Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BX7087

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-08-2012
Datum publicatie
12-09-2012
Zaaknummer
11-00653 t-m 11-00658
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:1774
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:361, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende, inwoonster van België, heeft in het jaar 2007 € 107.372 aan dividenden ontvangen van A BV te Nederland. Op deze dividenden is € 16.106 (15%) dividendbelasting ingehouden. Het tarief van 15% is in overeenstemming met het tarief van art. 10, par. 2, van het Verdrag Nederland-België van 5 juni 2001. In geschil is of de ingehouden dividendbelasting wegens schending van het vrije kapitaalverkeer van artikel 56 EG-Verdrag (thans art. 63 VwEU) geheel of gedeeltelijk moet worden teruggegeven. De Inspecteur heeft teruggaaf geweigerd. Het Hof overweegt als volgt. Zou belanghebbende in Nederland hebben gewoond dat zou zij de ingehouden dividendbelasting hebben kunnen verrekenen met de inkomstenbelasting en zou haar een teruggaaf van € 527 zijn verleend. Omdat belanghebbende als inwoonster van België niet buitenlands belastingplichtig is voor haar aandelen in A BV is de ingehouden dividendbelasting voor haar eindheffing. Die minder gunstige behandeling levert een beperking op van het vrije kapitaalverkeer. Een rechtvaardiging voor deze beperking is niet aanwezig. Belanghebbende verkeert objectief bezien in dezelfde situatie als een inwoner van Nederland met dergelijke aandelen. Hierbij is niet van belang dat van belanghebbende slechts dividendbelasting is geheven, terwijl van die inwoner van Nederland inkomstenbelasting met verrekening van dividendbelasting wordt geheven. Voorts is tot een bedrag van € 527 sprake van een nadelige behandeling van belanghebbende. Deze benadeling wordt door België niet geneutraliseerd op grond van een in het Verdrag Nederland-België van 5 juni 2001 opgenomen regeling ter voorkoming van dubbele belasting. Ten slotte kan de beperking van het vrije kapitaalverkeer niet gerechtvaardigd worden met een beroep op het coherentiebeginsel. Uit het vorenstaande volgt dat belanghebbende, anders dan zij stelt, geen recht heeft op teruggaaf van het gehele bedrag aan ingehouden dividendbelasting, wel heeft zij tot een bedrag van € 527 recht op teruggaaf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012/2859 met annotatie van Kinnegim
FutD 2012-2274 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N Vandaag 2012/2144
V-N 2012/58.1.2

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Vierde meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 11/00653 t/m 11/00658

Uitspraak op het hoger beroep van

de Inspecteur van de Belastingdienst/Zuidwest,

hierna: de Inspecteur,

en het incidentele hoger beroep van

X,

wonende te Y (België),

hierna: belanghebbende,

tegen de schriftelijke uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 14 september 2011, nummers AWB 10/1918, AWB 11/2579, AWB 11/2580, AWB 11/2582, AWB 11/2583 en AWB 11/2588, in het geding tussen

belanghebbende

en

de Inspecteur,

betreffende na te noemen inhoudingen van dividendbelasting.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. A BV (hierna: de Holding), gevestigd te B, heeft in de jaren 2003 tot en met 2009 ter zake van 29 aan belanghebbende verrichte uitkeringen van dividend dividendbelasting ingehouden en vervolgens afgedragen. Na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur, bij in één geschrift vervatte uitspraken van 29 maart 2010, beslist dat geen teruggaaf van ingehouden dividendbelasting wordt verleend, althans, zo verstaat het Hof, voor zover deze in elk van de gevallen meer zou bedragen dan een teruggaaf, die zou voortvloeien uit de toepassing van artikel 10, paragraaf 2, subparagraaf 6, van het Belastingverdrag Nederland-België van 5 juni 2001 (hierna: het Verdrag).

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 298.

Vervolgens zijn belanghebbende en de Inspecteur overeengekomen hun geschil te beperken tot de inhouding van dividendbelasting ter zake van de zes in 2007 door de Holding aan belanghebbende verrichte dividenduitkeringen. Het Hof verstaat dit aldus dat belanghebbende haar beroep tegen de uitspraken van de Inspecteur betreffende de inhouding van dividendbelasting ter zake van de door de Holding in de jaren 2003 tot en met 2006 en 2008 tot en met 2009 verrichte dividenduitkeringen heeft ingetrokken.

