Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BX4190

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-08-2012
Datum publicatie
10-08-2012
Zaaknummer
HV 200.106.516
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming verhuizing afgewezen. Belang kinderen op onverstoord contact met vader in vertrouwde leefomgeving dient te prevaleren boven belang van moeder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Uitspraak: 9 augustus 2012

Zaaknummers: HV 200.106.516/01

Zaaknummer eerste aanleg: 164713 / FA RK 11-1140

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.L. Molenaar,

tegen

[Y.],

wonende te [woonplaats],

verweerder,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. B.P. van der Graaf.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Maastricht van 10 februari 2012.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 9 mei 2012, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende en uitvoerbaar bij voorraad de moeder vervangende toestemming te verlenen om met de kinderen te verhuizen naar Noord-Holland, in het bijzonder naar de gemeente Medemblik, en om de kinderen aldaar op een school te laten inschrijven, in het bijzonder op de school “de Bangert” te [vestigingsplaats 1.].

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 18 juni 2012, heeft de vader verzocht het verzoek van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

Tevens heeft de vader een voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld waarbij hij een omgangsregeling vastgesteld wenst te zien zoals door hem is voorgesteld in een tijdens onderhavige procedure overgelegd ouderschapsplan, doch alleen voor zover het hof ertoe mocht besluiten de bestreden beschikking te vernietigen en de moeder alsnog vervangende toestemming te verlenen.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 juli 2012. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Molenaar;

- de vader, bijgestaan door mr. Van der Graaf;

- de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de raad), vertegenwoordigd door mevrouw V.J.M. Boermans.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 19 januari 2012;

- de brief met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 22 juni 2012;

- de brief met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 25 juni 2012.

3. De beoordeling

3.1. Uit het inmiddels ontbonden huwelijk van partijen zijn geboren:

- [A.] (hierna: [zoon]), op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats];

- [B.] (hierna: [dochter]), op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats].

Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen uit.

De hoofdverblijfplaats van de kinderen is bij de moeder.

3.2. Bij tussenbeschikking van 10 oktober 2011 heeft de rechtbank Maastricht de beslissing inzake het verzoek van de moeder tot vervanging van de ontbrekende toestemming van de vader om de kinderen te laten inschrijven in de gemeente Wervershoof en tevens op een basisschool in de omgeving aangehouden in afwachting van een door diezelfde rechtbank gelast raadsonderzoek naar het belang van de kinderen in relatie tot de door de moeder gewenste verhuizing.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de verzoeken van de moeder, strekkende tot vervanging van de ontbrekende toestemming van de vader om de moeder met de kinderen te laten verhuizen naar [woonplaats 2.] en omstreken en de kinderen in te laten schrijven op een basisschool in [woonplaats 2.] en omstreken, afgewezen.

3.3. De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in appel gekomen.

3.4. De moeder voert het volgende aan. Alwaar de rechtbank stelt dat de omgang tussen de vader en de kinderen niet meer op ongestoorde wijze zal kunnen plaatsvinden, is de moeder van mening dat hier geen sprake van is. Weliswaar zal de huidige zorgregeling aan verandering onderhevig zijn omdat deze niet meer kan aanvangen op vrijdagochtend om 07.30 uur, maar de omvang van de huidige zorgregeling kan gecontinueerd blijven en zelfs vergroot worden. De moeder heeft daartoe een voorstel aan de vader gedaan, inhoudende dat de te vervallen omgangsdagen op de vrijdagen gecompenseerd worden in de vakanties en op studiedagen. Ook voor de toekomst is de moeder bereid om de in totaal 26 dagen die de vader en de kinderen door een verhuizing minder aan omgang zullen hebben te compenseren in de vakanties van de kinderen en op studiedagen van de vader.

Desalniettemin zal de omgang volgens de moeder evengoed veranderen nu de locatie van de Koninklijke Militaire School waar de vader thans werkzaam is per 1 april 2013 opgeheven wordt en de vader hierdoor te zijner tijd elders gestationeerd zal worden.

