die [slachtoffer 1] zich bevond, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidair, althans indien bovenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 23 mei 2010 te Oss en/of Geffen, gemeente Maasdonk, althans in het arrondissement 's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet met een door hem en/of zijn mededader bestuurde auto op die [slachtoffer 1] is ingereden en/of tegen die [slachtoffer 1] is aangereden (die zich op dat moment voor de auto van verdachte en/of zijn mededader bevond en/of bezig was een hek te sluiten),althans tegen een hekwerk is/zijn gereden, waarachter/waarbij die [slachtoffer 1] zich bevond, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke vorenomschreven poging doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten het, bestelen/beroven van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] van enig goed (brandslangen en/of brandhaspels)

en welke poging doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

Meer subsidiair, althans indien bovenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 23 mei 2010 te Oss en/of Geffen, gemeente Maasdonk, althans in het arrondissement 's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet met een door hem en/of zijn mededader bestuurde auto op die [slachtoffer 1] is ingereden en/of tegen die [slachtoffer 1] is aangereden (die zich op dat moment voor de auto van verdachte bevond en/of bezig was een hek te sluiten), althans tegen een hekwerk is/zijn gereden, waarachter/waarbij die [slachtoffer 1] zich bevond terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Uiterst subsidiair, indien bovenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 23 mei 2010 te Oss en/of gemeente Maasdonk, althans in het arrondissement 's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen brandslangen en/of brandhaspels, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader met hoge, althans aanmerkelijke snelheid, met een auto is/zijn ingereden op, althans zijn gebotst tegen die [slachtoffer 1], althans tegen een hekwerk, waardoor die [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel, te weten een schedelbasisfractuur en/of een kneuzing van de hersenstam en/of een gebroken schouder en/of een gebroken bekken en/of een of meer gebroken rib(ben) en/of een kneuzing van de longen heeft bekomen; Artikel 312 Wetboek van Strafrecht

Feit 1B.

hij op of omstreeks 23 mei 2010 te Oss en/of gemeente Maasdonk, althans in het arrondissement 's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, als verkeersdeelnemer met een motorrijtuig (personenauto), (als bestuurder), daarmede rijdende over de weg, het Gielekespad, gelegen aan de weg Het Woud/Heesterseweg, althans een weg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn en/of zijn mededaders schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, met hoge, althans aanmerkelijke snelheid, onbesuisd af te rijden op een hek dat op dat moment werd gesloten door [slachtoffer 1], waardoor die [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel, te weten een schedelbasisfractuur en/of een kneuzing van de hersenstam en/of een gebroken schouder en/of een gebroken bekken en/of een kneuzing van de longen, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van poging tot moord

Ten aanzien van het onder 1A primair ten laste gelegde is het hof, evenals de rechtbank, de advocaat-generaal en de verdediging van oordeel dat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld dat verdachte (met zijn medeverdachte) na – enig moment van – kalm beraad en rustig overleg met opzet tegen [slachtoffer 1] is aangereden of op haar is ingereden. Er was geen sprake van voorbedachte raad, zodat verdachte van (het medeplegen van) poging tot moord dient te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1A subsidiair en onder 1B ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1A

hij op 23 mei 2010 te Oss, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet met een door hem bestuurde auto op die [slachtoffer 1] is ingereden en ofwel tegen die [slachtoffer 1] is aangereden die zich op dat moment voor de auto van verdachte bevond en bezig was een hek te sluiten, ofwel tegen een hekwerk is gereden, waarachter die [slachtoffer 1] zich bevond, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke vorenomschreven poging doodslag werd voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten het, bestelen van [slachtoffer 2] van enig goed (brandslangen en/of brandhaspels) en welke poging doodslag werd gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en aan de andere deelnemer straffeloosheid en het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

1B

hij op 23 mei 2010 te Oss, als verkeersdeelnemer met een motorrijtuig personenauto, als bestuurder, rijdende over de weg, het Gielekespad, gelegen aan de weg Heesterseweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos met hoge snelheid onbesuisd af te rijden op een hek dat op dat moment werd gesloten door [slachtoffer 1], waardoor bij die [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel, te weten een schedelbasisfractuur en een kneuzing van de hersenstam en een gebroken schouder en een gebroken bekken en een kneuzing van de longen is ontstaan.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Met betrekking tot feit 1A

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit ten aanzien van alle ten laste gelegde opzetdelicten onder 1A. Hij heeft dit standpunt – op gronden zoals verwoord in zijn overgelegde pleitnota - als volgt onderbouwd.

