Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BX7997

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-09-2012
Datum publicatie
21-09-2012
Zaaknummer
HD 200.089.200
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

cessie van toekomstige vorderingen; vereisten; bepaalbaarheid; . . . . . .

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 84
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2013/56
JOR 2013/256
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.089.200

arrest van 18 september 2012

in de zaak van

[Express] Express Netherlands B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats], kantoorhoudende te [kantoorplaats],

appellante,

advocaat: mr. B. van Meurs,

tegen:

de vennootschap naar Belgisch recht KBC Commercial Finance N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats], België,

geïntimeerde,

advocaat: mr. D.J.A. van den Berg,

op het bij exploot van dagvaarding van 1 juni 2011 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht gewezen vonnis van 2 maart 2011 tussen appellante - [Express] - als gedaagde en geïntimeerde - KBC - als eiseres.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 145445/HA ZA 09-1385)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het daaraan voorafgegane vonnis van 27 januari 2010.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [Express] negen grieven aangevoerd, producties overgelegd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot afwijzing van de vorderingen van KBC, met veroordeling van KBC tot terugbetaling van hetgeen [Express] reeds heeft voldaan ter uitvoering van het bestreden vonnis met de wettelijke rente over dit bedrag, en met veroordeling van KBC in de kosten van beide instanties.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft KBC, onder overlegging van producties de grieven bestreden.

2.3.Partijen hebben hun zaak doen bepleiten, [Express] door mr. B. van Meurs en KBC door mr. I.E. Reimert. Zij hebben daarbij pleitnota’s overgelegd.

2.4. Partijen hebben daarna de stukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1.1. In r.o. 2.2.-2.5. heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. De door de rechtbank vastgestelde feiten vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Voorts staan nog enkele andere feiten, als enerzijds gesteld en anderzijds niet betwist, tussen partijen vast. Het hof zal hierna een overzicht geven van de relevante feiten.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

4.1.2. Op 14 december 2006 is een factoringovereenkomst (bestaande uit algemene en bijzondere voorwaarden) gesloten tussen International Factors N.V. (hierna: IFB) te [vestigingsplaats] (België) en [Logistiek] Logistiek BVBA te [vestigingsplaats] (België) (hierna: [Logistiek] Logistiek). IFB is op enig moment KBC Commercial Finance gaan heten (hierna: IFB/KBC).

De factoringovereenkomst bepaalde voor zover van belang in art. 2 van de algemene voorwaarden dat [Logistiek] Logistiek “al zijn schuldvorderingen met tijdsbepaling” aan IFB/KBC diende over te dragen.

4.1.3. Op haar facturen voor Nederlandse klanten diende [Logistiek] Logistiek volgens art. IX van de bijzondere voorwaarden de volgende tekst aan te brengen:

“Deze vordering werd gecedeerd aan IFB (..)

Betaling kan slechts geschieden aan IFB (..) op rekening (..) bij KBC Bank Nederland te [vestigingsplaats]. (..)”.

Art. 4.2 van de algemene voorwaarden bepaalde: “Op zijn facturen brengt de cliënt duidelijk leesbaar de cessietekst aan (..) De cliënt verbindt er zich uitdrukkelijk toe om elke verwijzing naar eigen bankrekeningnummers van zijn facturen te verwijderen.”

Art. 4.3. bepaalde: “Minstens éénmaal per week (..) stuurt de client een kopie van elke factuur naar IFB. Deze factuur wordt gehecht aan een afgifteborderel (..)

4.1.4. [Express] heeft in 2008 diensten ingekocht bij [Logistiek] Logistiek. Alle door [Logistiek] Logistiek aan haar gezonden facturen vermeldden de tekst als in art. IX voornoemd voorgeschreven. [Express] betaalde tussen 3 januari 2008 en 5 september 2008 deze facturen op de bankrekening van KBC.

4.1.5. In augustus-oktober 2008 heeft [Express] diensten afgenomen bij [Logistiek] Logistiek, waarvoor [Logistiek] Logistiek haar facturen zond, waarop eveneens de verplichte tekst was afgedrukt. Deze facturen zijn door [Express] zonder protest behouden.