Volgens de moeder heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat er thans sprake is van een meer dan gemiddeld frequente omgangsregeling, nu de kinderen de vader slechts eens in de twee weken een weekend zien en tegenwoordig iets meer vanwege de voetbaltraining. Er is dan ook geen sprake van een gelijkwaardige opvoeding en verzorging zoals door de raad in het raadsrapport wordt gesteld. De moeder stelt dat zij in beginsel recht heeft om met de kinderen te verhuizen, nu de kinderen hun hoofdverblijf bij haar hebben. De moeder heeft haar “roots” in het Noorden van het land en thans sinds enige tijd ook een bestendige relatie met haar nieuwe partner in [plaatsnaam 1.], bij wie de moeder ieder weekend verblijft. Volgens de moeder kan na afweging van alle omstandigheden en belangen in deze zaak niet anders dan geconcludeerd worden dat haar verzoek om vervangende toestemming moet worden toegewezen.

3.5. De vader voert aan dat hij vreest dat wanneer de moeder eenmaal met de kinderen verhuisd zal zijn naar Noord-Holland, de bereidheid ten aanzien van de ondersteuning van de zorgregeling tussen hem en de kinderen van haar kant zal afnemen en dat de zorgregeling hieronder zal gaan lijden. Bovendien zal het reizen gelet op de afstand een grote belasting met zich meebrengen voor een ieder, maar bovenal ook voor de kinderen. De vader geeft aan te vermoeden dat de kinderen de reistijd naarmate zij ouder worden als steeds zwaarder zullen gaan ervaren. De kinderen zullen immers steeds de volledige afstand moeten afleggen, nu zij hierin niet, zoals partijen, gedeeltelijk gecompenseerd kunnen worden door haal- en breng afspraken. Na een verhuizing naar Noord Holland zal de omgang duren van vrijdagmiddag tot zondagavond, waarbij de kinderen per weekend minimaal 6 uur in de auto zitten. Ook dient rekening te worden gehouden met het feit dat naarmate de kinderen ouder worden hun eigen sociale contacten een steeds grotere rol in hun leven zullen gaan spelen, waaraan zij ook steeds meer gewicht zullen gaan toekennen. Indien de zorgregeling na enige tijd niet of niet volledig meer zal worden nageleefd zal de band tussen de vader en de kinderen afnemen wegens het geringe contact. De omgang is thans in tegenstelling tot wat de moeder hierover aangeeft uitgebreider dan een reguliere omgang, nu deze op vrijdagochtend begint tot zondagavond en er tevens op maandag en woensdag omgang is vanwege de voetbaltrainingen van [zoon]. Volgens de vader bagatelliseert de moeder zijn opvoedingsrol, nu hij wel degelijk altijd betrokkenheid getoond heeft bij de kinderen en ook meermaals en tevergeefs een voorstel tot een ruimere omgangsregeling heeft gedaan aan de moeder.

Het compensatievoorstel van de moeder in geval van verhuizing is volgens de vader praktisch niet uitvoerbaar, temeer nu de schoolvakanties in Limburg niet gelijk lopen met de schoolvakanties in Noord-Holland en het bovendien niet bekend is of de studiedagen van de vader in de (nabije) toekomst ook altijd op de vrijdag zullen vallen.

De vader betwist dat hij vanwege een wijziging van standplaats gedwongen is om te verhuizen, nu er inmiddels voldoende zekerheid over bestaat dat hij in [standplaats] zal worden geplaatst.

