Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BX5597

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-08-2012
Datum publicatie
23-08-2012
Zaaknummer
20-002213-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 138 Sr, 300 Sr en 310 Sr; Verdachte is veroordeeld ter zake van drie feiten, te weten huisvredebreuk, mishandeling en diefstal. Zowel de verdediging als de advocaat-generaal betogen dat verdachte van de aan hem ten laste gelegde diefstal dient te worden vrijgesproken omdat niet kan worden bewezenverklaard dat de door verdachte uit de woning van zijn ex-vriendin weggenomen goederen aan haar toebehoorden. De verdachte stelt immers dat de goederen zijn eigendom waren. Het hof verwerpt deze standpunten en oordeelt dat 'toebehoren' in de zin van artikel 310 Sr niet samenvalt met civielrechtelijk begrip van eigendom. Ook indien iemand een zekere zeggenschap over een goed heeft doordat het goed zich feitelijk in diens macht bevindt kan onder omstandigheden worden gesproken van 'toebehoren' van dit goed aan deze persoon in de zin van artikel 310 Sr. Gelet hierop alsmede de wijze waarop verdachte eigenmachtig de feitelijke heerschappij over de goederen heeft verzekerd heeft verdachte gehandeld met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-002213-11

Uitspraak : 17 augustus 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Hertogenbosch van 6 mei 2011 in de strafzaak met parketnummer 01-820897-10 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1969],

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende verdachte ter zake van het onder 1. en 3. ten laste gelegde zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met een proeftijd van twee jaar met als bijzondere voorwaarde een contactverbod met [Aangeefster] in het eerste jaar van de proeftijd, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 60 uur, subsidiair 30 dagen hechtenis, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De verdediging heeft:

• ten aanzien van de feiten 1. en 3. zich gerefereerd aan het oordeel van het hof;

• ten aanzien van de onder 2. ten laste gelegde diefstal vrijspraak bepleit;

• ten aanzien van de strafmaat bepleit dat de aan verdachte opgelegde straf taakstraf wordt gematigd, dan wel wordt omgezet in een geldboete.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 18 augustus 2010 te [Stad X] opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [Aangeefster]), (met kracht) tegen het lichaam heeft geduwd en/of (met kracht) tegen haar rug, althans tegen het lichaam, heeft geschopt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 18 augustus 2010 te [Stad X] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een laptop (merk Compaq) en/of een fototoestel (merk Panasonic) en/of een portable dvd-speler met twee schermen en controller (merk Akai), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [Aangeefster], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

3.

hij op of omstreeks 18 augustus 2010 te [Stad X] wederrechtelijk is binnengedrongen in een woning, te weten [Straat X], in gebruik bij [Aangeefster], althans bij een ander of anderen dan bij verdachte.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vaststaande feiten

Uit het onderzoek ter terechtzitting en uit het voorgehouden dossier kunnen de hieronder vermelde feiten en omstandigheden als vaststaand worden afgeleid.

Op 18 augustus 2010 heeft verdachte een aantal goederen, te weten een laptop van het merk Compaq, een fototoestel van het merk Panasonic en een portable DVD speler met twee schermen en een controller van het merk Akai, weggenomen uit de woning van [Aangeefster] gelegen aan de [Straat X] in [Stad X]. Hij heeft zich toegang tot de woning verschaft door zijn stem te vervormen, zich daarmee voordoende als iemand anders dan hijzelf, en door vervolgens, op het moment dat [Aangeefster] de deur opendeed, zijn voet tussen de deur te plaatsen en [Aangeefster] opzij te duwen.

Ondanks dat zowel aangeefster als een in de evengenoemde woning aanwezige vriendin [Getuige] verdachte hebben medegedeeld dat hij de woning moest verlaten, heeft hij de woning niet direct verlaten. Verdachte is pas vertrokken na bovengenoemde goederen te hebben gepakt.

Aangeefster heeft gepoogd dit te verhinderen, waarop verdachte haar buiten de woning heeft geschopt en met kracht heeft geduwd.

Aangeefster heeft hierbij pijn ondervonden en letsel bekomen.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De verdediging heeft aangevoerd dat de in de tenlastelegging onder 2. genoemde goederen, te weten een laptop, een fototoestel, een portable dvd-speler met twee schermen en een controller aan verdachte toebehoren en in verband hiermede enkele aankoopbonnen en een giroafschrift overgelegd. Gelet hierop kan aldus de verdediging en advocaat-generaal niet worden bewezen dat evengenoemde goederen aan [Aangeefster] toebehoorden, zoals ten laste gelegd onder 2. en dient verdachte van de diefstal van deze goederen te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Verdachte stelt eigenaar van de goederen te zijn. Aldus verdachte heeft hij deze goederen tijdens de relatie met aangeefster samen gekocht, doch zou hij deze hebben betaald.

[Aangeefster] stelt evenwel dat deze goederen, die zich in haar woning bevonden, van haar en/of haar kinderen zijn.

