Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BX5595

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-08-2012
Datum publicatie
23-08-2012
Zaaknummer
20-000819-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feiten (4 gewapende overvallen binnen enkele weken gepleegd) en vanuit generaal preventief oogpunt bezien, acht het hof een aanzienlijk langere gevangenisstraf op zijn plaats dan die welke de rechtbank in eerste aanleg heeft opgelegd. Het hof heeft bij de strafbepaling rekening gehouden met de strafmatigende factoren, vooral de toerekeningsvatbaarheid en het feit dat verdachte uit zichzelf openheid van zaken heeft gegeven en verantwoordelijkheid voor zijn daden neemt. Het zal daarom een lagere straf opleggen dan door de advocaat-generaal is geëist.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 312, geldigheid: 2012-08-22
Wetboek van Strafrecht 317, geldigheid: 2012-08-22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-000819-12

Uitspraak : 22 augustus 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Roermond van 17 februari 2012 in de strafzaak met parketnummer 04-860551-11 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1980],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans verblijvende in Huis van Bewaring Roermond te Roermond.

Hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechter in eerste aanleg zal vernietigen en opnieuw rechtdoende bewezen zal verklaren hetgeen aan verdachte onder 1 subsidiair, 2, 3 subsidiair en 4 ten laste is gelegd en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar met aftrek van het voorarrest.

De advocaat-generaal heeft voorts gevorderd dat het hof het vonnis van de eerste rechter zal bevestigen ten aanzien van de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen en de daarmee samenhangende schadevergoedingsmaatregelen alsmede ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 29 september 2011 in de gemeente Gennep ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een hoeveelheid geld, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [benadeelde 1], kassamedewerkster van genoemde [slachtoffer 1], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, met dat oogmerk - terwijl hij zijn gezicht had bedekt met een (bivak)muts - op dwingende en/of luide manier tegen die [benadeelde 1] te zeggen: "Dit is een overval, ik wil geld uit de kassa" en/of "Geld uit de kassa, geld!", althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking en/of (daarbij) een dubbelloops hagelgeweer, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [benadeelde 1] heeft gericht, in elk geval een dubbelloops hagelgeweer, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan die [benadeelde 1] heeft getoond, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair:

hij op of omstreeks 29 september 2011 in de gemeente Gennep ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde 1], zijnde kassamedewerkster van de [slachtoffer 1], te dwingen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, met dat oogmerk - terwijl hij zijn gezicht had bedekt met een (bivak)muts - op dwingende en/of luide manier tegen die [benadeelde 1] te zeggen: "Dit is een overval, ik wil geld uit de kassa" en/of "Geld uit de kassa, geld!", althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking en/of (daarbij) een dubbelloops hagelgeweer, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [benadeelde 1] heeft gericht, in elk geval een dubbelloops hagelgeweer, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan die [benadeelde 1] heeft getoond, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 09 september 2011 in de gemeente Grave met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 390,- euro, in elk geval een geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [benadeelde 2] en/of [slachtoffer 2], (beiden) medewerkster van genoemde supermarkt, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte - terwijl hij zijn gezicht had bedekt met een (bivak)muts - tegen die [benadeelde 2] en/of [slachtoffer 2] heeft gezegd: "Ik wil geld, nu!" en/of "Dit is een overval, geld nu!" en/of "Geef mij dat geld", althans woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking en (hierbij) de indruk wekkende dat hij,

verdachte, (in een plastic zak) een (vuur)wapen voorhanden had;

3.