Bij haar eerdervermelde uitspraak heeft de Rechtbank het beroep in de zaken met de nummers AWB 10/1918, AWB 11/2579, AWB 11/2580, AWB 11/2582 en AWB 11/2583 ongegrond verklaard, het beroep in de zaak met het nummer AWB 11/2588 gegrond verklaard, teruggaaf verleend van dividendbelasting over het tijdvak november 2007 tot een bedrag van € 527, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.092,50, verstaan dat de griffier van de Rechtbank € 148 griffierecht aan belanghebbende restitueert en de Inspecteur gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 150 aan deze vergoedt.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft de Inspecteur hoger beroep ingesteld bij het Hof. Het Hof heeft het hoger beroep gesplitst in zes zaken en deze geregistreerd onder de nummers 11/00653 tot en met 11/00658. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Belanghebbende heeft het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep bij verweerschrift bestreden. Daarbij heeft zij tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft het incidentele hoger beroep beantwoord.

1.5. De zitting heeft plaatsgehad op 6 juni 2012 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.6. De Inspecteur heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het Hof en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij. De Inspecteur heeft deze pleitnota te dezer zitting voorgedragen.

1.7. Belanghebbende heeft te dezer zitting eveneens een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.8. Vervolgens heeft het Hof het onderzoek gesloten.

1.9. Van het onderzoek is een proces-verbaal opgemaakt dat in afschrift aan partijen is gezonden.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1. Belanghebbende, die is geboren in 1940, bezit de Nederlandse nationaliteit en is woonachtig in België. Zij is ter zake van de door haar genoten en aan Nederland ter heffing toegewezen AOW- en pensioenuitkeringen buitenlands belastingplichtige voor de inkomstenbelasting. Zij heeft met betrekking tot het onderhavige jaar (2007) niet op de voet van het bepaalde in artikel 2.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet IB 2001) gekozen voor toepassing van de regels van die wet voor binnenlandse belastingplichtigen.

2.2. Belanghebbende bezat ook gedurende het jaar 2007 twee van de 95 geplaatste certificaten van aandelen in de Holding. Zij heeft in de Holding geen aanmerkelijk belang als is bedoeld in afdeling 4.3 van de Wet IB 2001. Haar eveneens in België woonachtige stiefzoon, de heer C, bezit ook twee van de geplaatste certificaten in de Holding. De overige 91 geplaatste certificaten zijn in handen van personen die allen binnenlands belastingplichtig zijn voor de inkomstenbelasting en/of de vennootschapsbelasting.

2.3. De Holding keert regelmatig dividenden uit aan haar aandeelhouder, de Stichting D (hierna: de Stichting), die de dividenden vervolgens doorbetaalt aan de certificaathouders. In 2007 heeft de Holding via deze Stichting aan belanghebbende zesmaal voor een totaalbedrag van

€ 107.372 dividend ter beschikking gesteld. De Holding heeft hierop in totaal € 16.105,80 aan dividendbelasting ingehouden.

Het betreft de volgende dividenden:

dagtekening bruto dividend ingehouden dividendnota dividendbelasting

29 januari 2007 € 20.000 € 3.000,00

19 maart 2007 € 11.580 € 1.737,00

7 mei 2007 € 18.948 € 2.842,20

3 juli 2007 € 18.948 € 2.842,20

11 september 2007 € 18.948 € 2.842,20

13 november 2007 € 18.948 € 2.842,20

--------- -----------

€ 107.372 € 16.105,80

2.4. De onderhavige dividenden zijn in België in de heffing van personenbelasting betrokken. De verschuldigde belasting daarover bedroeg 25% van (€ 107.372 minus de ingehouden Nederlandse dividendbelasting van € 16.105,80 is € 91.266,20) is € 22.816,55. Het Belgische Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 voorziet niet in verrekening van de Nederlandse dividendbelasting met de over het dividend verschuldigde personenbelasting.

2.5. De gemiddelde waarde van de certificaten van belanghebbende in de Holding bedroeg in 2007 € 1.298.245. Ter financiering van deze certificaten is belanghebbende geen schulden aangegaan. Evenmin heeft zij in 2007 op de dividenden drukkende kosten gemaakt.

