Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BX7249

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-08-2012
Datum publicatie
13-09-2012
Zaaknummer
20-002035-11
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMID:2011:BQ2760, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ongeval waarbij verdachte met haar bestelbus achterop een koets is gereden, als gevolg waarvan één opzittende van de koets de dood vond, terwijl een andere opzittende zwaar gewond raakte. Aanmerkelijke onoplettendheid van verdachte. Volgt veroordeling ter zake van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 tot een werkstraf voor de duur van 120 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-002035-11

Uitspraak : 29 augustus 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Middelburg van 27 april 2011 in de strafzaak met parketnummer 12/706182-10 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1952],

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechter in eerste aanleg zal bevestigen onder aanvulling van de bewijsmiddelen.

De verdediging heeft integrale vrijspraak van de tenlastelegging bepleit.

Subsidiair, voor het geval het hof tot enige bewezenverklaring zou komen, heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd en daarbij verzocht uitsluitend een geldboete en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

primair:

zij op of omstreeks 28 september 2010 te Vlissingen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig ((bedrijfs)auto), daarmede rijdende over de weg, de Nieuwe Vlissingseweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, immers had zij, verdachte, de op de rechter weghelft rijdende opvallende witte (trouw)koets met twee personen hoog op de bok en getrokken door twee paarden moeten opmerken, nu haar zicht op de koets niet door een andere weggebruiker noch enige ander omstandigheid werd ontnomen, en vervolgens haar snelheid daarop moeten aanpassen, zonder er zich derhalve (constant)(voldoende) van te vergewissen dat de weg voor haar, verdachte, vrij was, te blijven rijden en in botsing te komen met een voor haar, verdachte, op die weg rijdende (trouw)koets (met twee opzittenden en twee paarden), waardoor de koetsier/menner/een ander (genaamd [slachtoffer 1]) werd gedood en/of de opzittende van de koets/een ander (genaamd [slachtoffer 2]) zwaar lichamelijk letsel, te weten verschillende ribbreuken van de rechterborstkas, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiair, voor zover ter zake het primair ten laste gelegde geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen:

zij op of omstreeks 28 september 2010 te Vlissingen als bestuurder van een voertuig ((bedrijfs)auto), daarmee rijdende op de weg, de Nieuwe Vlissingseweg, zonder er zich (constant)(voldoende) van te vergewissen dat de weg voor haar, verdachte, vrij was, immers heeft zij de voor haar rijdende opvallende witte trouwkoets met twee personen hoog op de bok en getrokken door twee paarden niet opgemerkt, terwijl haar zicht niet door een andere weggebruiker noch door enige andere omstandigheid werd weggenomen, en is zij blijven rijden en in botsing gekomen met de voor haar, verdachte, op die weg rijdende (trouw)koets (met twee opzittenden en twee paarden), door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 28 september 2010 te Vlissingen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto), daarmede rijdende over de weg, de Nieuwe Vlissingseweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onoplettend, immers had zij, verdachte, de op de rechter weghelft rijdende opvallende witte (trouw)koets met twee personen hoog op de bok en getrokken door twee paarden moeten opmerken, nu haar zicht op de koets niet door een andere weggebruiker noch enige ander omstandigheid werd ontnomen, en vervolgens haar snelheid daarop moeten aanpassen, zonder er zich derhalve constant voldoende van te vergewissen dat de weg voor haar, verdachte, vrij was, te blijven rijden en in botsing te komen met een voor haar, verdachte, op die weg rijdende (trouw)koets (met twee opzittenden en twee paarden), waardoor de koetsier (genaamd [slachtoffer 1]) werd gedood en de opzittende van de koets (genaamd [slachtoffer 2]) zwaar lichamelijk letsel, te weten verschillende ribbreuken van de rechterborstkas, werd toegebracht.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat niet bewezen kan worden verklaard dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig dan wel onoplettend heeft gereden. Kort en zakelijk weergegeven heeft de verdediging daartoe aangevoerd dat:

A. niet kan worden uitgesloten dat een bus of ander voertuig de verdachte het zicht heeft ontnomen, als gevolg waarvan het ongeval heeft plaatsgevonden;

B. de verdachte niet onoplettend heeft gehandeld, maar steeds oog heeft gehad voor de weg. In dit verband heeft de verdediging tevens aangevoerd dat de koets niet voldeed aan de eisen van verkeersveiligheid, omdat daarop een verplichte reflector ontbrak;

C. de aanwezigheid van een koets op de Nieuwe Vlissingseweg voor de verdachte onvoorzienbaar was en ook niet voorzienbaar had behoeven te zijn.

Het hof overweegt het volgende.

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting en het dossier stelt het hof het volgende vast. Op dinsdag 28 september 2010 omstreeks 12.55 uur vond op de Nieuwe Vlissingseweg in de gemeente Vlissingen, op de uit twee rijstroken bestaande rijbaan in de richting van Middelburg, een verkeersongeval plaats op de rechter rijstrook. De verdachte, die in haar bedrijfsauto op de rechter rijstrook reed, is achterop een witte(trouw)koets die eveneens op de rechter rijstrook reed en werd getrokken door twee paarden, gebotst. Tengevolge van dit ongeval is de koetsier, de heer [slachtoffer 1], overleden. De andere opzittende van de koets, mevrouw [slachtoffer 2], raakte zwaar gewond.

Uit het door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] opgemaakte proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse (hierna: VOA) d.d. 25 oktober 2010 en het aanvullende proces-verbaal VOA d.d. 5 januari 2011 blijkt het volgende:

- het ongeval vond plaats tussen hectometerpaaltje 2.6 en 2.7 in, op circa 400 meter afstand van een ter plaatse bekende ‘bult’ in de Nieuwe Vlissingseweg te Vlissingen, ter hoogte van hectometerpaaltje 3.1., waar beide voertuigen vandaan kwamen;

- vanaf de bult loopt de Nieuwe Vlissingseweg recht over een afstand van circa 1100 meter;

- op de dag van het ongeval was het zwaarbewolkt en droog;

- het wegdek van de Nieuwe Vlissingseweg was droog;

- het zicht ter plaatse was goed en bedroeg volgens het KNMI minimaal 1,9 kilometer.

- zowel de auto van de verdachte als de koets verkeerden in voldoende rijtechnische staat van onderhoud en vertoonden geen gebreken die de oorzaak van het ongeval verklaren;

- gerekend vanaf het moment waarop de verdachte op het hoogste punt van de bult reed tot aan het moment waarop het ongeval plaatsvond, zijn er ten minste 18 seconden verstreken, uitgaande van de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 80 kilometer per uur.

In genoemde processen-verbaal VOA wordt geen melding gemaakt van aangetroffen remsporen afkomstig van de door verdachte bestuurde bedrijfsauto.

De verdachte is, komend vanaf de Nieuwe Zuidbeekseweg, de Nieuwe Vlissingseweg in de richting van Middelburg met haar bedrijfsauto opgereden. De aldaar toegestane maximumsnelheid is 80 kilometer per uur. De verdachte reed naar eigen zeggen 75 a 80 kilometer per uur op de rechterrijbaan, hetgeen wordt bevestigd door de verklaring tegenover de politie van de getuige [getuige 1], die vlak voor het ongeval achter de verdachte reed, volgens diens verklaring op een afstand van circa 300 meter.

Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 aan de zijde van de verdachte, dient het hof het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst van die gedragingen en de overige omstandigheden van het geval te beoordelen.

De verdachte heeft steeds verklaard dat zij de koets in het geheel niet heeft gezien heeft en dat zij daarom ook niet heeft geremd. Pas na de botsing zag zij dat ze achterop een koets was gereden, aldus haar verklaring bij de politie. Dat de verdachte niet heeft geremd, vindt bevestiging in de verklaring van eerdergenoemde [getuige 1], die achter verdachte reed. Hij verklaart met stelligheid de remlichten van de voor hem rijdende auto niet te hebben zien oplichten.