3.6. De raad heeft ter zitting in hoger beroep het eerder aan de rechtbank uitgebrachte advies gehandhaafd. De raad is van mening dat het niet in het belang van [zoon] en [dochter] is als de moeder vervangende toestemming krijgt om te verhuizen. Uit het onderzoek van de raad is gebleken dat beide ouders een goede band hebben met de kinderen. De moeder heeft het grootste aandeel in de verzorging en opvoeding van de kinderen en zij heeft dit ook altijd goed gedaan. Dat de moeder thans een gevoel heeft terug te willen naar haar ‘roots’ acht de raad voorstelbaar maar wel puur ingegeven door haar eigen belang en niet door dat van de kinderen. De raad is van mening dat de kinderen geen schade zullen oplopen van een verhuizing, maar dat dit geen antwoord is op de vraag die voorligt, te weten, of een verhuizing in het belang van de kinderen is. De consequenties van de verhuizing in onder meer het contact met de vader maar ook gezien het feit dat zij uit hun vertrouwde [woonplaats 3.] leefomgeving worden gehaald zijn wel degelijk belastend voor de kinderen en daarmee zouden zij niet moeten worden belast. Er is thans veelvuldig contact tussen de kinderen en de vader, meerdere keren per week. Door de verhuizing zal dit veelvuldige en goede contact niet meer mogelijk zijn. Bovendien is de reisafstand die dient te worden afgelegd aanzienlijk en vergt deze voor partijen maar vooral ook voor de kinderen een grote inspanning. De afstand van 275 km (in het gunstigste geval 3 uur per enkele reis) is voor de kinderen zeer onwenselijk om tweewekelijks en tijdens de vakanties en feestdagen te moeten afleggen. Het reële gevaar bestaat dat de kinderen naarmate ze ouder worden hier steeds vaker vanaf zullen willen zien waardoor contactafbreuk tussen de vader en de kinderen dreigt. De raad is dan ook van mening dat een verhuizing van de vader een onevenredige investering eist.

Vervangende toestemming voor verhuizing en inschrijving

3.7. Ten aanzien van de vervangende toestemming voor verhuizing van de moeder met de kinderen naar Noord Holland, gemeente Medemblik, overweegt het hof als volgt.

3.7.1. Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. De gezamenlijke gezagsuitoefening van partijen brengt mee dat de moeder voor het wijzigen van de woonplaats van de kinderen en voor de inschrijving van hen op een andere basisschool in beginsel toestemming van de vader behoeft. Indien de ouders het hierover niet eens worden zal de rechter hierover een beslissing nemen. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Conform vaste rechtspraak dient de rechter bij de beslissing over een geschil als het onderhavige alle omstandigheden van het geval in acht te nemen en alle belangen af te wegen.

In een geschil als het onderhavige dienen dan ook de navolgende omstandigheden en belangen te worden meegewogen:

- het recht en belang voor de verhuizende ouder om te verhuizen en de vrijheid om zijn of haar leven opnieuw in te richten;

- de noodzaak om te verhuizen;

- de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;

- de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor de minderjarigen en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren;

- de mate waarin partijen in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;

- de rechten van de andere ouder en de minderjarigen op onverminderd contact met elkaar in hun vertrouwde omgeving;

- de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;

- de leeftijd van de minderjarigen, hun mening en de mate waarin zij geworteld zijn in hun omgeving of juist gewend zijn aan verhuizingen;

- de extra kosten van de omgang na de verhuizing.

3.7.2. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, het verzoek van de moeder tot vervangende toestemming voor verhuizing naar de gemeente Medemblik ([woonplaats 2.]) en inschrijving van de kinderen op een basisschool in [vestigingsplaats 1.] heeft afgewezen. In aanvulling op de motivering door de rechtbank en met in achtneming van bovengenoemde omstandigheden en belangen overweegt het hof het volgende.

