Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BX7817

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-09-2012
Datum publicatie
21-09-2012
Zaaknummer
HD 200.084.006 E
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

vergoeding schade door bouwwerkzaamheden; (uitleg) vaststellingsovereenkomst?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.084.006

arrest van de eerste kamer van 18 september 2012

in de zaak van

[Bouwgroep] BOUWGROEP B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

advocaat: mr. G.H. Beusker,

tegen:

[X.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven,

als vervolg op het door het hof gewezen arrest van 12 juli 2011 in het incident ex artikel 234 Rv in het hoger beroep van het door de rechtbank Roermond onder nummer 90568 / HA ZA 08-867 gewezen vonnis van 16 februari 2011 tussen [geintimeerde] als eiseres en [bouwgroep] Bouwgroep alsmede Kellpla Onroerend Goed BV en Kellpla BV als gedaagden.

Het hof zal hierna de nummering van het tussenarrest voortzetten.

Partijen zullen hierna als [bouwgroep] Bouwgroep en [geintimeerde] worden aangeduid.

5. Het tussenarrest van 12 juli 2011

Bij genoemd arrest in het incident ex artikel 234 Rv heeft het hof de veroordelingen in het vonnis van de rechtbank van 16 februari 2011 uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de beslissing over de proceskosten van het incident aangehouden, en is de hoofdzaak naar de rol verwezen voor memorie van grieven, onder aanhouding van iedere verdere beslissing.

6. Het verdere verloop van de procedure

6.1. [bouwgroep] Bouwgroep heeft een memorie van grieven genomen, daarbij vier grieven aangevoerd, en geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot - kort gezegd- alsnog afwijzing van de vordering van [geintimeerde], met veroordeling van [geintimeerde] in de proceskosten van beide instanties.

6.2. [geintimeerde] heeft bij memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel, onder overlegging van producties, de grieven bestreden, drie grieven in incidenteel appel aangevoerd, en geconcludeerd - kort gezegd - tot vernietiging van het vonnis voor zover de vorderingen van [geintimeerde] daarbij zijn afgewezen, en integrale toewijzing van haar vorderingen, met veroordeling van [bouwgroep] Bouwgroep in de kosten van het incidenteel appel met wettelijke rente.

6.3. [bouwgroep] Bouwgroep heeft in incidenteel appel geantwoord.

6.4. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

7. De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de beide memories.

8. De (verdere) beoordeling

in principaal en incidenteel appel

8.1.In onderdeel 2. van het beroepen vonnis heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. De door de rechtbank vastgestelde feiten, welke niet zijn betwist, vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt.

Het hof zal hierna opnieuw de feiten, voor zover in dit appel relevant, weergeven.

8.2.Het gaat in deze zaak om het volgende:

a) Op 9 november 2006 is tussen Kellpla BV als opdrachtgever en [bouwgroep] Bouwgroep als aannemer een aannemingsovereenkomst gesloten ter zake de nieuwbouw van een bedrijfspand op een perceel aan de [straat] te [plaatsnaam]. Dit perceel behoort in eigendom toe aan Kellpla Onroerend Goed BV. De schriftelijke overeenkomst is overgelegd als prod. 1 bij conclusie van antwoord.

b) [geintimeerde] is eigenaresse van het belendende pand staande en gelegen aan de [straat] te [plaatsnaam].

c) In november 2006 is gestart met de bouwwerkzaamheden. Op 27 november 2006 heeft een vooropname van het pand van [geintimeerde] plaatsgevonden. Hierbij werd de staat van de woning van [geintimeerde] op schrift vastgelegd, ondersteund met fotomateriaal (prod. 3 conclusie van antwoord).

d) Op 29 november 2006 heeft [geintimeerde] een brief, met aanhef “Betreft: Schade claim Kellpla” verzonden (prod. 1 bij inleidende dagvaarding), Daarin deelt zij mee:

“dat ik U aansprakelijk zal stellen, indien er in mijn woning (…) schade ontstaat door toedoen van Uw werkzaamheden die daar plaatsvinden. Ook indien de schade groter wordt bij de reeds vastgelegde oneffenheden.”

e) Bij brief van 30 november 2006 (prod. 4 bij conclusie van antwoord), ondertekend door F. [bouwgroep] namens [bouwgroep] Bouwgroep en [architect], de architect van het bedrijfspand, is aan [geintimeerde] als volgt bericht:

“Hierbij bevestigen wij de opgenomen stand van de oneffenheden van uw woonhuis aan de [straat] te [plaatsnaam].

