Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BX8213

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-09-2012
Datum publicatie
25-09-2012
Zaaknummer
HD 200.084.649
Rechtsgebieden
Civiel recht
Europees bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

karakteristiek: bijzondere bevoegdheid art. 5, aanhef en sub 3 EEX-Vo

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2012/499
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.084.649

arrest van de tweede kamer van 11 september 2012

in de zaak van

1. Renaissance Art Investors LLC,

kantoorhoudende te [vestigingsplaats] (Verenigde Staten van Amerika),

2. Old Master Properties LLC,

kantoorhoudende te [vestigingsplaats] (Verenigde Staten van Amerika),

appellanten,

advocaat: mr. M. Deckers,

tegen:

[X.], handelende onder de naam La Galleria [X.],

wonende en zaakdoende te [woonplaats] (Italië),

geïntimeerde,

advocaat: mr. P.W.L. Russell,

op het bij exploot van dagvaarding van 15 maart 2011 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht gewezen vonnis in incident van 15 december 2010 tussen appellanten - tezamen, evenals appellante sub 1, verder (in enkelvoud) RAI te noemen - als eiseressen in de hoofdzaak, verweersters in het incident en geïntimeerde - [geïntimeerde] - als gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 154302/ HA ZA 10-1029)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft RAI, onder overlegging van de stukken van het geding in eerste aanleg en een extra productie (productie 29), acht grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot bevoegd verklaring alsnog van de rechtbank Maastricht, toewijzing alsnog van haar vorderingen en veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties en de kosten van het beslag en de bewaring, vermeerderd met wettelijke rente.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde], onder overlegging van zeven producties, de grieven bestreden. [geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep en, voor het geval het hof tot een ander oordeel mocht komen, tot terugverwijzing van de zaak naar de rechtbank.

2.3. Partijen hebben daarna hun standpunten nader doen toelichten door hun advocaten. voor RAI mr. Deckers en voor [geïntimeerde] mr. P.W.L. Russell. De advocaten hebben gepleit aan de hand van door hen overgelegde pleitnota’s.

2.4. Na afloop van de pleidooien hebben de partijen uitspraak gevraagd op het reeds voor het pleidooi gefourneerde procesdossier.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1.1. Het gaat in deze zaak om het volgende:

a. RAI stelt eigenaar te zijn van een schilderij, getiteld “Madonna and Child”, geschilderd door [kunstenaar]. Volgens RAI is dit kunstwerk door [geïntimeerde] op de van 18 tot en met 27 maart 2010 gehouden kunst- en antiekbeurs Tefaf te Maastricht te koop aangeboden onder de naam “Madonna della Candalabre”.

b. RAI heeft op 25 juni 2010, na daartoe van de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht op voormelde datum verkregen verlof (op voorwaarde van instelling van de eis in de hoofdzaak binnen vier weken na het leggen van het beslag), op voormeld door [geïntimeerde] op de Tefaf te koop aangeboden kunstwerk - na een opgeheven eerder beslag - (opnieuw) conservatoir beslag doen leggen tot zekerheid van verhaal van een vordering tot afgifte van het kunstwerk aan haar, RAI (prod 17 RAI inl. dagv.).

c. Bij dagvaarding van 23 juli 2010 heeft RAI [geïntimeerde] in rechte betrokken voor de rechtbank Maastricht ter zake de vorderingen, vermeld in r.o. 2.5 van het vonnis waarvan beroep. RAI vorderde, kort samengevat, (1) een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] onrechtmatig jegens haar had gehandeld en daarom aansprakelijk is voor de door haar dientengevolge geleden schade, nader op de maken bij staat, (2) een verklaring voor recht dat RAI de rechtmatige eigenaar is van het kunstwerk en gerechtigd is dit te revindiceren, (3) vergoeding van buitengerechtelijke kosten, (4 en 5) vergoeding van proceskosten, nakosten en beslagkosten.

