Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BX4110

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-08-2012
Datum publicatie
09-08-2012
Zaaknummer
20-000615-11
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2011:BP3849, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

249 Sr. Het hof vernietigt het vonnis waarvan beroep (LJN BP3849) en spreekt de verdachte vrij van de ten laste gelegde gemeenschap en ontucht met een wilsonbekwame. Het hof veroordeelt de verdachte wegens het meermalen ontucht plegen met een cliënt die aan zijn (maatschappelijke) zorg was toevertrouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-000615-11

Uitspraak : 9 augustus 2012

TEGENSPRAAK | PROMIS

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 10 februari 2011 in de strafzaak met parketnummer 01-840603-10 tegen de verdachte,

[naam van de verdachte],

geboren te [geboorteplaats] [in het jaar 1968],

wonende te [woonplaats], [adres],

bij welk vonnis:

- de verdachte werd vrijgesproken van de onder 3 ten laste gelegde feitelijke aanranding van de eerbaarheid van [A];

- het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen werd verklaard en als respectievelijk “met iemand van wie hij weet dat zij aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling van haar geestvermogens lijdt dat zij niet of onvolkomen in staat is haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd” en “met iemand van wie hij weet dat zij aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis lijdt dat zij niet of onvolkomen in staat is haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd” werd gekwalificeerd;

- de verdachte daarvoor werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde;

- de vordering van de benadeelde partij [B] werd toegewezen tot het gevorderde bedrag van € 3.245,75 vermeerderd met de wettelijke rente;

- ten behoeve van [B] aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel werd opgelegd voor datzelfde bedrag.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep moet het hoger beroep worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder 1 en 2 is ten laste gelegd en niet te zijn gericht tegen de door de rechtbank gegeven vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde.

Aldus is slechts het onder 1 en 2 ten laste gelegde aan het oordeel van het hof onderworpen en heeft al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist uitsluitend daarop betrekking.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal mr. H.C.J.M. de Goede en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. J.J.H. Siebelt naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep - vanwege de wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep - zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Haar vordering behelst voorts de volledige toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte. Bij wijze van subsidiair standpunt heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de verdachte tot diezelfde straf zal veroordelen en dezelfde beslissing zal nemen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij, indien het in plaats van het primair, het subsidiair ten laste gelegde bewezen zal verklaren.

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte integraal van het ten laste gelegde zal worden vrijgesproken en dat de benadeelde partij dientengevolge in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk zal worden verklaard. In subsidiaire zin heeft de raadsman verweer gevoerd ten aanzien van de op te leggen straf en de mogelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, reeds omdat in hoger beroep de tenlastelegging - en aldus de grondslag van het onderzoek - is gewijzigd. Bovendien zal het hof niet tot een soortgelijke bewezenverklaring komen als de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 28 februari 2010 te Veghel en/of Schijndel, in elk geval in Nederland, met [B], van wie hij, verdachte, wist dat die [B] in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar geestvermogens leed dat die [B] niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, (telkens) een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [B], hebbende hij, verdachte, meermalen, althans eenmaal, een vibrator en/of een trilei, in elk geval een voorwerp, en/of zijn vinger(s) in de vagina van die [B] geduwd/gebracht en/of zijn penis in de mond van die [B] gebracht/geduwd en/of zijn tong in de mond van die [B] gebracht/geduwd;

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling zou kunnen of mogen leiden, dat:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 januari 2010 tot en met 28 februari 2010 te Veghel en/of Schijndel en/of (elders) in Nederland, terwijl hij werkzaam was in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg (te weten als kok/leermeester/werkbegeleider/chauffeur bij de [naam van stichting 1] en/of [naam van lunchroom], in elk geval als medewerker van een instelling van gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg), (telkens) ontucht heeft gepleegd met iemand die zich als patiënt of cliënt aan zijn hulp of zorg had toevertrouwd, te weten [B], hebbende hij, verdachte, (telkens) een of meer ontuchtige handelingen gepleegd die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [B], te weten het duwen/(in)brengen van een vibrator en/of een trilei, in elk geval een voorwerp, en/of zijn vinger(s) in de vagina van die [B] en/of het brengen/duwen van zijn penis in de mond van die [B] en/of het brengen/duwen van zijn tong in de mond van die [B];

2.

hij op een of meer tijstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 28 februari 2010 te Schijndel en/of Veghel, in elk geval in Nederland, met [B], van wie hij, verdachte, wist dat die [B] in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar geestvermogens leed dat die [B] niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, (telkens) een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit

- het betasten van de (al dan niet ontblote) borsten en/of vagina van die [B] en/of

- het doen/laten vasthouden en/of betasten van en/of kussen op en/of likken aan/over zijn, verdachtes, penis door die [B] en/of

- het aftrekken van zichzelf in aanwezigheid van die [B] en/of

- het kussen op de mond bij die [B];

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling zou kunnen of mogen leiden, dat:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 januari 2010 tot en met 28 februari 2010 te Veghel en/of Schijndel en/of (elders) in Nederland, terwijl hij werkzaam was in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg (te weten als kok/leermeester/werkbegeleider/chauffeur bij de [naam van stichting 1] en/of [naam van lunchroom], in elk geval als medewerker van een instelling van gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg), (telkens) ontucht heeft gepleegd met iemand die zich als patiënt of cliënt aan zijn hulp of zorg had toevertrouwd, te weten [B], bestaande die ontuchtige handelingen uit:

- het betasten van de (al dan niet ontblote) borsten en/of vagina van die [B] en/of

- het doen/laten vasthouden en/of betasten van en/of kussen op en/of likken aan/over zijn, verdachtes, penis door die [B] en/of

- het aftrekken van zichzelf in aanwezigheid van die [B] en/of

- het kussen op de mond bij die [B].

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkwamen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde

Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat het voorhanden bewijs tekortschiet om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van gemeenschap en ontucht met een wilsonbekwame, zoals dat in eerste aanleg onder 1 en 2 en thans in hoger beroep onder 1 primair en 2 primair aan de verdachte ten laste is gelegd.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Voor een bewezenverklaring van deze feiten is vereist - voor zover hier van belang - dat kan worden vastgesteld dat het slachtoffer lijdende was aan een zodanig gebrekkige ontwikkeling van haar geestvermogens dat zij niet of onvolkomen in staat was om haar wil te bepalen of kenbaar te maken omtrent de met haar bedreven seksuele handelingen, of daartegen weerstand te bieden.

Het hof was en is van oordeel dat de in dat verband door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen (onder meer de verklaring van de moeder van het slachtoffer en het ondersteuningsplan van de [naam van stichting 2]) die conclusie onvoldoende kunnen dragen. Uit het dossier komt een aantal contra-indicaties naar voren, zoals de wijze waarop zij heeft gereageerd op het voorval waarbij ene [C] haar borsten zou hebben vastgepakt en de uitspraken die zij tegen chauffeuse [D] deed over wat haar vorige vriendje bij haar op seksueel vlak wel en niet mocht doen, die naar het oordeel van het hof een (gedrags)deskundigenonderzoek noodzakelijk maakten.

Bij tussenarrest van 9 februari 2012 heeft het hof opdracht gegeven om een dergelijk onderzoek te laten plaatsvinden. De deskundige die daartoe werd benoemd, de psychologe drs. M. van Heteren, heeft het hof bij brief van 27 juni 2012 bericht dat een confrontatie met de delictsituatie niet in het belang van het geestelijk welzijn van het slachtoffer lijkt te zijn, hetgeen zij voor beantwoording van de voorliggende onderzoeksvraag wel noodzakelijk acht.

Dat in aanmerking genomen, heeft het hof ter terechtzitting van 26 juli 2012 beslist dat in het belang van het slachtoffer aan de opdracht van het hof geen verder gevolg moet worden gegeven. Dat betekent evenwel dat het hof er bij gebrek aan bewijs voor het tegendeel van uitgaat dat het slachtoffer voldoende in staat was om omtrent de ten laste gelegde seksuele handelingen haar wil te bepalen en kenbaar te maken en daartegen weerstand te bieden. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van hetgeen hem onder 1 primair en 2 primair ten laste is gelegd.

Bewijs: de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden

Op grond van de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, waarnaar in de voetnoten bij dit arrest wordt verwezen, stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.

I.

