Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BX6462

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-08-2012
Datum publicatie
05-09-2012
Zaaknummer
20-003655-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging doodslag, steken met gebroken glas in hals/keel, voorwaardelijk opzet, geen vormverzuimen 359a Sv, geen schending art. 6 lid 3 EVRM, geen (putatief) noodweer(exces), bij strafmaat rekening gehouden met onnodige vertraging in hoger beroep, 4 jaar gevangenisstraf.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287, geldigheid: 2012-08-31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-003655-10

Uitspraak : 31 augustus 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Breda van 30 september 2010 in de strafzaak met parketnummer 02-800661-10 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats/land] op [1970],

thans gedetineerd in PI Zuid West - HvB De Torentijd te Middelburg,

waarbij verdachte ter zake van poging tot doodslag werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van voorarrest.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal mr. E.E.H. van Duijnhoven en van hetgeen door de verdachte en namens deze door mr. Z. Yeral, advocaat te Etten-Leur, naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen met aanvulling van de bewijsmiddelen.

Door de verdediging is bepleit dat:

- bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zodat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging dan wel strafvermindering dient te worden toegepast;

- het recht van de verdachte om getuigen à decharge te horen (artikel 6, derde lid aanhef en onder d, van het EVRM) is geschonden omdat slechts een aantal van de door de verdediging verzochte getuigen is toegewezen, zodat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard in de strafvervolging;

- verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde aangezien niet kan worden vastgesteld met welk voorwerp de verdachte naar [slachtoffer] heeft uitgehaald, laat staan dat hij dit voorwerp daaraan voorafgaand heeft kapotgemaakt, en omdat hij geen (voorwaardelijk) opzet had op de dood van het slachtoffer;

- verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde dan wel te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat sprake is van (tardief) noodweer(exces);

- de rechtbank verdachte – gelet op straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd – tot een te zware straf heeft veroordeeld.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd reeds omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 02 juni 2010 te Bergen op Zoom ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een gebroken glas, althans een glas, in de hals en/of de keel en/of de kin van die [slachtoffer] heeft gestoken en/of geduwd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Beoordeling van door de verdediging gestelde vormverzuimen

Door de verdediging is allereerst betoogd dat er sprake is van vormverzuimen tijdens het

voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, waardoor de verdachte in zijn verdediging is geschaad. Het politieonderzoek is dermate slordig geweest dat niet kan worden gesproken van een fair trial in de zin van artikel 6 EVRM, tengevolge waarvan primair het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard dan wel subsidiair – in geval van veroordeling – sprake zou moeten zijn van strafvermindering, aldus de verdediging. Hiertoe is – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat:

i. [verbalisant 1] op dossierpagina 7 heeft opgenomen dat meerdere getuigen van het incident zijn benaderd voor het afleggen van een verklaring en dat zij om persoonlijke dan wel politieke redenen geen verklaring wilden afleggen, zonder op te opnemen welke personen zijn benaderd en op welke wijze, op welk moment en door wie dit is gebeurd en wat er is besproken;

ii. [verbalisant 1] op dossierpagina 7 heeft opgenomen dat [verbalisant 2] hem op 28 juli 2010 telefonisch mededeelde dat op de in [café] veilig gestelde glasvoet geen bruikbaar dactyloscopisch spoor was aangetroffen, maar dat zich ter zake geen verdere onderzoeksresultaten in het dossier bevinden;

iii. niet duidelijk is of aangever [slachtoffer] toestemming aan de politie heeft gegeven om in het ziekenhuis foto’s te maken van zijn letsel;

iv. de CD/DVD met de bewegende camerabeelden tot zeer kort geleden zoek is geraakt;

v. pas tijdens de behandeling van de zaak in hoger beroep ter zitting van 1 juni 2012 (het hof begrijpt: 14 maart 2012) het proces-verbaal van sporenonderzoek d.d. 24 juni 2010 aan het dossier is toegevoegd;

vi. [verbalisant 3] op dossierpagina 23 heeft beschreven wat hij ter plaatse heeft waargenomen met betrekking tot de aldaar aanwezige personen, zonder tevens op te nemen welke informatie hij van wie heeft vernomen, zodat de verdediging dit niet kan verifiëren.

Ad i. en vi. Het hof volgt de verdediging niet in haar standpunt dat de verbalisanten [verbalisant 1] en/of [verbalisant 3] in de aangehaalde processen-verbaal niet (voldoende) zorgvuldig hun bevindingen hebben gerelateerd. Het hof stelt voorop dat niet is gebleken dat hetgeen zij hebben opgetekend niet hun eigen waarneming is geweest. Bovendien betreft het steeds een eerste verslaglegging van hetgeen zij ter plaatse hebben waargenomen, waarna vervolgonderzoek is ingesteld. Het hof vermag dan ook niet in te zien dat in dit kader sprake is van enig vormverzuim.