2.6. Niet is in geschil dat de hoogte van het door belanghebbende in het onderhavige jaar (2007) van de Holding ontvangen dividend als normaal is aan te merken.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Heeft de omstandigheid dat de van binnenlandse belastingplichtigen geheven dividendbelasting onbeperkt verrekenbaar is met de door hen verschuldigde inkomstenbelasting, waarbij een eventueel overschot wordt teruggegeven, en dat door inwoners van EU-landen, zoals belanghebbende, alleen de van hen geheven dividendbelasting kan worden verrekend welke betrekking heeft op bestanddelen van hun in Nederland belastbaar inkomen, tot gevolg dat ten aanzien van binnenlandse belastingplichtigen in wezen de dividendbelasting is afgeschaft en ten aanzien van inwoners van EU-landen niet en, zo ja, is zulks in strijd met het gemeenschapsrecht, zodat het totale bedrag van de in het onderhavige jaar van belanghebbende geheven dividendbelasting ad € 16.105,80 aan haar dient te worden teruggegeven?

II. Zo neen, heeft belanghebbende op grond van het gemeenschapsrecht eveneens recht op onbeperkte verrekening, met teruggaaf van een eventueel overschot, van de van haar geheven dividendbelasting met de door haar ter zake van de door haar genoten en aan Nederland ter heffing toegewezen AOW- en pensioenuitkeringen verschuldigde Nederlandse inkomstenbelasting?

III. Zo neen, is de relevante belastingdruk op de door belanghebbende genoten, onder 2.3 vermelde dividenden hoger dan de relevante belastingdruk geweest zou zijn als zij binnenlands belastingplichtig was en, zo ja, dient dit excedent op grond van het gemeenschapsrecht aan haar te worden gerestitueerd?

Belanghebbende is van mening dat al deze vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep, tot gegrondverklaring van het incidentele hoger beroep, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de uitspraken op bezwaar van de Inspecteur en tot het gelasten aan de Inspecteur om teruggaaf te verlenen van ingehouden dividendbelasting tot een bedrag van in totaal € 16.105,80.

De Inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, tot ongegrondverklaring van het incidentele hoger beroep, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot bevestiging van de uitspraken op bezwaar.

4. Gronden

Vooraf en ambtshalve

4.1. Blijkens de stukken van het geding is het hoger beroep gericht tegen alle zes zaken waarin de Rechtbank in één geschrift uitspraak heeft gedaan. Aangezien de Rechtbank het beroep in de zaken met de nummers AWB 10/1918, AWB 11/2579, AWB 11/2580, AWB 11/2582 en AWB 11/2583 ongegrond heeft verklaard, ontbeert het daartegen ingestelde hoger beroep belang. Om die reden verklaart het Hof het hoger beroep van de Inspecteur in de zaken met de nummers 11/00653 tot en met 11/00657 niet-ontvankelijk.

Ten aanzien van het geschil

4.2. Belanghebbende is als niet-ingezetene van Nederland buitenlands belastingplichtig voor de inkomstenbelasting vanwege haar onder 2.1 bedoelde uitkeringen. Voor wat betreft de inkomsten uit certificaten van aandelen in de Holding is belanghebbende niet buitenlands belastingplichtig, omdat deze niet tot de rendementsgrondslag behoren. Als gevolg hiervan kan belanghebbende ingevolge het bepaalde in artikel 9.2, lid 9, van de Wet IB 2001 de ingehouden dividendbelasting ad in totaal € 16.105,80 niet als voorheffing verrekenen met de door haar verschuldigde Nederlandse inkomstenbelasting.

4.3. Bij de beoordeling van de in geschil zijnde vragen stelt het Hof voorop dat belanghebbende als ingezetene van België die certificaten van aandelen houdt in, en ter zake van die certificaten dividend ontvangt van, een in Nederland gevestigde vennootschap, toegang heeft tot het EG-verdrag en dat een en ander valt aan te merken als kapitaalverkeer in de zin van dit verdrag. De rechtmatigheid van het van belanghebbende inhouden van de onderhavige dividendbelasting dient derhalve getoetst te worden op verenigbaarheid met artikel 56 van het EG-verdrag, welk artikel bepaalt, voor zover hier van belang, dat alle beperkingen van het kapitaalverkeer tussen lidstaten onderling verboden zijn.