hij op of omstreeks 19 september 2011 in de gemeente Nijmegen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 1315,- euro, in elk geval een geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan de Spar, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 3], medewerkster van de Spar, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte - terwijl hij zijn gezicht had bedekt met een (bivak)muts - tegen die [slachtoffer 3] heeft gezegd: "Ik heb een pistool, ik schiet je dood, ik schiet echt" en/of "Ik wil het geld, geef me geld" en/of "Geef me alles", althans woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking en/of (daarbij) een pistool, in elk geval een op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer 3] heeft gericht, in elk geval een pistool, in elk geval een op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp aan die [slachtoffer 3] heeft getoond;

subsidiair:

hij op of omstreeks 19 september 2011 in de gemeente Nijmegen met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 3], medewerkster van de Spar, heeft gedwongen tot de afgifte van 1315,- euro, in elk geval een geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan de Spar, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte - terwijl hij zijn gezicht had bedekt met een (bivak)muts - tegen die [slachtoffer 3] heeft gezegd: "Ik heb een pistool, ik schiet je dood, ik schiet echt" en/of "Ik wil het geld, geef me geld" en/of "Geef me alles", althans woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking en/of (daarbij) een pistool, in elk geval een op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer 3] heeft gericht, in elk geval een pistool, in elk geval een op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp aan die [slachtoffer 3] heeft getoond;

4.

hij op of omstreeks 25 september 2011 te Reek, in elk geval in de gemeente Landerd, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 190,- euro, in elk geval een hoeveelheid geld, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 5], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte - terwijl hij zijn gezicht had bedekt met een (bivak)muts - tegen die [slachtoffer 5] heeft gezegd: "Dit is een overval, doe rustig", althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking en/of (waarbij) hij, verdachte, met een dubbelloops hagelgeweer, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op de kassa heeft getikt, in elk geval een dubbelloops hagelgeweer, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan die [slachtoffer 5] heeft getoond.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting evenmin als de rechtbank door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1 primair en 3 primair ten laste gelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat er bij de onder de punten 1 en 3 van de dagvaarding beschreven overvallen geen sprake is geweest van (poging tot) diefstal met geweld, maar van (poging tot) afpersing, zoals subsidiair ten laste is gelegd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair, 2, 3 subsidiair en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1 subsidiair:

hij op 29 september 2011 in de gemeente Gennep ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [benadeelde 1], zijnde kassamedewerkster van de [slachtoffer 1], te dwingen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, toebehorende aan [slachtoffer 1], met dat oogmerk - terwijl hij zijn gezicht had bedekt met een (bivak)muts - op dwingende en luide manier tegen die [benadeelde 1] te zeggen: "Dit is een overval, ik wil geld uit de kassa" en "Geld uit de kassa, geld!", en daarbij een dubbelloops hagelgeweer op die [benadeelde 1] heeft gericht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 09 september 2011 in de gemeente Grave met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 390,- euro, toebehorende aan [benadeelde 3], welke diefstal werd vergezeld van bedreiging met geweld tegen [benadeelde 2] en [slachtoffer 2], (beiden) medewerkster van genoemde supermarkt, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte - terwijl hij zijn gezicht had bedekt met een (bivak)muts - tegen die [benadeelde 2] en [slachtoffer 2] heeft gezegd: "Ik wil geld, nu!" en "Geld nu!" en "Geef mij dat geld", en (hierbij) bij die [slachtoffer 2] de indruk wekte dat hij, verdachte, (in een plastic zak) een (vuur)wapen voorhanden had;

3. subsidiair:

hij op 19 september 2011 in de gemeente Nijmegen met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 3], medewerkster van de Spar, heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag, toebehorende aan de Spar, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte - terwijl hij zijn gezicht had bedekt met een (bivak)muts - tegen die [slachtoffer 3] heeft gezegd: "Ik heb een pistool, ik schiet je dood, ik schiet echt" en "Ik wil het geld, geef me geld" en "Geef me alles", en (daarbij) een pistool op die [slachtoffer 3] heeft gericht;

4.