4.1.6. Door [Logistiek] Logistiek zijn aan IFB/KBC de in art. 4.3. van de factoringovereenkomst bedoelde afgifteborderellen gezonden. Het borderel bevat onder meer de tekst: “In uitvoering van ons factoringcontract sturen wij u in bijlage de kopieën van de facturen (..) waarvan het aantal, de nummers en het totaal bedrag hieronder vermeld worden. De schuldvorderingen waarvan zij de weergave zijn worden u overgedragen (..)”

Op 1, 5, 11, 12, 13, 14, 18, 20, 21 en 26 augustus 2008, 4, 8, 10, 11, 15, 18 en 19 september 2008 zond [Logistiek] Logistiek aan IFB/KBC afgifteborderellen waarop voor wat betreft [Logistiek] Logistiek de facturen hierna onder r.o. 4.1.7. en 4.1.8. genoemd waren vermeld.

4.1.7. Op 24 september 2008 schreef [medewerker] namens [Logistiek] Logistiek aan [Express]: “(..) zou U het overmaken op de andere bank aangezien wij er dan eerder over beschikken, onderstaande de gegevens die U nodig heeft, zou U deze betaling met “spoed” betaling kunnen doen vandaag, de kosten zijn uiteraard voor onze rekening”

Op 24 september 2008 heeft [Express] de facturen genummerd [factuurnummer 1.], [factuurnummer 2.], [factuurnummer 3.], [factuurnummer 4.], [factuurnummer 5.], [factuurnummer 6.], [factuurnummer 7.], [factuurnummer 8.], [factuurnummer 9.], [factuurnummer 10], [factuurnummer 11.] en [factuurnummer 12.] rechtstreeks aan [Logistiek] Logistiek betaald.

4.1.8. Op 14 oktober 2008 schreef [medewerker] aan [Express]: “Zoals besproken bij deze de bankrekening van de ING ten name van [Logistiek] [vestigingsplaats], zoals besproken zou U dat vandaag, Woensdag, kunnen doen, aub met spoed kosten uiteraard voor rek van ons”.

Op 15 oktober 2008 heeft [Express] de facturen genummerd [factuurnummer 13.], [factuurnummer 14.], [factuurnummer 15.], [factuurnummer 16.], [factuurnummer 17.], en [factuurnummer 18.] rechtstreeks aan [Logistiek] Logistiek betaald.

Het totale bedrag van de aan [Logistiek] Logistiek rechtstreeks betaalde facturen bedroeg € 67.911,48.

4.1.9. Op 5 oktober 2008 schreef [medewerker] aan IFB/KBC: “(..) Van debiteur (..) kunt U de documenten zoals vermeld op de bevoorschotting beperkinglijst afvoeren deze zijn rechtstreeks betaald, tevens kunt U de volgende documenten ook afvoeren namelijk [volgen onder meer de factuurnummers als vermeld in r.o. 4.1.7., hof].”

4.1.10. Op 30 oktober 2008 heeft [Logistiek] Logistiek aan [Express] creditnota’s gezonden voor (een deel van) de facturen in kwestie.

4.1.11. [Logistiek] Logistiek is op 24 november 2008 in staat van faillissement komen te verkeren. De curatoren hebben [Express] hiervan op 8 december bericht gestuurd. Zij schreven daarbij tevens: “Voor zover uit deze facturen blijkt dat deze gecedeerd werden aan KBC Commercial Finance (voorheen International Factors) en deze overdracht aan u werd kenbaar gemaakt, mag u de betaling van deze facturen verder vervolgen in handen van deze factoringmaatschappij.”