- Zowel het technisch als betrouwbaar getuigenbewijs ontbreekt om te kunnen vaststellen wie van beide verdachten, verdachte of de [medeverdachte], de bestuurder van de personenauto was. De getuigenverklaringen dienen te worden uitgesloten van het bewijs, omdat deze sterk wisselen en op essentiële onderdelen tegenstrijdig zijn. Er kan derhalve niet bewezen worden dat de verdachte de bestuurder was. Medeplegen kan evenmin worden bewezen volgens de raadsman, waarbij hij heeft verwezen naar de zogenaamde Nijmeegse scooterzaak.

- Verdachte had geen opzet op de aanrijding met het slachtoffer. Niet bewezen kan worden dat verdachte de aanmerkelijke kans dat het gevolg – de aanrijding – zich zou voordoen, heeft aanvaard. Immers, niet kan worden vastgesteld op welk moment de persoon achter het hek is gezien en evenmin kan met enige mate van zekerheid worden vastgesteld of het slachtoffer dusdanig tijdig is gezien dat – in de zeer korte tijd tussen de eventuele waarneming van het slachtoffer en het aanrijden tegen het hek – de bewustheid aanwezig was van de gevolgen die de gedragingen zouden kunnen hebben;

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

I. Betrouwbaarheid getuigenverklaringen

Naar het oordeel van het hof zijn de voor verdachte belastende verklaringen, afgelegd tegenover de politie en de rechter-commissaris, voor zover gebezigd tot het bewijs, in essentie zodanig gelijkluidend en op elkaar aansluitend en consistent, dat zij - ook bezien in samenhang met de overige bewijsmiddelen - in zoverre betrouwbaar worden geacht en als zodanig bruikbaar. Het hof zal hierna op basis van deze getuigenverklaringen vaststellen wie de auto bestuurde toen deze tegen het hek en het slachtoffer aanreed. Was dit de [verdachte] of de [medeverdachte].

II.

Wie was de bestuurder van de personenauto?

[verdachte] stelt zich op het standpunt dat hij weliswaar op het parkeerterrein van de Geffense Plassen de bestuurder van de auto was, maar dat hij daar voor een slagboom is gestopt, dat [medeverdachte] toen vanaf de passagiersplaats is uitgestapt en de slagboom omhoog heeft gedaan, dat hij ([verdachte]) met de auto onder de slagboom is doorgereden en is gestopt, dat hij vervolgens in de auto van de bestuurdersplaats naar de passagiersplaats is overgestapt en dat [medeverdachte] na het laten zakken van de slagboom aan de bestuurderskant is ingestapt en als bestuurder is weggereden naar de uitgang, waar de aanrijding met het rolhek plaatsvond. [medeverdachte] betwist dat hij na de slagboom het stuur heeft overgenomen en stelt dat [verdachte] onafgebroken vanaf de parkeerplaats tot aan de plaats waar de auto door hen werd achtergelaten (bij het pannenkoekenhuis) de bestuurder was.

