Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BX3834

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-08-2012
Datum publicatie
08-08-2012
Zaaknummer
20-004483-10
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:2954, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beleggingsfraude door vermogensbeheerder en advocaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 20-004483-10

Uitspraak: 7 augustus 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof te

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 22 november 2010 in de strafzaak met parketnummer 01-889001-07 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1949],

wonende te [woonplaats], [adres],

waarbij de verdachte ter zake van:

- feit 1: deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, terwijl hij leider is van die organisatie;

- feit 2: medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd;

- feit 3: in een geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert, mondeling, persoonlijk, opzettelijk een valse verklaring onder ede afleggen;

- feit 4: medeplegen van: van het plegen van witwassen een gewoonte maken;

- feit 5: medeplegen van bedrieglijke bankbreuk;

- feit 6: medeplegen van een poging tot oplichting;

- feit 7: handelen in strijd met artikel 26, lid 1, van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, en handelen in strijd met artikel 26, lid 1, van de Wet wapen en munitie;

- feit 8: medeplegen van oplichting en medeplegen van poging tot oplichting;

werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren en 9 maanden, met aftrek van voorarrest, met toewijzing van de vorderingen van benadeelde partijen, zoals in het vonnis nader omschreven, en met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren hetgeen aan de verdachte onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 is ten laste gelegd en hem daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren en 9 maanden, met aftrek van voorarrest, en ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen te beslissen conform de rechter in eerste aanleg.

De verdediging heeft:

- primair - ten aanzien van het onder 2A en onder 2F ten laste gelegde - bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vervolging, subsidiair dat verdachte zal worden vrijgesproken van deze feiten;

- bepleit dat verdachte niet zal worden veroordeeld terzake van het overige ten laste gelegde;

- subsidiair bepleit dat ten aanzien van de op te leggen straf toepassing zal worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht;

- bepleit dat de vorderingen van de benadeelde partijen zullen worden afgewezen, subsidiair dat de benadeelde partijen daarin niet-ontvankelijk zullen worden verklaard.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

De rechtbank heeft in haar vonnis aandacht besteed aan de geldigheid van de dagvaarding en ten aanzien van enkele onderdelen overwogen dat zij die nietig zou verklaren. Tot een expliciete nietigverklaring is de rechtbank echter niet gekomen. Alleen ten aanzien van de in de tenlastelegging onder 1 opgenomen verwijzing naar de Wet toezicht effectenverkeer 1995 heeft de rechtbank de nietigheid uitgesproken bij eindvonnis. Het hof heeft al deze onderdelen mede ten grondslag gelegd aan zijn onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 1998 tot en met 7 januari 2008, te Venlo en/of in het arrondissement 's-Hertogenbosch, in elk geval in Nederland en/of in China en/of Hong Kong en/of België en/of Luxemburg en/of Zwitserland en/of Groot-Brittannië, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke bestond uit een samenwerkingsverband van een of meer natuurlijke perso(o)n(en), te weten [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en een of meer andere natuurlijke perso(o)n(en) en/of een of meer rechtsperso(o)n(en), te weten [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] en/of [project 8] en/of [bedrijf 5] en/of [bedrijf 6] en/of een of meer andere rechtsperso(o)n(en) en hem, verdachte,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk onder andere het overtreden van artikel 326 Wetboek van Strafrecht (oplichting) en/of artikel 225 Wetboek van Strafrecht (valsheid in geschrift) en/of artikel 420ter/bis Wetboek van Strafrecht ((gewoonte)witwassen) en/of de artikelen 3, eerste lid, 7, zevende lid, 11, eerste lid en artikelen 24 en 24a, eerste lid van de Wet toezicht effectenverkeer 1995,

hebbende die organisatie (onder meer) (telkens) (potentiële) beleggers en/of investeerders (onder anderen [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] en/of [betrokkene 5] en/of [betrokkene 6] en/of [betrokkene 7] en/of [betrokkene 8] en/of [betrokkene 9] en/of [betrokkene 10] en/of [betrokkene 11] en/of [betrokkene 12] en/of [betrokkene 13] en/of [betrokkene 14] en/of [betrokkene 15] en/of [betrokkene 16] en/of [betrokkene 17] en/of [betrokkene 18] en/of [betrokkene 19] en/of [betrokkene 21] en/of [betrokkene 22] en/of [betrokkene 23] en/of [betrokkene 24] en/of [betrokkene 25] en/of [betrokkene 26] en/of [betrokkene 27] en/of [betrokkene 28] en/of [betrokkene 29] en/of [betrokkene 30] en/of [betrokkene 31] en/of [betrokkene 32] en/of [betrokkene 33] en/of [betrokkene 34] en/of [betrokkene 35] en/of [betrokkene 36]) (telkens) mondeling en/of schriftelijk (middels brochures en/of prospectussen en/of (nieuws)brieven en/of jaarrekeningen)

- (telkens) valselijk voorzien van onjuiste en/of onvolledige (financiële) informatie over aangeboden beleggingsprojecten/investeringsprojecten en/of

- (telkens) essentiële informatie over aangeboden beleggingsprojecten/investeringsprojecten achtergehouden en/of

- (telkens) in strijd met de waarheid de (financiële) situatie van aangeboden beleggingsprojecten/investeringsprojecten rooskleuriger voorgesteld dan deze in werkelijkheid was en/of

- (telkens) nagelaten te vermelden dat één of meer leden van die criminele organisatie (al dan niet middels (een) Nederlandse en/of buitenlandse vennootschap(pen)) (een) (financië(e)l(e)) belang(en) en/of (feitelijke) zeggenschap had(den) in één of meer aangeboden beleggingsproject(en)/ investeringsproject(en) en/of

- (telkens) de risico's die verbonden waren aan één of meer aangeboden beleggingsproject(en)/investeringsproject(en) gebagatelliseerd, althans een onjuiste voorstelling van zaken gegeven met betrekking tot de risico’s die verbonden waren aan één of meer aangeboden beleggingsproject(en)/ investeringsproject(en) en/of

- (telkens) misbruik gemaakt van het bij die (potentiële) beleggers, althans investeerders, opgewekte vertrouwen in verschillende tot die criminele organisatie behorende natuurlijke personen en/of in het ambt dat door verschillende tot die criminele organisatie behorende natuurlijke personen (al dan niet beweerdelijk) werd bekleed en/of

- (telkens) niet gewezen op de juridische en/of financiële consequenties en/of risico's van het omzetten van eerder ten behoeve van investeringsproject(en) en/of beleggingsproject(en) aangegane geldleningen in aandelen en/of certificaten en/of andersoortig risicodragende deelnemingen in die beleggingsproject(en)/investeringsproject(en)

en aldus (telkens) door listige kunstgrepen en/of samenweefsel(s) van verdichtsels en/of valsheid in geschrift die beleggers en/of investeerders, bewogen tot:

afgifte van geld ten behoeve van onder meer de navolgende beleggingsprojecten/

investeringsprojecten:

- [project 1]/[project 2]./[project 3] ([project 2])

en/of

- [project 4A] ([bedrijf 10])/[project 4B] en/of

- [project 5][project 5A] (en dochter ondernemingen [project 5][project 5B] en [project 5][project 5C]) en/of

- [bedrijf 12] en/of

- [project 7] en/of

- [project 8]

en/of omzetting van door die beleggers en/of investeerders, ten behoeve van een of meer genoemde beleggingsprojecten/investeringsprojecten aangegane geldleenovereenkomsten in aandelen en/of certificaten en/of andersoortige risicodragende deelnemingen in die beleggingsprojecten/ investeringsprojecten,

zulks terwijl hij, verdachte, oprichter en/of leider en/of bestuurder van voormelde organisatie was.

2.

hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 1998 tot en met

7 januari 2008, te Venlo en/of in het arrondissement 's-Hertogenbosch, in elk geval in Nederland en/of in China en/of Hong Kong en/of België en/of Luxemburg en/of Zwitserland en/of Groot-Brittannië, tezamen in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

A.

(op tijdstippen in de periode tussen 1 januari 1998 tot en met 1 april 2005) [betrokkene 7] en/of [betrokkene 37] en/of [betrokkene 8] en/of [betrokkene 9] en/of [betrokkene 10] en/of ander(en) heeft bewogen tot de afgifte van een of meer geldbedragen, in elk geval van enig goed, en/of tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld, hebbende hij, verdachte, en/of (een van) zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- nagelaten te vermelden dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (financiële) belangen hadden in [project 1] en/of [project 2] en/of

- een onjuiste voorstelling van zaken gegeven met betrekking tot de risico's die verbonden waren aan het verstrekken van een lening aan en/of het kopen van een aandelenbelang en/of het omzetten van een eerder verstrekte geldlening in een aandelenbelang in (een van) genoemde ondernemingen en/of

- misbruik heeft gemaakt van het bij die (potentiële) beleggers en/of investeerders, opgewekte vertrouwen en/of

- medegedeeld, althans de indruk gewekt dat [project 1] en/of de (rechts)opvolger [project 2] de vrije beschikking zou(den) hebben over een licentieovereenkomst voor onbepaalde tijd voor de productie, distributie en verkoop van kleding voorzien van het [bedrijf 15] logo en/of

- medegedeeld, althans de indruk gewekt dat [project 1], mede dankzij het [bedrijf 15], winst had gemaakt en/of dat (dientengevolge) de investeerders in [project 1] (waaronder al dan niet genoemde personen) hun oorspronkelijke inleg (de door hen verstrekte lening) vermeerderd met een rendement van 25% (bestaande uit 12% rente en 13% winstrecht) hadden ontvangen, althans zouden ontvangen,

en/of

B.