Recht en belang voor de moeder om te verhuizen

3.7.3. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de wens van de moeder om te verhuizen naar de gemeente Medemblik overwegend is ingegeven door haar persoonlijke wens om terug te gaan naar haar ‘roots’ in het Noorden van het land om daar een nieuw leven met haar nieuwe partner te kunnen opbouwen. Het hof acht deze wens van de moeder om te verhuizen naar een voor haar vertrouwde omgeving begrijpelijk. De ‘roots’ en het maatschappelijke netwerk van de kinderen liggen echter in Limburg, alwaar zij hun vriendjes, school maar bovenal ook hun vader met wie zij een veelvuldig contact onderhouden in de nabije omgeving hebben. Desgevraagd heeft de moeder ter zitting nadrukkelijk kenbaar gemaakt dat het belang van de kinderen bij een verhuizing met name schuilt in hun belang om een gelukkige moeder te hebben. De ‘roots’ van de moeder en haar belang en recht op een nieuw leven elders worden hiermee naar het oordeel van het hof ten onrechte boven de ‘roots’ en het belang van de kinderen gesteld om hun leven te continueren in een voor hen prettige leefomgeving met de vader en een sociaal netwerk in de nabije omgeving. Het feit dat de kinderen ook familie in het Noorden van het land hebben met wie zij vertrouwd zijn doet aan het voorgaande naar het oordeel van het hof niet (voldoende) af. Het hof acht het de verantwoordelijkheid van de moeder om haar leven zodanig aan te passen dat zij ook in het Zuiden van het land met de kinderen gelukkig kan zijn.

Noodzaak tot verhuizing

3.7.4. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft de moeder naar het oordeel van het hof zeker een belang bij de verhuizing, doch de noodzaak hiertoe is onvoldoende aangetoond. Er is geen sprake van een economisch nijpende situatie die de moeder in financieel opzicht noodzaakt tot verhuizen; immers zij heeft al jaren een vaste baan in [woonplaats 3.]. Weliswaar heeft de moeder gesteld dat zij psychische klachten ondervindt van de spanningen omtrent de onderhavige zaak en het feit dat zij het gevoel heeft in het Zuiden van het land niet goed te kunnen aarden; echter de door de moeder overgelegde summiere verklaring van de huisarts hieromtrent acht het hof onvoldoende om een daadwerkelijke psychische noodzaak om te verhuizen aan te kunnen nemen. De overige door de moeder aangedragen argumenten om te verhuizen, zoals dat zij thans met de kinderen in een slechte wijk van [woonplaats 3.] zou wonen en er niet binnen afzienbare tijd uitzicht is op een woning in een betere wijk, zijn, gezien de gemotiveerde betwisting door de vader en de raad, onvoldoende gegrond.

Doordenking en voorbereiding van de verhuizing

3.7.5. Het hof is van oordeel dat de moeder haar best heeft gedaan om een verhuizing voor de kinderen zo goed mogelijk te laten verlopen, door onder meer een school voor hen te zoeken en hen beiden reeds voor een sport op te geven. Hetgeen de moeder echter naar het oordeel van het hof van ondergeschikt belang lijkt te vinden, is de onvermijdelijke vermindering van het contact tussen de kinderen en de vader door de verhuizing. Het had op de weg van de moeder gelegen om gedegen alternatieven te onderzoeken. De ongefundeerde stelling van de moeder dat haar partner niet in zuidelijke richting kan verhuizen vanwege zijn werk en vanwege de ruime omgangsregeling die hij heeft met zijn kinderen uit een eerdere relatie, getuigt er naar het oordeel van het hof van dat naar mogelijke alternatieven geen daadwerkelijk onderzoek is gedaan. Uit de werkgeversverklaring van de partner van de moeder blijkt immers dat de commerciële speerpunten en aandachtsvelden van zijn functie in de Noordelijke Randstad liggen, te weten in de omgeving van Utrecht en van Noord Holland, tengevolge waarvan zijn woonlocatie in één van bovengenoemde gebieden dient te liggen. Het hof is dan ook van oordeel dat er door de moeder en haar nieuwe partner gekeken had kunnen worden naar mogelijkheden om samen in de omgeving van Utrecht te gaan wonen. Hiervan is niet gebleken.

De omgangsregeling die de nieuwe partner van de moeder naar haar zeggen heeft, waarbij sprake is van een slechts marginaal ruimere omgang dan die de kinderen met de vader hebben, dient volgens de moeder ongewijzigd te blijven doch van de kinderen (en de vader) verwacht de moeder wel zodanig veel flexibiliteit dat zij om het weekend een totale afstand van 550 kilometer dienen af te leggen voor een in frequentie en duur sterk verminderde omgangsregeling. Het hof acht een dergelijke investering voor de kinderen onevenredig belastend.

