Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BX4959

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-08-2012
Datum publicatie
20-08-2012
Zaaknummer
20-003519-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De bestuurder van een veegwagen overrijdt bij het achteruitrijden een meisje en haar fiets. Bewezen verklaring van zwaar lichamelijk letsel door schuld (artikel 6 WVW). Veroordeling tot een werkstraf van 180 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 12 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-003519-11

Uitspraak : 14 augustus 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Breda van 13 september 2011 in de strafzaak met parketnummer 02-700009-11 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1979],

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het primair ten laste gelegde bewezen zal verklaren en verdachte zal veroordelen tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 180 uur (subsidiair 90 dagen hechtenis) alsmede tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De verdediging heeft bepleit dat verdachte van het primair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken en heeft zich wat betreft een eventuele bewezen verklaring van het subsidiair dan wel meer subsidiair ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof. Voorts is een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging – en aldus de grondslag van het onderzoek – is gewijzigd.

Tenlastelegging

Onder het primair ten laste gelegde zijn onder meer de volgende passages opgenomen:

‘en/of vervolgens met dat voertuig (achteruit rijdend) over de benen en/of het (onder)lichaam van die [slachtoffer] en/of die fiets te rijden (en/of waarna hij, verdachte, met dat voertuig (achteruit rijdend) over de benen en /of het (onderlichaam) van die [slachtoffer] en of/ over die fiets is gereden)’

en

‘en/of vervolgens (na aanvankelijk te zijn gestopt) (in voorwaartse richting) (wederom) over de benen en/of het (onder) lichaam van die [slachtoffer] en/of die fiets te rijden, (en/of waarna hij, verdachte, (na aanvankelijk te zijn gestopt) (in voorwaartse richting) (wederom) over de benen en/of het (onder)lichaam van die [slachtoffer] en/of die fiets is gereden),’

Naar het oordeel van het hof heeft de steller van de tenlastelegging in voornoemde passages abusievelijk tweemaal (min of meer) dezelfde zinsnede achter elkaar opgenomen en berust dit op een kennelijke verschrijving. Het hof zal de tenlastelegging verbeterd lezen, in die zin dat de hiervoor cursief gemaakte zinsneden uit de tenlastelegging zullen worden verwijderd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep en met inachtneming van het vorenstaande - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 23 juli 2010 te Halsteren, gemeente Bergen op Zoom, als verkeersdeelnemer, te weten als bestuurder van een motorrijtuig/voertuig (veegwagen)(met een gewicht van circa 5000 kilogram)

daarmede rijdende over de weg(en), de Kapitein Vinkensteinstraat en/of de Kapitein Wielmanlaan en/of gekomen ter hoogte van een bocht gelegen in de kruising/splitsing van die Kapitein Vinkensteinstraat met die Kapitein Wielmanlaan,

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval in hoge, althans aanmerkelijke, mate onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of onnadenkend en/of ondeskundig

(terwijl hij, verdachte op dat moment (geluiddempende) oordopjes in had)

de radio in die veegwagen op een (zeer) hoog geluidsvolume, in ieder geval op een, gelet op de omstandigheden op dat moment, te hoog geluidsvolume te zetten en/of aan te hebben en/of

zich er niet, althans onvoldoende, van te vergewissen (mede middels het beeldscherm van de aan de achterzijde van dat voertuig aangebrachte en in werking zijnde achteruitrijdcamera), dat het achter hem, verdachte, gelegen weggedeelte van die weg(en), die Kapitein Vinkensteinstraat en/of die Kapitein Wielmanlaan en/of die bocht gelegen in de kruising/splitsing van die Kapitein Vinkensteinstraat met die Kapitein Wielmanlaan voldoende overzichtelijk en/of vrij van overig verkeer was,

en/of (vanuit stilstand) over enige afstand in achterwaartse richting te gaan rijden en/of te blijven rijden, op het moment dat de bestuurster van een fiets ([slachtoffer]) zich (zeer) dicht met haar fiets achter dat door hem, verdachte, bestuurde voertuig (veegwagen) bevond,

tengevolge waarvan hij, verdachte, met dat voertuig tegen (het voorwiel van) die fiets is gebotst/gereden, (mede) ten gevolge waarvan die [slachtoffer] ten val is gekomen,

(en/of waarna hij, verdachte, met dat voertuig (achteruit rijdend) over de benen en /of het (onderlichaam) van die [slachtoffer] en/of over die fiets is gereden)