(op tijdstippen in de periode tussen 1 september 2003 tot en met 1 april 2005) [betrokkene 16] en/of [betrokkene 2] [betrokkene 38] en/of [betrokkene 17] en/of [betrokkene 33] heeft bewogen tot de afgifte van een of meer geldbedragen, in elk geval van enig goed, en/of tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld, hebbende hij, verdachte, en/of (een van) zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid medegedeeld, althans de indruk gewekt dat

- het investeringsvoorstel voor het [project 3] afkomstig zou zijn van [getuige 1], werkzaam bij [bedrijf 16], certified public accountants in Hong Kong en/of

- de indruk gewekt dat de risico's van de investering in het [project 3] project gering waren en/of

- met het door genoemde personen in te leggen geld twee merken (en/of het recht op royalty inkomsten van die twee merken), te weten [merk 1] en [merk 2] aangekocht zouden worden en/of

- (na de inleg van gelden) de door genoemde personen ter beschikking gestelde

(ingelegde) gelden (in strijd met de eerder gemaakte afspraak dat die gelden als lening zouden worden verstrekt) waren omgezet in aandelen van de

vennootschap [bedrijf 19] (gevestigd te [vestigingsplaats] en/of

- (na de inleg van gelden) er royalty inkomsten (van de merken [merk 1] en [merk 2]) waren ten belope van EUR 188.500,- althans enig geldbedrag,

en/of

C.

(op tijdstippen in de periode tussen 1 maart 2004 tot en met 19 mei 2004) [betrokkene 32] en/of [betrokkene 15] en/of (een) ander(en) heeft bewogen tot de afgifte van een of meer geldbedrag(en), in elk geval van enig goed, en/of tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld, hebbende hij, verdachte, en/of (een van) zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijken/of in strijd met de waarheid

- nagelaten te vermelden dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (financiële) belangen hadden in [bedrijf 17] en/of

- misbruik gemaakt van het bij die (potentiële) beleggers en/of investeerders, opgewekte vertrouwen en/of

- medegedeeld, althans de indruk gewekt dat de door genoemde personen ter beschikking gestelde gelden (geldleningen) zouden worden geïnvesteerd in [project 7],

en/of

D.

(op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 1 maart 2002 tot en met 6 augustus 2004) [betrokkene 31] en/of [betrokkene 39] en/of [betrokkene 33] en/of (een) ander(en) heeft bewogen tot de afgifte van een of meer geldbedrag(en), in elk geval van enig goed, en/of tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld, hebbende hij, verdachte, en/of (een van)zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- nagelaten te vermelden dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (financiële) belangen hadden in [bedrijf 12] en/of [bedrijf 18] en/of

- een onjuiste voorstelling van zaken gegeven met betrekking tot de risico's die verbonden waren aan het verstrekken van een lening aan en/of het kopen van een aandelenbelang en/of het omzetten van een eerder verstrekte geldlening in een aandelenbelang in (een van) genoemde onderneming(en) en/of

- misbruik gemaakt van het bij deze/die (potentiële) belegger(s) en/of investeerder(s), opgewekte vertrouwen en/of

- deze/die (potentiële) belegger(s) en/of investeerder(s) medegedeeld, althans bij deze/die (potentiële) beleggers en/of investeerders de indruk gewekt dat:

* er geen of nauwelijks risico's verbonden waren aan het kopen van een aandelenbelang in en/of verstrekken van een lening aan [bedrijf 12] en/of

* een accountant ([medeverdachte 4]) als directeur van [bedrijf 12] was aangesteld en/of

* (mede door de aanstelling van die/een accountant en/of de installatie van een multidisciplinair begeleidingsteam) het financiële management van en/of de financiële controle op [bedrijf 12] gegarandeerd was en/of

* [bedrijf 12] in bezit is van 11 volledig uitgewerkte screenplays en/of

* twee screenplays ([screenplay 1] en/of [screenplay 2] en/of (een) ander(e) screenplay(s) in bezit/eigendom van [bedrijf 12]) in 2004 in productie zouden gaan en/of

* [bedrijf 12] in bezit was van 70 opties op screenplays en/of opties op titels waarvan [getuige 3] de copyrights zou bezitten en/of

* de bestaande en nieuwe auteursrechten van [getuige 3] in bezit/eigendom waren van [bedrijf 12]

E.

(op tijdstippen in de periode tussen 3 september 2003 en 1 juli 2005) [betrokkene 33] en/of [betrokkene 18] en/of [betrokkene 21] heeft bewogen tot de afgifte van een of meer geldbedrag(en) van (steeds) EUR 250.000,- , in elk geval van enig goed, en/of tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld, hebbende hij, verdachte, en/of (een van) zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- medegedeeld dat er geen of nauwelijks risico's verbonden waren aan het kopen van een aandelenbelang in [project 8] (en mooie rendementen in het vooruitzicht gesteld) en/of

- misbruik gemaakt van het bij die (potentiële) beleggers en/of investeerders opgewekte vertrouwen en/of

- toegezegd, althans medegedeeld dat hij (zij) (in ruil voor 88% van de aandelen in [project 8]) zijn (hun) (aandelen)belangen in de ondernemingen "[project 9]", [project 7], [project 2A], [project 2B], zeggenschap [project 2], [project 6], [project 5], [project 4]) hadden ingebracht, althans zouden inbrengen en/of

- de door verdachte en zijn medeverdachte(n) in [project 8] in te brengen

(aandelen)belangen in de ondernemingen "[project 9]", [project 7], [project 2A], [project 2B], zeggenschap [project 2], [project 6], [project 5], [project 4]) (veel) te hoog gewaardeerd,

en/of

(op tijdstippen in de periode tussen 1 mei 2005 en 19 september 2005) [betrokkene 36] en/of [betrokkene 22] en/of [betrokkene 23] en/of [betrokkene 34] en/of [betrokkene 25] en/of [betrokkene 26] en/of [betrokkene 24] en/of [betrokkene 27] heeft bewogen tot de afgifte van een of meer geldbedrag(en) (van (steeds) (een veelvoud van) EUR 62.500,-), in elk geval van enig goed, en/of tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld, hebbende hij, verdachte, en/of (een van) zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- medegedeeld dat er geen of nauwelijks risico's verbonden waren aan het kopen van een aandelenbelang in [project 8] (en/of medegedeeld dat de aandelen al 1,5 keer de waarde bezaten van het aankoopbedrag (mooie rendementen in het vooruitzicht gesteld)) en/of

- misbruik gemaakt van het bij die (potentiële) beleggers en/of investeerders opgewekte vertrouwen en/of

- toegezegd, althans medegedeeld dat hij (zij) (in ruil voor 88% van de aandelen in [project 8]) zijn (hun) (aandelen)belangen in de ondernemingen "[project 9]", [project 7], [project 2A], [project 2B], zeggenschap [project 2], [project 6], [project 5], [project 4]) had(den) ingebracht, althans zou(den) inbrengen en/of

- de door hem, verdachte, en zijn medeverdachte(n) in [project 8] in te brengen (aandelen)belangen in de ondernemingen "[project 9]", [project 7], [project 2A]., [project 2B], zeggenschap [project 2], [project 6], [project 5], [project 4]) (veel) te hoog gewaardeerd en/of

- essentiële informatie over de door hem (hen) ingebrachte projecten achtergehouden en/of

- medegedeeld dat de heer [medeverdachte 1] zijn spaargeld in het project [project 8] had gestoken en dat het [project 8] zijn pensioenverzekering was en/of

- medegedeeld dat eerdere aandeelhouders in [project 8] hun aandelen hadden vervreemd, omdat zij acuut geld nodig hadden in verband met bij hen aangetroffen asbest en/of vervuilde grond,

en/of

F.

(op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 1 januari 2000 tot en met 7 januari 2008) [betrokkene 40] en/of [betrokkene 37] en/of [betrokkene 13] en/of [betrokkene 14] en/of (een) ander(en) heeft bewogen tot de afgifte van een of meer geldbedrag(en), in elk geval van enig goed, en/of tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld, hebbende hij, verdachte, en/of (een van) zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven- valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- nagelaten te vermelden dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (financiële) belangen had(den) in [bedrijf 14] en/of [project 4B] en/of [project 1] en/of

- nagelaten te vermelden dat een bedrag van 250.000 pond sterling van het totale aankoopbedrag van de rechten van het intellectuele eigendom van de [bedrijf 20] beschreven als "[systeem]" als commissie zou worden betaald/vergoed/overgedragen (aan: [project 1]. te Hong Kong) en/of

- een onjuiste voorstelling van zaken gegeven met betrekking tot de risico's die verbonden waren aan het verstrekken van een lening aan en/of het kopen van een aandelenbelang en/of het omzetten van een eerder verstrekte geldlening in een aandelenbelang in (een van) genoemde onderneming(en) en/of

- misbruik heeft gemaakt van het bij deze/die (potentiële) belegger(s) en/of investeerder(s), opgewekte vertrouwen en/of

- deze/die (potentiële) belegger(s) en/of investeerder(s) medegedeeld, althans bij deze/die (potentiële) beleggers en/of investeerders de indruk gewekt dat:

* er geen of nauwelijks risico's verbonden waren aan het kopen van een aandelenbelang in en/of verstrekken van een lening aan [project 4A] ([project 4]) en/of [project 4B] en/of

* [bedrijf 3][bedrijf 2] namens [bedrijf 14] en/of [project 4B] een optie op de wereldrechten van het intellectuele eigendom van de [bedrijf 20] (beschreven als "[systeem]") had aangekocht/verworven en/of

* [bedrijf 14] en/of [project 4B] de begunstigde was van de rechten op/het eigendom van de optie op de wereldrechten van het intellectuele eigendom van de [bedrijf 20] (beschreven als "[systeem]") en/of