4.4. Niet uitgesloten kan worden dat de in het woonland - in dit geval België - geheven inkomstenbelasting over dividenden ontvangen van Nederlandse vennootschappen minder bedraagt dan de op die dividenden (met toepassing van een vigerend belastingverdrag) ingehouden Nederlandse dividendbelasting.

Dit betekent dat niet-ingezetenen van Nederland die niet buitenlands belastingplichtig zijn voor de inkomsten uit (certificaten van) aandelen in Nederlandse vennootschappen en die de op de dividenden ingehouden Nederlandse dividendbelasting in hun woonland niet als voorheffing kunnen verrekenen met de inkomstenbelasting nadeliger af kunnen zijn dan ingezetenen van Nederland die, behoudens een enkele hier niet terzake doende uitzondering, de op de dividenden ingehouden dividendbelasting wèl als voorheffing kunnen verrekenen met de inkomstenbelasting.

Die potentieel minder gunstige behandeling zou niet-ingezetenen ervan kunnen weerhouden om te beleggen in (certificaten van) aandelen in Nederlandse vennootschappen, zodat sprake is van een beperking in de zin van artikel 56 van het EG-Verdrag.

4.5. De vraag is evenwel of die beperking gerechtvaardigd is vanuit het oogpunt van de bepalingen van het EG-verdrag. In dat kader is van belang dat artikel 58, lid 1, van het EG-verdrag, voor zover hier van belang, bepaalt dat het bepaalde in artikel 56 niets afdoet aan het recht van de lidstaten de terzake dienende bepalingen in hun belastingwetgeving toe te passen die onderscheid maken tussen belastingplichtigen die niet in dezelfde situatie verkeren met betrekking tot hun vestigingsplaats. Dat onderscheid mag ingevolge artikel 58, lid 3, van het EG-Verdrag echter geen middel tot willekeurige discriminatie of een verkapte beperking van het vrije kapitaalverkeer vormen. Daartoe dient onderzocht te worden of het onderhavige verschil in behandeling tussen ingezetenen en niet-ingezetenen betrekking heeft op situaties die niet objectief vergelijkbaar zijn of wordt gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang (zie onder andere het arrest HvJ EG 7 september 2004, nr. C-319/02 (Manninen), BNB 2004/401).

4.6. De Inspecteur stelt dat de situaties van ingezetenen en niet-ingezetenen zoals belanghebbende niet objectief vergelijkbaar zijn, omdat uit de op het OESO-modelverdrag gebaseerde - en door het gemeenschapsrecht onderschreven - bilaterale beginselen voortvloeit dat Nederland niet-ingezetenen als belanghebbende voor de inkomsten uit (certificaten van) aandelen in Nederlandse vennootschappen niet als buitenlands belastingplichtige in de heffing van inkomstenbelasting mag betrekken. Vanuit de Wet op de dividendbelasting 1965 zijn de situaties van ingezetenen en niet-ingezetenen volgens de Inspecteur wèl objectief vergelijkbaar; die situaties worden gelijk behandeld omdat in beide situaties sprake is van een heffing van 15% over dividenden.

4.7. Het Hof volgt de Inspecteur niet in deze stelling.

Uit de op het OESO-modelverdrag gebaseerde bilaterale beginselen, waarbij de Inspecteur kennelijk doelt op de met betrekking tot dividenden volgens artikel 10 van het OESO-modelverdrag gangbare verdeling van heffingsbevoegdheden tussen woonstaat en bronstaat, vloeit geenszins voort dat Nederland als bronstaat niet-ingezetenen als belanghebbende voor de inkomsten uit (certificaten van) aandelen in Nederlandse vennootschappen niet in de heffing van inkomstenbelasting zou mogen betrekken. Het enige dat uit dit artikel voor een bronstaat voortvloeit is dat die staat het recht heeft dividenden van aldaar gevestigde vennootschappen overeenkomstig zijn nationale wetgeving te belasten alsmede onder welke omstandigheden hij is gehouden de belasting terzake te mitigeren. Over de wijze van belastingheffing, te weten betrekken in de inkomstenbelasting of heffing van dividendbelasting, legt dit artikel geen enkele maatstaf of beperking aan.

Overigens maakt het voor de objectieve vergelijkbaarheid van de onderhavige situaties ook niet uit of niet-ingezetenen als belanghebbende in de heffing van inkomstenbelasting kunnen worden betrokken. Slechts van belang is of dividenden van dergelijke niet-ingezetenen door de bronstaat, evenals dividenden van ingezetenen, in de belastingheffing als zodanig worden betrokken (vergelijk onder andere het arrest HvJ EG 12 december 2006, nr. C-374/04 (Test Claimants in Class IV of the ACT Group Litigation), BNB 2007/131).

