Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BX7796

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-09-2012
Datum publicatie
19-09-2012
Zaaknummer
20-003457-11
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMID:2011:BR5781, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

66-jarige man steekt echtgenote dood met mes, in het licht van door hem ongewenste echtscheiding. Het hof is van oordeel dat voorbedachte raad bewezen is. Hof acht, anders dan de verdediging, geen termen aanwezig voor volledige ontoerekeningsvatbaarheid. Wel enigszins verminderde toerekenbaarheid, die tot uitdrukking komt in de straf. Volgt veroordeling ter zake van moord tot een gevangenisstraf van 8 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-003457-11

Uitspraak : 19 september 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Middelburg van 25 augustus 2011 in de strafzaak met parketnummer 12/715182-11 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1946],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans verblijvende in Den Haag PPC te 's-Gravenhage.

Hoger beroep

Zowel de verdachte als de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechter in eerste aanleg zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf, en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen ter zake beide ten laste gelegde feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren.

De verdediging heeft primair bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van de ten laste gelegde moord en subsidiair dat de verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Ten aanzien van de strafmaat heeft de verdediging bepleit dat met het oog op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte geen, althans een zeer geringe straf zal worden opgelegd.

Uiterst voorwaardelijk heeft de verdediging bepleit dat ingeval het hof aan enige overweging ten grondslag zal leggen dat van de psychische toestand van het slachtoffer zoals volgens de verdediging uit het dossier blijkt, onvoldoende is gebleken, getuigen zullen worden gehoord omtrent de psychische toestand van het slachtoffer en de invloed daarvan op de verdachte, in de periode voorafgaand aan het delict.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 28 maart 2011 te Bergen op Zoom, althans te Kamperland, althans in Nederland, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een mes, in het lichaam gestoken (te weten in de buik en/of borst en/of rug) en/of heeft hij, verdachte, (hierbij) enig mechanisch samendrukkend geweld, al dan niet gecombineerd met afdrukkend en/of omsnoerend geweld, op de hals en/of mond van die [slachtoffer] uitgeoefend, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2.

hij op of omstreeks 29 maart 2011 te Kamperland, gemeente Noord-Beveland, als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Anders dan de verdediging en met de rechtbank en de advocaat-generaal, acht het hof op grond van onderstaande bewijsmiddelen en (bewijs)overwegingen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1. en 2. tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij op 28 maart 2011 te Bergen op Zoom, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] meermalen, met een mes, in het lichaam gestoken (te weten in de buik en borst en rug) en heeft hij, verdachte, (hierbij) enig mechanisch samendrukkend geweld op de hals en mond van die [slachtoffer] uitgeoefend, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2.

hij op 29 maart 2011 te Kamperland, gemeente Noord-Beveland, als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, waarvan hij redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Gelet op de bekennende verklaring van de verdachte ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde feit, zal het hof ten aanzien van de bewijsmiddelen daarvan volstaan met een opsomming.

Bewijsmiddelen

Ten aanzien van feit 1:

1.

Het proces-verbaal van relaas d.d. 25 mei 2011, opgemaakt door [verbalisant 1], brigadier, doorgenummerde pagina’s 4-22, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:

(p. 4)

Op dinsdag 29 maart 22011, omstreeks 7.54 uur, werd bij de politie Zeeland een eenzijdig verkeersongeval gemeld dat zou hebben plaatsgevonden op de Banjaardweg te Kamperland.

Ter plaatse werd in een bocht op de doodlopende parallelweg van N57 een personenauto aangetroffen. Op de bestuurdersplaats van deze auto zat een man die bleek te zijn genaamd:

[verdachte]

Op de bijrijderstoel van de auto werd vervolgens onder een jas het levenloze lichaam van een vrouw aangetroffen.

(p.12)

Uit de door de verdachte afgelegde verklaring bleek dat de aangetroffen dode vrouw zijne echtgenote zou zijn. Blijkens GBA bevraging is zij genaamd: [slachtoffer], geboren te [geboorteplaats] op [1947].

[slachtoffer] en verdachte staan als woonachtig ingeschreven op het adres [adres] te [woonplaats].

In de woning aan de [adres] te [woonplaats] werd een paspoort aangetroffen ten name van [slachtoffer]. De in het pasoort aangetroffen foto bleek de foto te zijn van het slachtoffer.

(p. 13)

Op 31 maart 2011 werd het stoffelijk overschot getoond aan [nabestaande 1] en [nabestaande 2]. Door beide getuigen werd het stoffelijk overschot herkend als het lichaam van hun moeder [slachtoffer].

2.

Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte, d.d. 30 maart 2011 door [verbalisant 2], hoofdagent van politie en [verbalisant 3], brigadier van politie, doorgenummerde pagina’s 47-55, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende, als verklaring van de verdachte:

V= vraag verbalisant

A = antwoord verdachte

(p. 49)

O: We willen de afgelopen maandag [het hof begrijpt: maandag 28 maart 2011] met je doornemen.

V: Ik was vijf over half negen bij mijn woning [het hof begrijpt: [adres]] in Bergen op Zoom. Mijn vrouw heeft de deur voor mij open gedaan.