* de vraagprijs/het aankoopbedrag van de optievergoeding voor de wereldrechten van het intellectuele eigendom van de [bedrijf 20] beschreven als "[systeem]" 750.000 pond sterling bedroeg en/of

* naar verwachting rond maart 2002 de producten van [systeem] gereed zouden zijn en/of dat de producten van [systeem] rond maart 2002 op de wereldmarkt zouden worden gebracht en/of

* [bedrijf 14] en/of [project 4B] een minimale waarde zou hebben van ongeveer 100 miljoen pond sterling,

3.

hij op of omstreeks 24 november 2005 te Roermond ter terechtzitting van de civiele rechter als getuige in de zaak tegen de verweerder [bedrijf 21], nadat hij, verdachte, in handen van de civiele rechter op de bij de wet voorgeschreven wijze de belofte had afgelegd de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen, in elk geval in een geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede/belofte vordert en/of daaraan rechtsgevolgen verbindt, mondeling, persoonlijk, opzettelijk valselijk, geheel of ten dele in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - heeft verklaard

- dat hij, verdachte, de optie-overeenkomst niet heeft opgesteld en/of

- dat hij, verdachte, zich in materiële zin nooit heeft bemoeid met de hoogte van de optie-fee en/of

- dat hij, verdachte, nooit heeft gevraagd om de optie-fee met 250.000 pond te verhogen en/of

- dat de Hong Kong vennootschap [project 1] hem, verdachte, onbekend was en/of

- dat hij, verdachte, er niet van op de hoogte was dat [bedrijf 3] gevraagd heeft de optie-fee van 250.000 pond over te maken naar [project 1].

4.

hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2003 tot en met 1 juni 2004, te Venlo en/of in het arrondissement 's-Hertogenbosch, en/of elders in Nederland en/of op een of meer plaatsen in China en/of Hong Kong en/of Zwitserland en/of België en/of Luxemburg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) (een) geldbedrag(en), te weten

- van [betrokkene 18] een geldbedrag van ongeveer EUR 213.000,-, althans van ongeveer EUR 128.000, althans dat gedeelte van ongeveer EUR 213.000,-, althans ongeveer EUR 128.000,-, dat als belasting had moeten worden afgedragen, in elk geval een aanmerkelijk geldbedrag en/of

- van [betrokkene 41] een geldbedrag van ongeveer EUR 119.650,-, althans van ongeveer EUR 84.650,-, althans dat gedeelte van ongeveer EUR 119.650,-, althans ongeveer EUR 84.650,-, dat als belasting had moeten worden afgedragen, in elk geval een aanmerkelijk geldbedrag en/of

- van [betrokkene 42] een geldbedrag van ongeveer EUR 311.745,-, althans van ongeveer EUR 281.745,-, althans dat gedeelte van ongeveer EUR 311.745,-, althans ongeveer EUR 281.745,-, dat als belasting had moeten worden afgedragen, in elk geval een aanmerkelijk geldbedrag en/of

- van [betrokkene 43] een geldbedrag van ongeveer EUR 130.605,-, althans van ongeveer EUR 115.605,-, althans dat gedeelte van ongeveer EUR 130.605,-, althans ongeveer EUR 115.605,-, dat als belasting had moeten worden afgedragen, in elk geval een aanmerkelijk geldbedrag en/of

- van [betrokkene 44] een geldbedrag van ongeveer EUR 275.000,-, althans van ongeveer EUR 195.000,-, althans dat gedeelte van ongeveer EUR 275.000,-, althans ongeveer EUR 195.000,-, dat als belasting had moeten worden afgedragen, in elk geval een aanmerkelijk geldbedrag en/of

- van [betrokkene 45] een geldbedrag van ongeveer EUR 540.000,-, althans dat gedeelte van ongeveer EUR 540.000,- dat als belasting had moeten worden afgedragen, in elk geval een aanmerkelijk geldbedrag en/of

- van [betrokkene 11] een geldbedrag van ongeveer EUR 30.000,-, althans van ongeveer EUR 17.500,-, althans dat gedeelte van ongeveer EUR 30.000,-, althans ongeveer EUR 17.500,-, dat als belasting had moeten worden afgedragen, in elk geval een aanmerkelijk geldbedrag,

heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van die geldbedrag(en), (telkens) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) dat bovenomschreven geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) van het plegen van dat/die strafbare feit(en) een gewoonte heeft/hebben gemaakt.

5.

hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 25 januari 2006 tot en met 7 januari 2008 te Ede en/of elders in Nederland en/of in België en/of Duitsland en/of Hong Kong en/of China, tezamen en in vereniging met een ander, te weten [medeverdachte 1], en/of (een) ander(en), althans alleen, terwijl

- die [medeverdachte 1], bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Arnhem van 5 april 2006, in staat van faillissement was verklaard, en/of

- de onderneming(en) [bedrijf 3] en/of [bedrijf 1], van welke onderneming(en) die [medeverdachte 1] bestuurder en/of aandeelhouder was, bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Roermond van 25 januari 2006, in staat van faillissement was/waren verklaard,

ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeiser(s) van die [medeverdachte 1] en/of de schuldeiser(s) van genoemde onderneming(en), (een) bate(n) niet heeft verantwoord en/of enig(e) goed(eren) aan de boedel heeft onttrokken, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of die [medeverdachte 1] en/of (een) ander(en), (telkens) inkomsten en/of geldbedragen en/of overige vermogensbestanddelen ontvangen en/of in bezit gehad en/of overgedragen zonder de curator daarvan in kennis te stellen, te weten (onder meer) in of omstreeks de maand maart 2007 een geldbedrag van ongeveer EUR 30.000,-.

6.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 29 juni 2004 tot en met 1 februari 2005 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, verzekeringsmaatschappij [bedrijf 25] of [bedrijf 22] te bewegen tot de afgifte van een geldbedrag van EUR 1.050.000,- (éénmiljoenvijftigduizend euro), in elk geval van enig geldbedrag, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid (ter onderbouwing van een (verzekerings)claim) onder meer (telkens)

- bij genoemde verzekeringsmaatschappij melding gemaakt dat twee verzekerde directeuren van [bedrijf 3] waren beroofd en/of daarbij een beroep gedaan op de aansprakelijkheidsverzekering van [bedrijf 3] voornoemd bij genoemde verzekeringsmaatschappij en/of

- aan genoemde verzekeringsmaatschappij medegedeeld dat voormelde directeuren, te weten [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 5], betrokken waren geweest bij een wisseltransactie in Brussel en dat zij ná die wisseltransactie waren beroofd van 1.500.000 USD en/of dat die wisseltransactie was bedoeld om valutawinst te behalen voor cliënten van [bedrijf 3] en/of dat [medeverdachte 1] voornoemd al jaren dergelijke transacties deed en/of

- aan genoemde verzekeringsmaatschappij (valse) correspondentie en/of (valse) documenten verstrekt betreffende investeringen in China, die vijf, in elk geval een aantal, cliënten van [bedrijf 3] via een accountant in China zouden hebben gedaan en/of

- aan genoemde verzekeringsmaatschappij vijf, in elk geval een aantal, aansprakelijkheidsverklaringen van voormelde cliënten van [bedrijf 3] voornoemd die investeringen in China hadden gedaan, verstrekt en/of

- een (vals) bankafschrift van de [bank 1] en/of een bankafschrift van de [bank 2], althans (een) kopie van die/dat bankafschrift(en), ter bevestiging van de contante opname in China van voormeld geclaimd geldbedrag, verstrekt aan genoemde verzekeringsmaatschappij en/of

- aan genoemde verzekeringsmaatschappij medegedeeld dat voormeld geroofd geld volkomen (zogeheten) 'wit' geld betrof,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

7.

hij op of omstreeks 7 januari 2008 te Braamt, gemeente Montforland, een wapen van categorie III, te weten een pistool (merk FN Fabrique Nationale D'armes de Guerre Herstal, model 1910, kaliber 7.65 mm), en/of munitie van categorie III, te weten 47 stuks kogelpatronen (merk Geco, kaliber 7.65 mm) en/of 16 kogelpatronen (merk Winchester, kaliber .22), voorhanden heeft gehad.

8A.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2007 tot en met 7 januari 2008 te Braamt, althans in Nederland en/of Hoboken en/of elders in België en/of te Hong Kong en/of in China tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, een of meer (potentiële) belegger(s) en/of investeerder(s) (te weten [betrokkene 46] en/of [betrokkene 47]) heeft bewogen tot de afgifte van een of meer geldbedragen, in elk geval van enig goed, hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid die (potentiële) beleggers, althans investeerders, (telkens) mondeling en/of schriftelijk (middels brochures en/of prospectussen en/of (nieuws)brieven) valselijk voorzien van onjuiste en/of onvolledige (financiële) informatie en/of in strijd met de waarheid de (financiële) situatie van het aangeboden beleggingsproject [project 10] rooskleurig(er) voorgesteld dan deze in werkelijkheid was en/of een onjuiste voorstelling van zaken gegeven met betrekking tot het ontwikkelingsstadium van dat aangeboden beleggingsproject en/of misbruik gemaakt van het bij die (potentiële) beleggers en/of investeerders, opgewekte vertrouwen en/of (mondeling en/of schriftelijk) medegedeeld dat

- er door [bedrijf 27][project 10] (ten behoeve van het genereren van biogas) met 7 zogenaamde landfills (vuilnisbelten) optie-overeenkomsten waren afgesloten en/of dat men met 4 landfills in een vergevorderd stadium van onderhandeling was en/of

- [bedrijf 27][project 10] de beschikking zou hebben, dan wel zeer binnenkort zou krijgen over zogenaamde CER's (Certified Emission Reductions) en/of dat deze CER's vrij verhandelbaar zouden zijn en/of dat (de door [bedrijf 27][project 10] te verwerven) CER's een waarde zouden vertegenwoordigen die een veelvoud was van de aanschafprijs en/of