De aanwezige oneffenheden zijn maandag 27 november 2006 opgenomen en vastgelegd op bijgaande foto’s (totaal 23 stuks).

Deze foto’s zijn donderdag 30 november 2006 door ondergetekende partijen gecontroleerd en voorzien van een paraaf op de achterzijde van de foto’s.

(…)

Na het aanbrengen stalen de stalen buispalen, week 49 2006, en de het aanbrengen van de damwanden, week 2 2007, zullen de foto’s vergeleken worden met de eerder geconstateerde oneffenheden.

Mocht er dan blijken dat er meer schade is ontstaan aan het pand, dan zal [bouwgroep] Bouwgroep B.V. deze op zijn kosten herstellen.”

De brief is door [geintimeerde] voor gezien en akkoord getekend.

f) Tijdens de uitvoering van heiwerkzaamheden is schade ontstaan, onder andere aan het pand van [geintimeerde]. [bouwgroep] Bouwgroep heeft de schade aan de woning van [geintimeerde] geïnventariseerd. In opdracht van [bouwgroep] Bouwgroep is door Uretek Nederland B.V. (hierna: Uretek) een fundatie-ondergrond verbeteringsvoorstel opgesteld (prod. 3 bij inleidende dagvaarding). Onder het kopje “Probleemomschrijving” wordt in dit voorstel is het volgende vermeld:

“De gevels van de woning aan de [straat] te [plaatsnaam] vertonen zettingsscheuren in zowel het binnen- als het buitenspouwblad alsmede in de binnenmuren. Naast het pand wordt nieuwbouw gerealiseerd waarbij damwanden zijn aangebracht en bronbemaling wordt toegepast. Mogelijk zijn deze activiteiten de oorzaak van de zettingen van de fundering van het genoemde pand.”

De aanneemsom voor de door Uretek omschreven werkzaamheden bedraagt € 27.819,-- excl. btw.

g) Op 30 mei 2007 is in opdracht van de aansprakelijkheidsverzekeraar van [bouwgroep] Bouwgroep door EMN Expertise B.V. (hierna: EMN) een rapport uitgebracht waarin verslag wordt gedaan van het verrichte onderzoek naar mogelijke schade ten gevolge van de bouwwerkzaamheden (prod. 4 bij inleidende dagvaarding). In dit rapport wordt geconcludeerd dat het heien van stalen buispalen, het slaan van een damwand en (in mindere mate) het verlagen van de grondwaterstand de oorzaak zijn van de schade die is ontstaan in de naastgelegen panden. Het herstel van de schade aan het pand van [geintimeerde] wordt in dit rapport geraamd op € 42.500,-- excl. btw.

h) Bij aangetekende brief van 20 augustus 2007 van haar advocaat (prod. 5 bij inleidende dagvaarding) is [bouwgroep] Bouwgroep (nogmaals) aansprakelijk gesteld voor de aan [geintimeerde] opgekomen schade.