hij op 25 september 2011 te Reek, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 190,- euro, toebehorende aan [slachtoffer 4], welke diefstal werd vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 5], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte - terwijl hij zijn gezicht had bedekt met een (bivak)muts - tegen die [slachtoffer 5] heeft gezegd: "Dit is een overval, doe rustig", en (waarbij) hij, verdachte, met een dubbelloops hagelgeweer op de kassa heeft getikt.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Anders dan de rechtbank acht het hof bewezen dat verdachte bij de overval op de Spar in Nijmegen op 19 september 2011 (feit 3) ook mondeling heeft gedreigd de kassamedewerkster [slachtoffer 3] dood te schieten. Zowel mevrouw [slachtoffer 3] als de afzonderlijk van haar gehoorde getuige [getuige] hebben zeer kort na de overval verklaard dat dit is gebeurd. Dat weegt voor het hof zwaarder dan de op dit punt ontkennende verklaring van verdachte.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

poging tot afpersing.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken.

Het onder 3 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

afpersing.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf en maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Namens de verdachte is met betrekking tot de op te leggen straf door de raadsman – zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

[Psycholoog] heeft op 6 december 2011 over verdachte gerapporteerd. Hij heeft onder meer geconcludeerd dat verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis, namelijk een aanpassingsstoornis met depressieve kenmerken en een middelenafhankelijkheid. Tevens is er sprake van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de vorm van afhankelijke en vermijdende persoonlijkheidskenmerken. Deze stoornissen hebben verdachtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde in behoorlijke mate beïnvloed volgens de psycholoog. Hij heeft dan ook geconcludeerd dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht. Ik verzoek het hof uitdrukkelijk hiermee bij de strafbepaling rekening te houden.

Op grond van genoemd psychologisch rapport heeft de rechtbank verdachte onder meer veroordeeld tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarde dat hij een (ambulante) behandeling zal ondergaan.

Tijdens zijn detentie heeft verdachte in het Huis van Bewaring hulp gezocht en hiertoe gesprekken gevoerd met een psycholoog en een psychiater. De betreffende deskundigen hebben bij verdachte een andere/nadere diagnose gesteld. Verdachte zou lijden aan een Bipolaire Stoornis II. De deskundigen hebben daarbij geoordeeld dat verdachte ter zake deze problematiek in een klinische setting zou moeten worden behandeld. Om die reden is vanuit de penitentiaire inrichting schriftelijk verzocht om een artikelplaatsing. Dat verzoek is echter afgestuit op de eventuele expiratiedatum van verdachtes detentie.

Verdachte kan zich in de bij hem gestelde diagnose vinden en hij is zeer gemotiveerd om aan deze problematiek geholpen te worden en daartoe te worden opgenomen in een kliniek.

Recent contact met de heer [medewerker IFZ] van het IFZ te ’s-Hertogenbosch leerde dat het verzoek om plaatsing is beoordeeld en dat men in staat is om op korte termijn ter zake een indicatie af te geven. Naar verluidt zal vervolgens een aanmelding bij de kliniek Groot Batelaar plaatsvinden. Justitie zou de reclassering opdracht kunnen geven contact op te nemen met de heer [medewerker IFZ] om hem te laten onderzoeken of verdachte op korte termijn in genoemde kliniek zou kunnen worden opgenomen. Indien het hof hiermee instemt, zou het onderzoek bij tussenarrest moeten worden heropend. In de tussentijd zou verdachte eventueel door andere gedragsdeskundigen kunnen worden onderzocht om nader geïnformeerd te worden omtrent de gewijzigde diagnose.

Indien het hof dit niet nodig oordeelt en zou overwegen om, evenals de rechtbank, een gedeeltelijk voorwaardelijke straf op te leggen, verzoek ik de bijzondere voorwaarden aan te vullen met behandeling in een klinische setting.

Mocht het hof echter een hogere gevangenisstraf willen opleggen dan verzoek ik dat die geheel onvoorwaardelijk zal zijn zodat verdachte eerder voor voorwaardelijke invrijheidstelling in aanmerking komt.

Het hof overweegt het volgende.