(en/of waarna hij, verdachte, (na aanvankelijk te zijn gestopt) (in voorwaartse richting) (wederom) over de benen en/of het (onder)lichaam van die [slachtoffer] en/of die fiets is gereden),

(mede) waardoor voormelde [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, of zodanig lichamelijk letsel, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht,

te weten (ernstig) letsel aan het linker onderbeen (met uitgebreid weke-delenletsel) en/of (ernstig) letsel aan het rechter onderbeen en/of (ernstig) letsel aan het (onder)lichaam (gebroken heupen en/of SI gewrichten en/of een totaalruptuur van het perineum);

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 primair niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij, op of omstreeks 23 juli 2010, te Halsteren, gemeente Bergen op Zoom, als bestuurder van een motorrijtuig/voertuig (veegwagen) zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op de weg werd veroorzaakt of kon worden veroorzaakt en/of dat het verkeer op de weg werd gehinderd of kon worden gehinderd,

door rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg(en), de Kapitein Vinkensteinstraat en/of de Kapitein Wielmanlaan en/of (vervolgens) gekomen ter hoogte van een bocht gelegen in de kruising/splitsing van die Kapitein Vinkensteinstraat en/of die Kapitein Wielmanlaan,

(terwijl hij, verdachte op dat moment (geluiddempende) oordopjes in had)

de radio in die veegwagen op een (zeer) hoog geluidsvolume, in ieder geval op een, gelet op de omstandigheden op dat moment, te hoog geluidsvolume te zetten en/of aan te hebben, en/of

achteruit te gaan rijden en/of blijven rijden zonder (via een beeldscherm van de aan de achterzijde van dat voertuig aangebrachte achteruitrijdcamera) zich er (voldoende) van te vergewissen dat het achter hem, verdachte, gelegen weggedeelte van die weg(en) en/of die bocht gelegen in de kruising/splitsing van die Kapitein Vinkensteinstraat en/of die Kapitein Wielmanlaan voldoende overzichtelijk en/of vrij van overig verkeer was,

waardoor er gevaar op die weg werd veroorzaakt (voor een bestuurster van een fiets, [slachtoffer]) en het verkeer op die weg (te weten die [slachtoffer]) werd gehinderd;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 23 juli 2010 te Halsteren, gemeente Bergen op Zoom, als bestuurder van een (motor)voertuig (veegwagen), op de voor het openbaar verkeer openstaande weg(en), de Kapitein Vinkensteinstraat en/of de Kapitein Wielmanlaan en/of ter hoogte van een bocht gelegen in de kruising/splitsing van die Kapitein Vinkensteinstraat en/of die Kapitein Wielmanlaan achteruit is gereden zonder een zich achter dat door hem, verdachte, bestuurde voertuig (veegwagen) bevindende bestuurster van een fiets, voor te laten gaan,

(waarbij letsel aan die bestuurster (genaamd [slachtoffer]) van die fiets werd toegebracht en/of schade aan goederen (die fiets) is ontstaan).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkwamen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 23 juli 2010 te Halsteren, gemeente Bergen op Zoom, als verkeersdeelnemer, te weten als bestuurder van een voertuig (veegwagen) (met een gewicht van circa 5000 kilogram)

daarmede rijdende over de weg, de Kapitein Vinkensteinstraat en gekomen ter hoogte van een bocht gelegen in de splitsing van die Kapitein Vinkensteinstraat met de Kapitein Wielmanlaan,

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door in aanmerkelijke mate onvoorzichtig

zich er niet van te vergewissen (mede middels het beeldscherm van de aan de achterzijde van dat voertuig aangebrachte en in werking zijnde achteruitrijdcamera), dat het achter hem, verdachte, gelegen weggedeelte van die weg, de Kapitein Vinkensteinstraat, vrij van overig verkeer was,

en vanuit stilstand over enige afstand in achterwaartse richting te gaan rijden en te blijven rijden, op het moment dat de bestuurster van een fiets ([slachtoffer]) zich zeer dicht met haar fiets achter dat door hem, verdachte, bestuurde voertuig (veegwagen) bevond,

tengevolge waarvan hij, verdachte, met dat voertuig tegen (het voorwiel van) die fiets is gereden, tengevolge waarvan die [slachtoffer] ten val is gekomen,

en waarna hij, verdachte, met dat voertuig achteruit rijdend over de benen en het onderlichaam van die [slachtoffer] en over die fiets is gereden

en waarna hij, verdachte, (na aanvankelijk te zijn gestopt) in voorwaartse richting wederom over de benen en het onderlichaam van die [slachtoffer] en die fiets is gereden,

waardoor voormelde [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht,

te weten ernstig letsel aan het linker onderbeen (met uitgebreid weke-delenletsel) en ernstig letsel aan het rechter onderbeen en ernstig letsel aan het onderlichaam (gebroken heupen en SI gewrichten en een totaalruptuur van het perineum).