Het hof stelt voorop dat het bestanddeel ‘toebehoren’ in de zin van artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht niet samenvalt met het civielrechtelijk begrip van eigendom. Ook indien iemand een zekere zeggenschap over een goed heeft doordat het goed zich feitelijk in diens macht bevindt, kan naar het oordeel van het hof onder omstandigheden worden gesproken van ‘toebehoren’ van dit goed aan deze persoon in de zin van artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Wat er ook zij van de vraag of voldoende aannemelijk is geworden dat, zoals verdachte stelt, de goederen in eigendom aan hem toebehoorden; uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat aangeefster, gelet op het feit dat ten tijde van het wegnemen van deze goederen door verdachte deze goederen zich in de woning van aangeefster bevonden, een dusdanige zeggenschap over deze goederen had, dat naar het oordeel van het hof van het (tevens) aan haar ‘toebehoren’ van deze goederen in de zin van artikel 310 Sr moet worden gesproken. Ofschoon verdachte en aangeefster niet waren gehuwd en er geen sprake was van een geregistreerd partnerschap, betrekt het hof hierbij dat de goederen zich na beëindiging van de relatie bevonden in de kennelijk onverdeelde bezittingen over de verdeling waarvan verdachte en aangeefster nadien in een civiele procedure overeenstemming hebben bereikt.

Gelet op het vorenoverwogene en in aanmerking genomen de wijze waarop verdachte eigenmachtig de feitelijke heerschappij over de goederen heeft verzekerd, brengt naar het oordeel van het hof mee dat verdachte heeft gehandeld met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening. Daaraan doet niet af de omstandigheid dat verdachte meende eigenaar te zijn van de goederen.

Bewezenverklaring

Op grond van de hiervoor weergegeven redengevende feiten en omstandigheden en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij op 18 augustus 2010 te [Stad X] opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [Aangeefster]), met kracht tegen het lichaam heeft geduwd en tegen haar rug geschopt, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

2.

hij op 18 augustus 2010 te [Stad X] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een laptop (merk Compaq) en een fototoestel (merk Panasonic) en een portable dvd-speler met twee schermen en controller (merkt Akai) ten dele toebehorende aan [Aangeefster];

3.

hij op 18 augustus 2010 te [Stad X] wederrechtelijk is binnengedrongen in een woning, te weten [Straat X], in gebruik bij [Aangeefster].

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

Mishandeling.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Diefstal.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

In de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straffen

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de omstandigheid dat verdachte wederrechtelijk de woning van [Aangeefster] met geweld is binnengedrongen, waarna aangeefster de woning is uitgevlucht, en waarin op dat moment ook kinderen aanwezig waren, en verdachte aldus op een grove wijze inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [Aangeefster] en haar kinderen;

- de omstandigheid dat het hier gaat om een aantal feiten waarbij geweld is gebruikt, waardoor de rechtsorde wordt geschokt en die in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg brengt;

- de omstandigheid dat slachtoffers als gevolg van feiten als de bewezen verklaarde feiten -naast de lichamelijk gevolgen- nog langdurig last kunnen hebben van nadelige psychische gevolgen, zoals gevoelens van angst en onveiligheid.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 21 juni 2012, waaruit blijkt dat verdachte reeds eerder door een strafrechter is veroordeeld voor mishandeling;

- de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een straf als door de advocaat-generaal gevorderd - waarbij de advocaat-generaal anders dan het hof is uitgegaan van vrijspraak voor feit 2 - omdat daarin de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uitdrukking komt.

Gelet op het vorenoverwogene, acht het hof oplegging van een taakstraf voor de duur van 90 uur, subsidiair 45 dagen hechtenis, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met een proeftijd van 2 jaar, passend en geboden.

Bij de voorwaardelijke gevangenisstraf stelt het hof als bijzondere voorwaarde dat verdachte gedurende het eerste jaar van de proeftijd geen contact zal opnemen met aangeefster [Aangeefster], een en ander zoals hierna bepaald.

Met oplegging van de hiervoor bedoelde voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Beslag

Blijkens het door verdachte overgelegde proces-verbaal van comparitie d.d. 7 december 2011 is reeds overeenstemming bereikt tussen verdachte en [Aangeefster] over de verdeling van de goederen zoals vermeld op de beslaglijst en is dit beslag inmiddels, aldus de mededeling van de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep en de verklaring van verdachte afgelegd in hoger beroep, ook reeds afgehandeld.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 138, 300 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de hem daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte gedurende het eerste jaar van de proeftijd geen contact zal opnemen, zoeken of hebben - in welke vorm dan ook, ook niet via derden - met de in deze strafzaak genoemde en aan verdachte bekende, bij een algeheel contactverbod belang hebbende persoon [Aangeefster], een en ander met dien verstande dat onder dit contactverbod niet vallen contacten van of door tussenkomst van de advocaat van verdachte met genoemde persoon.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 90 (negentig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 45 (vijfenveertig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren werkstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. T.A. de Roos, voorzitter,

mr. R.R. Everaars-Katerberg en mr. K. van der Meijde, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.R. Veldt, griffier,

en op 17 augustus 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. T.A. de Roos is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.