Ad ii. Voor zover al sprake zou zijn van enig vormverzuim omdat zich ten aanzien van het onderzoek naar vingerafdrukken op de veiliggestelde glasvoet geen nadere onderzoeksresultaten in het dossier bevonden ofwel hieromtrent onduidelijkheid bestond, is het hof van oordeel dat dit verzuim is hersteld. Immers, deze onduidelijkheid is opgehelderd door toevoeging aan het dossier van het aanvullend proces-verbaal van [verbalisant 4] d.d. 5 april 2012, waarin is gerelateerd dat op het afgebroken stuk glas wel een dactyloscopisch spoor is aangetroffen maar dat er geen herkenningen met dit dactyloscopische spoor in het vingerafdrukkenbestand Havank zijn geweest. Het hof verwijst voorts naar hetgeen hierover is opgenomen in het proces-verbaal van de terechtzitting van 1 juni 2012, blad 2.

Ad iii. Op dossierpagina 12 (mutatierapport) is te lezen dat door de betreffende verbalisanten toestemming aan het slachtoffer is gevraagd om de verwondingen te fotograferen voordat het verband werd aangebracht. Vervolgens is gerelateerd dat de foto’s zijn gemaakt. Het hof leidt uit deze gang van zaken af dat [slachtoffer] al dan niet expliciet toestemming heeft gegeven voor het maken van deze foto’s. Mocht het echter zo zijn dat de foto’s van het letsel van het slachtoffer (dossierpagina 58) zonder zijn toestemming zijn genomen – en vervolgens aan het dossier zijn toegevoegd –, dan is het hof van oordeel dat hierdoor enkel [slachtoffer] in zijn (privacy)belang kan zijn geschaad en dat niet valt in te zien dat de dan eventueel ontstane onrechtmatigheid jegens [slachtoffer] de verdachte treft in enig rechtens te beschermen belang.

Ad iv. Het hof stelt vast dat de DVD met de destijds veiliggestelde (bewegende) camerabeelden, die voorhanden is geweest gedurende de behandeling van de zaak in eerste aanleg, in hoger beroep pas (weer) boven tafel is gekomen kort voorafgaand aan de terechtzitting van 17 augustus 2012. Mede om die reden heeft de behandeling van de zaak in appel geruime tijd in beslag genomen. Echter, nu dit geen verzuim tijdens het voorbereidend onderzoek betreft – nog daargelaten dat het verzuim voorafgaand aan de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is hersteld – is het bepaalde in artikel 359a Sv niet van toepassing en treft dit onderdeel van het verweer in zoverre geen doel. Dit neemt niet weg dat het hof in deze slordige gang van zaken aanleiding ziet om hiermee in voor verdachte positieve zin rekening te houden bij de strafoplegging.

Ad v. Het proces-verbaal van sporenonderzoek d.d. 24 juni 2010 is pas ter terechtzitting van 14 maart 2012 aan het strafdossier toegevoegd. In het schrijven van [parketsecretaris] d.d. 13 maart 2012 aan het hof is te lezen dat het betreffende proces-verbaal om onduidelijke redenen niet eerder aan het dossier is toegevoegd. Nu dit verzuim echter is hersteld voorafgaand aan de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting hoger beroep, kan artikel 359a Sv in dit kader geen toepassing vinden. Dit neemt niet weg dat het hof van oordeel is dat ook hiermee in voor verdachte positieve zin rekening gehouden dient te worden bij de strafoplegging.

Conclusie

Op grond van hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen, is het hof van oordeel dat de door de verdediging gestelde vormverzuimen, noch afzonderlijk, noch in onderlinge samenhang bezien, aanleiding geven om op grond van het bepaalde in artikel 359a Sv over te gaan tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie of tot het toepassen van een strafkorting, dan wel hieraan enig ander rechtsgevolg te verbinden. De verweren dienaangaande worden dan ook verworpen.

Beoordeling van door de verdediging gestelde schending van artikel 6, derde lid, van het EVRM

Het hof begrijpt het pleidooi van de raadsman aldus dat hij zich naast de hiervoor besproken verweren op het standpunt stelt dat het recht van de verdachte om getuigen à decharge te horen (artikel 6, derde lid aanhef en onder d, van het EVRM) is geschonden omdat het hof slechts een aantal van de door de verdediging verzochte getuigen heeft toegewezen, zijnde de getuigen die reeds door de politie waren gehoord, hetgeen ertoe zou dienen te leiden dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op de eerste terechtzitting van het hof d.d. 24 maart 2011 heeft de verdediging haar schriftelijke verzoek tot het horen van getuigen toegelicht. Het hof heeft hierop aldus beslist dat [getuige 1] [getuige 2] [slachtoffer] en [getuige 3] als getuigen door de rechter-commissaris dienden te worden gehoord, hetgeen op 17 oktober 2011 is geschied, en geoordeeld dat er geen noodzaak bestond tot het horen van de overige door de verdediging verzochte getuigen, waarbij is opgemerkt dat het getuigenverzoek ten aanzien van die getuigen nauwelijks was onderbouwd.