Ter beantwoording van de vraag wie de bestuurder was zijn de volgende feiten en omstandigheden die het hof uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting heeft vastgesteld van belang.

a. [medeverdachte] heeft bij de politie verklaard dat [verdachte] de auto bestuurde, dat hij ([medeverdachte]) na de aanrijding, toen de auto bij de Heesterseweg kwam, tegen [verdachte] heeft gezegd: “Hier linksaf”, omdat hij in de richting van Geffen wilde rijden (dossierpagina 77);

b. De getuige [getuige 1], die bij het pannenkoekenhuis zat en heeft gezien dat daar in de buurt door twee jongens een auto werd achtergelaten, heeft bij de politie het volgende verklaard: “Een jongen met een beige shirt stapte aan de bijrijderskant uit. Vanaf de bestuurdersplaats stapte een jongen met een zwart/witte leren jas, een race-jack” (dossierpagina 460). Verder heeft deze getuige verklaard dat hij met de fiets achter beide jongens is aangereden, dat hij eerst de jongen met het motorjack heeft aangesproken over de achtergelaten auto, dat die jongen hem verwees naar de andere jongen, dat hij (getuige) bij die andere jongen sleutels in diens broekzak hoorde en dat hij dat raar vond omdat hij zeker wist dat die jongen met het beige shirt niet de bestuurder was (dossierpagina 461-462);

c. De getuige [getuige 2], die eveneens bij het pannekoekenhuis was, heeft 8 november 2010 bij de rechter-commissaris het volgende verklaard: “De jongen die aan de passagierszijde van de auto uitstapte liep naar de achterklep van de auto en opende deze. De persoon die aan de bestuurderszijde zat, stapte toen ook uit. Deze jongen had een motorjack aan. Er is over gesproken dat de persoon die niet aan de bestuurderszijde is uitgestapt in het bezit was van de autosleutels. Dat vonden we vreemd.”;

d. [medeverdachte] heeft bij de politie verklaard dat [verdachte] en hijzelf bij het pannenkoekenhuis zijn uitgestapt en dat [verdachte] hem toen de autosleutels heeft gegeven en dat hij, [medeverdachte], de kofferbak heeft geopend om te kijken of er iets lag om een autoruit mee in te slaan (dossierpagina 87);

e. [verdachte] heeft bij de politie verklaard dat hij die avond een motorjack droeg (dossierpagina 128);

f. Aangever [slachtoffer 2] heeft bij de politie verklaard dat hij vanaf het moment dat de personenauto voor de slagboom stopte en vervolgens is doorgereden naar de uitgang nagenoeg continu zicht heeft gehad op in ieder geval de linkerzijde - de bestuurderskant - van de auto en toen niemand heeft zien in- of uitstappen kort voor het moment dat de auto weer met hoge snelheid wegreed bij de slagboom (dossierpagina’s 320 t/m 322);

g. De getuige [getuige 3], die op een scooter kwam aanrijden toen de auto met de beide verdachten de Heesterseweg opreed, heeft bij de politie verklaard dat de bijrijder in de personenauto dunner van postuur was dan de bestuurder (dossierpagina’s 433-434 en 439);

h. Het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep waargenomen dat [verdachte] een forser postuur heeft dan de [medeverdachte];

i. [medeverdachte] noch [verdachte] heeft verklaard dat ze tussen het moment van de aanrijding met het slachtofferen het moment dat ze in de buurt van het pannenkoekenhuis de auto hebben verlaten, van plaats hebben gewisseld.

Op grond van i moet worden aangenomen dat degene die aan het einde van de rit nabij het pannenkoekenhuis uitstapte aan de bestuurderskant, ook de bestuurder was op het moment van de aanrijding met het slachtoffer.

De onder a bedoelde verklaring van [medeverdachte] - inhoudende dat hij een aanwijzing gaf voor de te nemen richting - ligt niet voor de hand als hijzelf op dat moment de bestuurder van de auto was geweest.

De waarnemingen van getuige [getuige 2] (c) passen precies in de verklaring van [medeverdachte] als weergegeven onder d en versterken daarmee de geloofwaardigheid van de verklaring van [medeverdachte].

De getuigen [getuige 1] (b) en [getuige 2] (c) zeggen beiden dat ze de jongen met het motorjack hebben zien uitstappen aan de bestuurderskant. Zij hebben hun herinnering verankerd doordat ze met elkaar besproken hebben dat het vreemd was dat de jongen die aan de bestuurderskant was uitgestapt niet de autosleutels in zijn bezit had. [verdachte] was de jongen met het motorjack (e).