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep (kort gezegd) aangevoerd dat sprake is geweest van één kort moment van onoplettendheid aan de zijde van verdachte, waarbij hij de zich achter zijn veegwagen bevindende fietsster over het hoofd heeft gezien en vervolgens heeft overreden. Deze enkele verkeersovertreding is onvoldoende voor het aannemen van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW). Eveneens mag dit schuldbegrip niet worden ingevuld aan de hand van de ernst van de gevolgen. Verdachte moet daarom van het primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Het hof overweegt het volgende.

Het hof stelt voorop dat bij de beoordeling van de vraag of sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van vorenbedoelde schuld. Daarvoor zijn verschillende factoren van belang, zoals de aard en de ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Met de raadsman is het hof van oordeel dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van de verkeersovertreding worden afgeleid dat sprake is van schuld.

Verdachte reed op 23 juli 2010 in een veegwagen over de Kapitein Vinkensteinstraat. Op enig moment stopte hij de veegwagen om achteruit te rijden en het reeds gepasseerde stuk van de weg nogmaals te vegen. Verdachte schakelde de achteruitrijdversnelling in, waarbij automatisch de achteruitrijdcamera in werking trad zodat het verkeer dat zich op dat moment kort achter de veegwagen bevond voor verdachte op het beeldscherm in de veegwagen zichtbaar werd, en is vervolgens achteruit gereden. [slachtoffer] bevond zich op dat moment op haar fiets achter de veegwagen van verdachte. Verdachte reed tegen de fiets van [slachtoffer] waardoor zij ten val kwam, en verdachte reed vervolgens met zijn veegwagen over de benen en het onderlichaam van [slachtoffer] en over de fiets waar zij op reed. Vervolgens stopte verdachte met zijn veegwagen en reed daarna weer vooruit, waarbij hij nogmaals met zijn veegwagen over de benen en het onderlichaam van [slachtoffer] en over haar fiets reed.

Verdachte heeft kort na het ongeval bij de politie verklaard dat hij, nadat hij zijn veegwagen voor de eerste keer had stilgezet om vervolgens achteruit te gaan rijden, zowel in de linker- als in de rechterspiegel had gekeken en dat hij, toen hij zag dat zich achter hem op de weg (het hof begrijpt: slechts het gedeelte van de weg dat voor verdachte zichtbaar is in deze spiegels) geen verkeer bevond, vervolgens achteruit is gereden. Verdachte heeft tevens verklaard dat tussen het stoppen, achteruitschakelen en achteruitrijden amper een seconde heeft gelegen, het gebeurde volgens verdachte namelijk nagenoeg in één handeling. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij vermoedt dat hij na het stoppen teveel op zijn spiegels heeft gereden en over het beeldscherm heen heeft gekeken, zodat hij [slachtoffer] niet heeft gezien.

Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verdachte verklaard dat hij op het beeldscherm kan zien wat zich over gehele breedte van de veegwagen kort daarachter op het wegdek bevindt en dat als hij op het beeldscherm had gekeken, hij [slachtoffer] had moeten zien.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte verklaard dat hij tijdens het achteruit rijden met zijn veegwagen wel voelde dat deze een klein beetje omhoog ging, maar dat hij dacht dat het een steen was waarover hij reed omdat hij in de buurt van een bouwterrein reed.