Rond half twaalf vroeg ik aan mijn vrouw of zij met mij wilde praten. Mijn vrouw zei tegen mij dat zij niet meer naar mij wilde luisteren. Ik zei tegen haar dat wij elkaar 40 jaar geleden hadden beloofd bij elkaar te blijven en als jij je daar niet aan houdt dat wij dan samen naar de andere wereld zouden gaan.

(p. 51)

Mijn vrouw liep toen naar de keuken. Ik liep achter haar aan. Mijn vrouw liep toen naar de garage. Ik pakte uit de keuken het mes. Ik liep toen met het mes achter mijn vrouw aan.

Toen ik dat mes pakte, had ik de bedoeling om ons beiden dood te maken. Op het moment dat ik het mes pakte, was ik wel boos.

Ik liep dus met dat mes achter mijn vrouw aan naar de garage. Ik hield het mes achter mijn rug. Ik liep rustig naar de garage toe. Ik deed de deur van de garage achter mij dicht.

Mijn vrouw liep met de bezem naar het terras. Ik riep mijn vrouw terug naar de garage. Ik zei dat ik met haar in de garage wilde praten. Ik had het mes op het fornuis van de keuken in de garage gegooid. Mijn vrouw kwam toen weer de garage in. Ik deed de deur van de garage dicht. Ik zei dat ik wilde dat wij vandaag allebei dood zouden gaan omdat wij 40 jaar geleden hadden beloofd bij elkaar te blijven tot de dood ons zou scheiden.

Ik pakte toen dat mes en stak mijn vrouw met een klein steekje. Ik denk dat ik haar van achter raakte. Toen ik dat mes pakte, wilde mijn vrouw hard naar de woning toe lopen. Ik liep mijn vrouw achterna en stak haar toen in haar rug. Dit was een kleine steek. Mijn vrouw stond dicht bij de deur van de garage. Mijn vrouw is vervolgens met versnelde pas de woning in gelopen.

Ik liep haar achterna. Ik had het mes in mijn hand. Ik liep hard achter haar aan met het mes in mijn rechterhand. Ik wilde haar inhalen. In de keuken van de woning had ik mijn vrouw ingehaald. Ik pakte toen de hand van mijn vrouw. Ik zei dat wij naar boven zouden gaan. Mijn vrouw was een beetje bang dat er meer zou gebeuren en daarom is zij gewoon met mij meegelopen. Mijn vrouw zei tegen mij dat ik heel snel boos was en dat zij altijd bang voor mij was.

Toen ik bij de trap was, heb ik mijn vrouw de trap opgeduwd. Ik stond toen onder mijn vrouw. Ik had nog steeds het mes in mijn hand. Boven heb ik tegen mijn vrouw gezegd dat ik niet meer wilde leven omdat zij mij zo had beledigd en dat zij niet bang moest zijn omdat het de laatste dag met ons samen was. Ik zei dat niet alleen zij, maar ook ik dood zou gaan. Ik zei dat mijn vrouw naar onze slaapkamer moest gaan. Mijn vrouw zei tegen mij dat ik het niet moest doen. Mijn vrouw zei dit een beetje bang.

(p. 52)

Ik zei dat zij de keuze had dat we zouden scheiden van tafel en bed en ik voor een periode naar Amerika zou gaan of dat wij allebei dood zouden gaan. Mijn vrouw wilde daar geen keuze in maken. Ik zei toen dat ik dan geen andere keuze had.

Ik zei tegen haar dat zij niet bang hoefde te zijn. Ik zei dat ik haar dood zou maken en dat ik daarna mijzelf dood zou maken. Mijn vrouw reageerde door mij weg te duwen, maar dat lukte niet. Ik had op dat moment nog steeds het mes in mijn hand. Ik heb toen mijn vrouw in haar buik gestoken. Ik stak het mes recht vooruit in haar buik. Op het moment dat ik met het mes stak, duwde ik tegelijk mijn vrouw op bed. Door de kracht van de steek viel zij achterover op bed. Mijn vrouw viel met haar hoofd op het kussen.

Ik zag dat mijn vrouw mij aankeek en haar ogen sloot. Mijn vrouw reageerde niet meer en toen heb ik haar nog een keer gestoken.

Tussen de eerste en de tweede steek zat niet veel tijd. Het waren geen minuten. Ik heb eerst gekeken hoe het met mijn vrouw ging. Toen zij rustig lag, heb ik haar nog een keer tussen haar borsten gestoken. Dit heeft zich tussen 12:00 uur en 13:00 uur afgespeeld.

Ik ben bij haar gebleven tot 17:00 uur. Ik ben om 8.00 uur a kwart over 8 naar mijn dochter gegaan. Ik was weer rond 9 bij mijn woning. Ik bracht toen het lichaam van mijn vrouw naar mijn auto. Ik heb het testament en de bankbescheiden op tafel gelegd nadat mijn vrouw was overleden. Ik heb dit klaar gelegd voordat ik naar mijn dochter toeging.

Ik heb het mes schoongemaakt voordat ik naar mijn dochter ging. Ik heb het toen in de keukenlade gelegd.

(p. 55)

V: wanneer heeft u besloten om uw vrouw en uzelf te doden op het moment dat uw vrouw definitief zou willen scheiden?