Ter terechtzitting van het hof van 4 november 2011 heeft de verdachte zich geschaard achter het verzoek van de advocaat-generaal tot het als getuigen horen van de verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 1] alsook [getuige 3] en (naar later is gebleken) [getuige 4]. Het hof heeft dit verzoek geheel toegewezen en ter terechtzitting van het hof van 14 maart 2012 zijn de getuigen [verbalisant 1] [getuige 3] en [getuige 4] gehoord en is door alle betrokkenen afstand gedaan van het horen van de getuige [verbalisant 5].

Ter terechtzitting van het hof d.d. 27 januari 2012 heeft de verdachte – buiten aanwezigheid van zijn raadsman – het verzoek gedaan tot het als getuigen horen van de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 6] alsmede [slachtoffer] en [getuige 1]. Daarnaast heeft de verdachte toen opgemerkt dat wellicht ook de personen van het groepje dat [verbalisant 3] noemt in zijn proces-verbaal als getuigen moeten worden gehoord, alsook alle personen die op de camerabeelden te zien zijn. Het hof heeft de beslissingen op, onder meer, deze verzoeken toen aangehouden en de verdachte eerst in de gelegenheid gesteld om wederom in contact te treden met zijn raadsman. Vervolgens heeft de raadsman van verdachte ter terechtzitting van 14 maart 2012 (het hof verwijst naar het proces-verbaal van die zitting, blad 17) te kennen gegeven dat de verzoeken die de verdachte ter zitting van 27 januari 2012 had gedaan niet werden gehandhaafd.

Ter terechtzitting van het hof d.d. 1 juni 2012 is het schriftelijke verzoek van de verdachte d.d. 9 mei 2012 tot het als getuige horen van de [officier van justitie] ingetrokken. Ter terechtzitting van het hof d.d. 17 augustus 2012 is het schriftelijke verzoek van de verdachte, binnengekomen bij het hof op 3 augustus 2012, tot het als getuigen horen van de [rechter-commissaris], de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 6] alsook het verzoek ten aanzien van [getuige 1] ingetrokken.

Het hof stelt aan de hand van het vorenstaande vast dat de verdediging voldoende gelegenheid heeft gehad om na de zitting van 24 maart 2011 aan het hof opnieuw, beter onderbouwd, te verzoeken om over te gaan tot het horen van de eerder afgewezen getuigen. De verdediging heeft dit slechts ten dele gedaan. Voor zover de verdediging later (naar het oordeel van het hof voldoende onderbouwde) verzoeken heeft gedaan tot het horen van getuigen zijn de verzoeken toegewezen – waarna de getuigen ook daadwerkelijk zijn gehoord. Overige verzoeken zijn op een later moment ingetrokken door de verdediging dan wel niet gehandhaafd.

Dit maakt dat het hof van oordeel is dat van een schending van artikel 6, derde lid aanhef en onder d, van het EVRM geen sprake is. Het verweer wordt mitsdien verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 02 juni 2010 te Bergen op Zoom ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven met dat opzet een gebroken glas, in de hals/de keel van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. In het bijzonder overweegt het hof dat op de zich in het dossier bevindende foto’s van het letsel van aangever (dossierpagina 58) weliswaar te zien is dat hij (ook) verwondingen heeft aan zijn kin, doch het hof is van oordeel dat letsel aan de kin op zichzelf genomen geen aanmerkelijke kans op de dood met zich brengt, hetgeen reden is voor het hof om de verdachte vrij te spreken van het onderdeel van de tenlastelegging ‘en/of de kin’.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierna bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Aangever heeft – zakelijk weergegeven – verklaard :

Op 2 juni 2010 te 22.59 uur ben ik op de [adres] te Bergen op Zoom door de mij bekende [verdachte] met een kapot glas in mijn hals gestoken en dat heeft bij mij ernstig letsel en veel pijn veroorzaakt. Op 2 juni 2010 omstreeks 22.30 ben ik naar [café] gegaan, aan de [adres] te Bergen op Zoom. Ik was gekleed in een korte broek, t-shirt en slippers.