Op 11 maart 2010 heeft mevrouw [E] namens haar dochter [B] aangifte gedaan van seksueel misbruik. Zij heeft bij die gelegenheid het volgende verklaard. [B] is op 8 maart 1986 geboren met een verstandelijke beperking. Dat is aan haar uiterlijk niet waar te nemen. Pas als zij gaat praten of als je haar even bezig ziet, merk je dat zij geen ‘normale meid’ is. [B] wordt begeleid vanuit de [naam van stichting 2]. Zij hebben voor haar een ondersteuningsplan opgemaakt. [B] kan worden omschreven als een vrolijk meisje dat heel aanhankelijk is. Zij heeft cursussen gevolgd om met haar emoties om te gaan. Sinds augustus 2005 werkt zij bij een lunchroom in Schijndel, genaamd ‘[naam van lunchroom]’. [F] is de eigenaresse van de lunchroom. Zij heeft een uitgebreide opleiding genoten om met mensen met een verstandelijke beperking om te gaan. In de lunchroom werken zo’n 30 mensen met een verstandelijke beperking. Zij worden niet betaald. Er zijn twee betaalde krachten: [de verdachte] (het hof: de verdachte) en ene [G]. Zij hebben geen beperking. Het werk van [B] bij [naam van lunchroom] moet volgens haar moeder worden gezien als een dagbesteding vanuit de [naam van stichting 2].

II.

[F] heeft tegenover de politie verklaard dat zij niet alleen eigenaresse van de lunchroom ‘[naam van lunchroom]’ is, maar ook gedeeltelijk werkzaam is als directeur van de ‘[naam van stichting 1]’. De lunchroom is een commercieel bedrijf, maar de werknemers en personeelsleden vallen onder de verantwoordelijkheid van de Stichting. De inkomsten die worden gegenereerd door de medewerkers met een beperking gaan naar de Stichting. [F] is verpleegkundige in de psychiatrie en de zwakzinnigenzorg, heeft psychogeriatrie en psychogerontologie gestudeerd en heeft al 19 jaar met mensen met een beperking gewerkt.

[B] viel onder de verantwoordelijkheid van de [naam van stichting 2] en werkte al 5 jaar bij ‘[naam van lunchroom]’. Over haar heeft [F] verklaard dat zij 24 jaar oud was en een beperking heeft; een mooie meid om te zien, van wie de beperking pas zichtbaar wordt op het moment dat zij gaat praten of dingen op het werk moet doen. Volgens [F] heeft [B] moeite om haar grenzen te bepalen op het moment dat de rangen anders zijn.

[B] werd tot 2 januari 2010 opgehaald door [D] (hof: [D]). Na die datum kwamen er meer medewerkers bij en zat de bus vol. Vanaf dat moment is de verdachte [B] op gaan halen. De verdachte kwam zelf met dat voorstel. Het was een praktische oplossing en daarom stemde [F] daarmee in. De verdachte werkte als werkbegeleider voor de ‘[naam van stichting 1]’ en was tevens kok in de lunchroom. Bij zijn sollicitatie is hem verteld dat er wordt gewerkt met jongeren die een specifieke begeleiding nodig hebben en dat het een kwetsbare groep is, omdat hun kalenderleeftijd niet overeenkomt met hun werkelijke leeftijd. Er is hem gewezen op het gevaar van overschatting. Een voorbeeld dat [F] bij sollicitaties meestal aanhaalde en volgens haar ook in het geval van de verdachte, is het volgende:

“Bijvoorbeeld, we hebben een meisje als je daar heel aardig tegen doet, tegen lacht, dichtbij in de buurt komt, dan raakt ze verliefd. En binnen no time ben jij ook verliefd op haar. In haar beleving.”

[F] heeft voorts verklaard dat zij de verdachte ook specifiek over [B] heeft ingelicht. Zij heeft hem uitgelegd dat liefde voor [B] handjes vasthouden en kusjes geven is. Hem is ook verteld dat hij geen relaties met medewerkers mocht aangaan: hij is begeleider en heeft een bepaalde verantwoordelijkheid.

III.

De verdachte heeft op 26 mei 2010 tegenover de politie verklaard dat hij op 1 januari 2009 is begonnen bij lunchroom ‘[naam van lunchroom]’ in Schijndel. Bij deze lunchroom heeft hij een ‘leermeester diploma’ gehaald. In februari 2010 werd hij ontslagen, omdat er tussen [B] en hem ‘dingen waren gebeurd’. Op 27 mei 2010 werd de verdachte voor het eerst door de politie verhoord over de ten laste gelegde feiten. Bij die gelegenheid heeft hij verklaard dat hij weliswaar bij ‘[naam van lunchroom]’ en ‘[naam van winkel]’ (een zaak waar chocolaatjes, nootjes en wijn worden verkocht) werkzaam was, maar in loondienst was van de ‘[naam van stichting 1]’. Die stichting was opgericht door [F] (hof: [F]). Volgens de verdachte kochten medewerkers met een beperking dagdelen in bij de stichting om te kunnen werken. De verdachte was kok en werkbegeleider. Naast de verdachte waren er nog een aantal personen in loondienst, een aantal vrijwilligers en een aantal personen met een beperking. Een van die personen met een beperking was [B]. Zij deed een interne cursus voor de bediening. [B] woonde in Erp. De verdachte heeft voorgesteld om [B] op te halen. Hij bracht haar op een bepaald moment ook naar huis. Als hij [B] ophaalde, reed hij vanaf Erp rechtstreeks naar de zaak (hof: in Schijndel) of anders via de Sligro in Veghel. Als hij haar naar huis terugbracht, reed hij rechtstreeks van Schijndel naar Erp, langs het kanaal van Veghel naar Erp.