4.2. KBC heeft van [Express] betaling verzocht van haar vorderingen tot het bedrag van € 67.911,48, zich beroepend op de cessie daarvan aan haar. [Express] heeft dit geweigerd, zich beroepend op haar betalingen aan [Logistiek] Logistiek. Vervolgens heeft KBC [Express] in rechte betrokken en betaling van genoemd bedrag gevorderd met wettelijke handelsrente en het bedrag van € 9.027,01 aan buitengerechtelijke kosten. De rechtbank heeft bij het thans beroepen vonnis de hoofdvordering inclusief de wettelijke handelsrente toegewezen en terzake de buitengerechtelijke kosten een bedrag van € 1.788,00 toegewezen met veroordeling van [Express] in de kosten van het geding.

4.3. KBC is gevestigd in [vestigingsplaats], België. Het geschil heeft derhalve internationale aspecten, zodat allereerst moet worden onderzocht of de Nederlandse rechter bevoegd is er kennis van te nemen. Dat is het geval: het geschil betreft een handelszaak als bedoeld in artikel 1 van de EEX-Verordening en de Nederlandse rechter heeft rechtsmacht.

Partijen hebben uitdrukkelijk gekozen voor de toepasselijkheid van het Nederlandse recht, zoals ook de rechtbank in eerste aanleg heeft overwogen.

4.4.1.Het hof zal de grieven van [Express] zo veel mogelijk gezamenlijk bespreken en slechts waar nodig aan een individuele grief refereren.

4.4.2.[Express] stelt zich op het standpunt dat, nu zij pas na 14 december 2006 diensten van [Logistiek] Logistiek heeft afgenomen, het factoringcontract geen cessie van enige (toekomstige) vordering van [Logistiek] Logistiek op [Express] behelst, omdat hier sprake is van absoluut toekomstige vorderingen, welke niet gecedeerd kunnen worden. Voorts zouden de gesteld gecedeerde vorderingen onvoldoende bepaald zijn in de zin van art. 3:84 lid 2 BW en lag er aan de gestelde cessie geen rechtsgeldige titel ten grondslag. Haar betaling aan [Logistiek] Logistiek, op dier uitdrukkelijk verzoek, was bevrijdend.

4.4.3.Deze standpunten zijn onjuist. Het volgende heeft rechtens te gelden (vgl. onder meer HR 3 februari 2012, NJ 2012, 261 en HR 29 juni 2001, NJ 2001, 662).

i) Voor de overdracht van een vordering is vereist dat tussen de cedent en de cessionaris wilsovereenstemming bestaat die strekt tot de overdracht. Voorts is voor cessie vereist een akte die doet blijken dat zij tot cessie van de erin bedoelde vordering(en) is bestemd. Deze akte hoeft niet tweezijdig te zijn en zij hoeft niet te doen blijken van de verklaring van de cessionaris dat hij de overdracht aanvaardt. Voldoende is dat de cedent de akte heeft ondertekend.

ii) De akte behoeft niet de titel voor de door de levering beoogde overdracht in te houden. Voldoende is dat de akte zodanige gegevens bevat dat, eventueel in onderling verband en samenhang met andere akten of andere feiten, kan worden vastgesteld dat de akte is bestemd tot overdracht van de bedoelde vorderingen.

iii) De over te dragen vordering moet overeenkomstig art. 3:84 lid 2 BW in voldoende mate door de akte worden bepaald. Noodzakelijk, maar ook voldoende, is dat de betreffende akte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vorderingen het gaat. Met een generieke omschrijving van de vorderingen kan aan het bepaaldheidsvereiste zijn voldaan, indien aan de hand van de gegeven omschrijving kan worden bepaald welke vorderingen zijn overgedragen. De omstandigheden dat de namen van de debiteuren van de vorderingen niet in de akte zijn vermeld en dat de debiteuren slechts generiek zijn omschreven, staat daarom niet aan een geldige overdracht van de vorderingen in de weg.

iv) Vereist is mededeling van de overdracht aan de debiteur van de overgedragen vordering door de vervreemder of verkrijger. Deze mededeling kan in iedere vorm geschieden en kan ook bij voorbaat geschieden, indien de toekomstige schuldenaar reeds bekend is.

v) De (openbare) overdracht van de vordering - welke geheel of gedeeltelijk bij voorbaat is geleverd - vindt plaats wanneer de (beschikkingsbevoegd gebleven) vervreemder haar zelf heeft verkregen en nadat aan alle leveringshandelingen is voldaan (akte en mededeling) (art. 3:94 lid 1 jo art. 3:97 lid 1 BW).