In het cafégedeelte, vlakbij de deur naar de rokersruimte, begon ik een gesprek met [verdachte]. Op enig moment kwam [verdachte] met zijn gezicht bijna tegen mijn gezicht aan staan. Ik ben weggelopen vanuit het café naar de rokersruimte. Daarna ging het allemaal heel snel. Ik draaide mij om en ik zag [verdachte] voor me staan. Ik zag in een flits dat hij een bierglas in zijn hand vast had en dat het glas in de richting van mijn gezicht bewoog. Het volgende moment voelde ik dat ik de inhoud van dat glas, bier, in mijn gelaat gesmeten kreeg. In een reactie kneep ik toen mijn ogen dicht en veegde ik direct met mijn handen mijn gezicht af. Op het moment dat ik mijn ogen weer opendeed zag ik dat [verdachte] met het glas in zijn rechterhand in de richting van mijn gezicht stak en ik voelde en hoorde op bijna hetzelfde moment dat het glas mijn keel raakte en gelijktijdig hoorde ik ook het geluid van brekend glas. Direct nadat ik in mijn hals was gestoken voelde ik bloed stromen.

Ik voelde dat er iets in de open wond zat. Later is in het ziekenhuis glas uit de wond gehaald. In het ziekenhuis ben ik geopereerd. De dokter vertelde mij later dat ik veel geluk heb gehad. Voor zover ik mij kan herinneren heeft [verdachte] mij maar een keer gestoken. Het was in een moment dat ik het glas hoorde kraken toen het brak en dat ik gestoken ben. Iemand heeft later tegen mij gezegd dat [verdachte] het glas kapot kneep voordat hij mij stak. [verdachte] heeft mij maar een keer gestoken maar gezien de verwondingen heeft hij het kapotte glas tijdens het steken rond gedraaid.

Ik heb nog veel pijn aan de wond. Ik mag nog geen vast voedsel hebben. Ik ben vanochtend van de I.C. naar de zaal overgebracht.

De verdachte heeft – zakelijk weergegeven – verklaard :

Op 2 juni 2010 was ik in [café] te Bergen op Zoom. Ik werd daar toen aangesproken door [slachtoffer]. [slachtoffer] liep weg, maar ik ben hem toen achterna gelopen. Ik heb toen een voorwerp van tafel gepakt en heb hem daarmee geslagen.

Het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 17 augustus 2012 op de bewegende camerabeelden het volgende waargenomen:

De verdachte en het slachtoffer [slachtoffer] – gekleed in een korte broek, t-shirt en slippers – zijn met elkaar in gesprek in de ruimte die is gelegen tussen de bar en de rokersruimte van het café. [slachtoffer] loopt naar de rokersruimte. Verdachte loopt [slachtoffer] achterna en gaat eveneens de rokersruimte in. Verdachte maakt met zijn rechterarm een opgaande beweging in de richting van het hoofd van [slachtoffer], waarna te zien is dat er vloeistof op de grond valt in de rokersruimte in de buurt van de plek waar [slachtoffer] zich bevindt. Direct hierop maakt verdachte opnieuw met zijn rechterarm een opgaande beweging in de richting van het hoofd van [slachtoffer], waarna [slachtoffer] meteen, zijn gelaat met de hand ondersteunend, naar de achteruitgang van het café loopt.

Getuige [getuige 3] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard :

Ik was op 2 juni 2010 in [café]. [verdachte] maakte een glas kapot en stak onder de keel van [slachtoffer]. [verdachte] brak het glas en stak direct. Dat zag ik gebeuren.

Uit het feit dat de verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 8] het eerste verhoor van aangever hebben afgenomen d.d. 2 juni 2010 om 23.55 uur (naar het hof begrijpt: in het ziekenhuis), welk proces-verbaal van verhoor zich bevindt op dossierpagina’s 56-57, leidt het hof af dat zij – zakelijk weergegeven – het volgende hebben bevonden :

(pagina 12)

Bevindingen ziekenhuis:

In ziekenhuis slachtoffer [slachtoffer] aangetroffen die op dat moment werd behandeld. Arts verklaarde dat [slachtoffer] zeer veel geluk had gehad en geen vitale delen in de hals waren geraakt. Van arts voor onderzoek glasdelen in ontvangst genomen die in de keel van verdachte [slachtoffer] werden aangetroffen. Wonden werden gehecht en hij zou voor observatie naar de IC worden gebracht. Nadat wond verbonden was werd een korte verklaring opgenomen. Aangever had behoorlijk wat bloed verloren en was wat versuft. Tijdens kort verhoor zagen we weer wat bloed onder het verband door komen.