IV.

De verdachte heeft ter terechtzitting van de rechtbank verklaard dat [B] tijdens een autorit in januari 2010 bepaalde emoties had geuit. Hij heeft toen de auto geparkeerd en haar getroost. [B] begon hem daarop te zoenen en duwde daarbij haar tong in zijn mond. Hij heeft daaraan toegegeven. Bij diezelfde gelegenheid heeft hij over andere momenten voorts het volgende verklaard:

“Ik heb [een] trilei tegen haar clitoris gehouden. […] In overleg met haar heb ik mijn vingers in haar vagina geduwd. Ook heb ik mijn tong in haar mond geduwd. Zij wilde geen kusje op mijn penis geven. […] De daarop volgende keer lag zij met haar hoofd op mijn buik en heeft zij mijn penis in haar mond genomen. Ook heeft zij mij geholpen bij het aftrekken. Ik heb haar borsten en vagina betast. […] Ik heb tegen haar gezegd dat ze mijn penis als een lolly moest gebruiken. […] [B] heeft […] over mijn broek gewreven, […] de rits opengemaakt en mijn penis vastgepakt.”

V.

De verdachte heeft ter terechtzitting van het hof voorts de volgende verklaring afgelegd:

“Op enig moment ben ik belast met het vervoer van [B]. Ik haalde haar op en bracht haar weer naar huis terug. Wij hebben een hechte band gekregen met elkaar. […] Ik wist dat [B] een beperking had. […] Wat er gebeurd is, had niet mogen gebeuren. Ik wist dat er arbeidstechnisch consequenties verbonden zouden zijn als mijn handelingen met [B] aan het licht zouden komen. Ik wist dat ik dan ontslagen zou worden. Bovendien zou bij mijn vriendin bekend worden dat ik vreemd ging met een ander. […] Ik ben één keer gewaarschuwd door [F] dat ik moest oppassen met knuffelen. […]

Op een gegeven moment ben ik [B] thuis gaan ophalen om naar [naam van lunchroom] te rijden. […] Dit was een officiële taak die ik erbij kreeg. In de auto vertelde [B] mij verhalen waar zij mee zat. Ook vertelde ze mij het verhaal dat haar tante was overleden aan kanker. [B] moest huilen en ik heb haar getroost. Zo is het begonnen.

Het klopt dat er bij verschillende gelegenheid seksuele handelingen zijn gepleegd door mij. In de loop van de tijd zijn onze gevoelens voor elkaar gegroeid. Het is begonnen met elkaar zoenen. Later zijn we verder gegaan. Ik heb […] een trilei [gebruikt]. Ik heb het trilei niet in de vagina van [B] gebracht. Ik heb gevraagd of [B] mijn penis in haar mond wilde stopen. In eerste instantie wilde ze dit niet. Later heeft ze het uit eigen beweging wel gedaan.”

VI.

[B] heeft tijdens een studioverhoor ook over het gebeuren verklaard. Het verbatim verslag van dit op 6 april 2010 gehouden verhoor houdt onder meer het volgende in:

“[B]: [de verdachte] heeft eh mij aangeraakt. […]

[Verhoorster]: Vertel daar eens alles over.

[B]: Eh [de verdachte] kwam mij ophalen, thuis. […] Gingen werken. […] Hij had toen onder mijn benen. […] Alleen de benen gepakt. En eh toen ik terug was had eh alleen met [de verdachte] gezeten. […] Had eh onderweg gestopt in een parkeerplaats. […] En die had mijn eh borsten gepakt en mijn kont. [….] Een paar keer gebeurd.

[Verhoorster]: Een paar keer gebeurd. En toen? Verder?