Alternatieven/maatregelen ter compensatie

3.7.6. De vader en de kinderen hebben momenteel om het weekend van vrijdagochtend tot zondagavond omgang met elkaar en tevens zien zij elkaar twee keer doordeweeks gedurende de voetbaltraining die de vader aan [zoon] geeft, waarbij [dochter] veelvuldig ook aanwezig is. De moeder heeft de vader een compensatievoorstel gedaan om de schoolvakanties bij helfte te verdelen, nu de vader door de verhuizing doordeweeks minder omgang met de kinderen zal hebben. Echter mede gelet op het feit dat de vakantieperioden in Noord-Holland en Limburg op verschillende data vallen is een dergelijke regeling praktisch niet haalbaar, nu de vakantieweken van de kinderen dan veelal werkweken zijn voor de vader.

Tevens zal de omgangsvrijdag die de kinderen thans om de week met de vader hebben komen te vervallen. De moeder heeft voorgesteld om het jaarlijkse verlies van 26 (vrij)dagen aan omgang te compenseren in de schoolvakanties van de kinderen en op studiedagen van de vader. Nu de vader te kennen heeft gegeven dat het niet zeker is dat zijn studiedagen in de toekomst ook altijd op de vrijdag zullen vallen geeft het voorstel van de moeder naar het oordeel van het hof onvoldoende compensatiegarantie, nu een omgangsdag op een doordeweekse studiedag die niet aansluit op het omgangsweekend praktisch niet haalbaar zal zijn in de weken dat de vader geen vakantie heeft. Daarbij is geen compensatie mogelijk voor de frequente contactmomenten op doordeweekse dagen.

Onderlinge communicatie en overleg

3.7.7. Uit de raadsrapportage d.d. 9 november 2011 is gebleken dat de ouders in staat zijn om met elkaar te communiceren zonder dat dit tot spanningen of conflicten leidt. De kwaliteit van de communicatie is goed en de onderwerpen die de kinderen betreffen worden op een efficiënte wijze uitgewisseld. Verder heeft het raadsonderzoek uitgewezen dat partijen met een slecht gevoel terugkijken op de aanleiding van de scheiding, doch dat dit op de langere termijn geen grote invloed heeft gehad op de kwaliteit van de communicatie of de onderlinge verhouding. Uit de stukken en de mondelinge behandeling ter zitting in hoger beroep is het hof wel gebleken dat de huidige kwestie rondom de mogelijke verhuizing van de moeder de verhouding tussen partijen wel enigszins op scherp heeft gezet. Gelet op het voorgaande is het hof echter van oordeel dat partijen reeds eerder hebben laten zien dat zij ondanks emotionele gebeurtenissen als verantwoorde ouders met elkaar kunnen blijven communiceren.

Recht op onverminderd contact en de verdeling en continuïteit van de zorg

3.7.8. Nog los van de al dan niet bestaande compensatiemogelijkheden, is het hof met de raad en de rechtbank van oordeel dat naarmate de kinderen ouder worden de kans steeds kleiner wordt dat zij om het weekend en iedere vakantie de totale afstand van 550 kilometer willen afleggen met de daaraan gekoppelde aanzienlijke reistijd. De kinderen zullen na een verhuizing hun leven steeds meer gaan vormgeven in de nieuwe woonplaats, waar zij nieuwe vriendjes zullen maken en nieuwe klasgenoten krijgen. Naarmate de tijd verstrijkt bestaat het reële risico dat de interesse van de kinderen in het ‘oude’ leven in [woonplaats 3.] vermindert. Ongedwongen even langsgaan bij de vader is er pertinent niet meer bij en ook de wekelijkse voetbaltrainingen komen te vervallen, waardoor de rol van de vader gemarginaliseerd dreigt te worden. Het hof is van oordeel dat door een verhuizing, en het daaraan inherente verminderde contact van de vader met de kinderen, zal leiden tot een uitholling van het vaderschap en de band die de vader en de kinderen met elkaar hebben. De vader heeft het recht op een zinvolle invulling van zijn ouderrol waarin plaats is voor onverminderd contact met de kinderen, waar dit bovenal een recht van de kinderen betreft.