i) Bij beschikking van 5 maart 2008 heeft de rechtbank Roermond naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van [geintimeerde] een voorlopig deskundigenbericht bevolen, waarbij (wijlen) ir. F.A. van de Kant is benoemd tot deskundige. De deskundige heeft op 21 juli 2008 zijn rapport uitgebracht (prod. 6 bij inleidende dagvaarding). Met betrekking tot de kosten welke met het herstel zijn gemoeid gaat de deskundige uit van de door [bouwgroep] Bouwgroep opgestelde begroting van de schade welke neerkomt op een bedrag van in totaal € 42.200,-- excl. btw (€ 11.600,-- voor de herstelwerkzaamheden door [bouwgroep] Bouwgroep en € 30.600,-- voor de opdracht aan Uretek). Voorts wordt deze raming door de deskundige verhoogd met 3% omdat hij in de raming iets aan de lage kant acht alsmede met een prijsstijging van 3% vanwege het feit dat de begroting van [bouwgroep] Bouwgroep inmiddels een jaar oud is. Daarmee komt de deskundige uit op een bedrag van € 44.700,--. Op dit bedrag brengt de deskundige voorts nog in mindering een bedrag verband houdend met reeds verrichte werkzaamheden aan de inrit en een ontvangen schadevergoeding, zodat de uiteindelijke schade door hem wordt begroot op € 40.566,-- excl. btw.

Voorts acht de deskundige het van belang dat er toezicht komt op de te verrichten herstelwerkzaamheden. De kosten hiervan begroot hij op 4%, derhalve € 1.800,-- excl. btw.

Tot slot is de deskundige van mening dat ondanks het plaatselijk en goed herstel van het voegwerk, dit toch altijd zichtbaar zal zijn, hetgeen een waardeverminderend effect heeft op de woning welke hij ex aequo et bono begroot op 5% van de economische i.c. verkoopwaarde bij leegstand, zijnde 5% van de WOZ-waarde, zijnde € 8.500,--.

j) Naar aanleiding van het deskundigenrapport heeft de advocaat van [geintimeerde] bij faxbericht van 14 augustus 2008 bericht dat [geintimeerde] het herstel van de woning niet door [bouwgroep] Bouwgroep zal laten uitvoeren, maar dat zij vergoeding van de door haar geleden schade vordert.

8.3. [geintimeerde] heeft [bouwgroep] Bouwgroep (alsmede Kellpla BV en Kellpla Onroerend Goed BV) in rechte betrokken, en - na eiswijzigingen - gevorderd:

primair

hoofdelijke veroordeling tot betaling van € 48.273,54 wegens bouwkundige kosten, met wettelijke rente;

subsidiair:

[bouwgroep] Bouwgroep te veroordelen tot herstel van de gebreken aan de woning inclusief ondergrond en aanhorigheden van [geintimeerde], een en ander uit te voeren conform de eis van goed en deugdelijk werk en de herstelwerkzaamheden op te leveren binnen twee maanden na betekening van het te wijzen vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- per dag (een dagdeel daaronder begrepen);

primair en subsidiair:

hoofdelijke veroordeling tot betaling van:

- € 8.500,-- in verband met permanente waardevermindering van de woning, met wettelijke rente,

- € 2.142 (incl. btw) in verband met kosten van toezicht bij de herstelwerkzaamheden, met wettelijke rente,

- € 2.070 in verband met de kosten van de rechtbankdeskundige, met wettelijke rente,

- € 9.738,46 in verband met kosten voor juridisch advies, met wettelijke rente

en te veroordelen in de proceskosten, met wettelijke rente vanaf 14 dagen na dagtekening van de uitspraak, alsmede in de nakosten.

8.4. [geintimeerde] legt aan haar vordering ten grondslag dat [bouwgroep] Bouwgroep en Kellpla BV hebben verzuimd de nodige voorzorgsmaatregelen ter voorkoming van de onderhavige schade te (doen) treffen, waardoor de in acht te nemen veiligheidsnormen zijn geschonden. Bijgevolg zijn zij hoofdelijk aansprakelijk voor de schade van [geintimeerde] op grond van artikel 6:162 BW.

8.5. De rechtbank heeft de vorderingen jegens Kellpla BV en Kellpla Onroerend Goed BV afgewezen. Zij heeft de primaire vordering jegens [bouwgroep] Bouwgroep toegewezen tot een bedrag van € 50.415,54 (te weten de gevorderde bouwkundige herstelkosten ad € 48.273,54 en kosten in verband met toezicht tijdens de herstelwerkzaamheden ad € 2.142,--) met wettelijke rente vanaf de dag der inleidende dagvaarding, en [bouwgroep] Bouwgroep veroordeeld in de proceskosten, waaronder de kosten van de deskundige, en in de nakosten, een en ander met wettelijke rente.