[B]: Toen moest ik eh speelgoed eh je weet wel zo’n eh tril eh trillend speelgoed. […] En moest ik eh piemel eh moest ik eh zijn piemel kussen, als lolly gebruiken. Die, die erin ja. […]

[Verhoorster]: Waar is het dan gebeurd?

[B]: In, Karwei, achter de parkeerplaats.

[Verhoorster]: Achter de Karwei. Ja en hoe was jij dan bij de Karwei?

[B]: [de verdachte] met de auto.

[Verhoorster]: Met de auto. Hm hm. En eh is ‘t, jij zegt van, het is bij de Karwei gebeurd, in de auto. Is het ook op andere plaatsen gebeurd?

[B]: Bij eh die fietscross waar eh die fietsen allemaal weg fietsen in Veghel. […] Bij de brug en dan eh fie eh waar die vrachtwagens allemaal zit. […]

[Verhoorster]: En hoe was jij daar?

[B]: Met de auto. […]

[Verhoorster]: Wanneer is dat gebeurd?

[B]: Toen […] [D] naar Haren moest. […] En toen moest iemand mij ophalen. […] En dat was [de verdachte]. […]

[Verhoorster]: Jij zei op een gegeven moment ook van, nou er was ook eh speelgoed bij. En eh welke keer was dan het speelgoed d’r bij?

[B]: Ja, de laatste keer.

[Verhoorster]: Was dat […] bij de Karwei achter of was dat […] bij de fietsers?

[B]: Karwei. […]

[Verhoorster]: Bij de Karwei achter. Zullen we het daar dan eerst over hebben? ([B] knikt ja). Ehm want jij had het daar straks.

[B]: Had, had ook een handdoek bij. […] Moest ik eh die speelgoed […] die had eh vieze spullen bij. […] Moest ik handdoek pakken. Doet [de verdachte] schoonmaken. […]

[Verhoorster]:En eh je had het ook nog een keer over bij die fietsers en die vrachtauto’s.

[B]: Moet ik achter de vrachtwagen, achter de vrachtwagen moest ik eh zijn rits, broek, knopen open maken, moest ik da de rits open maken, had weer. […]

[Verhoorster]: Was dat een andere dag dan bij de Karwei?

[B]: Dat was een andere dag. […]

[B]: Ja. Dat moest eh je ook zo na eh piemel hand zo vasthouden ([B] heeft haar rechterhand half gesloten voor zich op tafel en maakt een op en neergaande beweging) troep d’r uithalen.

[Verhoorster]: En dat was ook die keer?

[B]: Een andere dag ook weer.

[Verhoorster]: Dat was ook een andere dag. En welke dag weet jij nog het beste?

[B]: Woensdags. […] Toen moest ik eh op mijn buik liggen. […] En toen zag ik eren eh piemel. […] En die moest ik met de hand vasthouden. […] Komt er troep uit.

[Verhoorster]: En toen kwam er troep uit. En dat was de keer, waar je het nu over hebt, dat was de keer in Schijndel.

[B]: Ja. […] We waren vroeg klaar en moesten nog effe wachten. […]

[Verhoorster]: En hoe zijn jullie van het werk weggegaan?

[B]: [de verdachte] in de auto.

[Verhoorster]: [de verdachte] in de auto. Wie waren daar nog meer bij?

[B]: Alleen ik. […]

[Verhoorster]: En hoe ging dat toen [B]? Vertel daar eens alles over.

[B]: Hij pakt een auto. […] En reed eh reed de parkeerplaats op. […] In Schijndel. […] Toen moest ik eh eh kwam de handdoek, moest ik buik liggen, moest ik zijn piemel vasthouden en daar kwam troep uit.

[Verhoorster]: Hm hm. En ehm eh, jij zegt, ik moest op de buik liggen. En waar in de auto moest je op de buik liggen?

[B]: Eh stuur van [de verdachte]. […] Hij had de bank eh stoelen achteruit.

[Verhoorster]: En toen moest jij op je buik op die stoel gaan liggen?

[B]: Ja.

[Verhoorster]: Aan de kant van het stuur?

[B]: Ja.

[Verhoorster]: En toen, hoe ging dat dan verder want hij zegt, jij moet op je buik gaan liggen. […] Wat deed jij toen?

[B]: Ik durfde niks te zeggen. […] Ik durfde die hand eh eh niet die piemel vast houden en hij pakte mijn hand en toen moest ik wel. […]

[Verhoorster]: En wat deed hij met die hand?