4.1.2. [geïntimeerde] heeft de bevoegdheid van de Nederlandse rechter betwist. Bij het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank dat standpunt gehonoreerd. De rechtbank oordeelde, kort samengevat, (i) dat, nu [geïntimeerde] woonplaats had in Italië, op de bevoegdheidsvraag de EEX-Vo van toepassing was en (ii) dat het geschil tussen partijen in hoofdzaak neerkwam op de vraag wie eigenaar was van het kunstwerk en dat, nu de EEX-Vo voor dat onderwerp geen specifieke bevoegdheidsregel kent, daarmee op grond van de algemene bevoegdheidsregel van art. 2 EEX-Vo in dit geval de bevoegde rechter van de woonplaats van [geïntimeerde], dus de Italiaanse rechter, bevoegd is over het geschil te oordelen. De rechtbank Maastricht verklaarde zich onbevoegd van de vorderingen van RAI kennis te nemen.

4.1.3. RAI bestrijdt in hoger beroep dit oordeel.

4.2.1. Het hof overweegt allereerst dat partijen in hoger beroep terecht niet bestrijden, dat op het bevoegdheidsgeschil tussen partijen de EG-verordening nr. 44/2001 (EEX-Vo) van toepassing is. Ook het hof zal de bevoegdheidsvraag aan de hand van voormelde verordening beantwoorden.

4.2.2. Het hof is voorts met de rechtbank van oordeel dat [geïntimeerde] met zijn akte houdende exceptie onbevoegdheid duidelijk te kennen heeft gegeven dat hij in rechte is verschenen met het doel om de bevoegdheid van de Nederlandse rechter te betwisten en dat van een bevoegdheid van de Nederlandse rechter op grond van art. 24 EEX-Vo te dezen geen sprake kan zijn. Grief 2, waarin RAI dat oordeel bestrijdt, faalt.

4.3.1. In de grieven 3, 6 en 7 bestrijdt RAI, kort samengevat, het oordeel van de rechtbank dat de kern van het geschil tussen partijen de vraag betreft wie eigenaar is van het kunstwerk. Volgens RAI miskent de rechtbank hiermee dat zij aan haar vorderingen jegens [geïntimeerde] het verwijt ten grondslag heeft gelegd dat door [geïntimeerde] in Nederland onrechtmatig is gehandeld en dat zij, RAI, dientengevolge in Nederland schade heeft geleden. Het onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] is, zo stelt RAI, gelegen in het feit dat zij in Nederland, op de Tefaf, in strijd met het eigendomsrecht van RAI en zonder daartoe van RAI verkregen toestemming het kunstwerk te koop heeft aangeboden. Nu het gaat om (in elk geval ten dele) een vordering op grond van een in Nederland gepleegde onrechtmatige daad, is volgens RAI op grond van art. 5, aanhef en onder 3 EEX-Vo de Nederlandse rechter tot beoordeling van die vordering bevoegd. Dat bij de beoordeling van de vordering vervolgens de eigendomsvraag aan de orde komt, doet daaraan volgens RAI niet af. Die vraag zal door de bevoegde rechter kunnen worden beantwoord aan de hand van het op die vraag toepasselijke recht. Bij het pleidooi in hoger beroep heeft RAI voorts nog opgemerkt dat zij, indien het appel slaagt en de zaak wordt terugverwezen, haar vordering in de hoofdzaak in die zin zal wijzigen dat zij de teruggave van het kunstwerk zal vorderen als schadevergoeding en dat in feite haar vordering onder (2) tot een verklaring van recht, dat zij de rechtmatige eigenaar is van het kunstwerk, onnodig is.

