Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BX5646

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-08-2012
Datum publicatie
24-08-2012
Zaaknummer
HD 200.099.269
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Hoger beroep van kort geding. Moedervennootschap van werkgever betaalt salaris werknemer. Vordering werknemer tot hoofdelijke veroordeling moedervennootschap. Geen sprake van derdenbeding in de zin van artikel 6:253 BW. Onvoldoende gesteld voor vereenzelviging moeder en dochter. Vermeerdering grondslag eis met onrechtmatige daad tardief.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-0777
RAR 2012/148

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.099.269

arrest van de achtste kamer van 21 augustus 2012

in de zaak van

1. [Holding] HOLDING B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. MODECENTRUM [Modecentrum] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellanten,

advocaat: mr. Y.J.M.L. Dijk,

tegen:

[X.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. G.R.A.G. Goorts,

op het bij exploot van dagvaarding van 13 december 2011 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Roermond, sector kanton, locatie Venlo, in kort geding gewezen vonnis van 22 november 2011 tussen appellanten, hierna: de holding resp. het modecentrum, als gedaagden en geïntimeerde, hierna: [geintimeerde], als eiseres.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 321682/CV EXPL 11-3878)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven met producties hebben de holding en het modecentrum twee grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, opnieuw rechtdoende, tot afwijzing van de vorderingen van [geintimeerde], met veroordeling van [geintimeerde] in de kosten van beide instanties, de nakosten daaronder begrepen.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft [geintimeerde] de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in deze zaak om het volgende. [geintimeerde] is op 15 april 1986 bij het modecentrum in dienst getreden als verkoopmedewerkster. Haar salaris bedroeg laatstelijk € 10,13 bruto per uur. Het salaris is al die tijd betaald door de holding.

4.2. De holding is de moedermaatschappij in het modeconcern [modeconcern]. De holding is enig aandeelhouder en bestuurder van [Beheer] Beheer B.V. [Beheer] Beheer B.V. is enig aandeelhouder en bestuurder van [Detailhandelsgroep] Detailhandelsgroep B.V. en [Detailhandelsgroep] Detailhandelsgroep B.V. is enig aandeelhouder en bestuurder van het modecentrum en van de drie andere modecentra binnen het concern. De heer [bestuurder] is bestuurder van de holding.

4.3. Bij vonnis van 18 oktober 2010, verbeterd bij vonnissen van 24 november 2010 en 19 januari 2011, heeft de kantonrechter te Venlo het modecentrum in kort geding veroordeeld:

I om aan [geintimeerde] tegen behoorlijke bewijs van kwijting te betalen:

a. het loon ten bedrage van € 1.104,17 bruto per maand van periode 6 en hetzelfde bedrag voor periode 7 en periode 8 tot aan de dag waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig zal zijn geëindigd;

b. de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW, te weten 50% van het onder sub a gevorderde, voor zover dit te laat is of wordt betaald;

c. de wettelijke rente over het onder sub a en b gevorderde vanaf de dag van verzuim tot aan de dag der algehele voldoening;

d. de buitengerechtelijke kosten ad € 100,-;

II aan [geintimeerde] te verstrekken binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis, de salarisspecificaties over de periode 6 en 7, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 50,- per dag met een maximum van € 5.000,- dat het modecentrum hiermee in gebreke blijft;

III de ziekmelding van [geintimeerde] in de administratie te verwerken, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 50,- per dag met een maximum van € 5.000,-.

4.4. In hoger beroep heeft dit hof bij arrest van 26 juli 2011 het vonnis van de kantonrechter vernietigd en opnieuw rechtdoende het modecentrum veroordeeld:

I om aan [geintimeerde] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen:

a. het loon ten bedrage van € 893,12 bruto per maand van periode 6 en hetzelfde bedrag voor periode 7 en periode 8 van 2010 tot aan de dag waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig zal zijn geëindigd;

b. de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW, te weten 50% van de onder I a. bedoelde bedragen, voor zover deze te laat zijn betaald;

c. de wettelijke rente over de onder a. en b. bedoelde bedragen telkens vanaf de dag van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening;

II om aan [geintimeerde] binnen zeven dagen na betekening van dat arrest de salarisspecificaties over de periode 6 en 7 te verstrekken, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 50,- per dag dat het modecentrum hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 5.000,-;

III om de ziekmelding van [geintimeerde] in de administratie te verwerken, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 50,- per dag met een maximum van € 5.000,-.

Voorts heeft het hof het modecentrum veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep.

4.5. Bij beschikking van 22 november 2011 heeft de kantonrechter te Venlo de arbeidsovereenkomst tussen [geintimeerde] en het modecentrum met ingang van 1 januari 2012 ontbonden,waarbij aan [geintimeerde] een vergoeding is toegekend van € 20.000,= bruto.