A: Ik heb dit besloten na de bespreking met mijn vrouw en de twee advocaten. Deze was op 3 februari 2011. Toen heeft de advocaat [de beslissing] vier weken uitgesteld, zodat mijn vrouw kon nadenken of zij dit wel echt wilde. Ik heb toen besloten dat ik liever samen dood wilde dan een scheiding.

3.

Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte, d.d. 29 maart 2011 door [verbalisant 2], hoofdagent van politie en [verbalisant 3], brigadier van politie, doorgenummerde pagina’s 35-43, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende, als verklaring van de verdachte:

(p.38)

Ik wilde allebei dood gaan. Ik wilde mijn vrouw dood maken en daarna de auto laten landen in de zee.

V: hoe heeft u haar dood gemaakt?

A: ik heb haar met messteken in haar buik gestoken. Ik heb dit met een keukenmes gedaan. Ik heb dit thuis gedaan.

(p. 39)

Mijn vrouw zei dat we al veel ruzie hadden gemaakt en wilde van mij scheiden. Mijn vrouw wilde niet dood. Ik zei dat we beter met zijn tweeën dood konden gaan. Mijn vrouw dacht dat het een dreigement was van mij en dat ik het niet echt zou doen. Ik heb mijn vrouw toen meegenomen naar de garage. Ik heb mijn vrouw in de garage gestoken.

Ik heb mijn vrouw aan de hand meegetrokken vanaf de garage naar de slaapkamer.

Ik gaf haar daar twee steken in haar buik. Mijn vrouw ging huilen. Ik zag veel bloed.

Ik heb haar 2 keer gestoken in haar buik. Ik heb haar 1 keer tussen haar borsten en 1 keer in haar buik gestoken. Ik heb toen hard gestoken omdat ik wilde dat ze dood ging.

V: waar liet u uw vrouw achter?

A: In de slaapkamer. Daar is zij ook dood gegaan.

(p. 41)

Ik heb mijn vrouw omstreeks 21:00 uur in de auto gelegd.

Ik ben vanaf mijn huis gereden. Daarna ben ik naar Zeeland gereden over de rijksweg.

Ik heb een week geleden een testament gemaakt. Dit testament had ik verscheurd en 3 dagen geleden heb ik hem opnieuw gemaakt.

(p. 42)

Het mes was een snijmes. Het heft was zwart en was voorzien van schroeven. Het was een recht handvat. De punt van het lemmet loopt naar buiten uit het lood. Er zat 1 snijkant aan zonder kartels.

4.

Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte, d.d. 11 april 2011 door [verbalisant 2], hoofdagent van politie en [verbalisant 3], brigadier van politie, doorgenummerde pagina’s 82-90, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende, als verklaring van de verdachte:

V = vraag verbalisanten

A= antwoord verdachte

(p. 85)

V: Op welke wijze heeft uw vrouw zich verweerd?

A: Mijn vrouw heeft geprobeerd om mij van haar af te duwen.

(p. 86)

V: Wat deed u toen?

A: ik zei, rustig, wees niet bang. Ik duwde haar achterover op bed. Ik duwde haar bij haar keel op het bed. Mijn vrouw wilde overeind komen, maar ik heb mijn vrouw toen bij haar keel op het bed gedrukt. Ik heb dit wel hard gedaan en ik had mijn nagels niet geknipt. Ik zag door mijn nagels wat krassen in de nek van mijn vrouw.

Ik heb mijn vrouw bij haar keel gepakt en op het bed gedrukt na de laatste steek.

Mijn vrouw reageerde daarop. Mijn vrouw kwam overeind. Mijn vrouw schreeuwde. Mijn vrouw was bang aan het schreeuwen.

Mijn vrouw heeft een keer het mes vast gepakt bij het lemmet maar niet lang. Dat was in het bed. Mijn vrouw was bang dat ik haar meer zou steken.

Toen ik mijn vrouw stak, stond ik nog naast het bed, dit heb ik eerder verklaard. Daarna kwam mijn vrouw nog twee keer overeind en schreeuwde. Ik heb mijn vrouw twee keer teruggeduwd in bed. Ik duwde mijn vrouw terug op bed door te duwen op haar keel en op haar mond.

(p. 87)

V: Waarom pakte u haar bij haar mond?

A: Ik zei tegen haar, niet schreeuwen.

V: is uw vrouw in staat geweest om naar boven naar de slaapkamer te lopen, meegetrokken, geduwd door u?

A: Mijn vrouw had wel pijn maar liep gewoon. Ik heb mijn vrouw bij haar arm gepakt en meegetrokken. Mijn vrouw wilde niet mee, ze stribbelde een beetje tegen. Op de trap heb ik mijn vrouw omhoog geduwd, mijn vrouw liep toen nog steeds. Ik zag wel dat mijn vrouw pijn had. Mijn vrouw liep niet meer als normaal.

Mijn vrouw werd bang toen ik haar stak. Ik heb vaak gezegd tegen mijn vrouw dat wij samen dood zouden gaan.

5.

Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte, d.d. 31 maart 2011 door [verbalisant 2], hoofdagent van politie en [verbalisant 3], brigadier van politie, doorgenummerde pagina’s 57-59, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende, als verklaring van de verdachte:

O = opmerking verbalisanten

A = antwoord verdachte

(p. 58)

O: wij toonden verdachte een foto van drie messen, aangetroffen in zijn woning. Deze foto wordt als bijlage bij dit proces-verbaal gevoegd.

A: Het mes met het nummer 26 is het mes waarmee ik mijn vrouw driemaal heb gestoken, denk ik. Het is in ieder geval een van de drie messen die op de foto staan.

6.

Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, inhoudende een foto zoals die op 31 maart 2011door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] aan de verdachte is getoond, dossierpagina 60, welke foto in kopie aan dit arrest is gehecht.

De foto bevat een afbeelding van drie messen, elk afzonderlijk genummerd als 25, 26 en 27.

7.

Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, inhoudende een ‘verslag betreffende een niet natuurlijke dood’, opgemaakt door [deskundige 1], lijkschouwer, d.d. 30 maart 2011, dossierpagina 125, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:

De ondergetekende, [deskundige 1], arts, lijkschouwer van de gemeenten in Nederland, verklaart gedurende de laatste twee jaar geen genees-, heel- of verloskundige raad of bijstand te hebben verleend aan:

[slachtoffer], geboren op [1947] te [geboorteplaats],

gewoond hebbende te [adres] te Bergen op Zoom,

overleden op 28 maart 2011;

verklaart het lijk persoonlijk te hebben geschouwd;

verklaart er niet van overtuigd te zijn dat de dood ten gevolge van een natuurlijke oorzaak is ingetreden.

Bijzonderheden: dood aangetroffen in auto

schouw te Ritthem (29 maart 2011)

3 scherp gerande, recente steekwonden in borst, buik en rug

doodsoorzaak: verbloeding.

8.

Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, inhoudende een rapportage van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 10 mei 2011, betreffende toxicologisch onderzoek in lichaamsmateriaal van [slachtoffer], opgemaakt door dr.[deskundige 2], apotheker-toxicoloog, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:

7. Conclusie

3. Er is een verhoogde concentratie thyreoglobuline gemeten in het bloed uit de borstholte. Op basis van het uitgevoerde biochemisch onderzoek is een aanwijzing verkregen voor schade van de schildklier, zoals bijvoorbeeld bij verwurging en verhanging kan voorkomen.

9.

Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, inhoudende een rapportage van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 23 juni 2011, betreffende pathologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, opgemaakt door dr. [arts-patholoog], voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:

1. Overledene

Naam: [slachtoffer]

Geboortedatum: [1947]

Geboorteplaats: [geboorteplaats]

5. Resultaten

Bij de sectie op het lichaam van [slachtoffer], is het navolgende gebleken:

Er waren in totaal 5 scherprandige huidperforaties (A-D), waarvan 1 doorsteek (letsels B-D).

Er was ontvelling van het topje van de rechterwijsvinger en er was een scherprandige oppervlakkige huidbeschadiging aan de tip van de rechterduim.

Er waren aan de hals en kaakrand rechts meerdere huidverkleuringen van onderhuidse bloeduitstortingen, plaatselijk met oppervlakkige huidbeschadigingen.

Alle bovengenoemde letsels waren met begeleidende bloeduitstorting.

In relatie met letsel A waren er 2 steekkanalen, waarvan 1 richting de rechter borstkas, eindigend in de borstvlies rechts/inwendige rugspier rechts (steekkanaallengte 15 cm). Het andere steekkanaal verliep richting de buik door onder andere de lever.

In relatie met de letsels B en D verliep een doorsteek van voren naar achter of van achteren naar voren aan het lichaam (steekkanaallengte 13 cm).

In relatie met letsel C was er een steekkanaal door de buik tot in de linkerborstkas. De steekkanaallengte was minimaal 9 cm.

Er was uitgebreide bloeduitstorting in de mondbodemspieren en tong. Er waren bloeduitstortingen in de weke delen van de hals.

Er waren macroscopisch en licht microscopisch geen ziekelijke orgaanafwijkingen die het intreden van de dood zouden kunnen verklaren of hiervoor van betekenis geweest zouden kunnen zijn.

6. Interpretatie van resultaten.

Bij sectie werden letsels subsidiair A2 gezien welke bij leven waren ontstaan door inwerking van uitwendig mechanisch scherprandig klievend/snijdend en perforerend geweld, zoals bijvoorbeeld opgeleverd kan worden door steken met 1 of meerdere messen. Letsels B, en D waren gezien het aspect zeer waarschijnlijk door een 1-zijdig snijdend voorwerp opgeleverd. Over de letsels A en C kan geen uitspraak worden gedaan voor wat betreft het 1- of 2-zijdig snijdend karakter van het voorwerp.

De letsels A, B, C en D gingen gepaard met klieving van vitale structuren en daarmee fors bloedverlies en samengevallen longen. Het intreden van de dood wordt hiermee verklaard door algehele weefselschade door bloedverlies en functieverlies van beide longen.