Door met zijn veegwagen achteruit te rijden voerde verdachte een bijzondere manoeuvre uit op de openbare weg. Juist voor het veilig kunnen uitvoeren van deze specifieke bijzondere manoeuvre was op zijn veegwagen een achteruitrijdcamera (met een beeldscherm in de veegwagen) aangebracht, zodat de bestuurder zich vóór het achteruitrijden ervan kan vergewissen of zich achter zijn veegwagen verkeer bevindt. Dit instrument is naar het oordeel van het hof voor de bestuurder dan ook van cruciaal belang voor het veilig achteruit kunnen rijden met zijn veegwagen. Dat verdachte op het beeldscherm in zijn veegwagen heeft kunnen waarnemen dat het slachtoffer zich op haar fiets achter de veegwagen bevond volgt uit de foto op p. 11 van proces-verbaal verkeersongevalanalyse, BVH-nummer 210149029. Op deze foto, die van het beeldscherm in de veegwagen is gemaakt is duidelijk de op het asfalt achtergebleven kinderfiets van het slachtoffer te zien.

Uit de verklaring van verdachte blijkt dat hij niet op het beeldscherm in de veegwagen heeft gekeken. Niet voordat hij achteruit reed, maar kennelijk ook niet tijdens het achteruit rijden, terwijl hij op juist die momenten oplettend had moeten zijn. Ook de door verdachte beweerde korte, enkele handeling van stoppen, schakelen en achteruitrijden leverde in dit geval op dat niet veilig achteruit is gereden. En ten slotte was de omstandigheid dat verdachte de veegwagen een klein beetje omhoog voelde bewegen tijdens het achteruit rijden, kennelijk geen reden om de wagen stil te zetten of in de achteruitrijdcamera te kijken. Integendeel, hij is achteruit blijven rijden en hij heeft vervolgens [slachtoffer], die zich op haar fiets kort achter zijn veegwagen bevond, overreden.

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat hiermee geen sprake is van slechts één kort moment van onoplettendheid bij verdachte waardoor hij [slachtoffer] niet heeft gezien. Immers, verdachte had zoals gezegd zowel voordat hij met zijn veegwagen achteruit reed maar zeker ook tijdens het uitvoeren van deze manoeuvre, op het beeldscherm moeten kijken, maar heeft dat niet gedaan. Ware dat wel zo geweest, dan had hij [slachtoffer] op het beeldscherm gezien, aldus verdachte zelf, en had het ongeval voorkomen kunnen worden. De stelling van de verdediging dat verdachte als chauffeur van een veegwagen altijd, zo veel als mogelijk, oplettend is, maar dat ‘de boog niet altijd gespannen kan staan’, deelt het hof dan ook niet. Door niet op het beeldscherm te kijken vooraf en tijdens het achteruitrijden met de veegwagen heeft verdachte naar het oordeel van het hof in aanmerkelijke mate onvoorzichtig gehandeld.

Gelet op het vorenstaande is het hof dan ook van oordeel dat sprake van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd doet hieraan niet af.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat geen onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid zal worden opgelegd, maar dat zal worden volstaan met oplegging van een werkstraf en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Bij de straftoemeting heeft het hof in het bijzonder rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte een verkeersongeval heeft veroorzaakt waardoor [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Uit de ter terechtzitting in hoger beroep (door haar moeder) voorgedragen slachtofferverklaring blijkt welke forse gevolgen dit voor [slachtoffer] heeft gehad en welke impact het verkeersongeval nog altijd heeft, vooral ook omdat medisch nog geen eindsituatie is ontstaan.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op de omstandigheid dat verdachte blijkens het hem betreffend Uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 7 juni 2012 niet eerder ter zake (soortgelijke) strafbare feiten is veroordeeld.

Alles afwegend, is het hof van oordeel dat oplegging van een taakstraf, bestaande uit het verrichten van een werkstraf, voor het hieronder te vermelden aantal uren passend en geboden is.

Anders dan de raadsman acht het hof een geheel voorwaardelijke rijontzegging onvoldoende recht doen aan de ernst van het bewezen verklaarde feit. Het hof zal daarom mede ter bescherming van de verkeersveiligheid voor een duur zoals door de advocaat-generaal gevorderd aan de verdachte een deels onvoorwaardelijke rijontzegging opleggen.

Het verweer dat de verdachte, kort gezegd, het rijbewijs niet kan missen in verband met zijn werk wordt door het hof verworpen omdat het belang van de bescherming van de verkeersveiligheid zwaarder weegt dan het belang van de verdachte bij behoud van het rijbewijs in het hieronder te

bepalen tijdvak.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke rijontzegging wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de bijkomende straf van ontzegging, groot 9 (negen) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr. A.M.G. Smit, voorzitter,

mr. T.A. de Roos en mr. P.J. Hödl, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J. Biljard, griffier,

en op 14 augustus 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.