8.6. Met de grieven in principaal appel komt [bouwgroep] Bouwgroep op tegen het verwerpen door de rechtbank van haar stelling dat tussen haar en [geintimeerde], gelet op de inhoud van de brief van 30 november 2006, een vaststellingsovereenkomst is gesloten, waarbij is overeengekomen dat [bouwgroep] Bouwgroep op haar kosten de schade van [geintimeerde] zou herstellen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de brief van 30 november 2006 niet als een overeenkomst kan worden gezien op grond waarvan [bouwgroep] Bouwgroep gehouden zou zijn ontstane schade aan de woning van [geintimeerde] zelf op eigen kosten te herstellen en [geintimeerde] gehouden zou zijn tot het verlenen van medewerking aan [bouwgroep] Bouwgroep teneinde deze in staat te stellen herstelwerkzaamheden aan de woning te verrichten. De rechtbank heeft overwogen dat de brief van 30 november 2006 niet anders kan worden opgevat dan als een intentieverklaring waarbij [bouwgroep] zich bereid heeft verklaard eventuele schade welke tengevolge van de werkzaamheden zou optreden op eigen kosten te herstellen. Hieruit kan geen verplichting voor [geintimeerde] worden afgeleid om eventuele schade met uitsluiting van enig alternatief, door [bouwgroep] te laten herstellen, aldus de rechtbank.

8.6.1. Met grief I betoogt [bouwgroep] Bouwgroep dat de rechtbank met de kwalificatie intentieverklaring geen recht doet aan doel en strekking van de litigieuze brief van 30 november 2006 nu in die brief afspraken tussen partijen zijn opgenomen, te weten enerzijds de afspraak dat partijen zich tegenover elkaar vastleggen omtrent de staat van de woning van [geintimeerde] conform de bij de brief gevoegde foto’s, en anderzijds de afspraak dat voor het geval schade aan de woning zou ontstaan ten gevolge van de werkzaamheden, [bouwgroep] Bouwgroep deze schade zou herstellen waarmee voor [geintimeerde] de verplichting ontstond dat zij [bouwgroep] tot dit herstel zou toelaten. [bouwgroep] Bouwgroep herhaalt haar standpunt uit de eerste aanleg dat het bij de gestelde overeenkomst in bedoelde brief om een vaststellingsovereenkomst in de zin van art 7:900 lid 1 BW gaat, nu immers partijen met het oog op de voorkoming van onzekerheid of een geschil de voormelde afspraken hebben gemaakt over de staat van de woning en het herstel van eventuele schade door [bouwgroep] Bouwgeroep. Een ander doel dan het vermijden van onzekerheid dan wel een geschil nadat schade zou zijn ontstaan hadden deze afspraken niet. Met de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst in de brief van 30 november 2006 zijn derhalve verbintenissen tot nakoming van de daarin vastgelegde afspraken tot stand gekomen.

8.6.2. [geintimeerde] heeft in reactie op de grief aangevoerd dat de brief van 30 november 2006 moet worden gezien in het licht van het tussen partijen voorafgaand gevoerde overleg en de daags tevoren verzonden aansprakelijkheidsstelling door [geintimeerde] (zie r.o. 8.2. sub d). De brief is noch een intentieverklaring noch een vaststellingsovereenkomst. De brief behelst haars inziens slechts slecht een erkenning van aansprakelijkheid van [bouwgroep] Bouwgroep voor de aan de woning van [geintimeerde] optredende schade als gevolg van de door, althans in opdracht van [bouwgroep] Bouwgroep uitgevoerde werkzaamheden. Zo heeft zij de brief, gezien de bewoordingen en de daaraan voorafgaande bespreking, begrepen en ook mogen begrijpen, aldus [geintimeerde]. Zij bestrijdt dat zij zich met het ondertekenen van de brief verbonden heeft om [bouwgroep] Bouwgroep exclusief het herstel te laten uitvoeren. Subsidiair stelt [geintimeerde] zich op het standpunt dat de kwalificatie door de rechtbank als intentieverklaring juist, is, omdat in de brief slechts de intentie van [bouwgroep] Bouwgroep bevat om de schade te herstellen kenbaar is gemaakt, en uit de brief geen verplichting voor [geintimeerde] kan worden afgeleid om eventuele schade, met uitsluiting van elk ander alternatief, door [bouwgroep] Bouwgroep te laten herstellen.