Het hof is van oordeel dat de koets voor de verdachte in ieder geval zichtbaar moet zijn geweest vanaf het moment waarop zij zich op het hoogste punt van de bult bevond en dat verdachte ieder geval enkele seconden daarna heeft moeten kunnen waarnemen of althans heeft moeten kunnen beseffen dat dit een langzaam rijdend voertuig betrof.

Dat de koets goed waarneembaar is geweest, leidt het hof mede af uit de verklaring van de getuige [getuige 1] voornoemd. Door deze getuige is verklaard dat hij heeft waargenomen dat boven de auto van de verdachte uit twee silhouetten van personen met hoge hoeden op uitstaken en dat hij daaruit opmaakte dat er een koets of een ander rijtuig op de rechter rijstrook reed.

Voor de verdachte, die vóór [getuige 1] reed, moet naar het oordeel van het hof de koets zonder meer zichtbaar zijn geweest.

Ten aanzien van het verweer onder A dat het zicht van de verdachte door een bus of een ander voertuig belemmerd kan zijn geweest, overweegt het hof het volgende.

Verdachte - die bijzonderheden heeft kunnen vertellen over de verkeerssituatie nadat zij de Nieuwe Vlissingseweg was opgereden, zoals wachtende personen bij de bushalte op een afstand van circa 100 meter voorbij de bult, de verkeersdrukte en het voeren van licht door haarzelf en door het haar tegemoetkomende verkeer en de snelheid waarmee zij heeft gereden – heeft in haar verklaringen bij de politie met geen woord gerept over een voor haar rijdende bus, die haar het zicht heeft ontnomen of kunnen ontnemen. Dat er direct voorafgaande aan het ongeval een bus voor haar heeft gereden, blijkt ook niet uit de verklaring ter terechtzitting in hoger beroep van eerdergenoemde getuige [getuige 1] en de getuigen [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 5].

Dat er sprake is geweest van een kort vóór verdachte rijdende bus, die haar het zicht heeft ontnomen of kunnen ontnemen volgt naar het oordeel van het hof evenmin uit de verklaring van getuige [getuige 6]dat een harmonika-bus de koets heeft ingehaald en dat zij zich van de momenten daarna niets meer herinnert, en ook niet uit de verklaring van de getuige [getuige 2], dat hij de koets met de door hem bestuurde harmonika-bus heeft ingehaald.

Naar het oordeel van het hof kan uit de verklaring van [getuige 6] niet eenduidig worden afgeleid dat het ongeval heeft plaatsgevonden onmiddellijk nadat de harmonika-bus de koets passeerde. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [getuige 6] blijkens haar verklaring haar bewustzijn ten gevolge van het ongeval heeft verloren en pas in het ziekenhuis weer bij bewustzijn kwam. Dat er nog een spanne tijd heeft gezeten tussen het moment waarop de harmonika-bus de koets passeerde en het moment waarop de aanrijding plaatsvond, zonder dat [getuige 6] daaraan een herinnering heeft bewaard, kan reeds daardoor naar het oordeel van het hof allerminst worden uitgesloten.

Voorts neemt het hof in aanmerking dat [getuige 2] ter terechtzitting in hoger beroep, heeft verklaard dat hij het ongeluk in zijn achteruitkijkspiegel zag gebeuren, op het moment dat hij op een afstand van 50-75 meter na het passeren van de koets voor een verkeerslicht stond te wachten.

Ter zake het verweer onder B. overweegt het hof dat uit de genoemde bewijsmiddelen volgt dat de verdachte, anders dan door de verdediging bepleit, niet steeds oplettend is geweest.