4.3.2. Deze grieven slagen. RAI heeft haar vorderingen (en in elk geval de vorderingen (1), (3) en (5)) uitdrukkelijk doen steunen op de grondslag dat [geïntimeerde] jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld door in strijd met haar eigendomsrecht op het kunstwerk en zonder haar toestemming het kunstwerk in Nederland op de Tefaf te koop aan te bieden. De door RAI gestelde feiten steunen de gestelde grondslag. Daarmee is, naar RAI terecht stelt, de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter op grond van art. 5, aanhef en sub 3 EEX-Vo om van de vorderingen van RAI kennis te nemen gegeven. Die bevoegdheid van de Nederlandse rechter wordt bepaald door de grondslag van de vordering. De vraag of RAI zich al dan niet terecht op eigendom van het kunstwerk beroept en de vraag naar welk recht die vraag zal moeten worden beantwoord, spelen bij die bevoegdheidsvraag geen rol en zullen nadien door de naar het internationale bevoegdheidsrecht bevoegd geachte rechter beantwoord dienen te worden.

4.3.3. Mede gelet op de toelichting van RAI dat zij de afgifte van het kunstwerk wenst te vorderen als schadevergoeding en dat de gevorderde verklaring van recht met betrekking tot de eigendom van het kunstwerk als feitelijk onnodig kan worden beschouwd, doet naar het oordeel van het hof de vordering onder (2) er niet aan af dat de vordering van RAI in essentie een vordering behelst als door RAI gesteld, te weten een vordering op grond van een door RAI gestelde onrechtmatige daad, waarbij het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of kan voordoen in Nederland.

4.3.4. Met betrekking tot het verweer van [geïntimeerde], dat voor een uitzondering op de hoofdregel van art. 2 EEX-Vo alleen plaats is in ‘welbepaalde gevallen waarin een bijzonder nauw verband bestaat tussen een vordering en de rechter die kan worden geroepen’ en dat zich een dergelijke situatie in dit geval niet zou voordoen, overweegt het hof nog het volgende. In de EEX-Vo zijn nu juist in art. 5 de gevallen omschreven waarin een ander aanknopingspunt voor de bevoegdheid (dan de woonplaats van de verweerder) gewettigd is geoordeeld. De omstandigheid dat [geïntimeerde] naast onrechtmatig handelen in Nederland ook onrechtmatig handelen in Italië zou kunnen worden verweten, doet aan het door RAI gestelde onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] en de dientengevolge door RAI geleden schade niet af. Het is ook tegen het in Nederland aan [geïntimeerde] verweten onrechtmatig handelen dat RAI is opgetreden en de vordering van RAI tot schadevergoeding behelst mede die kosten. Het hof ziet dan ook niet in waarom de bijzondere bevoegdheid van art. 5, aanhef en sub 3 EEX-Vo in dit geval buiten toepassing zou moeten worden gelaten. Dit geldt temeer nu aan de EEX-Vo mede ten grondslag ligt het wederzijdse vertrouwen van de lidstaten in elkaars rechtsbedeling.

4.4.1. Het voorgaande betekent dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd. Het beroep van [geïntimeerde] op onbevoegdheid van de Nederlandse rechter zal alsnog worden afgewezen. De zaak zal, gelet op het bepaalde in art. 76 Rv en de uitdrukkelijk kenbaar gemaakte wens van [geïntimeerde] daartoe, ter berechting van de hoofdzaak worden verwezen naar de rechtbank Maastricht. [geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de proceskosten van het incident in eerste aanleg en in de proceskosten van het hoger beroep.

4.4.2. Gezien voormelde beslissing behoeven de overige grieven geen bespreking meer.

5. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, en opnieuw rechtdoende:

wijst het in het incident gevorderde af;

verwijst de zaak ter verdere berechting van de hoofdzaak naar de rechtbank Maastricht;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van het incident in eerste aanleg en in de kosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van RAI worden begroot op € 452,= aan salaris advocaat voor het incident in eerste aanleg en op € 739,81 aan verschotten en € 2.682,= aan salaris advocaat in hoger beroep;

verklaart voormelde veroordeling in de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.A.M. van Schaik-Veltman, S.M.A.M. Venhuizen en T.H.M. van Wechem en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 11 september 2012.