8.6.3. Het hof stelt voorop dat de rechtbank in het beroepen vonnis heeft vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat tengevolge van de in opdracht van [bouwgroep] Bouwgroep uitgevoerde werkzaamheden schade aan de woning van [geintimeerde] is ontstaan (r.o. 4.3.) en dat [bouwgroep] Bouwgroep aansprakelijk is voor de door die werkzaamheden veroorzaakte schade, zij het dat [bouwgroep] Bouwgroep de omvang van de door [geintimeerde] geleden schade betwist (r.o. 4.10.). Tegen deze vaststelling is niet gegriefd, zodat daarvan ook in hoger beroep wordt uitgegaan.

Het debat van partijen in het principaal appel spitst zich toe op de vraag of partijen met de ondertekening van de brief van 30 november 2006 al dan niet hebben beoogd overeen te komen dat de werkzaamheden tot herstel van de schade aan de woning uitsluitend door [bouwgroep] Bouwgroep zelf zouden (kunnen) worden uitgevoerd, en [geintimeerde] gehouden was [bouwgroep] Bouwgroep tot het verrichten van die herstelwerkzaamheden in staat te stellen.

Het hof is van oordeel dat de door [bouwgroep] Bouwgroep gegeven uitleg aan de meergenoemde brief niet kan worden afgeleid uit de in die brief gebezigde bewoordingen “Mocht er dan blijken dat er meer schade is ontstaan aan het pand, dan zal [bouwgroep] Bouwgroep BV deze op haar kosten herstellen.”. Uit deze bewoordingen kan taalkundig niet meer of anders worden afgeleid dan dat [bouwgroep] Bouwgroep bereid was de kosten van het herstel van de schade voor zijn rekening te nemen, maar niet door wie die werkzaamheden (en bij uitsluiting) zouden worden verricht.

Het hof overweegt dat de betekenis van een omstreden beding in een schriftelijke overeenkomst door de rechter moet worden vastgesteld aan de hand van hetgeen partijen destijds hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

Nu [bouwgroep] Bouwgroep zich in rechte beroept op de rechtsgevolgen van de door hem gegeven uitleg van de gestelde overeenkomst, rust op haar de plicht deze met concrete feiten en omstandigheden te onderbouwen, hetgeen zij niet, althans onvoldoende heeft gedaan. De enkele stelling bij memorie van grieven dat dit voor haar een forse kostenbesparing zou betekenen, omdat zij de werkzaamheden dan in eigen beheer kon uitvoeren, is daartoe ontoereikend. Nu [bouwgroep] Bouwgroep ter zake niet aan haar stelplicht heeft voldaan, wordt aan bewijsvoering op dit punt niet toegekomen, zodat het bij memorie van grieven gedane bewijsaanbod wordt gepasseerd.

8.6.4. Het voorgaande betekent dat in rechte niet is komen vast te staan dat met de brief van 30 november 2006 tussen partijen is overeengekomen dat [geintimeerde] gehouden was om de schade tengevolge van de in opdracht van [bouwgroep] Bouwgroep verrichte werkzaamheden uitsluitend door [bouwgroep] Bouwgroep te laten herstellen, zodat deze uitleg van de brief van 30 november 2006, en in het verlengde daarvan het beroep op schuldeisersverzuim terecht en op goede gronden door de rechtbank is verworpen. De grief faalt derhalve.