Letsels sub A4, 5 en de bloeduitstortingen sub B3 waren bij leven ontstaan door inwerking van uitwendig mechanisch samendrukkend geweld, al dan niet gecombineerd met afdrukkend, omsnoerend geweld, op de hals, mond. De bevindingen sub A6 en B4 en de verhoogde thyreoglobulineconcentratie kunnen goed worden verklaard als begeleidende verschijnselen door deze geweldsvorm.

Gezien deze bevindingen kan verstikking als verwikkeling van geweld op de hals/mond een bijdrage geleverd hebben aan het overlijden.

7. Conclusie

Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer], oud 64 jaren, wordt het intreden van de dood verklaard door algehele weefselschade door bloedverlies en functieverlies van beide longen, opgelopen door inwerking van uitwendig mechanisch scherprandig klievend/snijdend en perforerend geweld. Voorts kan verstikking als verwikkeling van geweld op de hals/mond een bijdrage geleverd hebben aan het overlijden.

10.

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 maart 2011, opgemaakt door [verbalisant 4], brigadier, [verbalisant 5], hoofdinspecteur, [verbalisant 6], brigadier, [verbalisant 7], hoofdagent, [verbalisant 8], buitengewoon opsporingsambtenaar, [verbalisant 9], dossierpagina’s 316-323, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:

Op 29 maart 2011 hebben wij naar aanleiding van het aantreffen van een overleden vrouw in een personenauto te Kamperland, een forensisch sporenonderzoek in de woning [adres] te Bergen op Zoom ingesteld.

(p.320)

In de woonkamer zagen wij op de eettafel een aantal foto- en bankmappen liggen. Naast deze mappen lagen twee paspoorten en een gevouwen stuk papier met handgeschreven tekst in een buitenlandse taal.

(p. 322)

De brief is verpakt in transparante folie en voor vertaling overgedragen aan de tactische recherche.

11.

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 april 2011, opgemaakt door [verbalisant 2], hoofdagent, dossierpagina’s 355-357, met bijlagen, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:

Op vrijdag 1 april 2011 heb ik, verbalisant, de bij dit proces-verbaal gevoegde bijlagen doorgenomen met een beëdigd tolk, tolkennummer 861. Hieronder wordt de strekking/vertaling van de genoemde bijlagen weergegeven.

Bijlage A.

De vertaling is als volgt:

Testament/Afscheidsbrief

Lieve kinderen (namen van de kinderen en de kleinkinderen)

Pa en ma en opa en oma hebben hele erge spijt van wat er afgespeeld is zoals de erge problemen in het gezin. Zonder opheldering van de geest van pa en ma vanaf het begin tot en met heden. Nu is het te laat. Ik verzoek jullie mijn vergiffenis en mij begripvol.

De leeftijd van pa en ma is bijna 70 jaar oud. Hopelijk kunnen wij leven van 5 tot 10 jaar meer. Leven met wanhoop eenzaam en verdriet…depressief. Pa en ma hebben eerder beloofd tot het einde van ons dood kunnen wij van elkaar scheiden tijdens het huwelijksfeest meer dan 40 jaar. )

Zonder aanleiding komen er verschillende problemen in ons gezin. Ma is echt lief, onderhoud het gezin maar helaas ma heeft een ziekte: paranoia. Het wordt steeds erger. Ma heeft een beslissing genomen om van pa te scheiden. Maar pa is er tegen. Pa zou de hand van ma vasthouden en dan zouden wij samen naar de andere wereld gaan. Op een gegeven moment pa en ma zouden voorgoed of altijd bij elkaar zijn zoals beloofd.

Het stoffelijk overschot van de overleden persoon wordt langzaam van stof/zand. Vroeg of laat jullie zullen van pa en ma afscheid nemen. Zo simpel snel en cremeren daarna de as uitstrooien in de zee of waar dan ook. Jullie moeten het met elkaar samen regelen.

Op de andere wereld pa en ma zouden altijd over jullie en de kleinkinderen waken/bijstaan over de gezondheid en welbevinden.

Pa.

Bijlage A is op dinsdag 29 maart 2011 in de woning, [adres] te Bergen op Zoom, inbeslaggenomen. Zie het proces-verbaal technische doorzoeking woning van de forensische technische opsporing van de regiopolitie Zeeland [het hof begrijpt: het proces-verbaal als opgenomen onder bewijsmiddel 10].

12.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 5 september 2012, voor zover inhoudende, als verklaring van de verdachte:

De voorzitter houdt mij voor dat ik heb verklaard dat ik mijn vrouw om het leven heb gebracht en vraagt mij of ik dat van tevoren had bedacht. Ik stelde alles in het werk om de scheiding te vermijden. Dat lukte niet. Toen heb ik haar voor de keuze gesteld. De scheidslijn tussen echtscheiding en samen doodgaan was erg dun. Het was onze huwelijksbelofte, dus ik wilde samen met mijn vrouw dood gaan. Ik wist niet hoe dat zou gaan gebeuren en wanneer. De laatste tijd was ik buiten mijn zinnen van woede, daardoor heb ik het leven van mijn vrouw genomen. Ik dacht dat het beter was in de andere wereld, samen, dan een echtscheiding.

Mijn vrouw heeft gezegd dat zij niet dood wilde.