In de onderhavige kwestie is dit het geval. Niet van belang is dat bij niet-ingezetenen als belanghebbende over dividenden uitsluitend dividendbelasting wordt geheven en bij ingezetenen dividendbelasting (als voorheffing) en inkomstenbelasting (met verrekening van de voorheffing). Gelet hierop is derhalve sprake van objectief vergelijkbare situaties. Hetgeen de Inspecteur in dit kader voor het overige heeft aangevoerd, behoeft geen behandeling meer. Nu de zogeheten vermogensrendementsheffing het karakter heeft van heffing van inkomstenbelasting over de inkomsten uit de van de rendementsgrondslag deel uitmakende vermogensbestanddelen, dient de in de omschrijving van het geschil onder I vermelde vraag derhalve ontkennend te worden beantwoord.

4.8. De in de omschrijving van het geschil onder II vermelde vraag behoeft in de onderhavige zaak niet te worden beantwoord. Bevestigende beantwoording van die vraag maakt immers het heffen van dividendbelasting van buitenlandse belastingplichtigen, zoals belanghebbende, niet onrechtmatig, maar heeft alleen tot gevolg dat zodanige belastingplichtigen bij de heffing van inkomstenbelasting die dividendbelasting alsnog onbeperkt kunnen verrekenen, dan wel gerestitueerd kunnen krijgen.

4.9. Vervolgens betreft het geschil de vraag of de dividenden in de situatie van belanghebbende fiscaal nadeliger worden behandeld dan gelijke dividenden van een ingezetene. Uit het arrest HvJ EG 19 januari 2006, nr. C-265/04 (Bouanich), V-N 2006/7.5, leidt het Hof af dat die vraag bevestigend beantwoord moet worden indien de belastingdruk op de dividenden van een ingezetene lager is dan de belastingdruk op de dividenden van belanghebbende, bepaald met inachtneming van artikel 10, paragraaf 2, van het Verdrag. Een en ander komt erop neer dat beoordeeld dient te worden of de inkomstenbelasting die belanghebbende verschuldigd zou zijn over 4% van de voor het jaar 2007 geldende gemiddelde waarde van haar certificaten van aandelen in de Holding (hierna: de binnenlandse belastingdruk) minder bedraagt dan de op die dividenden ingehouden dividendbelasting van € 16.105,80. Hierbij houdt het Hof rekening met de omstandigheid dat belanghebbende ter zake van deze certificaten geen schulden is aangegaan alsmede dat zij in 2007 geen op de dividenden drukkende kosten heeft gemaakt. Het Hof houdt geen rekening met heffingvrij vermogen en heffingskortingen, omdat gesteld nog gebleken is dat wordt voldaan aan de 90%-norm volgens het arrest HvJ EG 14 februari 1995, nr. 279/93 (Schumacker), V-N 1995, blz. 1129, punt 28 (zie ook het arrest HR 9 december 2011, nr. 10/01409, BNB 2012/44).

De binnenlandse belastingdruk bedraagt 30% van 4% (forfaitair rendement) van € 1.298.245 (gemiddelde waarde van de certificaten van aandelen in 2007) = € 15.578,94. In de situatie van belanghebbende bedraagt de belastingdruk op de onderhavige dividenden 15% van € 107.372 = € 16.105,80. Er is derhalve tot een bedrag van € 16.105,80 minus 15.578,94 is € 526,86 sprake van een benadeling.

4.10. Het Hof verwerpt de door de Inspecteur gestelde alternatieve berekeningen van de binnenlandse belastingdruk. Het gaat daarbij om de volgende alternatieven:

(i) berekening van de binnenlandse belastingdruk waarbij rekening wordt gehouden met het wereldvermogen c.q. het overige Nederlandse vermogen van belanghebbende,

(ii) berekening van de binnenlandse belastingdruk waarbij, zo begrijpt het Hof althans, de gemiddelde waarde van de certificaten van aandelen in de Holding over een reeks van jaren wordt gemiddeld, en

(iii) berekening van de binnenlandse belastingdruk waarbij de gemiddelde waarde van de certificaten van aandelen in de Holding wordt verhoogd met het gemiddelde van de door de belanghebbende in de jaren 2006 en 2007 op deze certificaten ontvangen dividend.