- er (in de vorm van CER's) door [bedrijf 27][project 10] binnen een jaar inkomsten gegenereerd zouden worden en/of

- [bedrijf 23] in Duitsland zich bereid zou hebben verklaard om alle gematureerde projecten te financieren tot een maximum van EUR 40 (hetgeen zou duiden op een totale investering van ongeveer EUR 80) miljoen en/of

- een belegger en/of investeerder in ruil voor ingelegd vermogen aandelen in de onderneming [bedrijf 27][project 10] zou verwerven,

en/of

8B.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2007 tot en met 7 januari 2008 te Braamt, althans in Nederland en/of Hoboken en/of elders in België en/of te Hong Kong en/of in China ter uitvoering van het door hem, verdachte, en/of zijn mededaders voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [betrokkene 48] te bewegen tot afgifte van een geldbedrag van EUR 2.500.000,-, althans enig geldbedrag, in elk geval van enig goed, tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid die [betrokkene 48] mondeling en/of schriftelijk (middels brochures en/of prospectussen en/of (nieuws)brieven) valselijk heeft voorzien van onjuiste en/of onvolledige (financiële) informatie en/of in strijd met de waarheid de (financiële) situatie van het aangeboden beleggingsproject [project 10] rooskleurig(er) heeft voorgesteld dan deze in werkelijkheid was en/of een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven met betrekking tot het ontwikkelingsstadium van dat aangeboden beleggingsproject en/of misbruik gemaakt heeft van het bij die [betrokkene 48], opgewekte vertrouwen en/of mondeling en/of schriftelijk medegedeeld dat

- er door [bedrijf 27][project 10] (ten behoeve van het genereren van biogas) met 7 zogenaamde landfills (vuilnisbelten) optie-overeenkomsten waren afgesloten en/of dat men met 4 landfills in een vergevorderd stadium van onderhandeling was en/of

- [bedrijf 27][project 10] de beschikking zou hebben, dan wel zeer binnenkort zou krijgen over zogenaamde CER's (Certified Emission Reductions) en/of dat deze CER's vrij verhandelbaar zouden zijn en/of dat (de door [bedrijf 27][project 10] te verwerven) CER's een waarde zouden vertegenwoordigen die een veelvoud was van de aanschafprijs en/of

- er (in de vorm van CER's) door [bedrijf 27][project 10] binnen een jaar inkomsten gegenereerd zouden worden en/of

- [bedrijf 23] in Duitsland zich bereid zou hebben verklaard om alle gematureerde projecten te financieren tot een maximum van EUR 40 (hetgeen zou duiden op een totale investering van ongeveer 80 miljoen) euro en/of

- die [betrokkene 48] in ruil voor ingelegd vermogen aandelen in de onderneming [bedrijf 27][project 10] zou verwerven,

terwijl de uitvoering van dat door hem voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkwamen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Voorts heeft het hof ter terechtzitting van 13 december 2011 overwogen dat daar waar in de tenlastelegging onder 2 staat ‘een onjuiste voorstelling van zaken [is] gegeven met betrekking tot de risico’s’, gelet op de context van de tenlastelegging, die passages aldus zullen worden gelezen dat is bedoeld ‘een te rooskleurige voorstelling van zaken [is] gegeven met betrekking tot de risico’s’. Het hof zal de tenlastelegging dienovereenkomstig lezen.

Partiële nietigheid van de tenlastelegging

Het hof heeft ter terechtzitting van 13 december 2011 de tenlastelegging ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde artikel 24a, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 en de passage ‘(telkens) misbruik (is) gemaakt van het bij (de) (potentiële) beleggers, althans investeerders, opgewekte vertrouwen in verschillende tot die criminele organisatie behorende natuurlijke personen en/of in het ambt dat door verschillende tot die criminele organisatie behorende natuurlijke personen (al dan niet beweerdelijk) werd bekleed’, nietig verklaard.

Tevens heeft het hof ter terechtzitting van 13 december 2011 en van 12 april 2012 het onder 2 en 8 ten laste gelegde nietig verklaard voor zover inhoudende dat de verdachte en zijn medeverdachte(n) misbruik hebben gemaakt van het bij (potentiële) beleggers en/of investeerders opgewekte vertrouwen.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Het hof heeft ter terechtzitting van 13 december 2011 al geoordeeld dat het openbaar ministerie wegens verjaring niet-ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte terzake de ten laste gelegde oplichtingen voor zover gepleegd voor 1 februari 2000.

De raadsman heeft als preliminair verweer, en opnieuw in zijn pleidooi, aangevoerd dat in de loop van het voorbereidend onderzoek vormverzuimen zijn begaan, die elk afzonderlijk, maar in elk geval tezamen, verdachte in ernstige mate in zijn verdediging en/of zijn verdere rechten hebben geschaad en hieraan de conclusie verbonden dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk is in de vervolging van verdachte.

Het hof blijft bij zijn oordeel hieromtrent, zoals verwoord in zijn beslissing op het preliminair verweer van 13 december 2011 en verwerpt dit verweer onder verwijzing naar de inhoud en motivering van die beslissing, die als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van het feit of de feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde (criminele organisatie)

Kort weergegeven is ten laste gelegd dat verdachte en zijn mededader(s) in de periode van 1 januari 1998 tot en met 7 januari 2008 hebben deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, zulks terwijl hij, verdachte, oprichter en/of leider en/of bestuurder van die organisatie was.

Het hof stelt vast dat de in de tenlastelegging genoemde natuurlijke en rechtspersonen zich deels bezig hielden met legaal vermogensbeheer. Voor zover al sprake was van een organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht, kan niet worden gezegd dat haar oogmerk (in de zin van naaste doel) gericht was op het plegen van misdrijven. Deze (rechts)personen hielden zich tevens bezig met het initiëren en beheren van ‘informele projecten’ en het aantrekken van gelden daarvoor. Hierbij zijn, zoals nader zal worden vastgesteld, misdrijven begaan, maar het is niet gebleken dat dit in die mate en zo structureel gebeurde dat gezegd kan worden dat het oogmerk van het samenwerkingsverband van deze (rechts)personen daarop gericht was.

Ten aanzien van de ten laste gelegde oplichtingen onder 2 en 8

Gelet op het in hoger beroep gevoerde debat tussen het openbaar ministerie en de verdediging stelt het hof het volgende voorop. In het Wetboek van Strafrecht (boek 2 titel 25) is een aantal vormen van bedrog strafbaar gesteld. Zij worden daardoor gekenmerkt dat, met het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling, daartoe opgewekt of reeds bestaand, vertrouwen wordt geschonden. De meest in het oog springende vorm is de, hier ten laste gelegde, oplichting. Zij bestaat hierin dat iemand (het slachtoffer) met voornoemd oogmerk

a. door een nader in de tenlastelegging te omschrijven middel

b. wordt bewogen

c. tot het leveren van een bepaalde prestatie.

Het misbruik maken van bestaand of daartoe opgewekt vertrouwen is op zichzelf dus geen oplichtingsmiddel, maar een generieke aanduiding van de door de dader gebezigde werkwijze die nader in de oplichtingsmiddelen dient te worden gespecificeerd.

Van die oplichtingsmiddelen kent het wetboek er drie:

1. het aannemen van een valse naam of hoedanigheid,

2. listige kunstgrepen, en

3. een samenweefsel van verdichtselen.

De oplichtingsmiddelen moeten zijn aangewend voordat de prestatie is geleverd; tussen middelen en prestatie is immers een causaal verband vereist.

Listige kunstgrepen zijn, naar huidige opvatting, bedrieglijke handelingen die geschikt zijn om onjuiste voorstellingen ingang te doen vinden en daaraan kracht bij te zetten. Een enkele listige kunstgreep is voldoende.

Een verdichtsel is een opzettelijke onwaarheid, een mededeling waarvan de dader de onjuistheid kende; daaronder valt de opzettelijke verzwijging van iets, waarvan men begreep dat het vermeld moest worden. Omdat het Wetboek van Strafrecht een samenweefsel van verdichtselen vergt, is een enkele leugen of verzwijging, anders dan een enkele kunstgreep, ontoereikend om tot bewezenverklaring van oplichting te komen.

Dit kan niet – zoals het openbaar ministerie heeft bepleit - worden opgelost door (het debiteren van) de leugen als een kunstgreep te kwalificeren; daarvoor komen, zoals gezegd, alleen handelingen in aanmerking. Ook het enkele ‘de indruk wekken’ dat iets het geval is, zonder dit met zoveel woorden te zeggen, kan naar het oordeel van het hof niet als een listige kunstgreep worden aangemerkt; het is slechts een verbloemde leugen.

Het is niet nodig dat gedebiteerde onwaarheden elkaar rechtstreeks versterken; een enkele opeenstapeling van onwaarheden is voldoende.

De vraag of uit door de verdachte gebezigde leugenachtige mededelingen kan worden afgeleid dat het slachtoffer door een samenweefsel van verdichtsels werd bewogen tot het leveren van een prestatie, kan alleen worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daartoe behoren de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) onware mededelingen in hun onderlinge samenhang, de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid degene tot wie de mededelingen zijn gericht aanleiding hadden moeten geven de onwaarheid te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen en de persoonlijkheid van het slachtoffer.

Verdachtes beweerdelijke mededader [medeverdachte 1] was een vermogensbeheerder die zijn cliënten tevens adviseerde bij het beleggen in informele projecten. Hij placht met hen een beheersovereenkomst te sluiten, maar stelt zich op het standpunt dat de belegging in informele projecten daar buiten viel; daaromtrent zouden kennelijk geen schriftelijke afspraken zijn gemaakt. Het is de vraag of zijn cliënten zich van deze positie - zo zij al staande kan worden gehouden - bewust zijn geweest.