Getuige [slachtoffer 2] (f) heeft niet gezien dat bij/na de slagboom iemand aan de bestuurderskant is ingestapt. Weliswaar staat niet vast dat [slachtoffer 2] onafgebroken de auto bij de slagboom in het zicht heeft gehouden, maar zijn verklaring is in ieder geval geen ondersteuning voor de lezing van [verdachte] dat [medeverdachte] daar van buitenaf achter het stuur is gestapt.

De waarneming tenslotte van getuige [getuige 3] (g) geeft meer steun aan de verklaring van [medeverdachte] dan aan die Van [verdachte].

Naar het oordeel van het hof is het, gelet op het vorenstaande in onderlinge samenhang en (tijd)verband bezien [verdachte] geweest die voor en na het openen van de slagboom de auto heeft bestuurd en zijn er, behalve de verklaring van [verdachte] zelf, geen aanwijzingen dat er na het openen van de slagboom (nog) van plaats is gewisseld tussen de bestuurder van de auto en de passagier. Voor het hof staat buiten redelijke twijfel vast dat [verdachte] de auto bestuurde toen deze tegen het rolhek aanreed waar het slachtoffer stond.

III.

Het opzet van de bestuurder

Ter beantwoording van de vraag of de bestuurder opzettelijk het slachtoffer heeft aangereden zijn de volgende feiten en omstandigheden die het hof uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting heeft vastgesteld van belang.

Daarbij moet worden vooropgesteld dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet indien de dader bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat door zijn gedragingen het in de tenlastelegging omschreven gevolg – hier: de dood van het slachtoffer – zou intreden

j. De beide verdachten waren op heterdaad betrapt bij het stelen van brandslangen. Zij wilden er daarom vandoor gaan. [verdachte] is eerst met de auto over het parkeerterrein gaan rijden nadat ze betrapt waren door [slachtoffer 2]. Hij heeft verklaard: “Ik wilde voor die man weg” (p. 146). [verdachte] heeft verklaard dat ze zelfs na de aanrijding met het slachtoffer niet zijn gestopt, “We wilden daar alleen maar weg” (p. 135). [medeverdachte] heeft verklaard dat, toen hij op het parkeerterrein in de door [verdachte] bestuurde auto stapte, ze tegen elkaar zeiden dat ze weg moesten en dat [verdachte] zei dat ze weg moesten omdat de man de politie al aan het bellen was (p. 75). [medeverdachte] heeft ook verklaard: “Toen ik instapte zei [verdachte] tegen mij dat de man met stenen tegen de auto had gegooid. Ik heb toen tegen [verdachte] gezegd dat we weg moesten rijden. (…) We moesten snel weg omdat we gesnapt waren.” (p. 106).

k. Na het passeren van de slagboom is de auto met grote snelheid over het Gielekespad naar de uitgang bij de Heesterseweg gereden. [medeverdachte] schat dat ze 50 à 60 km/uur reden (p. 78) en [verdachte] zegt dat hij op het parkeerterrein naar schatting 50 km/uur reed (p. 132-133) en dat ze bij het naderen van de poort ongeveer 20 km/uur harder reden (p. 134).

l. Zowel [verdachte] als [medeverdachte] waren bekend met de wegsituatie op het Gielekespas en wisten dus dat dit pad een bocht naar links maakt niet ver voor de Heesterseweg (gaande in de richting van die Heesterseweg. Deze bekendheid blijkt onder meer uit het feit dat beiden meermalen op de Geffense plassen zijn geweest. Zo zijn beiden op 23 mei 2010 nog naar de carbootsale op de Geffense Plassen geweest ([verdachte], p. 127) en zijn ze samen die avond met de auto terug gegaan naar de Geffense Plassen om brandslangen te stelen. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij wist dat het terrein kan worden afgesloten met een poort (p. 72).

m. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij bij het naderen van de poort zag dat het toegangshek langzaam dicht ging (p.76). [verdachte] heeft verklaard: “Op het moment dat wij het terrein van de Geffense Plassen af wilden rijden, werd er een grijze schuifpoort gesloten door een vrouw die in het paars of donkerblauw gekleed was. (…) Ik weet nog dat wij door de poort zijn gereden. We hebben de poort nog geraakt (…). Vanaf het terrein zijn wij linksaf gereden in de richting van Geffen.” (p. 127). Verder heeft hij verklaard dat het een ijzeren schuifpoort met tralies was, dat hij die poort zag toen ze tien meter voor de poort waren, dat de poort langzaam dicht ging en dat hij zag dat er een vrouw bij de poort stond van wie hij denkt dat ze de poort wel zal hebben dichtgeschoven, dat de auto net door de poort kon, dat hij zag dat de vrouw achteruit viel en dat hij de vrouw voor zich aangereden zag worden (p. 134-136).

n. Uit de verklaring van [getuige 4], die aan de overkant aan de Heesterseweg woont en heel kort na de aanrijding ter plaatse kwam, blijkt dat het slachtoffer naast het fietspad [van de Heesterseweg; hof] lag, naar zijn schatting op ongeveer 20 meter van de poort (p. 474). De getuige [getuige 3] heeft bij de uitrit van de Geffense Plassen een auto slingerend uit de bocht zien komen en hij zag dat er iets van de motorkap afrolde. Vervolgens zag hij dat een vrouw gewond aan de kant lag. Op een tekening situeert hij het slachtoffer op de hoek van de Heesterseweg met de uitrit van de Geffense Plassen (verklaring [getuige 3] bij de R-C, 8 november 2010). Deze positie van het slachtoffer stemt overeen met wat getuige [getuige 4] heeft verklaard.

Hieruit volgt dat het slachtoffer op aanmerkelijke afstand van de rolpoort is aangetroffen. Zij moet dus met grote kracht zijn geraakt door de auto, al dan niet middels de rolpoort. Dit betekent dat het slachtoffer, toen ze geraakt werd, moet hebben gestaan bij het uiteinde van de poort, daar waar de auto tegen de poort is aangereden. [verdachte] moet dus vóór de aanrijding hebben waargenomen dat het slachtoffer zich bevond bij het (dichtschuivende) uiteinde van de rolpoort.

o. Volgens [verdachte] kon de auto nog net door de poort, maar heeft de auto de poort geraakt (p. 134-136). [medeverdachte] heeft verklaard dat hij gefocust was op de smalle doorgang, “haalt hij het of haalt hij het niet” (p. 78) en dat hij tegen [verdachte] heeft gezegd “misschien halen wij het nog” en dat er bij de poort een klap was omdat ze met de voorkant van de auto waarschijnlijk tegen het hekwerk aanreden (p. 77). Uit het technisch sporenonderzoek is gebleken dat de rechtervoorzijde van de auto in aanraking is geweest met de dichtschuivende poort (p. 214, 243).

p. Noch uit het sporenonderzoek, noch uit verklaringen van [verdachte] of [medeverdachte] is gebleken dat de bestuurder enige poging heeft gedaan of de auto te stoppen of om uit te wijken.

Uit het vorenstaande blijkt dat [verdachte] en [medeverdachte] in de auto op de vlucht waren omdat ze na de betrapping op heterdaad bij de diefstal niet wilden worden aangehouden, dat [verdachte] de auto bestuurde, dat deze met aanmerkelijke snelheid reed, dat [verdachte] heeft gezien – ook al was dat maar kort vóór de poort - dat de rolpoort werd dichtgeschoven door een vrouw die zich bij het uiteinde van die poort bevond, dat er nog maar een smalle en kleiner wordende doorgang was aan de ene zijde waarvan zich die vrouw bevond, dat [verdachte] niet heeft afgeremd of uitgeweken maar het risico heeft genomen door de kleiner wordende opening, waar naar hij wist het slachtoffer stond, weg te rijden. Daarmee heeft [verdachte] bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer rechtstreeks door de auto of door middel van de poort zou worden aangereden. Gelet op de snelheid en de massa van de auto had zo’n aanrijding gemakkelijk tot de dood van het slachtoffer kunnen leiden. De kans op overlijden van het slachtoffer was dus aanmerkelijk

Het opzet van [verdachte] was dus, ten minste in de zin van voorwaardelijk opzet, gericht op de dood van het slachtoffer.