[B]: En eh om, om, onder de onderbroek van hem. […] Hij zei, pak maar vast. […] En toen moest ik weer vasthouden toen kwam pie, piemel troep uit.

[Verhoorster]: Hoe weet je dat d’r troep uitkwam?

[B]: Omdat er allemaal witte eh witte plas allemaal. […] Ja, op mijn hand, helemaal vol.

[Verhoorster]: Toen was je, op je hand was het gekomen? ([B] knikt) en hoe voelde dat op je hand?

[B]: Vies.

[Verhoorster]: Vies. En jij zegt, het was een beetje witte plas?

[B]: Ja, een beetje witte spul. […]

[B]: En toen kreeg ik eh, toen [de verdachte] werkt, kreeg ik eh sms’en, toen zei [de verdachte], kom je naar [naam van winkel], ik wil jou effe zien. Dus ik ging daar heen. Ik zei, waarom moet ik daar heen, zei ik. Ik wil je effe zien. Dus ik zei, het is keidruk bij [naam van lunchroom]. Dus ik zeg, ik ga weer terug. Hij pakt mijn arm en hij pakt hier mijn buik. […] Onder de borsten. […]

[Verhoorster]: Ja. Hij pakte jouw hand en hij pakte jou onder je borsten vast. Hoe deed hij dat dan?

[B]: Ik loop weg. […] En hij pakt mijn arm. […] Hij wou vast houden.

[Verhoorster]: Hij wou jou vat houden. En hoe pakte hij jou onder je borsten vast?

[B]: Zo ([B] slaat beide armen om haar bovenlijf onder haar borsten. […] Ja. Was ook met twee armen.

[Verhoorster]: Ja. En ehm je hebt het er ook over gehad ehm dat hij zei dat het een lolly was en dat er troep uitkwam. […]

[B]: Dat was […] donderdags.

[Verhoorster]: Dat was donderdags. En, vertel daar eens alles over. Hoe ging dat?

[B]: Hij pakte broek open, [de verdachte] zelf. […] Open gemaakt, moest ik m’n mond, mond in doen.

[Verhoorster]: En waar waren jullie dan?

[B]: In eh parkeerplaats. […] Karwei.

[Verhoorster]: Bij Karwei. Hoe vaak ben je daar geweest?

[B]: Paar keer, ik weet niet. […]

[Verhoorster]: Hoe wist je dat je dat in de mond moest stoppen?

[B]: Heeft [de verdachte] tegen mij gezegd.

[Verhoorster]: Wat zei die dan?

[B]: Wil je alsjeblieft in mond laten doen als een lolly. […] Hij mijn hoofd ([B] knikt naar voren met haar hoofd) neer gelegd heb.

[Verhoorster]: Hoe deed die dat dan je hoofd neerleggen?

[B]: Op mijn buik, ik moest op mijn buik liggen en hij duwde hoofd naar ([B] buigt haar hoofd en maakt een beweging met haar rechterhand) naar piemel met hand. […]

[Verhoorster]: En toen was de piemel in jouw mond? ([B] knikt) […]

[Verhoorster]: En ehm toen was de piemel in jouw mond, en wat moest jij toen doen?

[B]: Likken.

[Verhoorster]: Likken. En hoe wist je dat, dat je moest likken?

[B]: Dat heeft hij tegen mij gezegd. […]

[Verhoorster]: Wat zei die dan tegen je?

[B]: Is lekker, ’t lijkt alsof het een lolly is.”

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De hiervoor genoemde feiten en omstandigheden worden door het hof slechts tot bewijs gebruikt voor dat ten laste gelegde feit of die ten laste gelegde feiten waarop het blijkens de inhoud betrekking heeft.

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte van het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de verdachte niet in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg werkzaam was en dat de handelingen bovendien met instemming van [B] zijn verricht en zodoende niet als ontucht kunnen worden aangemerkt.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Vooropgesteld wordt dat met het bepaalde in artikel 249, tweede lid, aanhef en onder 3°, van het Wetboek van Strafrecht is beoogd strafrechtelijke bescherming te bieden tegen een seksuele benadering van de zijde van hulpverleners in de gezondheidszorg en de maatschappelijke zorg. De bepaling beschermt de patiënt of cliënt onder meer tegen misbruik van het psychisch overwicht dat de hulpverlener op hem heeft of van de afhankelijke positie van de patiënt of cliënt dan wel van het vertrouwen dat hij van hem heeft gewonnen (vgl. HR 2 februari 2003, LJN AJ1188; HR 22 maart 2011, LJN BP2630).