Het hof heeft waargenomen dat op de als bijlage(n) bij het ambtsedig proces-verbaal van verhoor aangever, dossierpagina’s 56-57, gevoegde foto’s, dossierpagina 58, zichtbaar is dat aangever [slachtoffer] in zijn hals/keelstreek meerdere verwondingen heeft, waarvan een gedeelte is gehecht.

[verbalisant 1] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende bevonden :

Met betrekking tot het feit werd in [café] een glasvoet veilig gesteld alsmede beeldmateriaal van een beveiligingscamera in [café]. In het ziekenhuis te Bergen op Zoom werd een glasdeel of glasdelen, welke door de behandelend arts in de halsstreek was/waren aangetroffen, eveneens veiliggesteld en voor nader onderzoek ter beschikking gesteld aan personeel van de dienst F.T.O.

[verbalisant 4] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende bevonden :

Op 24 juni 2010 werd door mij als forensisch onderzoeker op verzoek van de Regiopolitie Midden en West Brabant een forensisch onderzoek naar sporen verricht in verband met een feit gepleegd op 2 juni 2010. Door medewerkers van Team Bergen op Zoom/Woensdrecht werden een stuk bierglas en glasscherven in beslag genomen. Tevens werd aan deze medewerkers door het personeel van het ziekenhuis te Bergen op Zoom een glasscherf overgedragen. De stukken glas werden aan mij overgedragen voor een sporenonderzoek.

Bierglas (voet)

Er werd een afgebroken stuk van vermoedelijk en bierglas (AACO1521NL) aangeboden. Het betrof de onderzijde van een glas met een paar scherpe uitstekende punten. Op het glas was een op bloed gelijkende substantie zichtbaar. Door mij werd het glas bemonsterd ten behoeve van eventueel DNA-onderzoek (AACT4277NL).

Glasscherf uit ziekenhuis

De glasscherf was ongeveer 1,5 bij 2 cm groot en ik zag erop een op bloed gelijkende substantie. De glasscherf werd door mij verpakt (AACT4275NL).

De deskundige dr. R.J. Bink heeft naar aanleiding van het onderzoek waarbij de DNA-profielen van het sporenmateriaal zijn vergeleken met het DNA-profiel van het slachtoffer [slachtoffer] en met het DNA-profiel van verdachte het navolgende gerapporteerd :

(pagina 3)

Tabel 1 Overzicht te onderzoeken materiaal

SIN Omschrijving

AACT4277NL een bemonstering van een afgebroken stuk bierglas

AACO1521NL een stuk (bier)glas

AACT4275NL een glasscherf afkomstig uit gelaat slachtoffer

RAAR3593NL een referentiemonster wangslijmvlies van slachtoffer [slachtoffer]

Tabel 2 Overzicht eerder onderzocht materiaal

SIN Omschrijving

RDH306 een referentiemonster wangslijmvlies van verdachte [verdachte]

(pagina 5)

Onderzoek naar biologische sporen

In de bemonstering AACT4277NL is bloed aangetroffen en als AACT4277Nl#01 veiliggesteld.

Op de buitenzijde en op de breukranden van het stuk (bier)glas AACO1521NL zijn meerdere bloedsporen aangetroffen. Een selectie van de aanwezige bloedsporen is bemonsterd en als AACO1521NL#02 tot en met #05 veiliggesteld. De onderzijde van dit stuk glas is bemonsterd en veiliggesteld als AACO1521NL#01. In deze bemonstering is bloed aangetroffen.

Het hof stelt vast dat uit de inhoud van het rapport op pagina 5 in combinatie met figuur 1 blijkt dat de bemonstering AACO1521NL#02 is genomen van de breukrand van het stuk (bier)glas en de bemonsteringen AACO1521NL#03 tot en met #5 van de buitenzijde van het stuk (bier)glas.

(pagina 6)

Glasscherf AACT4275NL

Het onderzoeksmateriaal betreft een kleine en een grote scherf. Op beide glasscherven is bloed aangetroffen, waarvan een deel is bemonsterd en is veiliggesteld als AACT4275NL#01 (kleine scherf) en AACT4275NL#02 (grote scherf).

DNA-onderzoek

Het referentiemonster wangslijmvlies RAAR3593NL van het slachtoffer [slachtoffer] en de veiliggestelde bemonsteringen zijn onderworpen aan een DNA-onderzoek.

Resultaten

Van het sporen- en referentiemateriaal zijn DNA-profielen verkregen. De DNA-profielen van het sporenmateriaal zijn vergeleken met het DNA-profiel van het slachtoffer [slachtoffer]3593NL en met het eerder verkregen DNA-profiel van de verdachte [verdachte] RDH306.