Het hof is weliswaar van oordeel dat het dient te gaan om de kwaliteit van de omgangscontacten en niet om de kwantiteit, echter in onderhavige zaak bestaat er een reëel risico dat er op de langere termijn zo goed als geen omgang meer zal plaatsvinden, waardoor de band tussen de vader en de kinderen zal verwateren. De kwaliteit van de beperkt frequente omgang zal dan evenals de kwantiteit zeer waarschijnlijk verminderen.

Het hof is er voorts van overtuigd dat hetgeen door partijen destijds in het echtscheidingsconvenant is opgenomen over een toekomstige verhuizing van de moeder met de kinderen naar Noord Holland een emotionele vergissing (gezien de aanleiding voor de echtscheiding) zijdens de vader is geweest, gelet op de inspanningen van de vader sedert de laatste jaren waar het de (uitbreiding van) de omgang met de kinderen betreft waardoor er thans sprake is van een geheel andere situatie met een andere en ruimere zorgverdeling. Bovendien is het sociale leven van de kinderen in [woonplaats 3.] thans aanzienlijk omvangrijker dan ten tijde van de echtscheiding en het opstellen van het convenant. Het hof is gebleken dat de vader naar vermogen invulling heeft gegeven aan zijn gezag en bereid is geweest een grotere rol te spelen in het leven van de kinderen. De vader heeft ter zitting nogmaals het voorstel geopperd om eventueel co-ouderschap te overwegen, waarbij de moeder wellicht week op week af in de gemeente Medemblik kan verblijven, temeer ook nu de moeder parttime werkt. De moeder heeft er blijk van gegeven dit geen haalbaar voorstel te vinden en heeft dit vooralsnog van de hand gewezen.

De leeftijd van de kinderen, hun mening en de mate van geworteldheid

3.7.9. Uit het raadsonderzoek is gebleken dat de raad van mening is dat de kinderen waarschijnlijk geen schade zullen ondervinden van een verhuizing, maar dat dit ondergeschikt is aan de vraag of het in het belang van de kinderen is dat zij met de consequenties van een verhuizing worden belast. De stelling van de moeder dat de kinderen inmiddels gewend zijn om te verhuizen, nu zij in 2007 al eerder tijdelijk naar [woonplaats 2.] alsook binnen [woonplaats 3.] al eens zijn verhuisd, maakt naar het oordeel van het hof juist dat de kinderen niet nogmaals uit hun vertrouwde omgeving moeten worden gehaald. De verhuizing naar [woonplaats 2.] in 2007 heeft na zeven maanden geleid tot een terugverhuizing naar [woonplaats 3.] vanwege het feit dat de moeder wegens haar echtscheidingsverwerking haar draai niet kon vinden in [woonplaats 2.]. Ook destijds prevaleerden de belangen van de moeder om elders haar draai te vinden klaarblijkelijk boven die van de kinderen. Op dit moment kan de moeder in [woonplaats 3.] haar draai niet vinden en wenst zij opnieuw over te gaan tot de ingrijpende verhuizing naar het Noorden van het land, waarbij niet met zekerheid gesteld kan worden dat zij haar draai daar nu wel zal vinden.

Evenals de raad ziet het hof praktische en inhoudelijke bezwaren tegen de door de moeder gewenste verhuizing met de kinderen naar Noord Holland. De kinderen zijn ingegroeid in hun vertrouwde [woonplaats 3.] leefomgeving. Beide kinderen hebben in [woonplaats 3.] hun school en vriendjes. [zoon] is in [woonplaats 3.] bovendien lid van een voetbalclub, waarbij de vader zijn trainer is. Indien de kinderen verhuizen kunnen zij wegens de omgangsregeling met de vader in Limburg in het geheel niet meer deelnemen aan teamsporten, nu er in de weekenden wedstrijden gespeeld worden waaraan zij dan om de week niet deel kunnen nemen. De moeder heeft verklaard dat de kinderen de ene week deel kunnen nemen aan de wedstrijd in Noord Holland en het andere weekend in [woonplaats 3.], echter het hof acht een dergelijke optie praktisch nagenoeg onhaalbaar en daarbij onwenselijk voor de kinderen, nu zij in die geschetste situatie om het weekend een wedstrijd moeten spelen in een team waarmee zij nimmer doordeweeks kunnen trainen en waarmee zij na enige tijd geen aansluiting meer zullen hebben.