Voor zover de raadsman de stelling heeft ingenomen dat de verdachte niet in de maatschappelijke zorg werkzaam was, wordt deze weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen. Daaruit blijkt immers dat de verdachte niet alleen als kok in de lunchroom ‘[naam van lunchroom]’ fungeerde, maar tevens was aangesteld als werkbegeleider voor de ‘[naam van stichting 1]’. De verdachte wist ook dat de medewerkers die een beperking hadden en in de lunchroom werkzaam waren, zich daarvoor bij de stichting hadden aangemeld. De verdachte was dan ook feitelijk in de maatschappelijke zorg werkzaam.

Voor zover de raadsman wellicht heeft bedoeld te bepleiten dat [B] zich niet als patiënt of cliënt aan de hulp of zorg van de verdachte heeft toevertrouwd, overweegt het hof als volgt. [B] was via de ‘[naam van stichting 1]’ werkzaam bij de lunchroom ‘[naam van lunchroom]’. In zoverre kan zij worden beschouwd als cliënt van een stichting die actief is in de maatschappelijke zorg. Daarmee heeft zij zich niet alleen aan de hulp en zorg van [F] (directeur van de stichting en eigenaresse van de lunchroom) toevertrouwd, maar ook aan de hulp en zorg van de verdachte en de overige personeelsleden. De verdachte fungeerde als kok, later ook als chauffeur van [B], maar was bovenal in functie als werkbegeleider. Op hem rustte daarom naar het oordeel van het hof een afgeleide zorgplicht ten aanzien van de medewerkers met een verstandelijke beperking.

Dat seksuele handelingen mogelijk de instemming hadden van [B], rechtvaardigt nog niet de conclusie dat de handelingen niet ontuchtig zijn. Uit bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat het uitgangspunt moet zijn dat wanneer een relatie in vorenbedoelde zin bestaat, slechts dan bij wijze van uitzondering geen sprake is van ‘ontucht plegen’ indien die relatie bij de seksuele handelingen geen rol speelt, in die zin dat bij de patiënt of cliënt sprake is van vrijwilligheid en daarbij enige vorm van afhankelijkheid, zoals die in de regel bij een dergelijke functionele relatie in meerdere of mindere mate bestaat, niet van invloed is geweest (vgl. HR 18 februari 1997, NJ 1997, 485; HR 22 maart 2011, LJN BP2630).

Een dergelijk geval doet zich hier niet voor. Uit de bewijsmiddelen volgt onmiskenbaar dat [B] afhankelijk was van de verdachte: hij was degene die haar naar het werk bracht en na afloop van het werk thuisbracht. De (geheime) relatie die zij onderhielden, werd bovendien tijdens die ritten op het fysieke vlak in praktijk gebracht. De verdachte heeft daarmee ook misbruik gemaakt van het overwicht dat hij op [B] had. Onder deze omstandigheden zijn de seksuele handelingen van de verdachte naar het oordeel van het hof in strijd met de sociaal-ethische norm op dit terrein. Mitsdien zijn de handelingen ontuchtig van aard. Het opzet van de verdachte was daarop ook gericht, minst genomen in voorwaardelijke zin. De verdachte was er immers van op de hoogte dat [B] een verstandelijke beperking had en dat het arbeidstechnisch consequenties zou hebben als zijn handelingen aan het licht zouden komen. Het ontuchtig karakter van de handelingen heeft hij derhalve willens en wetens voor lief genomen.

Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.

Bewezenverklaring

Op grond van de hiervoor vermelde redengevende feiten en omstandigheden en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op tijdstippen in de periode 1 januari 2010 tot en met 28 februari 2010 te Veghel en/of Schijndel en/of elders in Nederland,

terwijl hij werkzaam was in de maatschappelijke zorg (te weten als kok/leermeester/ werkbegeleider/chauffeur bij de [naam van stichting 1] en/of [naam van lunchroom],

ontucht heeft gepleegd met iemand die zich als cliënt aan zijn hulp of zorg had toevertrouwd, te weten [B],

hebbende hij, verdachte, ontuchtige handelingen gepleegd die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [B], te weten het duwen/brengen van zijn vingers in de vagina van die [B] en het brengen van zijn penis in de mond van die [B] en het brengen van zijn tong in de mond van die [B];

2.

hij op tijdstippen in de periode 1 januari 2010 tot en met 28 februari 2010 te Veghel en/of Schijndel en/of elders in Nederland,

terwijl hij werkzaam was in de maatschappelijke zorg (te weten als kok/leermeester/ werkbegeleider/chauffeur bij de [naam van stichting 1] en/of [naam van lunchroom],

ontucht heeft gepleegd met iemand die zich als cliënt aan zijn hulp of zorg had toevertrouwd, te weten [B],

bestaande die ontuchtige handelingen uit:

- het betasten van de al dan niet ontblote borsten en/of vagina van die [B] en

- het doen/laten vasthouden van en likken aan/over zijn, verdachtes, penis door die [B] en

- het aftrekken van zichzelf in aanwezigheid van die [B].