Het hof wil aannemen – zoals door de raadsman betoogd – dat [verdachte] en [medeverdachte] tijdens hun vlucht in paniek zijn geweest, maar deze paniek ging naar het oordeel van het hof niet zo ver dat zij geen enkele wilsvrijheid meer hadden. Het hof wijst er in dit verband op dat beide verdachten welbewust handelingen hebben verricht tijdens hun vlucht, zoals het stoppen voor de slagboom, uitstappen en openen van de slagboom en het naar de uitgang rijden. Zij hebben er voor gekozen om zich aan een mogelijke aanhouding te ontrekken. Dat bij hen sprake was van paniek en stress staat niet in de weg aan opzettelijk en doelbewust handelen.

IV.

Is sprake van medeplegen?

Om in deze tot het wettig bewijs van medeplegen door [medeverdachte] te komen, moet vastgesteld kunnen worden dat ook het opzet van [medeverdachte] gericht was op de dood van het slachtoffer. Daartoe moet kunnen worden vastgesteld dat [medeverdachte] zich bewust is geweest van de aanwezigheid bij het uiteinde van de rolpoort van het slachtoffer. Anders dan [verdachte] heeft [medeverdachte] niet verklaard dat hij tijdens het oprijden naar de uitgang van de Geffense Plassen het slachtoffer bij de poort heeft gezien. [medeverdachte] heeft integendeel verklaard dat hij niemand bij de poort heeft gezien. Voor het overige bevindt zich in het dossier onvoldoende bewijs om te kunnen vaststellen dat [medeverdachte] tijdens de vlucht met [verdachte] het slachtoffer op enig moment vóór de aanrijding heeft gezien of heeft moeten zien.

[medeverdachte] kan daarom niet als medepleger worden aangemerkt en hij moet worden vrijgesproken voor zover de tenlastelegging inhoudt dat zijn opzet was gericht op de dood van het slachtoffer.

Inzake [verdachte] brengt dit mee dat niet het medeplegen, maar het alléén plegen zal worden bewezen verklaard.

Met betrekking tot feit 1B

Het hof acht bewezen dat [verdachte] roekeloos heeft gereden. [verdachte] is met hoge snelheid over het Gielekespad naar de uitgang van de Geffense Plassen gereden. Hij was op de vlucht uit vrees aangehouden te worden. Daarbij reed hij op de verkeerde weghelft van het Gielekespad, dus hij hield niet zoveel mogelijk rechts. Kort voor die uitgang is een bocht naar links, maar [verdachte] heeft kennelijk zijn snelheid niet aangepast. Hierdoor was hij niet in staat zijn voertuig na de bocht voor de poort tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was. Hij heeft de rolpoort zien dichtgaan en heeft een persoon bij het uiteinde van de rolpoort zien staan. Hij heeft toen niet afgeremd, maar is kennelijk met onverminderde snelheid blijven doorrijden in een poging om te ontvluchten. Daarbij heeft hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij de poort en/of het slachtoffer zou raken.

Het hof is van oordeel dat het onder 1B bewezenverklaarde feit is gepleegd in eendaadse samenloop met het onder 1A bewezenverklaarde feit.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1A subsidiair en onder 1B bewezen verklaarde levert op:

De eendaadse samenloop van

1A. poging tot doodslag, voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid en het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren (strafbaar gesteld in artikel 45 jo. artikel 288 van het Wetboek van Strafrecht).

en

1B. overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht (strafbaar gesteld in artikel 175, tweede lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994).

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep een beroep gedaan op psychische overmacht en bepleit dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De externe druk van het in paniek vluchten na betrapping en bekogeld worden met stenen heeft gemaakt dat er voor verdachte een beperkte wilsvrijheid werd veroorzaakt, waarbij in redelijkheid geen ruimte meer was tot rationeel nadenken aldus de raadman.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Voor een geslaagd beroep op psychische overmacht moet sprake zijn van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Een dergelijke drang is in de onderhavige zaak niet aannemelijk geworden. Het hof verwijst in dit verband naar hetgeen het hof hiervoor (laatste alinea onder III) heeft overwogen.