De vermogensbeheersovereenkomsten worden overigens gekenmerkt door vaagheden en zijn voorzien van een disclaimer. Wanneer de stelling van [medeverdachte 1] zou worden gevolgd, geldt deze disclaimer niet voor de informele projecten. Het hof zal daarom, wat er van dit alles ook zij, aan die disclaimer voorbij gaan.

Aan cliënten, die geïnteresseerd waren in informele projecten, werd doorgaans per project een prospectus, brochure en/of ander informatiemateriaal verstrekt, waarop in een aantal gevallen eveneens een disclaimer was geplaatst. Langs deze weg kan de verstrekker zich wellicht civielrechtelijk indekken tegen onbewust gemaakte fouten en een te zonnige voorstelling van zaken, maar in elk geval niet tegen de hem ten laste gelegde bewuste leugens. Het hof zal daarom ook aan deze disclaimers voorbij gaan.

Waar het op aan komt is, dat [medeverdachte 1] in algemene zin optrad als beleggingsadviseur. Veel van zijn cliënten hadden een - soms bijna blind - vertrouwen in hem en hij wist dit. Onder deze omstandigheden mocht van hem worden verwacht dat hij zelf – in ieder geval globaal - onderzoek deed naar de juistheid van de gegevens, die hem over de door hem aanbevolen informele projecten door de initiatiefnemers en/of uitvoerders waren verstrekt, naar de haalbaarheid van die projecten en naar de betrouwbaarheid en bekwaamheid van de initiatiefnemers en/of uitvoerders. Wie zich dan uitsluitend laat gebruiken als een doorgeefluik van door derden bijeengebrachte gegevens schiet ernstig tekort.

Dat belegging in informele projecten werd gerealiseerd door overeenkomsten tot lening van geld, die rechtstreeks werden gesloten tussen de investeerder en (een) vertegenwoordiger(s) van de projecten, doet hier niet aan af. Een en ander zou wellicht anders komen te liggen wanneer de cliënten tevoren uitdrukkelijk van de aldus beperkte rol van hun adviseur op de hoogte worden gesteld, maar die situatie deed zich in de gevallen, waarop de tenlastelegging ziet, zoals gezegd niet voor.

Een en ander betekent echter geenszins dat wie hieraan niet voldoet, alleen reeds daarom als oplichter strafbaar is. Daartoe moet in ieder geval worden vastgesteld dat hij wist dat de verstrekte gegevens onjuist waren, de onder de aandacht gebrachte projecten onhaalbaar en/of de initiatiefnemers/uitvoerders onbetrouwbaar cq onbekwaam, of in elk geval dat hij zich er van bewust was dat daartoe een aanmerkelijke kans aanwezig was. Het enkele feit dat hij beter had moeten weten is onvoldoende. Hetzelfde geldt voor eventuele mededaders

Het hof acht bovendien van algemene bekendheid dat het beleggen in aandelen onvermijdelijk met risico’s gepaard gaat. Het kan niet anders dan dat de cliënten, die hun vermogen aan [medeverdachte 1] hadden toevertrouwd, zich hiervan bewust waren. In de vermogensbeheersovereenkomsten werd daar bovendien - naar het hof heeft vastgesteld - uitdrukkelijk op gewezen. Het moet de cliënten duidelijk zijn geweest dat aan informele beleggingen meer risico verbonden zou zijn dan aan belegging in aandelen, obligaties of onroerend goed. Zonder nader bewijs - en dat heeft het hof niet aangetroffen - kan derhalve, anders dan het openbaar ministerie op grond van door voormalige cliënten afgelegde verklaringen heeft gesteld, niet worden gezegd dat bij potentiële beleggers valselijk, listiglijk, bedrieglijk of in strijd met de waarheid de indruk is gewekt dat aan het beleggen in projecten als [project 3] en [project 6] en in een vennootschap als [project 8], waarin dergelijke projecten waren ondergebracht, geen of weinig risico was verbonden. Bij andere projecten is zelfs vastgesteld dat wel degelijk op risico’s is gewezen. In de prospectus omtrent het [project 2], die een aantal cliënten in 2001 is voorgehouden, viel bijvoorbeeld te lezen: ‘De geconsolideerde bruto omzet van de gehele Groep zal conform het gemaakte plan moeten groeien van 10 miljoen gulden dit jaar tot 23,5 miljoen gulden in 2005.’ Achteraf gezien was deze prognose veel te optimistisch. De prospectus vermeldde echter ook: ‘Uiteraard is het meer dan waarschijnlijk dat de groep op het pad van groei zal worden geconfronteerd met onverwachte uitdagingen.’ Die boodschap moest een oplettende lezer toch aan het denken zetten - ook al zou het zo geweest zijn dat de risico’s in mondelinge contacten met zijn cliënten werden gebagatelliseerd.

Het hof is verder van oordeel dat een beleggingsadviseur zich er van bewust moet zijn, en ook zal zijn, dat de omstandigheid, dat hij zelf financiële belangen heeft in een door hem aan een potentiële belegger of geldlener aangeboden informeel project, wezenlijke invloed kan uitoefenen op de beslissing om al dan niet tot belegging of lening over te gaan. Enerzijds zou die omstandigheid het vertrouwen kunnen wekken dat de met het project gemoeide risico’s aanvaardbaar zijn; dan kan verzwijging geen kwaad. Anderzijds zal eigen deelneming door de adviseur de potentiële belegger of geldlener echter tot het inzicht kunnen brengen dat de door deze, als belanghebbende, verstrekte informatie gekleurd of wellicht zelfs volstrekt onjuist zal zijn en vragen oproepen omtrent diens rol; dan levert verzwijging een verdichtsel op in de zin van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Verdachte heeft aangevoerd dat, zo al sprake is geweest van oplichting, hij daaraan onschuldig is, alleen al omdat zijn rol zich doorgaans beperkte tot die van advocaat van [bedrijf 3]. Het hof heeft echter vastgesteld dat de bijstand, die de verdachte verleende aan [bedrijf 3] en de daaraan gelieerde personen en vennootschappen, veel verder ging dan enkel advisering en ondersteuning op juridisch gebied. Hij fungeerde als bestuurder van [project 1], later als directeur en nog weer later lid van de Supervisory Board van [project 2], was lid van de Raad van Advies van [project 6] en aandeelhouder van [bedrijf 18], en liet zijn derdengeldrekening te Hong Kong gebruiken voor het doen van stortingen ten behoeve van [project 4]. Hij was alleen al daardoor in aanmerkelijke mate zakelijk betrokken bij de activiteiten van [bedrijf 3] en de daarmee gelieerde personen en vennootschappen, voor zover die zich uitstrekten tot informele projecten. Bovendien had hij zelf een aanmerkelijk financieel belang bij het welvaren daarvan. In het nader te bespreken [project 8] speelde hij zelfs een centrale rol. Op grond hiervan verwerpt het hof het gevoerde verweer. Voor zover verdachte op bijeenkomsten met potentiële of daadwerkelijke beleggers werd voorgesteld als de advocaat van [bedrijf 3], of zichzelf als zodanig voorstelde, was naar het oordeel van het hof sprake van een scheve voorstelling van zaken.

De vraag is opgeworpen in hoeverre sprake kan zijn van wederrechtelijke bevoordeling (en daarmee ook van een oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen), wanneer personen worden bewogen om geld te beleggen in bepaalde projecten. In verband hiermee heeft het hof vastgesteld dat [medeverdachte 1], in elk geval een van de vennootschappen waarin hij een niet onaanzienlijk financieel belang had, telkens één procent ontving van de ingelegde gelden. Dat dit werd aangeduid als een vergoeding van administratiekosten, doet er niet aan af dat dit voor die vennootschappen en voor hem een voordeel betekende. Hoe meer werd belegd, des te meer werd ontvangen. Verdachte had in een aantal van de genoemde projecten bovendien zelf financiële belangen; omdat het welslagen van de projecten mede afhankelijk was van het verkrijgen van voldoende financiële middelen van beleggers, moet ook in zoverre van een oogmerk om voordeel te behalen worden gesproken.

Ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde (oplichtingen)

Ten aanzien van het onder 2A ten laste gelegde ([project 1] en [project 2])

Kort weergegeven is ten laste gelegd dat de verdachte en/of zijn mededaders in de periode van 1 februari 2000 tot en met 1 april 2005 valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

a. aan potentiële beleggers niet hebben gemeld dat zij financiële belangen in de ondernemingen [project 1] en [project 2] hadden;

b. aan hen een te rooskleurige voorstelling van zaken hebben gegeven met betrekking tot de risico’s die waren verbonden aan het verstrekken van geldleningen aan of het nemen van belangen in deze ondernemingen;

c. aan hen hebben meegedeeld, althans de indruk gewekt, dat [project 1] en/of haar rechtsopvolger [project 2] de vrije beschikking zou hebben over een licentieovereenkomst voor de productie en verkoop van kleding, voorzien van het [bedrijf 15] logo;

d. aan hen hebben meegedeeld, althans de indruk gewekt dat [project 1], mede dankzij het [bedrijf 15], winst had gemaakt en/of dat de investeerders daarin hun oorspronkelijke inleg, vermeerderd met 25 %, terug hadden ontvangen cq zouden ontvangen.

Tezamen zou dit een samenweefsel van verdichtsels opleveren.