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 en 2 bewezen verklaarde is telkens voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 249, tweede lid, aanhef en onder 3°, van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd, zoals hierna in de beslissing zal worden vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte zich meermalen schuldig heeft gemaakt aan het ontucht plegen met een cliënt die aan zijn (maatschappelijke) zorg was toevertrouwd.

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk. Aan die veroordeling ligt echter de bewezenverklaring van ernstiger feiten ten grondslag.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ook voor een mindere bewezenverklaring, zoals thans het geval is, zou moeten worden veroordeeld tot de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf.

De raadsman heeft in subsidiaire zin bepleit dat aan de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal worden opgelegd en heeft het hof in overweging gegeven om hooguit een forse taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Hij heeft daartoe gewezen op de omstandigheden dat de verdachte sinds november 2011 onder financieel bewind staat en dat hij vanwege dit gebeuren zowel zijn baan bij de [naam van stichting 1] als zijn daaropvolgende baan heeft verloren.

Het hof overweegt als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof neemt ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde in het bijzonder in aanmerking dat de verdachte een verstandelijk beperkte vrouw seksueel heeft misbruikt, terwijl zij aan zijn hulp of zorg was toevertrouwd. Dat misbruik heeft - in een periode van 2 maanden - meerdere keren plaatsgevonden en mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam van de vrouw. Evenals de rechtbank rekent het hof de verdachte aan dat hij er bij het slachtoffer op aandrong dat hun (seksuele) relatie geheim moest blijven, omdat hij anders zijn baan zou kwijtraken. Daarmee vergrootte hij de druk op het slachtoffer en verkleinde hij de kans dat het misbruik aan het licht zou komen.

Dat de verdachte door het bewezen verklaarde zonder werk is komen te zitten en onder financieel bewind staat, werkt naar het oordeel van het hof niet strafverminderend. Die gevolgen heeft de verdachte volledig aan zichzelf te danken. Wel van invloed op de strafmaat is dat niet is komen vast te staan dat het slachtoffer wilsonbekwaam was. Het hof kan de advocaat-generaal niet volgen in haar standpunt dat die omstandigheid voor de op te leggen straf niet van belang is, nu dat bij uitstek de kwetsbaarheid van een slachtoffer markeert. Het bewezen verklaarde is ernstig, maar niet één op één inwisselbaar voor de door de rechtbank bewezen verklaarde feiten. Juist in het gebrek aan bewijs voor de wilsonbekwaamheid van het slachtoffer ziet het hof aanleiding om aan de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Naar het oordeel van het hof komt de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking in de oplegging van een werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen.

Alles afwegende, acht het hof in het onderhavige geval een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de hierna te bepalen duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [B]

De benadeelde partij [B] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, die strekte tot schadevergoeding van een bedrag van € 3.245,75 te vermeerderen met de wettelijke rente. Bij het vonnis waarvan beroep is de vordering volledig toegewezen. Het hof beslist anders. Voor het hof is onvoldoende duidelijk geworden in hoeverre het bewezen verklaarde handelen van de verdachte schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. Een verdere behandeling van haar vordering zou naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Daarom kan de benadeelde partij niet in haar vordering worden ontvangen en haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 249 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart dat het onder 1 en 2 bewezen verklaarde telkens als volgt wordt gekwalificeerd:

Werkzaam in de maatschappelijke zorg, ontucht plegen met iemand die zich als cliënt aan zijn hulp of zorg heeft toevertrouwd, meermalen gepleegd.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf in mindering zal worden gebracht, naar de maatstaf van 2 (twee) uren werkstraf per dag.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) weken.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op de grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Verklaart de benadeelde partij [B] in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Aldus gewezen door

mr. J. Huurman-van Asten, voorzitter,

mr. J.M. Reijntjes en mr. R.M. Peters, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.P. Verhaegh, griffier,

en op 9 augustus 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. R.M. Peters is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.