Uit die bewijsmiddelen, zoals hiervoor weergegeven, blijkt dat verdachte gedurende ten minste 18 seconden onder gunstige weersomstandigheden zicht heeft gehad op de weg voor haar met de daarop voor haar rijdende koets voordat zij deze koets aanreed. Dat de koets niet was voorzien van een verplichte reflector, kan naar het oordeel van het hof niet de verklaring vormen voor het feit dat verdachte de koets niet heeft opgemerkt. In aanmerking nemende dat er sprake was van daglicht en een goed zicht, had verdachte ieder object van enige omvang, al dan niet voorzien van een reflector, moeten kunnen opmerken, zoals ook het geval is geweest voor de getuigen [getuige 2] en [getuige 1]. [getuige 1] heeft bij de politie nog uitdrukkelijk verklaard dat zich tussen het door hem bestuurde voertuig en het door verdachte bestuurde voertuig geen andere voertuigen bevonden en dat tussen het door verdachte bestuurde voertuig en de koets zich eveneens geen andere voertuigen bevonden.

Deze waarneming heeft [getuige 1] verricht op ongeveer 400 a 500 meter afstand van de plaats van het ongeval, zoals blijkt uit zijn als getuige ter terechtzitting van het hof afgelegde verklaring. Het hof is van oordeel dat verdachte aldus voldoende tijd en mogelijkheden heeft gehad om de koets waar te nemen, maar niet voordurend het oog heeft gehad op de weg. Dit laatste vindt ook nog bevestiging in de verklaring van [getuige 1] bij de politie inhoudende dat hij zeker weet dat hij geen remlichten van de auto voor hem heeft zien oplichten voor de aanrijding.

Ook dit verweer wordt mitsdien verworpen.

Ter zake het verweer onder C. overweegt het hof dat iedere gebruiker van de Nieuwe Vlissingseweg destijds rekening diende te houden met de mogelijkheid van langzaamrijdend verkeer, nu een weg als deze in beginsel ook is opengesteld voor dergelijk verkeer tenzij door middel van verbodsborden het tegendeel is aangegeven. Dergelijke verbodsborden waren er echter aan de Nieuwe Vlissingseweg ten tijde van het ongeval niet aangebracht.

Reeds om die reden dient het verweer dat verdachte niet bedacht hoefde te zijn op een langzaam rijdende koets op de Nieuwe Vlissingseweg te worden verworpen.

Van de aanwezigheid van langzaamrijdend verkeer op de Nieuwe Vlissingsweg moet verdachte zich bovendien bewust behoren te zijn geweest omdat zij blijkens haar verklaring ter terechtzitting in hoger beroep op die weg eerder veelvuldig tractoren/trekkers en eenmaal een zgn. paardentram heeft zien rijden.

Weliswaar heeft verdachte daarbij tevens heeft verklaard dat deze tractoren/trekkers veelal waren voorzien van een zwaailicht, maar die omstandigheid ontsloeg haar echter geenszins van haar verplichting ook oplettend te zijn op de aanwezigheid van langzaamrijdende voertuigen zonder een dergelijke voorziening.

Het hof verwerpt mitsdien ook dit verweer.

Voorts overweegt het hof dat verdachte, hoewel daarnaar ter terechtzitting in hoger beroep uitdrukkelijk gevraagd, geen omstandigheden haarzelf betreffende heeft kunnen noemen die een verklaring zouden kunnen vormen voor het tot het allerlaatste moment niet waarnemen van de voor haar rijdende koets, waar zij met onverminderde snelheid tegenaan is gereden.

Op grond van het hiervoor overwogene kan het hof tot geen andere conclusie komen dan dat verdachte gedurende een aanzienlijk te achten tijdspanne haar aandacht niet voortdurend op de weg heeft gehouden en om die reden aanmerkelijk onoplettend is geweest.