Ten aanzien van feit 2:

1. De bekennende verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep, alsmede zijn verklaring bij de politie d.d. 29 maart 2011 (doorgenummerde dossierpagina’s 42, 84 en 85);

2. het proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 maart 2011, opgemaakt door [verbalisant 10], hoofdagent, en [verbalisant 11], agent (doorgenummerde dossierpagina’s 151-153);

3. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, inhoudende, inhoudende een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut betreffende een toxicologisch onderzoek in lichaamsmateriaal van [verdachte], d.d. 31 mei 2011, opgemaakt door dossier. [deskundige 3], apotheker.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs (feit 1)

De verdediging heeft ter terechtzitting bepleit dat de verdachte van de hem onder 1.impliciet primair ten laste gelegde moord zal worden vrijgesproken. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd – kort en zakelijk weergegeven – dat er sprake is van een lang geleden ingezet traumatisch traject met het gebeuren als culminatie. Volgens de verdediging heeft het verleden van de verdachte aanzet gegeven tot een bewustzijnsvernauwing, een psychische nood, die ontstond op het moment dat de verdachte werd geconfronteerd met de verlating door zijn vrouw.

Het hof stelt het volgende voorop.

Volgens vaste jurisprudentie is voor bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ vereist dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Naar het oordeel van het hof volgt uit de hierboven opgenomen bewijsmiddelen de navolgende feitelijke gang van zaken.

Verdachte en zijn echtgenote – het latere slachtoffer – hebben op 3 februari 2011 een gesprek gehad met hun advocaten over de door de echtgenote gewenste echtscheiding. De verdachte heeft op dat moment besloten dat hij liever samen dood wilde dan een echtscheiding. Hij wist toen nog niet hoe en wanneer dat zou gaan gebeuren, aldus zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep.

Een week voor het delict heeft de verdachte een testament geschreven. Drie dagen voor het delict heeft hij zijn testament/afscheidsbrief herschreven (welk testament bij de doorzoeking van de woning op 29 maart 2011 op de eettafel is aangetroffen), waarin hij mededeling doet van de dood van zijn echtgenote en zichzelf.

Op 28 maart 2011 was de verdachte aanwezig in de woning van het slachtoffer en werd hij boos op het slachtoffer toen zij niet met hem wilde spreken over de echtscheiding. Hij heeft een mes uit de keuken gepakt, met de bedoeling om het slachtoffer te doden. Hij is met dat mes achter zijn rug achter het slachtoffer aangelopen naar de garage en heeft het mes aldaar op het fornuis gelegd. Het slachtoffer is weer naar buiten gelopen. De verdachte heeft daarop het slachtoffer de garage in geroepen en heeft de deur achter haar gesloten. De verdachte heeft gezegd dat zij allebei dood zouden gaan. Het slachtoffer is daarop weggelopen. De verdachte heeft het slachtoffer vervolgens in haar rug gestoken.

Daarna is de verdachte achter het slachtoffer het huis in gelopen, heeft haar hand gepakt en haar naar boven, de trap op geduwd.

In de slaapkamer gekomen, heeft de verdachte nog gezegd dat het slachtoffer de keuze had tussen een tijdelijke scheiding van tafel en bed of allebei dood gaan. Toen het slachtoffer daarin geen keuze wilde maken, heeft de verdachte gezegd dat hij dan geen andere keuze had.

De verdachte heeft vervolgens het slachtoffer in haar buik gestoken. Het slachtoffer heeft zich nog verweerd en wilde zich oprichten. De verdachte heeft haar op het bed teruggeduwd door haar bij de keel vast te pakken, waarbij hij ook haar mond heeft dicht geduwd. Kort na de steek in de buik, heeft de verdachte het slachtoffer ook in haar borst gestoken. Het slachtoffer is tengevolge daarvan overleden zoals blijkt uit het sectierapport.

Uit vorenstaande situatieschets blijkt dat de verdachte zijn besluit om zijn vrouw (en zichzelf) te doden al had genomen vóór 28 maart 2011. Het uitvoeringsmoment ontstond op 28 maart 2011, toen de verdachte verkeerde in een boosheid en zijn vrouw niet op zijn eisen wilde ingaan.

De emotie waarin de verdachte verkeerde – volgens zijn zeggen was hij buiten zinnen van woede – staat naar het oordeel van het hof niet in de weg aan bewezenverklaring van kalm beraad en rustig overleg. Immers, de verdachte had van tevoren bedacht dat zijn echtgenote moest sterven als zij de echtscheiding wenste door te zetten. Het kalme beraad blijkt naar het oordeel van het hof juist uit dit plan. Dat dat plan in eerste instantie nog geen concrete uitvoeringsdatum en -wijze omvatte, doet daaraan niet af. Het hof betrekt daarbij de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep dat hij zijn vrouw dood wilde maken, terwijl hij op dat moment wist dat zij dat niet wilde.

Het hof stelt vast dat de verdachte voorafgaand aan het delict ruim de gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, maar dat hij desalniettemin zijn plan heeft doorgezet en zelfs heeft voorbereid door een testament/afscheidsbrief te schrijven.

Reeds uit vorenstaande blijkt naar het oordeel van het hof dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad.