De kinderen hebben thans een frequent contact met de vader, waarbij zij hem wekelijks meerdere keren zien, mede vanwege de voetbaltrainingen van [zoon]. Ook in de weekenden dat [zoon] wedstrijden speelt (en er verder geen omgang is) is er logischerwijs contact met de vader. Verder hebben de kinderen om het weekend omgang met de vader van vrijdagochtend tot zondagavond. Door een verhuizing naar de andere kant van het land zal dit uitgebreide contact tussen de kinderen en de vader in grote mate afnemen. De inspanning voor de kinderen om elke twee weken een totale reisafstand af te leggen van 550 kilometer acht het hof zeer onwenselijk en bezwaarlijk, zeker voor de toekomst, vanwege de toenemende leeftijd en interesses van de kinderen en het feit dat het zwaartepunt van hun maatschappelijke leven na een verhuizing in het Noorden van het land zal komen te liggen. Een dermate verre verhuizing betekent voor zowel de kinderen als de vader naar het oordeel van het hof een onevenredige investering. De stelling van de moeder dat de kinderen thans ook om het weekend met de moeder meereizen naar Noord-Holland en derhalve gewend zijn aan de reisafstand en de frequentie van het reizen doet aan het voorgaande niet af. Thans ervaren de kinderen deze weekenden wellicht nog als een uitje en bovendien hebben zij ook geen keuze dan met de moeder mee te gaan, waar zij naarmate zij ouder worden logischerwijs meer hun eigen beslissing hierin zullen willen nemen. Daarbij verliest de moeder voorts uit het oog dat de kinderen er in de toekomst voor kunnen kiezen een extra weekend bij hun vader door te brengen op momenten dat de moeder naar haar partner in het Noorden wenst te reizen en de kinderen in [woonplaats 3.] willen blijven.

Extra kosten van omgang na verhuizing

3.7.10. Naar het oordeel van het hof is het kostenaspect in onderhavige zaak niet aan de orde, nu de vader geen extra kosten zal ondervinden van een verhuizing, temeer nu de moeder zich bereid heeft verklaard de kinderen te halen en te brengen.

3.8. Gelet op het vorenstaande en alle bovenstaande belangen tegen elkaar afwegende is het hof van oordeel dat de belangen van de kinderen bij een onverstoord contact met de vader in een voor hen vertrouwde leefomgeving in onderhavige zaak dienen te prevaleren boven het belang en de wens van de moeder om te verhuizen naar de gemeente Medemblik om daar haar leven opnieuw in te richten.

3.9. Op grond van het vorenstaande zal het hof evenals de rechtbank het verzoek van de moeder tot vervangende toestemming om met de kinderen naar de gemeente Medemblik te verhuizen en de kinderen in te schrijven op de school “De Bangert” te [vestigingsplaats 1.] afwijzen.

Voorwaardelijk incidenteel appel omtrent de verdeling van zorg- en opvoedingstaken

3.10. Nu, zoals uit het vorenstaande blijkt, de grieven van de moeder niet tot een vernietiging van de bestreden beschikking kunnen leiden, behoeft het voorwaardelijk incidenteel appel van de vader geen verdere bespreking en beslissing. De voorwaarde waaronder dit incidenteel appel is ingesteld – dat het hof aan de moeder vervangende toestemming verleent voor de verhuizing naar de gemeente Medemblik – is immers niet in vervulling gegaan.

3.11. Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.

4. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Maastricht van 10 februari 2012;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.C. van Dijkhuizen, W.Th.M. Raab en A.J. van de Rakt en in het openbaar uitgesproken op 9 augustus 2012.