Het Hof verwerpt deze alternatieven, omdat:

(i) aldus bezittingen en schulden die in geen enkel verband staan met de certificaten van aandelen in de Holding bepalend zouden zijn voor de vraag of de onderhavige inhouding van dividendbelasting een benadeling impliceert,

(ii) de Wet IB 2001 niet voorziet in middeling van de gemiddelde waarde van bezittingen en schulden over een reeks van jaren, en

(iii) volgens de Wet IB 2001 voor de gemiddelde waarde van bezittingen en schulden over een jaar uitsluitend de waarde van bezittingen en schulden op 1 januari en 31 december van dat jaar van belang is.

4.11. Het Hof verwerpt tevens de stelling van belanghebbende dat het gemeenschapsrecht noopt tot teruggaaf van het gehele bedrag van € 16.105,80 aan ingehouden dividendbelasting. Uit het arrest HvJ EG 19 januari 2006, nr. C-265/04 (Bouanich), V-N 2006/7.5, volgt dat voor de beoordeling van de aanwezigheid van een benadeling de wijze waarop en de naam waaronder in buitenlandse en binnenlandse situaties belasting wordt geheven niet bepalend zijn (zie ook hetgeen onder 4.7 is overwogen). Bepalend in dat verband is slechts het netto dividend dat in die situaties na belastingheffing resteert. Het incidentele hoger beroep van belanghebbende is derhalve ongegrond.

4.12. Vervolgens is de vraag aan de orde of de onder 4.9 berekende benadeling in de situatie van belanghebbende in de woonstaat wordt geneutraliseerd. De Inspecteur stelt dat dit het geval is, omdat

(i) aan Nederland als bronstaat niet kan worden tegengeworpen dat de woonstaat België, gelet op artikel 23, paragraaf 1, subparagraaf b, van het Verdrag heeft verzuimd verrekening te verlenen van de ingehouden Nederlandse dividendbelasting met de door belanghebbende verschuldigde Belgische personenbelasting, en

(ii) zo dit niet het geval is, de woonstaat België vanwege de in 2.4 vermelde aftrek op de heffingsgrondslag van de ingehouden Nederlandse dividendbelasting feitelijk de benadeling van € 526,86 heeft geneutraliseerd.

4.13. Het Hof is van oordeel dat geen sprake is van een verzuim als door de Inspecteur onder (i) hiervóór is gesteld. In artikel 23, paragraaf 1, subparagraaf b, van het Verdrag is bepaald dat België voor dividenden als van belanghebbende, voorkoming van dubbele belasting volgens de verrekeningsmethode verleent onder het voorbehoud van de bepalingen van de Belgische wetgeving betreffende de verrekening van in het buitenland betaalde belastingen met de Belgische belasting.

Uit de gezamenlijke artikelsgewijze toelichting die als bijlage is gevoegd bij de memorie van toelichting bij het voorstel van wet tot goedkeuring van dit Verdrag blijkt dat het voorbehoud ziet op artikel 285 en verder van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2001-2002, 28 259, nr. 3, blz. 54).

In de situatie van belanghebbende zou volgens dit artikel 285 voor de desbetreffende dividenden tot een forfaitair bedrag verrekening van Nederlandse belasting zijn verleend voor zover die dividenden in Nederland onderworpen waren aan een gelijkaardige belasting als de personenbelasting. Aangezien dit laatste niet het geval is, is van een verzuim aan Belgische zijde geen sprake.

In dit verband wijst het Hof nog op de arresten HvJ EG 14 november 2006, nr. C-513/04 (Kerckhaert-Morres), BNB 2007/73, en HvJ EG 16 juli 2009, nr. C-128/08 (Damseaux), V-N 2009/39.7, waaruit volgt dat artikel 285 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 niet strijdig is met het gemeenschapsrecht.