Het hof verwerpt het verweer.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Gelet op de bijzondere aard en ernst van de feiten zal het hof bij de bepaling van de op te leggen straf of maatregel niet het jeugdstrafrecht toepassen.

Met betrekking tot de feiten 1A en 1B

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Alles overziend acht het hof, conform de eis van de advocaat-generaal, een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden een passend en geboden.

Met betrekking tot de feiten 2 en 3

Het hof zal, gelet op artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering, de straf ten aanzien van de niet aan zijn oordeel onderworpen door de eerste rechter bewezen verklaarde feiten, te weten feit 2. de gekwalificeerde poging tot doodslag van [slachtoffer 2] en feit 3. het verlaten van een plaats ongeval bepalen op een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden. Ook hierbij geldt dat gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt

Het hof heeft ten laste van de verdachte gelet op de volgende omstandigheden:

- de mate waarin het bewezen verklaarde persoonlijk leed teweeg heeft gebracht bij het slachtoffer [slachtoffer 1] en haar partner [slachtoffer 2]; in dit verband zij herhaald dat de verdachte wordt veroordeeld ter zake van twee pogingen tot doodslag: een op [slachtoffer 2], op wie verdachte tot tweemaal toe is ingereden, en een op [slachtoffer 1], die daardoor ernstig gewond is geraakt, en voorts is veroordeeld ter zake van het feit dat hij na de aanrijding met [slachtoffer 1] is doorgereden zonder zich te bekommeren om het slachtoffer haar in hulpeloze toestand heeft achtergelaten;

- de proceshouding van verdachte; verdachte heeft tot in hoger beroep gelogen over de omstandigheid dat hij de bestuurder van de personenauto is geweest.

Het hof heeft ten gunste van de verdachte zin gelet op de volgende omstandigheden:

- het gaat om een jonge verdachte (hij was ten tijde van de delicten 18 jaar oud), die weliswaar volgens het psychiatrisch rapport d.d. 29 juli 2010 niet lijdende was aan een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, maar bij wie wel moet worden gesproken van een matig ontwikkelde persoonlijkheid en van onrijpheid met grote afhankelijkheid van de ouders en een onvermogen om adequaat te handelen in een acute situatie.;

- het recidiverisico wordt door de psychiaters en de reclassering laag ingeschat;

- verdachte heeft de door de rechtbank opgelegde straf reeds uitgezeten, maar krijgt door de afloop van de zaak in hoger beroep een hogere gevangenisstraf .

- zoals mede blijkt uit een brief d.d. 10 september 2012 van de ouders van de verdachte, is de verdachte na zijn invrijheidstelling bezig zijn leven op te bouwen met een combinatie van opleiding en werk en heeft hij een vriendin leren kennen. Weliswaar weegt dit – afgezet tegen de ernst van de bewezen verklaarde feiten – niet zwaar genoeg om de verdachte helemaal geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf “erbij te geven”, maar die extra gevangenisstraf wordt door het hof beperkt tot een overzienbare periode.

Het hof zal – anders dan door de advocaat-generaal – gevorderd niet overgaan tot het opleggen van een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen. Het hof acht hiertoe, mede gelet op de inschatting van het recidivegevaar door de reclassering en de op te leggen gevangenisstraf, geen termen aanwezig.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 45, 55 en 288 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6 en 175 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Bepaalt de door de rechtbank opgelegde straf voor het onder 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde op een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1A primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1A subsidiair en onder 1B ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1A subsidiair en onder 1B bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Aldus gewezen door

mr. J.C.A.M. Claassens, voorzitter,

mr. J.J. van der Kaaden en mr. H. de Doelder, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. C.C. Silanoe-Lemmers, griffier,

en op 1 oktober 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mrs. J.J. van der Kaaden en H. de Doelder zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.