Daar komt echter nog bij dat de verdachte ook gedurende de uitvoeringshandelingen niet van zijn plan is teruggekeerd, terwijl hij daartoe op verschillende momenten wel de gelegenheid heeft gehad. De verdachte heeft eerst een mes gepakt en heeft dat weggelegd in de garage, hij heeft met zijn vrouw gesproken over de consequentie van de door haar gewenste echtscheiding, heeft haar in de rug gestoken en is toen met haar naar de slaapkamer boven gegaan, alwaar hij wederom met haar gesproken heeft over de echtscheiding en de daaraan door hem verbonden consequentie, waarna hij haar nogmaals twee keer (met een tussenpoos) gestoken heeft.

Voor de stelling van de raadsvrouwe dat het gebeuren een culminatie is geweest van een lang geleden ingezet traumatisch traject, heeft het hof onvoldoende steun gevonden in de over de verdachte uitgebrachte psychiatrische en psychologische rapportages, welke hierna onder het kopje ‘strafbaarheid van de dader’ nader zullen worden besproken. Ook anderszins heeft het hof voor die stelling geen objectieve aanknopingspunten gevonden.

Het verweer van de verdediging wordt derhalve verworpen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1. bewezenverklaarde levert op:

moord.

Het onder 2. bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdediging heeft – zakelijk weergegeven – bepleit dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hem het strafbare feit niet kan worden toegerekend. In dat verband is door de verdediging – samengevat en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat het gebeurde het gevolg is van diepe psychische nood, een denkvernauwing, die lang in opbouw is geweest en die verdachte er van overtuigd deed zijn dat het overstappen naar de volgende wereld de enige oplossing was.

Het hof overweegt dat omtrent de verdachte in eerste aanleg een multidisciplinair gedragsdeskundig triple-onderzoek is opgemaakt door [deskundige 4], GZ-psycholoog en [deskundige 5], psychiater (gedateerd 1 augustus 2011).

[deskundige 4] en [deskundige 5] concluderen op pagina 25 van hun rapport dat bij de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde sprake was van een aanpassingsstoornis met stoornis in emotie en gedrag, die de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte in enige mate hebben beïnvloed. De verdachte voelde zich radeloos en machteloos. Hij zag ten tijde van het tenlastegelegde maar twee uitwegen, namelijk dat zijn vrouw de scheiding niet zou willen doorzetten of dat ze samen dood zouden gaan. Aangezien zijn vrouw bij haar besluit om te scheiden bleef vanuit de overtuiging dat betrokkene vreemdging, bleef in de optiek van verdachte maar één optie over: samen doodgaan. [deskundige 4] en [deskundige 5] adviseren om de verdachte als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Een post traumatische stress stoornis (hierna: PTSS), depressie en persoonlijkheidsstoornis zijn overwogen, maar [deskundige 4] en [deskundige 5] hebben hiervoor onvoldoende aanwijzingen gevonden.

Teneinde inzicht te verkrijgen of en zo ja in welke mate de cultuur en de ervaringen van de verdachte in zijn land van herkomst Vietnam (verdachte is met zijn gezin als bootvluchteling naar Nederland gekomen) (mede) bepalend zijn geweest voor het bewezenverklaarde handelen van de verdachte, is in hoger beroep nieuwe rapportage uitgebracht.

Er is in hoger beroep wederom een (multidisciplinair) psychiatrisch onderzoek verricht naar de geestvermogens van de verdachte, door dr. [deskundige 6], psychiater. Zij heeft over haar bevindingen gerapporteerd op 8 augustus 2012. Uit het rapport blijkt dat haar onderzoek van verdachte in totaal 7 uren in beslag heeft genomen. Omtrent de specifieke antropologische vragen heeft dr.[deskundige 6], daarnaast overleg gehad met dr. [deskundige 7], cultureel antropoloog, die zelf ook een rapport heeft uitgebracht op 10 augustus 2012.

Dr. [deskundige 6] komt tot de conclusie dat (p. 16) het huidige onderzoek geen aanleiding geeft om de diagnostiek van de triple rapportage van augustus 2011 te herzien. De diagnose – ten tijde van het tenlastegelegde leed de verdachte aan een aanpassingsstoornis met stoornis in emotie en gedrag waardoor hij als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar kan worden beschouwd – wordt door [deskundige 6] bevestigd. [deskundige 6] rapporteert voorts (p. 19) dat er vanuit psychiatrische optiek nu geen tekenen zijn van een PTSS en dat die er ook niet waren in de periode rondom het tenlastegelegde. Evenmin was er in relatie tot het tenlastegelegde een verband met een post traumatisch symptoom vanuit de vroegere life events.

De deskundigen [deskundige 6] en [deskundige 7] zijn door het hof ter terechtzitting als getuige-deskundigen gehoord, waar zij beiden hebben verklaard, dat zij – ook het verhandelde ter terechtzitting gehoord hebbende – bij de door hen uitgebrachte rapportage blijven.

Anders dan de verdediging, stelt het hof vast dat uit het dossier, het verhandelde ter terechtzitting en de over de verdachte uitgebrachte – eenduidige – rapportages, geen aanwijzingen zijn gebleken voor een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis die maken dat de verdachte het strafbare feit in het geheel niet kan worden toegerekend.