4.14. Voorts is het Hof van oordeel dat de in 2.4 genoemde aftrek van Nederlandse dividendbelasting niet leidt tot een rechtsgeldige neutralisering van de onderhavige benadeling. Uit het arrest HvJ EG 8 november 2007, nr. C-379/05 (Amurta), V-N 2007/57.16, volgt immers dat daarvoor is vereist dat de aftrekmethode is opgenomen in het Verdrag, hetgeen niet het geval is. De door België aan belanghebbende voor de dividenden verleende voorkoming van dubbele belasting volgens de aftrekmethode kwalificeert dan ook als een unilaterale voorkomingsmethode. De omstandigheid dat de aftrekmethode er feitelijk toe heeft geleid dat België het gehele bedrag van de benadeling ad € 526,86 heeft gecompenseerd (25% van € 16.105,80 is € 4.026,45) is daarbij niet van belang.

4.15. Ten slotte stelt de Inspecteur dat, indien in de situatie van belanghebbende een beperking van artikel 56 EG-verdrag aanwezig wordt geacht, deze beperking wordt gerechtvaardigd door de noodzaak tot het behoud van de aan het Nederlandse stelsel inzake de belasting van dividenden bij ingezetenen en niet-ingezetenen ten grondslag liggende coherentie. In casu zou deze coherentie volgens de Inspecteur worden verstoord doordat Nederland als bronstaat aldus gehouden zou zijn aan een niet-ingezetene voorkoming van juridische dubbele belasting te verlenen. Het Hof verwerpt deze stelling. In de onderhavige zaak gaat het om het realiseren - op basis van artikel 56 van het EG-verdrag - van een gelijke belastingdruk op Nederlandse dividenden genoten door ingezetenen en niet-ingezetenen, waarbij voorkoming van juridisch dubbele belasting door Nederland niet aan de orde is.

Ook anderszins is het Hof niet gebleken dat de onderhavige beperking van artikel 56 van het EG-verdrag gerechtvaardigd kan worden.

4.16. Het Hof heeft in 4.9 geoordeeld dat bij belanghebbende tot een bedrag van € 526,86 sprake is van een benadeling. Omdat de Rechtbank het bedrag van de benadeling heeft vastgesteld op € 527 is het incidentele hoger beroep van belanghebbende ongegrond.

Slotsom

4.17. Gelet op al het vorenoverwogene is het hoger beroep van de Inspecteur in de zaken met de nummers 11/00653 tot en met 11/00657 niet-ontvankelijk en in de zaak met het nummer 11/00658 (tijdvak november 2007) ongegrond. Het incidentele hoger beroep van belanghebbende in alle zaken ongegrond.

De uitspraak van de Rechtbank kan in stand blijven, zij het dat de Rechtbank heeft verzuimd de uitspraak op bezwaar in de zaak met nummer 11/00658 te vernietigen en de uitspraken op bezwaar in de overige zaken te bevestigen, welk een en ander het Hof derhalve alsnog zal doen.

Ten aanzien van het griffierecht

4.18. Nu de uitspraak van de Rechtbank in stand blijft, wordt ter zake van het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep van de Staat een griffierecht geheven van € 454.

Ten aanzien van de proceskosten

4.19. Nu het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep in de zaken met de nummers 11/00653 tot en met 11/00657 niet-ontvankelijk en in de zaak met het nummer 11/00658 ongegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.20. Daarbij wordt uitgegaan van zes samenhangende zaken bij het Hof, te weten de zaken met de nummers 11/00653 tot en met 11/00658.

4.21. Het Hof stelt de kosten van de aan belanghebbende door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2 (punten) x € 437 (waarde per punt) x 1,5 (factor gewicht van de zaak) x 1,5 (samenhangende zaken) is € 1.966,50.

4.22. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5. Beslissing

Het Hof

- verklaart het hoger beroep in de zaken met de nummers

11/00653 tot en met 11/00657 niet ontvankelijk,

- verklaart het hoger beroep in de zaak met het nummer

11/00658, tijdvak november 2007, ongegrond;

- verklaart het incidentele hoger beroep in alle zaken

ongegrond,

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, vernietigt de

uitspraak op bezwaar in de zaak met nummer 11/00658,

tijdvak november 2007, en bevestigt de uitspraken op

bezwaar in de overige zaken,

- bepaalt dat door tussenkomst van de griffier van de

Staat ter zake van het door de Inspecteur ingestelde hoger

beroep een griffierecht wordt geheven van € 454, en

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij

het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op

€ 1.966,50.

Aldus gedaan op 29 augustus 2012 door P.A.G.M. Cools, voorzitter, J. Swinkels en J.A. Meijer, in tegenwoordigheid van A.W.J. Strik, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.