4.6. In het onderhavige kort geding heeft [geintimeerde] in eerste aanleg gevorderd het modecentrum te veroordelen tot betaling van het door haar opgebouwde vakantiegeld over de periode juni 2010 tot en met mei 2011 ad € 857,40 (bruto) vermeerderd met de wettelijke verhoging ad 50% en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2011. Voorts heeft [geintimeerde] hoofdelijke veroordeling gevorderd van [Detailhandelsgroep] Detailhandelsgroep B.V., [Beheer] Beheer B.V., de holding en de heer [bestuurder] tot betaling van al hetgeen waartoe het modecentrum is veroordeeld uit hoofde van het vonnis van de kantonrechter te Venlo van 18 oktober 2010 (verbeterd bij vonnissen van 24 november 2010 en 19 januari 2011) en uit hoofde van het arrest van dit hof van 26 juli 2011, alsmede uit hoofde van het in dit kort geding tegen het modecentrum nog te wijzen vonnis.

4.7. De kantonrechter heeft in het vonnis waarvan beroep de vordering jegens het modecentrum tot betaling van het vakantiegeld toegewezen, met dien verstande dat de kantonrechter de wettelijke verhoging heeft gematigd tot 10%. De vordering tot hoofdelijke veroordeling heeft de kantonrechter alleen toegewezen ten aanzien van de holding, zulks onder aftrek van hetgeen reeds feitelijk is voldaan.

4.8. Het modecentrum en de holding kunnen zich met dit vonnis niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

4.9. [geintimeerde] vermeldt onder punt 3 van haar memorie van antwoord dat zij incidenteel appel wenst in te stellen en daartoe grieven zal formuleren. Het hof constateert dat in de memorie van antwoord geen grieven worden geformuleerd en geen incidentele vordering wordt ingesteld. Het hof stelt derhalve vast dat [geintimeerde] geen incidenteel appel heeft ingesteld.

4.10. Het hof overweegt ambtshalve dat [geintimeerde] spoedeisend belang heeft bij het in stand blijven van de door de kantonrechter in eerste aanleg getroffen voorziening gelet op de aard van die voorziening. Het belang van het modecentrum en de holding is erin gelegen dat zij het toewijzende vonnis van de kort gedingrechter in hoger beroep getoetst wensen te zien.

Ten aanzien van het modecentrum

4.11. Naar aanleiding van de door de holding en het modecentrum aangevoerde grieven overweegt het hof het volgende. Het hof constateert dat de grieven alleen betrekking hebben op het hoofdelijke karakter van de veroordeling van de holding en niet op de veroordeling van het modecentrum zelf tot betaling aan [geintimeerde] van het vakantiegeld. Het hof zal derhalve het door het modecentrum ingestelde beroep, nu het belang daarbij ontbreekt, verwerpen. Het modecentrum zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van het hoger beroep worden verwezen.

Ten aanzien van de holding

4.12. De eerste grief richt zich met name tegen het oordeel van de kantonrechter dat er tussen het modecentrum en de holding een overeenkomst tot stand is gekomen, daaruit bestaande dat de holding het loon dat [geintimeerde] van het modecentrum diende te ontvangen aan haar voldeed en dat een dergelijke overeenkomst is aan te merken als een derdenbeding. De tweede grief richt zich met name tegen het oordeel van de kantonrechter dat aanvaarding van het derdenbeding door [geintimeerde] (ook) voortvloeit uit het feit dat zij thans haar loonvordering mede heeft gericht tegen de holding.

De eerste grief van de holding slaagt. De kantonrechter heeft terecht geoordeeld dat een overeenkomst tot stand is gekomen tussen het modecentrum en de holding, daaruit bestaande dat de holding het loon dat [geintimeerde] van het modecentrum diende te ontvangen aan haar voldeed. Deze overeenkomst is echter naar het oordeel van het hof, gelet op alle omstandigheden van het geval, niet aan te merken als mede omvattend een derdenbeding, maar veeleer als een (interne) betalingsafspraak. Het hof acht niet aannemelijk dat het modecentrum en de holding de bedoeling hadden [geintimeerde] een zelfstandig vorderingsrecht op de holding te verlenen.

4.13. Met het slagen van de eerste grief slaagt ook de tweede grief. De devolutieve werking werking brengt mee dat het hof de in eerste aanleg verworpen en/of niet behandelde gronden die in hoger beroep niet zijn prijsgegeven, opnieuw dient te beoordelen.