De verdachte treft daarom schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 aan een ongeval, terwijl dit de dood van een slachtoffer en zwaar lichamelijk letsel bij een andere persoon tengevolge heeft gehad. Het primair ten laste gelegde is naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend bewezen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

en

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het

- tweeledige - feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

De rechtbank heeft de verdachte ter zake het primair bewezen verklaarde veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, en heeft een rijontzegging opgelegd voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot oplegging van een werkstraf en ontzegging van de rijbevoegdheid conform de beslissing van de rechtbank.

De verdediging heeft ter zake de strafmaat verzocht om in geval van enige bewezenverklaring, gelet op het reclasseringsadvies en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, een geldboete op te leggen en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat zij, als gevolg van aanmerkelijke onoplettendheid, als bestuurster van een bedrijfsauto een (trouw)koets met twee opzittenden heeft aangereden. De verdachte is in ernstige mate tekortgeschoten in haar zorgplicht als verkeersdeelneemster. Het aan de aanmerkelijke onoplettendheid van de verdachte te wijten ongeval heeft ernstige gevolgen gehad: de koetsier [slachtoffer 1] overleden, terwijl de mede-opzittende [slachtoffer 2] zwaar gewond is geraakt. Daarmee is aan hen en hun familie onherstelbaar groot leed aangedaan. Ook thans nog ondervinden de nabestaanden van de overledene en het slachtoffer [slachtoffer 2] de gevolgen van het ongeval, zoals onder meer blijkt uit de ter terechtzitting in hoger beroep door de weduwe[weduwe slachtoffer] voorgedragen verklaring en de schriftelijke verklaring van het slachtoffer [slachtoffer 2].

Voor het bepalen van de op te leggen straf neemt het hof de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting - waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden - tot uitgangspunt. Gelet daarop is voor het veroorzaken van een verkeersongeval, waarbij een persoon de dood vindt en een ander zwaar gewond raakt, (uitgaande van een aanmerkelijke verkeersfout, terwijl de veroorzaker geen alcohol heeft gebruikt) in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden en 3 weken en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 18 maanden onvoorwaardelijk passend.

Het is het hof echter duidelijk dat de verdachte onder het gebeuren en de verschrikkelijke gevolgen ook zelf zwaar gebukt gaat. Uit het reclasseringsrapport d.d. 17 maart 2011 blijkt dat zij nog dagelijks terugdenkt aan het ongeval en daarmee bezig is. De verdachte heeft zich verantwoordelijk getoond door met behulp van het Bureau Slachtofferhulp in contact te komen met de weduwe [weduwe slachtoffer] en het gewonde slachtoffer. Uit het onderzoek ter terechtzitting is voorts gebleken dat de verdachte reeds 40 jaar in het bezit is van haar rijbewijs maar nimmer voor verkeersdelicten in aanraking is gekomen met politie en justitie. Ook anderszins is zij niet met justitie in aanraking gekomen, zoals blijkt uit het haar betreffende blanco uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 6 juli 2012.

Ten slotte houdt het hof bij de oplegging van de soort en de omvang van de straf rekening met de omstandigheid dat de verdachte samen met haar echtgenoot een slagerij exploiteert waarin zij zes dagen per week werkzaam is.

Gelet op vorenstaande persoonlijke omstandigheden, die naar het oordeel van het hof aanleiding geven voor strafmatiging, zal het hof de verdachte niet veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, maar - evenals de rechtbank en conform de eis van de advocaat-generaal - tot een werkstraf, voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.

Om de ernst van het feit tot uitdrukking te brengen zal het hof de verdachte tevens de bevoegdheid ontzeggen om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden.

In hetgeen in hoger beroep andermaal aan de orde is gekomen ziet het hof evenwel aanleiding te bepalen dat deze bijkomende straf voor een gedeelte, groot 6 maanden, voorwaardelijk niet ten uitvoer zal worden gelegd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de bijkomende straf van ontzegging, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr. J.H.M. Westenbroek, voorzitter,

mr. J.F. Dekking en mr. R.R. Everaars-Katerberg, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R. Dieleman-Dieleman, griffier,

en op 29 augustus 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. R.R. Everaars-Katerberg is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.