Het verzoek van de raadsman om het onderzoek aan te houden of te heropenen wordt afgewezen. Het belang van de verdediging is naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd. Door de verdediging is niet naar voren gebracht dat aanhouding met het oog op een klinische opname of het inwinnen van nadere informatie omtrent een mogelijk gewijzigde diagnose nodig is in verband met de beantwoording van de in de artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering genoemde vragen. Zo zijn er geen aanwijzingen dat de mogelijk gewijzigde diagnose zou moeten leiden tot een ander oordeel omtrent de mate van toerekeningsvatbaarheid van verdachte ten tijde van de bewezen verklaarde feiten dan uit het onderzoek van de psycholoog naar voren komt. Nader onderzoek zou zinvol kunnen zijn om te bepalen of ambulante danwel klinische behandeling van verdachte is aangewezen, maar het hof zal het onderzoek daartoe niet heropenen, omdat behandeling in het kader van een deels voorwaardelijke straf gelet op het navolgende niet mogelijk is.

Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, alsmede vanuit het oogpunt van generale preventie, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Ten bezware van verdachte heeft het hof rekening gehouden met:

- het feit dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan vier overvallen op supermarkten;

- de omstandigheid dat verdachte bij de overvallen gebruik heeft gemaakt van (vuur)wapens en een bivakmuts;

- de psychische gevolgen van de bewezen verklaarde overvallen voor de slachtoffers, zoals die onder meer blijken uit de toelichting op de civiele vorderingen.

In het voordeel van verdachte heeft het hof bij de straftoemeting in het bijzonder rekening gehouden met het volgende:

- dat verdachte, blijkens een hem betreffend, uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 5 juli 2012, niet eerder is veroordeeld;

- dat de bewezen verklaarde overvallen in zeer korte tijd zijn gepleegd en dat verdachte kort daarvoor hulp heeft gezocht maar dat deze hulp nog niet kon worden geboden;

- dat verdachte, volgens het psychologisch rapport d.d. 6 december 2011, lijdende is aan een ziekelijke stoornis, in diagnostische zin te omschrijven als een aanpassingsstoornis, met depressieve kenmerken en een middelenafhankelijkheid en dat tevens sprake is van een gebrekkige ontwikkeling in de vorm van afhankelijke en vermijdende persoonlijkheidskenmerken, welke verdachtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het bewezen verklaarde in behoorlijke mate hebben beïnvloed en dat verdachte om die reden verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht;

- dat verdachte uit zichzelf opening van zaken heeft gegeven en daarin, in weerwil van het advies van zijn toenmalige raadsman, heeft volhard;

- dat verdachte uit eigen beweging contact heeft opgenomen met één van de slachtoffers en doende is om via “Slachtoffer in beeld” contact te zoeken met de overige slachtoffers;

- dat verdachte voor zover valt na te gaan oprecht spijt heeft van zijn strafbaar handelen en heeft laten zien zich bewust te zijn van de ernstige gevolgen die de overvallen voor de slachtoffers hebben gehad.

Naar het oordeel van het hof staat de in eerste aanleg opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk, niet in verhouding tot de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de gevolgen daarvan voor de slachtoffers. Ook vanuit generaal preventief oogpunt acht het hof een aanzienlijk langere gevangenisstraf op zijn plaats. Daarbij heeft het hof meegewogen dat als landelijk oriëntatiepunt voor straftoemeting bij één overval op een winkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaar geldt, waarbij gebruik van een vuurwapen nog als strafverzwarende omstandigheid meeweegt.

Gelet op de strafmatigende factoren, vooral de verminderde toerekeningsvatbaarheid en het feit dat verdachte uit zichzelf openheid van zaken heeft gegeven en verantwoordelijkheid neemt voor zijn daden zal het hof echter een lagere straf opleggen dan de door de advocaat-generaal geëiste onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes jaar.

Alles afwegend zal het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier jaar en zes maanden opleggen.