(pagina 7)

Tabel 3 Resultaten

SIN Celmateriaal kan afkomstig zijn van Berekende frequentie of matchkans

DNA-profiel

AACT4277Nl#01 [verdachte] kleiner dan 1 op 1 miljard

AACO1521NL#01 DNA-hoofdprofiel [verdachte] kleiner dan 1 op 1 miljard

Zwak aanwezig [slachtoffer] niet berekend

AACO1521NL#02 DNA-hoofdprofiel [slachtoffer] kleiner dan 1 op 1 miljard

DNA-nevenprofiel [verdachte] niet berekend

AACO1521NL#03 DNA-hoofdprofiel [verdachte] kleiner dan 1 op 1 miljard

Zwak aanwezig [slachtoffer] niet berekend

AACO1521NL#04 [verdachte] kleiner dan 1 op 1 miljard

AACO1521NL#05 [verdachte] kleiner dan 1 op 1 miljard

AACT4275NL#01 [slachtoffer] kleiner dan 1 op 1 miljard

AACT4275NL#02 [slachtoffer] kleiner dan 1 op 1 miljard

De deskundige ir. M.L. Hordijk heeft naar aanleiding van het onderzoek waarbij de glasscherf AACT4275NL en het stuk (bier)glas AACO1521NL met elkaar zijn vergeleken het navolgende gerapporteerd:

(pagina 3)

Tabel 1 Overzicht te onderzoeken materiaal

SIN Omschrijving

AACO1521NL Stuk (bier)glas

AACT4275NL Glasscherf (afkomstig uit gelaat slachtoffer)

(pagina 7)

De twee scherven waaruit het materiaal ‘glasscherf AACT4275NL’ bestaat, zijn in brekingsindex en in sporenelementsamenstelling niet van elkaar en niet van het stuk (bier)glas AACO1521NL te onderscheiden.

(pagina 8)

Conclusie

De resultaten van het vergelijkend glasonderzoek zijn veel waarschijnlijker wanneer de scherven in het materiaal glasscherf AACT4275NL afkomstig zijn van het drinkglas waartoe het stuk (bier)glas AACO1521NL heeft behoord (hypothese H1) dan wanneer ze afkomstig zijn van een willekeurig ander drinkglas of glazen voorwerp (hypothese H2).

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

Bewijsverweer I

De verdediging heeft – kort samengevat en zakelijk weergegeven – betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde aangezien op grond van de tegenstrijdige en inconsistente getuigenverklaringen van [getuige 3] [slachtoffer] en [getuige 1] alsmede gelet op de inhoud van de NFI-rapporten en de bewegende beelden, niet kan worden vastgesteld met welk voorwerp de verdachte naar [slachtoffer] heeft uitgehaald, laat staan dat hij dit voorwerp daaraan voorafgaand heeft kapotgemaakt. Voor de verdere onderbouwing van het verweer verwijst het hof naar de overgelegde pleitnotitie.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof acht op grond van de gebezigde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [slachtoffer] met een gebroken bierglas in de hals/keel heeft gestoken. Naar het oordeel van het hof vindt het verweer van de raadsman zijn weerlegging in de gebruikte bewijsmiddelen. Het hof wijst hierbij in het bijzonder op de verklaring die [getuige 3] ter terechtzitting van het hof op 14 maart 2012 heeft afgelegd voor zover inhoudende dat [getuige 3] heeft gezien dat de verdachte een glas brak en hiermee [slachtoffer] direct stak.

Weliswaar heeft [getuige 3] in eerste instantie bij de politie verklaard dat hij zich op het moment dat het feit werd gepleegd achter de bar van het café bevond, terwijl hij later zowel bij de rechter-commissaris als bij het hof heeft verklaard dat hij op dat moment in de rokersruimte bij de televisie zat – welke laatste ‘verblijfplaats’ bevestiging vindt in de verklaring van [getuige 2] – , doch de kern van de verklaring van [getuige 3] is steeds hetzelfde geweest, namelijk dat hij heeft gezien dat de verdachte het glas eerst kapot maakte (kneep) alvorens [slachtoffer] hiermee te steken. Anders dan de verdediging ziet het hof, gezien het voorgaande en ook overigens, geen aanleiding om aan de juistheid dan wel betrouwbaarheid van de voor het bewijs gebruikte verklaring van [getuige 3] te twijfelen en kan dat gedeelte van zijn verklaring tot het bewijs worden gebezigd.

De verklaring van [getuige 3] is naar het oordeel van het hof ook niet onverenigbaar met de door het hof gebezigde verklaring van aangever waar het gaat over de volgorde van het breken van het glas en het steken. Aangever verklaart dat alles in een moment gebeurde, hij zag [verdachte] met het glas in de richting van zijn gezicht steken en voelde en hoorde op bijna hetzelfde moment dat het glas zijn keel raakte en gelijktijdig hoorde hij ook het geluid van brekend glas.