8.6.5. Dat geldt ook voor grief II in principaal appel, gericht tegen de toewijzing van het bedrag van € 2,142,-- ter zake de kosten van toezicht, nu ter toelichting op die grief slechts wordt teruggegrepen op de stelling dat sprake is van een overeenkomst met de door [bouwgroep] Bouwgroep gestelde inhoud, welke stelling hiervoor is verworpen.

8.6.6. Nu de grieven I en II falen delen de principale grieven III en IV, gericht tegen de proceskostenveroordeling en de toewijzing van de primaire vordering, hun lot.

Voor zover [bouwgroep] Bouwgroep bij grief III subsidiair nog heeft aangevoerd dat er sprake is van het dubbel opvoeren van vertragingsrente, omdat de deskundige in zijn schadeberekening reeds rekening heeft gehouden met de verstreken tijd sedert het ontstaan van de schade, kan dit [bouwgroep] Bouwgroep niet baten. Zoals [geintimeerde] in reactie op de grief terecht heeft aangevoerd, heeft de deskundige de kosten van herstel geïndexeerd omdat deze in 2008 3% hoger uitvielen dan in 2007, zulks ter bepaling van het door [bouwgroep] Bouwgroep verschuldigde bedrag in hoofdsom. Zulks laat onverlet dat [bouwgroep] Bouwgroep ingevolge artikel 6:119 BW vanaf het moment van verzuim over de hoofdsom wettelijke rente verschuldigd is. De toewijzing door de rechtbank van de wettelijke rente vanaf de dag der inleidende dagvaarding zal derhalve in stand worden gelaten.

8.7. Het principaal appel leidt bijgevolg niet tot vernietiging van het beroepen vonnis. [bouwgroep] Bouwgroep zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van het principaal appel worden veroordeeld, de kosten van het incident daaronder begrepen.

8.8. In het incidenteel appel heeft [geintimeerde] een tweetal grieven opgeworpen, gericht tegen de afwijzing van de gevorderde vergoeding voor de waardevermindering van de woning en de kosten voor juridisch advies, welke het hof hierna zal bespreken.

Het hof zal het primaire verweer van [bouwgroep] Bouwgroep dat de respectieve vorderingen moeten worden afgewezen omdat deze het lot van de hoofdvordering moeten delen, passeren, nu de verplichting van [bouwgroep] Bouwgroep tot vergoeding van de aan de woning van [geintimeerde] toegebrachte schade met het voorgaande vaststaat.

8.8.1. Grief I met betrekking tot de waardevermindering van de woning slaagt. Het hof acht met de door [bouwgroep] Bouwgroep overgelegde brief van [Makelaars] Makelaars d.d. 19 juni 2008 (prod. 5 bij conclusie van antwoord), welke is gebaseerd op een visuele gevelinspectie, getoonde foto’s en zijdens [bouwgroep] Bouwgroep verstrekte informatie over de uit te voeren werkzaamheden, het oordeel van de rechtbankdeskundige onvoldoende weerlegd. Het hof is met [geintimeerde] van oordeel dat ir. Van de Kant specifiek deskundig was om de bouwkundige c.q. constructieve staat van de woning, alsmede een eventuele bouwkundige c.q. constructieve achteruitgang van de woning na herstel, vast te stellen, tot het vaststellen waarvan hij ook door de rechtbank als deskundige was benoemd. De deskundige heeft in zijn rapport gemotiveerd uiteengezet waarom hij de mening van [Makelaar] Makelaars in voormelde brief niet deelt, welke motivering naar het oordeel van het hof overtuigt. De deskundige heeft de waardevermindering ex aequo et bono geraamd op 5% van de economische i.c. verkoopwaarde bij leegstand, in dit geval de WOZ-waarde, welke volgens een recente opgave € 170.000 bedroeg. Het hof acht met de enkele stelling van [bouwgroep] Bouwgroep bij memorie van antwoord in incidenteel appel dat de WOZ-waarde geen bruikbare maatstaf is voor de verkoopwaarde en daarmee evenmin voor de vaststelling van een eventuele vermindering van de verkoopwaarde, niet aannemelijk geworden, althans onvoldoende onderbouwd, dat het door de deskundige geraamde bedrag voor waardevermindering van de woning als bovenmatig moet worden aangemerkt.