Het hof is met de rechtbank en de raadsman van oordeel dat het belangrijk is dat verdachte behandeld wordt voor de stoornis waaraan hij lijdt. Het opleggen van een deels voorwaardelijke straf met als voorwaarde dat verdachte een behandeling ondergaat is echter niet mogelijk, vanwege de duur van de duur van de gevangenisstraf die het hof gelet op de ernst van de feiten passend acht. Gedurende het voorarrest is reeds aan de orde gekomen dat verdachte in aanmerking zou kunnen komen voor een zogenaamde artikelplaatsing, in welk kader hij tijdens zijn detentie een klinische behandeling kan ondergaan. Het openbaar ministerie heeft hierover positief geadviseerd. Het hof gaat er dan ook van uit dat verdachte, behoudens gewijzigde omstandigheden, zodra dat mogelijk is in het kader van een artikelplaatsing zal worden behandeld.

Beslag

De hierna volledig te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, met behulp waarvan het bewezen verklaarde is begaan dan wel die bij gelegenheid van het onderzoek naar de door verdachte begane misdrijven zijn aangetroffen, aan verdachte toebehoren en kunnen dienen tot het begaan of voorbereiden van soortgelijke misdrijven, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

Van de overige in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zal de teruggave aan verdachte worden gelast.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 1.700,00. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 1] als gevolg van verdachtes onder 1 subsidiair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het door haar gevorderde bedrag. Daarbij heeft het hof er rekening mee gehouden dat verdachte op zeer korte afstand van de benadeelde partij een vuurwapen op haar heeft gericht. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 750,00. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 500,00 te vermeerderen met de wettelijke rente.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 2] als gevolg van verdachtes onder 2 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het door haar gevorderde bedrag. Het hof heeft er bij de vaststelling van het schadebedrag onder meer rekening mee gehouden dat de benadeelde partij onweersproken naar voren heeft gebracht dat zij als gevolg van de overval haar baan bij de supermarkt niet langer aankon en deze heeft opgezegd. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

De benadeelde partij [benadeelde 3] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 924,86. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 3] als gevolg van verdachtes onder 2 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 45, 57, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Wijst het verzoek van de verdediging tot aanhouding dan wel heropening van het onderzoek ter terechtzitting af.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 3 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2, 3 subsidiair en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair, 2, 3 subsidiair en 4 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren en 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1 geweer, dubbelloops hagelgeweer;

- 1 muts, kleur blauw, gaten geknipt in wollen muts.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1 schoen, kleur wit, ASICS, rechterschoen verdachte;

- 1 schoen, kleur wit, ASICS, linkerschoen verdachte;

- 1 broek, kleur blauw, ADIDAS, maat XL;

- 1 trui, kleur rood, NEW WAVE INSIDE, fleecetrui maat X-large;

- 1 pet, kleur groen, opschrift yrs 330 100% casual;

- 1 tas, plastic, die om het jachtgeweer zat;

- 1 tapeband, kleur bruin, TESA, plakband;

- 1 paar schoenen, kleur bruin, K-SWISS sport, maat 44 met blauwe inlegzool;

- 1 vest, zwart met grijs;

- 1 paar schoenen, kleur wit, ADIDAS sport;

- 1 doos, NOKIA, van Nokia GSM;

- 1 doos SAMSUNG, doosje van Samsung GSM. .

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.700,00 (duizend zevenhonderd euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 29 september 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1], een bedrag te betalen van € 1.700,00 (duizend zevenhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 27 (zevenentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 29 september 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 750,00 (zevenhonderd vijftig euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 9 september 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2], een bedrag te betalen van € 750,00 (zevenhonderd vijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 9 september 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 924,86 (negenhonderd vierentwintig euro en zesentachtig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3], een bedrag te betalen van € 924,86 (negenhonderd vierentwintig euro en zesentachtig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 18 (achttien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. H. Eijsenga, voorzitter,

mr. J.F.M. Pols en mr. A.J.T.M. Franken- van Zinnicq Bergmann, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mw. J.G.M. van Zandbeek, griffier,

en op 22 augustus 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.