Aangever verklaart niet uitdrukkelijk dat het glas brak terwijl hij werd gestoken of doordat hij werd gestoken. Tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris geeft hij aan dat hij niet weet op welke wijze het glas kapot is gegaan, of verdachte het glas kapot heeft geslagen, of kapot heeft geknepen ofwel op een andere manier kapot is gegaan. Zijn verklaring laat dus ruimte voor de situatie beschreven door [getuige 3] dat verdachte het glas brak en meteen daarop stak.

De verklaring van [getuige 1] wordt door het hof niet gebruikt en behoeft dus geen bespreking.

Het hof verwerpt het verweer in al zijn onderdelen.

Bewijsverweer II

De verdediging heeft – zakelijk weergegeven – voorts betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde omdat hij geen (voorwaardelijk) opzet had op de dood van het slachtoffer. Hiertoe is aangevoerd dat de verdachte in een vlaag iets van tafel heeft gepakt en dat de kans dat het slachtoffer door het handelen van verdachte zou komen te overlijden gering was, met name nu de verdachte het slachtoffer slechts in de kin heeft geraakt. Voor de verdere onderbouwing van het verweer verwijst het hof naar de overgelegde pleitnotitie.

Het hof acht op grond van de gebezigde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [slachtoffer] met een gebroken bierglas in de hals/keel heeft gestoken, tengevolge waarvan [slachtoffer] in zijn hals/keelstreek meerdere verwondingen heeft opgelopen, waarvan een gedeelte diende te worden gehecht. Het hof volgt de verdediging derhalve niet in haar standpunt dat de verdachte [slachtoffer] enkel in zijn kin heeft geraakt.

Het hof acht, evenals de rechtbank, wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van voorwaardelijk opzet. Naar algemene ervaringsregels is de kans dat iemand zal overlijden aanmerkelijk wanneer hij/zij met een gebroken glas in de hals/keelstreek wordt gestoken, aangezien dit een kwetsbaar en vitaal deel van het lichaam betreft. In dit verband wijst het hof er op dat de arts in het ziekenhuis verklaarde dat [slachtoffer] zeer veel geluk had gehad en geen vitale delen in de hals waren geraakt. Het hof acht de bewezenverklaarde gedraging naar zijn aard dan ook geschikt en geëigend om iemands dood te veroorzaken en dit moet ook voor verdachte kenbaar zijn geweest.

Voor zover de verdediging heeft aangevoerd dat verdachte in een vlaag iets van tafel heeft gepakt en daarmee heeft uitgehaald, acht het hof van belang dat de verdachte eerst de inhoud van het betreffende glas in het gezicht [slachtoffer] heeft gegooid, waarna hij [slachtoffer] direct met het gebroken glas heeft gestoken. Het hof leidt hier uit af dat verdachte moet hebben geweten dat hij een glas in zijn handen had op het moment dat hij naar [slachtoffer] uithaalde in de richting van zijn hals/keel. Door te handelen zoals bewezen verklaard, dus door opzettelijk met een gebroken glas in de hals/de keel van [slachtoffer] te steken heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij [slachtoffer] van het leven zou beroven.

Het hof verwerpt het verweer mitsdien in al zijn onderdelen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte uit (tardief) noodweer dan wel noodweerexces heeft gehandeld door [slachtoffer] met een glas/fles te slaan.

Daartoe is primair aangevoerd dat [slachtoffer] de verdachte daaraan voorafgaand heeft bedreigd en/of vastgepakt, tegen welke wederrechtelijke aanranding verdachte zich mocht verweren, zodat verdachte – aldus de verdediging - dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde (het hof begrijpt: dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging).

Subsidiair – wanneer het hof van oordeel mocht zijn dat de verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden – is aangevoerd dat sprake is van noodweerexces, zodat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Meer subsidiair is volgens de verdediging sprake van tardief (het hof begrijpt: putatief) noodweer.

Van noodweer is sprake indien het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding.

Het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 17 augustus 2012 de bewegende camerabeelden – waarbij geen geluidsopnames zijn gemaakt – bekeken die de avond van het onderhavige feit zijn gemaakt. Het hof heeft op deze beelden waargenomen dat [slachtoffer] en verdachte met elkaar in gesprek zijn in de tussenruimte van het café. [slachtoffer] zit aanvankelijk op een kruk en de verdachte staat dicht bij hem. Verdachte beweegt steeds meer, terwijl [slachtoffer] zich rustig gedraagt. Op enig moment is te zien dat de verdachte en [slachtoffer] bijna met de hoofden tegen elkaar aan staan. [slachtoffer] loopt vervolgens naar de rokersruimte. De verdachte loopt [slachtoffer] achterna de rokersruimte in. Vervolgens verricht de verdachte in de rokersruimte de bewezenverklaarde handeling(en), zonder dat het hof ziet dat [slachtoffer] de verdachte kort hiervoor (bij zijn schouder) vastpakt of dat sprake is van andere fysieke handelingen van [slachtoffer] jegens verdachte.