Ten aanzien van hetgeen onder a is omschreven is komen vast te staan dat in een aantal gevallen wel degelijk op enigerlei wijze aan cliënten kenbaar is gemaakt dat verdachte en/of zijn mededader(s) financiële belangen hadden bij [project 1] en/of haar rechtsopvolger, zonder dat de cliënt zich dit nadien nog herinnerde. Onder deze omstandigheden is het naar het oordeel van het hof niet verantwoord om louter uit de verklaring van cliënten af te leiden dat in andere gevallen deze mededeling achterwege is gelaten. De verdachte dient daarom op dit punt te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van hetgeen onder b is omschreven stelt het hof vast dat in de loop van de in de tenlastelegging genoemde (lange) periode inderdaad, in het licht van hetgeen thans bekend is, een te rooskleurige voorstelling van zaken is gegeven met betrekking tot de risico’s die waren verbonden aan het verstrekken van geldleningen aan of het nemen van belangen in [project 1] en haar rechtsopvolger en ook feitelijke mededelingen aan (potentiële) beleggers of herbeleggers zijn gedaan die onjuist, en op zijn minst gekleurd waren.

Zo werd ten onrechte vermeld dat [project 2] al in het eerste jaar, ook onder het Chinese boekhoudsysteem, winst had gemaakt. Te laat (namelijk pas rond 12 april 2003) is aan cliënten bekend gemaakt dat de ontwikkelingen bij [project 2] catastrofale vormen aannamen. De vraag die vervolgens moet worden beantwoord is, of dit alles willens en wetens gebeurde, dan wel dat de verdachte ook zelf leed aan een ongerechtvaardigd optimisme en een, misschien verwonderlijke en hoogst laakbare, maar dan toch wel degelijk bestaande mate van zorgeloosheid. Anders dan de verdediging heeft bepleit kan optimisme niet worden afgeleid uit de enkele omstandigheid dat verdachte ook zelf, met eigen kapitaal, deelnam in de ondernemingen; daarvoor zijn immers andere gronden denkbaar, zoals het verwerven van provisies en fees, of de mogelijkheid om zich onrechtmatig van bezittingen van die ondernemingen meester te maken. Opzet is hier naar het oordeel van het hof echter - wanneer zij wordt ontkend - alleen bewijsbaar bij een zo groot verschil tussen de werkelijkheid en de door verdachte gegeven voorstelling van zaken, dat in redelijkheid niet kan worden aangenomen dat deze in de juistheid daarvan heeft geloofd en ook is blijven geloven. Die werkelijkheid - de reële waarde van het bedrijf - is uit de ter beschikking staande gegevens, mede gelet op het destijds bestaande verschil in boekhoudkundige praktijk tussen China en Nederland, niet met voldoende zekerheid af te leiden, en evenmin is voldoende duidelijk geworden wat verdachtes eigen informatiepositie was. In het midden kan blijven of opzet aanwezig is geweest bij voormelde mededeling over de door [project 2] gemaakte winst; het gaat het hof in elk geval te ver om uit deze enkele onwaarheid af te leiden dat, in het algemeen, een te rooskleurige voorstelling werd gegeven van de aan deelneming in [project 2] verbonden risico’s - daarvoor was de winstgevendheid in het eerste jaar naar verhouding van onvoldoende belang. Daarom dient de verdachte op dit punt het voordeel van de twijfel te genieten en te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van hetgeen onder c is omschreven is het hof van oordeel dat [project 1] en haar rechtsopvolger, zo zij al niet de vrije beschikking hadden over de bedoelde licentie-overeenkomst, toch in elk geval goede gronden hadden om aan te nemen dat dit het geval was, zodat hier van een opzettelijke onwaarheid geen sprake kan zijn. Ook van hetgeen onder c is omschreven dient verdachte derhalve te worden vrijgesproken.

Hetgeen onder d is omschreven is naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend komen vast te staan, waarbij het hof de tenlastelegging aldus leest, dat opzettelijk de indruk werd gewekt dat de genoemde betalingen uit de beweerdelijk gemaakte winst zouden zijn gedaan. Dit alles brengt mee dat van het ten laste gelegde slechts een enkele opzettelijke leugen met voldoende zekerheid is komen vast te staan. Nu de eerder besproken onjuiste mededeling over de door [project 2] in het eerste jaar behaalde winst niet afzonderlijk als oplichtingsmiddel in de tenlastelegging is genoemd, kan niet bewezen worden verklaard dat sprake was van een samenweefsel van verdichtsels, zodat de verdachte van het gehele onder 2A ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 2B ten laste gelegde ([project 3])

Kort weergegeven is ten laste gelegd dat de verdachte en/of zijn mededaders in de periode van 1 september 2003 tot en met 1 april 2005 valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

a. potentiële beleggers hebben medegedeeld cq bij hen de indruk gewekt dat het investeringsvoorstel voor het [project 3] project afkomstig was van [getuige 1], werkzaam bij [bedrijf 16], certified public accountants te Hong Kong;

b. aan hen hebben medegedeeld althans de indruk hebben gewekt dat de risico’s van de investering in het [project 3] project gering waren;

c. aan hen hebben medegedeeld althans de indruk hebben gewekt dat met het in te leggen geld twee merken gekocht zouden worden;

d. aan hen hebben medegedeeld althans de indruk hebben gewekt dat de ingelegde gelden, die als lening zouden worden verstrekt, na de inleg waren omgezet in aandelen [bedrijf 19];

e. aan hen hebben medegedeeld althans de indruk hebben gewekt dat na de inleg er royaltyinkomsten waren geweest ten belope van EUR 188.500,-.

Tezamen zou dit een samenweefsel van verdichtsels opleveren.

Ten aanzien van hetgeen onder a is omschreven meent het hof dat onvoldoende is komen vast te staan dat tussen het daar bedoelde gegeven en de beleggingen in het [project 3] project een noemenswaardig causaal verband heeft bestaan. Daarom kan in het midden blijven of het investeringsvoorstel voor [project 3] inderdaad afkomstig was van [getuige 1] en dient verdachte ook in zoverre te worden vrijgesproken.

Hetgeen onder b werd omschreven is ook in dit geval niet komen vast te staan. In zoverre moet de verdachte worden vrijgesproken. Evenmin is komen vast te staan dat de onder c omschreven aankoop van twee merken destijds niet in de bedoeling van de betrokkenen lag; er zijn sterke aanwijzingen dat deze aanvankelijke bedoeling slechts door later ingetreden omstandigheden niet geheel is gerealiseerd. Dat de verkregen investeringen deels voor heel andere doeleinden zijn gebruikt dan waarvoor zij waren verkregen, doet hieraan niet af; voor zover daarin strafbare feiten kunnen worden gezien, zijn zij niet ten laste gelegd. Van hetgeen is omschreven onder c dient de verdachte te worden vrijgesproken.

Onder d en e zijn mededelingen omschreven die zouden zijn gedaan na de inleg van gelden in het project [project 3]; tussen die mededelingen en de inleg kan alleen al daarom geen causaal verband bestaan.

De verdachte dient daarom van al het hem onder 2B ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 2C ten laste gelegde ([project 7])

Kort weergegeven is aan de verdachte ten laste gelegd dat hij en/of zijn mededaders van 1 maart 2004 tot en met 19 mei 2004 valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

a. potentiële beleggers niet hebben gemeld dat zij financiële belangen in [bedrijf 17] hadden;

b. aan hen hebben meegedeeld/bij hen de indruk hebben gewekt dat de door [betrokkene 32] en [betrokkene 15] en anderen ter beschikking gestelde gelden (geldleningen) zouden worden geïnvesteerd in [bedrijf 13]

Tezamen zou dit een samenweefsel van verdichtsels opleveren.

Ten aanzien van hetgeen onder a is omschreven spreekt het hof vrij en verwijst het hof wat betreft de motivering naar hetgeen het hiervoor bij de bespreking van [project 1]/[project 2] heeft overwogen met betrekking tot het niet vermelden van financiële belangen.

Ten aanzien van hetgeen onder b is omschreven overweegt het hof als volgt. Daargelaten of het onder b omschrevene valselijk, bedrieglijk, listiglijk of in strijd met de waarheid geschiedde, levert dit - indien bewezen - niet meer op dan een enkele leugen. Dat nu is ontoereikend om een oplichting in de zin van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht te constitueren.

Het hof zal derhalve de verdachte vrijspreken van het onder 2C tenlastegelegde.

Ten aanzien van het onder 2D ten laste gelegde ([project 6])

Kort weergegeven is aan de verdachte ten laste gelegd dat hij en/of zijn mededaders in de periode van 1 maart 2002 tot en met 6 augustus 2004 valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

a. potentiële beleggers niet hebben gemeld dat zij financiële belangen in [bedrijf 12] en/of [bedrijf 18] hadden;

b. aan hen een te rooskleurige voorstelling van zaken hebben gegeven met betrekking tot de risico’s die waren verbonden aan het verstrekken van geldleningen aan of het nemen van belangen in deze ondernemingen;

c. aan hen hebben meegedeeld, althans bij hen de indruk gewekt, dat:

* er geen/nauwelijks risico’s verbonden waren aan het kopen van een aandelenbelang in of het verstrekken van leningen aan [bedrijf 12];

* een accountant ([medeverdachte 4]) was aangesteld als directeur van [bedrijf 12];

* mede daardoor en/of door de installatie van een multidisciplinair begeleidingsteam het financiële management van en/of de financiële controle op [bedrijf 12] gegarandeerd was;

* [bedrijf 12] in het bezit was van 11 volledig uitgewerkte screenplays;

* twee screenplays, ([screenplay 1] en/of [screenplay 2] en/of andere screenplays) in het bezit/eigendom van [bedrijf 12], in 2004 in productie zouden gaan;

* [bedrijf 12] in het bezit was van 70 opties op screenplays/opties op titels waarvan [getuige 3] de copyrights zou bezitten;

* de bestaande en nieuwe auteursrechten van [getuige 3] in bezit/eigendom waren van [bedrijf 12]

Tezamen zou dit een samenweefsel van verdichtsels opleveren.