Ook overigens zijn er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

In navolging van de uitgebrachte adviezen, acht het hof, gelet op de door de deskundigen vastgestelde aanpassingsstoornis, wel termen aanwezig voor een enigszins verminderde toerekenbaarheid. Deze zal aan de orde komen in de hieronder te bespreken ‘op te leggen straf’.

Op te leggen straf

Bij de vraag welke straf dient te worden opgelegd, heeft het hof gelet op alle van belang zijnde aspecten: de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en ook de gevolgen die het begaan van een dergelijk feit voor de nabestaanden in het bijzonder en de samenleving in het algemeen hebben. Daarbij stelt het hof voorop dat de bewezenverklaring van feit 2 gelet op de ernst van het bewezenverklaarde onder feit 1 wat de op te leggen straf betreft geen gewicht in de schaal legt.

De verdachte heeft op 28 maart 2011 in een echtscheidingssituatie zijn echtgenote om het leven gebracht. In het zicht van een door haar gewenste echtscheiding, heeft de verdachte zijn eigen wens om dan maar samen te sterven, laten prevaleren boven het recht op leven van zijn echtgenote.

De verdachte heeft zijn echtgenote enkele keren gestoken, de eerste keer in haar rug. Zij heeft deze daad in eerste instantie dus niet kunnen zien aankomen noch zich daartegen kunnen verweren. Haar doodsangst moet groot zijn geweest, toen zij – nadat zij al was gestoken – met haar man, die met een mes in zijn hand achter haar aan kwam, naar hun gezamenlijke slaapkamer is gegaan, alwaar de verdachte haar nog tweemaal heeft gestoken. Uit het dossier blijkt dat het slachtoffer de gezamenlijke doodswens van de verdachte niet deelde en dat zij dat ook tegen de verdachte heeft gezegd. Bovendien heeft het slachtoffer zich verweerd tegen verdachtes geweldshandelingen. Desalniettemin heeft de verdachte zijn daad doorgezet en zijn echtgenote gedood.

Door het handelen van verdachte is groot leed en verlies toegebracht aan de nabestaanden van het slachtoffer, in het bijzonder ook aan de kinderen en kleinkinderen die zich geconfronteerd zagen met de gewelddadige dood van hun moeder en oma. Dat hun moeder/oma juist door toedoen van hun vader/opa het leven heeft verloren, heeft, zoals blijkt uit de nabestaandenverklaringen, een enorme verscheurdheid in gevoelens ten aanzien van verdachte, vader/opa, teweeggebracht.

Daarnaast heeft te gelden dat, meer in het algemeen, het onder 1. bewezen verklaarde feit de rechtsorde ernstig schokt en bijdraagt aan het ontstaan en in stand houden van in de samenleving levende gevoelens van onveiligheid.

De rechtbank heeft verdachte voor deze feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar. De advocaat-generaal heeft een gevangenisstraf van 6 jaar gevorderd en de verdediging heeft verzocht de straf, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, te matigen.

Het hof is van oordeel dat, gelet op de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar in beginsel als passend zou kunnen worden beschouwd.

Het hof komt echter tot een mildere strafoplegging. Daartoe heeft het hof in de eerste plaats rekening gehouden met de hierboven weergegeven vaststelling door het hof dat de feiten verdachte enigszins verminderd zijn toe te rekenen.

In de tweede plaats heeft het hof rekening gehouden met het feit dat de verdachte in gesprekken met de deskundigen en de reclassering, alsook ter terechtzitting in hoger beroep blijk heeft gegeven van een diep besef van het verkeerde van zijn daad en van inzicht in wat die daad heeft teweeggebracht. Hij neemt daarin zijn verantwoordelijkheid en tracht, voor zover het binnen zijn mogelijkheden ligt, het leed voor de directe nabestaanden te verzachten.

De door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, doet naar het oordeel van het hof evenwel onvoldoende recht aan de ernst en gruwelijkheid van het feit. Verdachte heeft zijn echtgenote het leven ontnomen en haar de mogelijkheid ontnomen om niet alleen zelf verder te leven maar ook de mogelijkheid om haar directe dierbaren (kinderen en kleinkinderen) zich verder te zien ontwikkelen.

Indachtig de ernst van het feit zoals geschetst, maar tevens in aanmerking genomen de opstelling van de verdachte en van de directe nabestaanden zoals die gedurende het proces naar voren is gekomen, is het hof van oordeel dat veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren passend en geboden is.

Voorwaardelijk verzoek van de verdediging

Het voorwaardelijk verzoek van de verdediging dat ingeval het hof aan enige overweging ten grondslag zal leggen dat van de psychische toestand van het slachtoffer zoals volgens de verdediging uit het dossier blijkt, onvoldoende is gebleken, de kinderen van het slachtoffer en werknemers van [bedrijfsnaam] als getuigen dienen te worden gehoord, behoeft, nu niet aan de voorwaarde is voldaan, geen bespreking.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 57 en 289 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1. en 2. ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. J.F. Dekking, voorzitter,

mr. S.C. van Duijn en mr. N.J.M. Ruyters, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R. Dieleman-Dieleman, griffier,

en op 19 september 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.