Zulks betekent dat het oordeel van de rechtbank dat de waardevermindering van de woning als door de deskundige beraamd en door [geintimeerde] gevorderd niet voor vergoeding in aanmerking komt, niet in stand kan blijven. Het hof zal terzake de schade tengevolge van de waardevermindering alsnog het gevorderde bedrag van € 8.500,--, met wettelijke rente daarover, toewijzen.

8.8.2. De incidentele grief II bestrijdt de integrale afwijzing door de rechtbank van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten ad € 9,738,46. [geintimeerde] stelt in de toelichting op de grief dat het bij de door haar gevorderde kosten gaat om kosten van juridisch advies ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid ex artikel 6:96 lid 2 sub b, en dat deze zien op de verrichtingen van de advocaat van [geintimeerde] tot het deskundigenbericht, onder andere op het opstellen van vele brieven aan [bouwgroep] Bouwgroep en haar advocaat, alsmede diverse besprekingen met (de advocaat van) [bouwgroep] Bouwgroep ter vaststelling van de aansprakelijkheid en omvang van de schade. Het hof acht met de lijsten van “specificatie verrichtingen” (welke ook reeds in eerste aanleg waren overgelegd), zonder verdere toelichting, die ontbreekt, het gevorderde bedrag van € 9.738,46 wegens kosten ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid onvoldoende onderbouwd. Nu [bouwgroep] Bouwgroep de vordering gemotiveerd heeft betwist, en [geintimeerde] ook in appel onvoldoende heeft onderbouwd waarom de gevorderde kosten voor rekening van [bouwgroep] dienen te komen, ligt de afwijzing van het door [geintimeerde] ter zake gevorderde bedrag voor afwijzing gereed. In zoverre faalt de grief.

Het hof acht echter het subsidiair gevorderde bedrag van € 1.788,-- voor toewijzing vatbaar, nu uit de diverse door [geintimeerde] overgelegde brieven van haar advocaat blijkt van verrichtingen op basis waarvan een forfaitaire vergoeding conform aanbeveling II van het rapport Voor-Werk II op zijn plaats is. De grief treft derhalve in zoverre doel.

8.9. Het voorgaande betekent dat het beroepen vonnis zal worden vernietigd voor wat betreft de afwijzing van het gevorderde bedrag van € 8.500,-- wegens waardevermindering van de woning en vergoeding van buitengerechtelijke kosten, en voor het overige bekrachtigd.

[bouwgroep] Bouwgroep zal, als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van het incidenteel appel worden veroordeeld.

8.10. Met het oog op de redelijke termijn voor nakoming als bedoeld in artikel 6:82 lid 1 BW, zal het hof de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten in principaal en incidenteel appel eerst vanaf veertien dagen na de dag van deze uitspraak toewijzen.

9. De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel

vernietigt het beroepen vonnis van de rechtbank Roermond van 16 februari 2011 voor zover daarbij de door [geintimeerde] gevorderde schade wegens waardevermeerdering van de woning en buitengerechtelijke kosten is afgewezen,

en, opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [bouwgroep] Bouwgroep om aan [geintimeerde] te betalen een bedrag van (€ 8.500,-- + € 1.788,--) € 10.288,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding in eerste aanleg;

bekrachtigt dit vonnis voor het overige;

veroordeelt [bouwgroep] Bouwgroep in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [geintimeerde] worden begroot op € 649,-- aan verschotten en op € 2.525,-- voor salaris advocaat in het principaal appel en op nihil aan verschotten en € 1.262,50 voor salaris advocaat in het incidenteel appel,

en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart dit arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.Th. Begheyn, Th.C.M. Hendriks-Jansen en S. Riemens en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 september 2012.