Kort samengevat gaat het hier om het volgende.

[getuige 3], schrijvend onder de naam [getuige 3], had zich tot [bedrijf 3] gewend met het verzoek geldschieters te zoeken voor haar plannen voor een filmmaatschappij. [project 6] werd opgericht om die plannen te verwezenlijken.

Alle aandelen van [project 6] waren eigendom van de Hong Kong vennootschap [bedrijf 18], waarvan middellijk [getuige 3] 70% van de aandelen bezat. [medeverdachte 1] en [verdachte] bezaten middellijk ieder 5%.

Er werden een brochure gemaakt voor een eerste geldophaalronde in september 2002. Een bedrijfsprofiel verscheen in maart 2004.

De in de tenlastelegging bij naam genoemde personen hebben geïnvesteerd in [project 6]: [betrokkene 31] EUR 50.000,- in augustus 2004, [betrokkene 39] EUR 50.000,- in maart 2004 en [betrokkene 33] EUR 50.000,- in maart 2004.

Ten aanzien van [betrokkene 33] is niet komen vast te staan dat hij kennis heeft genomen van de in de tenlastelegging genoemde mededelingen - omtrent [medeverdachte 4] en de auteursrechten - voordat hij tot investeren overging, zodat in zoverre vrijspraak zal volgen.

Ten aanzien van hetgeen onder a is omschreven spreekt het hof vrij en verwijst het naar hetgeen het hiervoor bij de bespreking van [project 1]/[project 2] heeft overwogen met betrekking tot het niet vermelden van financiële belangen.

Ten aanzien van hetgeen onder b en onder c, eerste *, is omschreven spreekt het hof eveneens vrij en verwijst het wat betreft de motivering van deze vrijspraken naar hetgeen het hiervoor bij inleiding op de onder 2 en 8 ten laste gelegde oplichtingen heeft overwogen met betrekking tot het al dan niet een te rooskleurige voorstelling van zaken geven in woord en/of geschrift met betrekking tot de risico’s verbonden aan het verstrekken van een geldlening of het nemen van een belang in de informele projecten.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte en zijn mededader(s) in strijd met de waarheid hebben medegedeeld, dat een accountant ([medeverdachte 4]) was aangesteld als directeur van [bedrijf 12], dat mede daardoor het financiële management van en/of de financiële controle op [bedrijf 12] gegarandeerd was alsmede dat de bestaande en nieuwe auteursrechten van [getuige 3] in bezit/eigendom waren van [bedrijf 12]. Het hof merkt dit aan als een samenweefsel van verdichtsels in de zin van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof baseert zich daarbij onder meer op de verklaring van [medeverdachte 1] ter terechtzitting in hoger beroep waar hij heeft verklaard dat [medeverdachte 4] inderdaad geen accountant was en dat dit in de schriftelijke informatie - die aan (potentiële) investeerders is verstrekt - ten onrechte is vermeld. [getuige 3] zelf heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat zij haar rechten slechts zou uitlenen en de royalty's zou inbrengen in [bedrijf 12] maar dat zij de fundamentele contracten daartoe nooit heeft ondertekend.

[getuige 4] heeft verklaard dat [getuige 3] niet heeft getekend omdat er geen overeenstemming tot stand kwam met betrekking tot de vergoeding die zij zou ontvangen voor haar rechten.

Het door de [medeverdachte 1] ter terechtzitting van 17 april 2012 overgelegde document met de daarin neergelegde overeenkomst doet daaraan niet af. Immers, uit de inhoud van die overeenkomst blijkt niet dat de bestaande en de nieuwe auteursrechten van [getuige 3] in bezit / eigendom kwamen van [bedrijf 12] terwijl voorts - anders dan de verdachte stelt - die “agreement” niet is ondertekend door voornoemde [getuige 3]. In dit verband overweegt het hof dat op p. 4 van dit document (I) bij “signed” niets is vermeld en (II) weliswaar elders met de hand is geschreven “[getuige 3]” doch dat dit is op de plaats van de voorgedrukte - en doorgehaalde - naam “[getuige 3]”. Gelet hierop en in aanmerking genomen de hiervoor genoemde verklaring van [getuige 3] dat zij de fundamentele contracten nooit heeft ondertekend, acht het hof het niet aannemelijk dat het stuk meer is dan een conceptversie.

Ten aanzien van het onder 2E ten laste gelegde ([project 8])

[project 8], eerste fase

Kort weergegeven is ten laste gelegd dat de verdachte en/of zijn mededaders in de periode van 3 september 2003 tot en met 1 juli 2005 valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid aan potentiële beleggers:

a. hebben meegedeeld dat geen of nauwelijks risico’s verbonden waren aan het kopen van een aandelenbelang in [project 8] en mooie rendementen in het vooruitzicht hebben gesteld,

b. hebben medegedeeld dat zij hun belangen in [project 9], [project 7], [project 2], [project 6], [project 5] en [project 4] in [project 8] hadden ingebracht, althans zouden inbrengen,

c. die belangen veel te hoog hebben gewaardeerd.

Tezamen zou dit volgens het openbaar ministerie een samenweefsel van verdichtsels opleveren; het onder c gestelde zou ook kunnen worden aangemerkt als een listige kunstgreep.

De in de tenlastelegging bij naam genoemde personen hebben geïnvesteerd in [project 8]: [betrokkene 33] EUR 250.000,- in ieder geval na de presentatie van oktober 2003, [betrokkene 18] EUR 250.000,- in november 2003 en [betrokkene 21] 250.000,- in oktober 2003.

Wanneer al mededelingen zijn gedaan als onder a bedoeld (hetgeen het hof in elk geval ten aanzien van de rendementen aannemelijk acht), kan dit, gelet op hetgeen het hof al heeft opgemerkt omtrent de eigen wetenschap van de potentiële beleggers, niet in voldoende causaal verband worden gebracht met hun besluit om tot belegging over te gaan.

Het hof stelt voorop ten aanzien van het onder b genoemde dat bij potentiële investeerders wellicht de indruk is gewekt dat alle belangen, die verdachte en zijn medeverdachten bij de genoemde projecten hadden, in [project 8] zouden worden ingebracht. De investeerders [betrokkene 18] en [betrokkene 49] hebben dat tegenover de politie ook zo verklaard. Uit de aan de potentiële investeerders verstrekte gegevens valt echter af te leiden, dat dit niet het plan was; de projecten zouden slechts gedeeltelijk worden ingebracht. Dat de verdachte en zijn medeverdachten daadwerkelijk belangen hadden in de genoemde projecten is ten aanzien van de [project 9], [project 2], [project 6], [project 5] en [project 4] door niemand betwist; het hof ziet dan ook geen reden om hieraan te twijfelen. Dat zij ook een aandeel hadden in [project 7] is in twijfel getrokken, maar acht het hof desondanks aannemelijk. Het hof acht evenzeer aannemelijk dat de verdachte en zijn medeverdachten een deel van hun belangen in deze projecten hebben willen inbrengen in [project 8]. Het tegendeel is in elk geval niet komen vast te staan. Daarom kan niet worden gezegd dat de onder b bedoelde mededelingen op zichzelf listiglijk, bedrieglijk en in strijd met de waarheid werden gedaan.

Het onder b gestelde moet echter in zoverre in samenhang met het onder c gestelde worden gelezen, dat die belangen ook een waarde van betekenis zouden hebben vertegenwoordigd. De inbreng van eigen belangen was voor potentiële investeerders in [project 8] ongetwijfeld een essentieel gegeven; naar het oordeel van het hof is voldoende komen vast te staan dat zij vooral door die inbreng en door de waarde, welke [project 8] daardoor - ook voor de verdachte en de andere inbrengers - zou krijgen, tot investering werden bewogen.

In verband hiermee stelt het hof het volgende vast. Op zeker moment ontstonden bij - in elk geval een aantal van - deze projecten moeilijkheden. Daarop werd besloten om de lopende informele projecten, in de termen van de medeverdachte [medeverdachte 1], te ‘centraliseren’, door die projecten in te brengen in een nieuwe, daartoe op te richten, rechtspersoon, [project 8]. Vervolgens zouden ten name van de nieuwe vennootschap fondsen worden aangetrokken. Anders dan later is voorgesteld ging het, zo begrijpt het hof uit deze gang van zaken, niet alleen om het bereiken van een hogere graad van efficiëntie, maar ook om het scheppen van een nieuwe juridische en financiële grondslag. Het kan de verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 1] immers niet onbekend zijn geweest dat de in te brengen projecten, in elk geval ten dele, niet alleen organisatorisch, maar ook - en vooral - financieel noodlijdend waren. Dit gold in het bijzonder voor [project 6] en [project 5], die in oktober 2003 - zoals het hof nader zal toelichten - nog slechts een betrekkelijk geringe waarde kunnen hebben vertegenwoordigd. Voor zover de verdachte het heeft voorgesteld alsof hij van de precieze situatie binnen deze projecten niet op de hoogte was, omdat hij zich daarmee niet bemoeide, acht het hof dit, ongeloofwaardig. Bij het opzetten van het [project 8] speelde hij een rol van betekenis; aan potentiële investeerders werd hij gepresenteerd als ‘sleutelpersoon’. Hij had niet onaanzienlijke financiële belangen bij enkele van de in [project 8] in te brengen projecten, en had (dientengevolge) ook zelf aanzienlijke belangen in [project 8]. [bedrijf 1][bedrijf 28] en [bedrijf 6] (welke vennootschap de directie voerde over [project 8]) had hij in die onderneming een belangrijke beleidsbepalende invloed. Als zakenman en partner van [medeverdachte 1], en bovendien op de hoogte van de reden, waarom de projecten werden ‘gereorganiseerd’ (welke reden, zoals gezegd, op zijn minst mede van financiële aard was), heeft hij zich ongetwijfeld vergewist van de werkelijke waarde van de in [project 8] in te brengen projecten - voor zover hij die niet al lang kende.