4.4.4. In het onderhavige geval is de factoringovereenkomst de akte van cessie: voldoende is dat de cessionaris ( IFB/KBC) redelijkerwijs uit de akte (in casu: de factoringovereenkomst) heeft mogen begrijpen dat zij tot levering van de vordering was bedoeld. Dit is het geval, nu een en ander zelfs met zoveel woorden in art. 2 van de factoringovereenkomst staat omschreven. Het hof tekent daarbij aan dat door KBC is gesteld dat met “schuldvorderingen met tijdsbepaling” zoals vermeld in art. 2, wordt bedoeld hetgeen in Nederland normaliter wordt aangeduid met “toekomstige vorderingen”. Door [Express] is deze uitleg niet betwist. Zoals uit het hierboven overwogene blijkt, doet het niet ter zake of het bij openbare cessie gaat om de overdracht bij voorbaat van absoluut toekomstige of relatief toekomstige vorderingen.

Bij het ondertekenen van de akte van cessie (de factoringsovereenkomst) is sprake van (nog) toekomstige vorderingen. Dit onderdeel van de leveringshandeling vindt derhalve bij voorbaat plaats. Op het moment dat de vorderingen ontstaan bij [Logistiek] Logistiek zijn deze voldoende identificeerbaar geworden. Door het versturen van de facturen door [Logistiek] Logistiek aan de respectieve debiteuren is de vereiste mededeling gedaan. Op dat moment bestaan de vorderingen al. Dit onderdeel van de leveringshandeling vindt derhalve niet meer bij voorbaat plaats. Op dit moment is aan alle constitutieve leveringshandelingen voldaan en is de vordering gecedeerd. Anders dan [Express] stelt, kan een eenmaal gedane mededeling - waarmee de leveringshandeling van de cessie wordt voltooid – niet door de cedent worden “herroepen” met goederenrechtelijk gevolg. Een voltooide cessie kan slechts ongedaan gemaakt worden door een retro-cessie, waaraan de zelfde vereisten zijn gesteld als aan een gewone cessie.

4.4.5. Met het verzenden van de afgifteborderellen door [Logistiek] Logistiek aan IFB/KBC maakt [Logistiek] Logistiek het vervolgens mogelijk dat - achteraf - aan het bepaaldheidsvereiste kan worden voldaan, omdat vanaf de ontvangst daarvan in ieder geval uit de administratie van IFB/KBC kan worden bepaald om welke vorderingen het gaat. Echter, reeds op een eerder moment kan uit de eigen administratie van [Logistiek] Logistiek (de orderadministratie of de administratie ten aanzien van de verrichte diensten) bepaald worden om welke vorderingen het gaat, zodat de vorderingen reeds dan voldoende bepaald zijn. Nu ten aanzien van het bepaaldheidvereiste naar vaste jurisprudentie door de Hoge Raad slechts wordt vereist dat daaraan “eventueel achteraf” mag worden voldaan, is het moment waarop daaraan wordt voldaan niet van belang voor de bepaling van het moment waarop de cessie heeft plaatsgevonden.