4.14. [geintimeerde] heeft in eerste aanleg het volgende aangevoerd. De heer [bestuurder] is feitelijk leidinggevende binnen het modecentrum en alle tussen hem en het modecentrum geplaatste vennootschappen, die eveneens allen worden gefinancierd, direct of indirect, vanuit de holding. Alle medewerkers van het modecentrum en haar zustervennootschappen worden op tijd betaald. Uitsluitend de betalingen aan [geintimeerde] worden achtergehouden. Er is sprake van vereenzelviging van het modecentrum en de holding, onder meer omdat de heer [bestuurder] voornoemd als feitelijk leidinggevende en (uiteindelijk) bestuurder van de verschillende vennootschappen alle touwtjes in handen heeft.

4.15. Met betrekking tot het beroep van [geintimeerde] op vereenzelviging van het modecentrum en de holding is het hof voorshands van oordeel dat hier mogelijk wel aanwijzingen voor zijn, echter dat deze grondslag onvoldoende door [geintimeerde] is onderbouwd. De enkele verwevenheid van groepsmaatschappijen en voormelde positie van de heer [bestuurder] zijn onvoldoende voor het aannemen van vereenzelviging. Voor zover [geintimeerde] tevens discriminatie als grondslag voor haar vordering heeft aangevoerd, is ook deze grondslag onvoldoende onderbouwd. Het beroep van [geintimeerde] op persoonlijke aansprakelijkheid van de heer [bestuurder] is in hoger beroep niet aan de orde, aangezien de heer [bestuurder] in hoger beroep geen partij is.

4.16. [geintimeerde] voert in haar memorie van antwoord in hoger beroep aan dat de holding onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. Dit is een vermeerdering van de grondslag van eis. Gezien de aard van de onderhavige procedure, die gericht is op het treffen van een voorziening in afwachting van een bodemzaak, en het tijdstip waarop de vermeerdering van de grondslag van eis naar voren is gebracht, namelijk pas in hoger beroep in de memorie van antwoord, moet deze eiswijziging als tardief worden aangemerkt. Het hof zal de vermeerdering van de grondslag van eis dan ook op grond van de eisen van een goede procesorde buiten beschouwing laten. Overigens sluit de loonvordering c.a. van [geintimeerde], voor zover in hoger beroep aan de orde, niet aan op de grondslag van de onrechtmatige daad.

4.17. Op grond van het voorgaande dient het tegen de holding gewezen vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, te worden vernietigd, derhalve voor zover daarbij de holding hoofdelijk is veroordeeld tot betaling aan [geintimeerde] van al hetgeen waartoe het modecentrum is veroordeeld uit hoofde van het vonnis van de kantonrechter te Venlo van 18 oktober 2010 (verbeterd bij vonnissen van 24 november 2010 en 19 januari 2011), uit hoofde van het arrest van dit hof van 26 juli 2011 en uit hoofde van de bij het vonnis waarvan beroep onder 5.1. uitgesproken veroordeling. Dit brengt mee dat ook de proceskostenveroordeling in eerste aanleg niet in stand kan blijven voor zover de holding veroordeeld is in de proceskosten aan de zijde van [geintimeerde]. Het hof zal ten aanzien van de holding de proceskosten in eerste aanleg compenseren, in die zin dat de holding en [geintimeerde] ieder de eigen kosten dragen. In hoger beroep zal het hof [geintimeerde] als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de holding.

5. De uitspraak

Het hof:

ten aanzien van het modecentrum:

verwerpt het door het modecentrum ingestelde beroep;

veroordeelt het modecentrum in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [geintimeerde] worden begroot op € 284,- aan verschotten en op € 447,- aan salaris advocaat en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

ten aanzien van de holding:

vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, te weten

- voor zover daarbij de holding hoofdelijk is veroordeeld tot betaling aan [geintimeerde] van al hetgeen waartoe het modecentrum is veroordeeld uit hoofde van het vonnis van de kanonrechter te Venlo van 18 oktober 2010 (verbeterd bij vonnissen van 24 november 2010 en 19 januari 2011), uit hoofde van het arrest van dit hof van 26 juli 2011 en uit hoofde van de bij het vonnis waarvan beroep onder 5.1. uitgesproken veroordeling, en;

- voor zover daarbij de holding veroordeeld is in de proceskosten van de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [geintimeerde];

in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen jegens de holding alsnog af;

compenseert ten aanzien van de holding de proceskosten van de procedure in eerste aanleg in die zin dat de holding en [geintimeerde] ieder de eigen kosten dragen;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;

veroordeelt [geintimeerde] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van de holding worden begroot op € 730,31 aan verschotten en op € 894,- aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 131,-- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest, voor wat betreft de proceskostenveroordelingen, uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.M. Aarts, C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden en C.A.M. Walsteijn en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 augustus 2012.