Het hof overweegt in dit kader dat uit het onderzoek ter terechtzitting naar het oordeel van het hof niet aannemelijk is geworden dat [slachtoffer] de verdachte verbaal heeft bedreigd (kort) voor het bewezenverklaarde incident, omdat enig objectief aanknopingspunt ter ondersteuning van die verklaring van verdachte in het dossier ontbreekt.

Gelet op het vorenstaande, is zeker ook niet aannemelijk geworden dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, of ogenblikkelijke dreiging daarvan, waartegen de noodzakelijke verdediging geboden was, zodat het optreden van verdachte onder de gegeven omstandigheden niet kan worden aangemerkt als een noodzakelijke verdediging van zijn lijf, eerbaarheid of goed. Het hof verwerpt mitsdien het beroep op noodweer.

Aangezien van een verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging – noodweerexces – slechts sprake kan zijn indien de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een noodweersituatie en het hof van oordeel is dat van zo een situatie geen sprake was, faalt ook het beroep op noodweerexces.

Naar het oordeel van het hof is in onderhavige zaak evenmin sprake geweest van een situatie die maakt dat verdachte abusievelijk maar verschoonbaar mocht menen dat van [slachtoffer] een onmiddellijk dreigend gevaar uitging, waartegen hij zich moest of mocht verdedigen.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert op: poging tot doodslag.

De verdachte is strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren. De advocaat-generaal heeft zich achter deze strafoplegging geschaard. De verdediging heeft naar voren gebracht dat de rechtbank verdachte – gelet op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd – tot een te zware straf heeft veroordeeld.

Het hof overweegt als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van een aanzienlijke duur met zich brengt.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door [slachtoffer] met een gebroken glas in de hals/keel te steken, tengevolge waarvan het slachtoffer diverse verwondingen in de hals/keel heeft opgelopen. Verdachte heeft het leven van [slachtoffer] ernstig in gevaar gebracht. [slachtoffer] heeft veel geluk gehad dat geen vitale delen in de hals zijn geraakt.

De verdachte is blijkens het hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 9 januari 2012 eerder voor geweldsmisdrijven tot aanzienlijke gevangenisstraffen veroordeeld, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden om opnieuw een dergelijk strafbaar feit te plegen. Dat rekent het hof verdachte zwaar aan.

Hetgeen hiervoor is overwogen zou naar het oordeel van het hof moeten leiden tot een zwaardere straf dan door de rechter in eerste aanleg is opgelegd en door de advocaat-generaal gevorderd. Het hof verwerpt in dit verband de stelling van de verdediging dat verdachte in eerste aanleg in vergelijking tot soortgelijke zaken tot een te zware straf is veroordeeld.

Het hof ziet echter aanleiding om – zoals reeds eerder is overwogen – bij het bepalen van de strafmaat in voor verdachte positieve zin rekening te houden met de omstandigheid dat het hof en de andere procespartijen pas in een zeer laat stadium van de procedure het proces-verbaal van sporenonderzoek d.d. 24 juni 2010 en de DVD met de bewegende beelden ter beschikking hebben gekregen, waardoor de procedure bij het hof dientengevolge onnodig lang heeft geduurd en de verdachte lang in onzekerheid heeft moeten leven over de uitkomst van zijn strafzaak in hoger beroep. Om die reden zal het hof geen hogere straf opleggen dan door de rechter in eerste aanleg is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd.

Alles afwegende, is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren passend en geboden is, met aftrek van het reeds ondergane voorarrest.

Het hof merkt nog op dat ter terechtzitting van 17 augustus 2012 aan de orde is gesteld dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing zou zijn. Het hof overweegt in dit verband echter dat dit bij nader inzien niet het geval is aangezien het hof ervan uitgaat dat het onderhavige feit, dat op 2 juni 2010 omstreeks 23.00 uur heeft plaatsgevonden, is gepleegd nadat verdachte op diezelfde dag tot straf is veroordeeld in de zaak met parketnummer 20/004922-08.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. Y.G.M. Baaijens- van Geloven, voorzitter,

mr. K.J. van Dijk en mr. P.J. Hödl, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.A.G.W.M. van der Vleuten, griffier,

en op 31 augustus 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.