4.4.6. Dat betekent dat [Logistiek] Logistiek in ieder geval vanaf het moment van de ontvangst van de facturen door [Express] - met daarop de mededeling van de cessie - niet meer gerechtigd was tot de vorderingen, nu zij de vorderingen op [Express] op dat moment reeds aan IFB/KBC had overgedragen. De betalingen door [Express] aan [Logistiek] Logistiek bevrijdden [Express] dan ook niet van haar verplichtingen jegens de rechthebbende op de vorderingen, IFB/KBC. Voorzover er al creditnota’s door [Logistiek] Logistiek aan [Express] zijn verzonden, of [Logistiek] Logistiek aan [Express] andersluidende mededelingen heeft gedaan, kunnen die daar niets aan af doen. [Express] zou zich overigens evenmin erop kunnen beroepen dat zij van niets wist, nu zij de mededelingen van de cessie heeft ontvangen en zij zich eerder overeenkomst heeft gedragen door aan IFB/KBC te betalen. Het had op haar weg gelegen om, voordat zij op het dringende verzoek van [medewerker] inging om op een andere rekening te betalen, contact op te nemen met IFB/KBC als rechthebbende op de vordering. Gesteld noch gebleken is dat [Express] dit heeft gedaan. Dat IFB/KBC mogelijk heeft geaccepteerd dat een andere debiteur, met terzijdestelling van de cessie, rechtstreeks aan de cedent betaalde (en niet aan IFB/KBC), of dat zij dit mogelijk zou hebben geaccepteerd voor wat betreft bepaalde andere schulden van [Express] zelf, doet er niet aan af dat de vorderingen in kwestie alle alleen bevrijdend aan IFB/KBC konden worden voldaan. Ook een eventuele afspraak tussen [Logistiek] Logistiek en IFB/KBC dat er door derden steeds bevrijdend mocht worden betaald, kan [Express] niet baten. Afgezien van het feit dat IFB/KBC het bestaan van een dergelijke afspraak betwist, is gesteld noch gebleken dat [Express] die ten tijde van de betaling kende er [Express] er vanuit mocht gaan dat die gestelde afspraak ook haar aanging. Dat de vorderingen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn heeft het hof uit het door [Express] aangevoerde dan ook niet kunnen concluderen.

Het hof passeert derhalve alle bewijsaanbiedingen van [Express] als niet ter zake dienende.

De grieven 1 tot en met 5 en 7 falen derhalve.

4.5.1. Grief 6 is gericht tegen de toewijzing van het bedrag van € 1.788,00 ter zake buitengerechtelijke incassokosten aan KBC. Door [Express] is gesteld dat door KBC slechts kosten bedoeld ter instructie van de zaak zijn gemaakt en dat er sprake is van de “meest eenvoudige vorm van incassowerkzaamheden, namelijk een eenvoudig en standaard incassobriefje aan [Express]”. Hiertegen heeft KBC slechts aangevoerd dat zij voorafgaand aan de dagvaarding heeft getracht betaling van [Express] te bewerkstelligen, maar zij onderbouwt die stelling niet met enig bewijsstuk zodat geen enkel inzicht is gekregen in de samenstelling van de gestelde kosten. Dat betekent dat deze grief slaagt en de vordering ter zake buitengerechtelijke incassokosten alsnog wordt afgewezen.

Anders dan KBC in haar memorie van antwoord stelt, heeft [Express] het standpunt dat zij slechts twee punten volgens rapport Voorwerk-II verschuldigd is, subsidiair ingenomen. Het hof komt aan deze stelling thans niet meer toe.

4.5.2. Grief 8 richt zich tegen de proceskostenveroordeling door de rechtbank Deze grief faalt nu [Express] ook in hoger beroep als voor het overgrote deel in het ongelijk gestelde partij heeft te gelden.

4.5.3. Grief 9 is een bezemgrief en heeft als zodanig geen zelfstandige betekenis.

4.6. De slotsom is dat het beroepen vonnis zal worden bekrachtigd, met uitzondering van de veroordeling tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten, welke alsnog zal worden afgewezen. [Express] zal als voor het overgrote deel in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.

Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.

5. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Maastricht, op 2 maart 2011 tussen partijen gewezen, doch slechts voor zover daarin aan KBC het bedrag van € 1.788,-- ter zake buitengerechtelijke incassokosten in toegewezen;

bekrachtigt dit vonnis voor het overige;

veroordeelt [Express] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van KBC tot op heden begroot op € 1.769,00 aan verschotten en € 4.893,00 aan salaris advocaat;

wijst af het meer of anders gevorderde;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.G. Fikkers, J.C.J. van Craaikamp en A.J. Coster en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 september 2012.