Het aandelenkapitaal van [project 8] bedroeg nominaal EUR 90.000,-. Hiervan werd in totaal 12 % verworven door drie investeerders, [betrokkene 21], [betrokkene 33] en [betrokkene 18], tegen een inbreng van telkens EUR 250.000,-. De overige 88 % van het aandelenkapitaal werd verworven door [bedrijf 6], welke vennootschap toen onder zeggenschap stond van verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 1]. Verwacht zou mogen worden dat hun inbreng een tegenwaarde zou vertegenwoordigen van EUR 5.500.000,-. De waarde van die inbreng is echter niet (afzonderlijk) vastgesteld, laat staan door een terzake deskundige, zoals bijvoorbeeld een registeraccountant. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat deze waarde door hem is bepaald, aan de hand van uit de projecten afkomstige gegevens. Alleen ten aanzien van [project 7] waren die gegevens (zij het met een heel ander doel) door een accountant opgesteld. Het aldus bepaalde, aangeduid als de ‘actuele waarde’, werd vermenigvuldigd met een omrekeningsfactor, waarin de (groei)potentie van het project tot uitdrukking werd gebracht. Het hoeft geen betoog dat over de potentie van informele - en in wezen sterk speculatieve - projecten heel verschillend kan worden gedacht. Het hof zal zich daarom beperken tot wat werd aangeduid als de actuele waarde van de projecten.

De op de beschreven wijze bepaalde actuele waarde van de projecten is weergegeven in een schriftelijke presentatie van [project 8] die in oktober 2003 aan de potentiële beleggers werd verstrekt. Die weergave geschiedde per project in een afzonderlijk staatje, en vervolgens nogmaals gecumuleerd in wat werd aangeduid als een begroting. De daarin vermelde actuele waarde betreft (zo volgt uit de omtrent het [project 7] gepresenteerde cijfers) alleen die van het in [project 8] in te brengen (cq reeds ingebrachte) deel van ieder project. Het hof heeft onvoldoende aanknopingspunt gevonden om de cijfers, die in deze fase omtrent het [project 9] en het [project 2] werden verstrekt, te kunnen beoordelen. Van het [project 4] is door [medeverdachte 1] geen waarde vastgesteld. De door hem van het [project 7] vastgestelde waarde acht het hof op zijn minst verdedigbaar.

Aan het (aandeel in het) [project 6] werd een actuele waarde toegekend van EUR 180.000,-. Gelet op de omstandigheid dat het hier 20% betrof van een aandeel van 10%, betekent dit dat het totale project een actuele waarde zou hebben van EUR 9.000.000,-. Het hof acht dit weliswaar onwaarschijnlijk hoog voor een project, dat zich nog in een aanloopfase bevond, maar heeft onvoldoende aanknopingspunt gevonden voor het oordeel dat de waarde van het project listiglijk, bedrieglijk en in strijd met de waarheid op een te hoog bedrag is vastgesteld.

Aan het (aandeel in het) [project 5] werd een actuele waarde toegekend van in totaal EUR 90.000,-. Gelet op de omstandigheid dat het hier 20% betrof van een aandeel van 5%, betekent dit dat het totale project toevalligerwijs eveneens een waarde zou hebben van EUR 9.000.000,-.

Deze waarde is naar het oordeel van het hof eveneens onwaarschijnlijk hoog. Ten aanzien van [project 5] stelt het hof vast dat het [medeverdachte 1] al in maart 2003 bekend moet zijn geweest dat dit project in een uiterst penibele situatie was geraakt.

Immers, in het dossier bevindt zich een verslag van een overleg “meeting [bedrijf 5]” van 10 maart 2003, bij welke meeting vier personen waaronder [medeverdachte 1] aanwezig waren. Dat verslag houdt ten aanzien van [project 5] in dat [verdachte] (het hof begrijpt: [medeverdachte 1]) opmerkt dat hij graag in april een nieuwsbrief zou willen alsmede dat hij vraagt “of het wasmiddel nu werkt”. Het verslag houdt voorts in dat [medeverdachte 6] “meldt dat hij exact wil weten waar de problemen liggen” (het hof begrijpt: de problemen met het wasmiddel).

Voorts overweegt het hof dat het uit de omstandigheden dat [medeverdachte 1] tijdens die vergadering aangeeft dat hij een nieuwsbrief wil, dat hij vraagt of het wasmiddel nu werkt en voorts dat [getuige 5] aan [medeverdachte 1] laat weten dat het niet goed gaat met [project 5], afleidt dat [medeverdachte 1] rol bij [project 5] meer inhield dan – zoals hij het ter terechtzitting in hoger beroep wilde doen voorkomen – het louter verzenden van door anderen opgemaakte brochures/nieuwsbrieven.

[medeverdachte 1] ter beschikking staande gegevens kan deze een waarde van EUR 9.000.000,- niet realistisch hebben geacht.

Verdachte, die zoals reeds werd opgemerkt in het project [project 8] steeds nauw met [medeverdachte 1] samenwerkte, heeft aanvaard dat de door [medeverdachte 1] bepaalde waarde van [project 5] werd gehandhaafd op een bedrag van EUR 9.000.000,-, terwijl hij - naar het hof eerder heeft overwogen - wist dat deze waarde te hoog was, en er vervolgens actief aan bijgedragen dat deze te hoge waarde aan potentiële investeerders werd voorgehouden.

Het hof acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat deze waarde listiglijk, bedrieglijk en in strijd met de waarheid op een te hoog bedrag is vastgesteld. Het hof merkt dit aan als een listige kunstgreep in de zin van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht.

[project 8], tweede fase

Kort weergegeven is ten laste gelegd dat de verdachte en/of zijn mededaders in de periode van 1 mei 2005 tot en met 19 september 2005 valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid aan potentiële beleggers:

a. aan potentiële beleggers hebben meegedeeld dat geen of nauwelijks risico’s verbonden waren aan het kopen van een aandelenbelang in [project 8], dat de aandelen al 1,5 keer de waarde van het aankoopbedrag bezaten en dat mooie rendementen in het vooruitzicht waren,

b. aan hen hebben medegedeeld dat zij hun belangen in [project 9], [project 7], [project 2], [project 6], [project 5] en [project 4] in [project 8] hadden ingebracht, althans zouden inbrengen,

c. die belangen veel te hoog hebben gewaardeerd,

d. essentiële informatie over die projecten hebben achtergehouden en

e. aan potentiële hebben meegedeeld dat [medeverdachte 1] zijn spaargeld in het project [project 8] had gestoken en dat het [project 8] zijn pensioenverzekering was, en

f. hebben meegedeeld dat eerdere aandeelhouders in [project 8] hun aandelen hadden vervreemd omdat zij acuut geld nodig hadden in verband met bij hen aangetroffen asbest en/of vervuilde grond.

Tezamen zou dit volgens het openbaar ministerie een samenweefsel van verdichtsels opleveren; het onder c gestelde zou ook kunnen worden aangemerkt als een listige kunstgreep.

Ten aanzien van hetgeen onder a is gesteld geldt hetzelfde als hierboven onder [project 8], eerste fase, is opgemerkt.

Ten aanzien van hetgeen onder b is gesteld merkt het hof op dat de omstandigheid, dat de bedoelde belangen nog steeds niet (volledig) in [project 8] waren ingebracht, op zichzelf ernstige twijfel oproept met betrekking tot de oprechtheid van de door verdachte en zijn medeverdachten kenbaar gemaakte voornemens daartoe; dit is echter onvoldoende om te kunnen aannemen dat die voornemens niet bestonden. Het hof stelt tevens vast dat verdachte en zijn medeverdachten inmiddels in het geheel niet meer over een aandelenbelang in [project 7] beschikten, zonder dat dit belang in [project 8] was ondergebracht. In zoverre kan een voornemen tot inbreng van aandelen niet meer aanwezig zijn geweest. Dit sluit de mogelijkheid dat de verdachte en zijn medeverdachten over certificaten van aandelen [project 7] beschikten echter niet uit. Naar het oordeel van het hof is onvoldoende vast komen te staan dat zij hun belang in [project 7] niet in de vorm van certificaten van aandelen zouden inbrengen. Daarom is naar het oordeel van het hof evenmin komen vast te staan dat de door verdachte en zijn medeverdachten aan potentiële investeerders gedane mededeling dat zij hun belangen in [project 7] in [project 8] hadden ingebracht, althans zouden inbrengen, listiglijk, bedrieglijk en in strijd met de waarheid is gedaan.

Het onder b gestelde moet opnieuw in zoverre in samenhang met het onder c gestelde worden gelezen, dat de genoemde belangen ook een waarde van betekenis zouden hebben vertegenwoordigd. Hetgeen is gesteld onder d moet eveneens worden gelezen in samenhang met het gestelde onder c. Gelet op deze samenhang wordt hier kennelijk gedoeld op essentiële financiële informatie over de genoemde projecten.

In verband hiermee stelt het hof het volgende vast. Twee van de onder [project 8], eerste fase, genoemde investeerders in [project 8] ([betrokkene 21] en [betrokkene 18]) kwamen tot de conclusie dat zij, doordat hen onjuiste en/of onvolledige informatie was verstrekt, een kat in de zak hadden gekocht en eisten dat hun investering zou worden terugbetaald. Door beslag te leggen onder de door verdachte gedreven onderneming [bedrijf 3] wisten zij hem inderdaad tot terugbetaling te dwingen. Dit maakte het nodig om ten behoeve van [project 8] nieuwe investeerders aan te trekken. Opnieuw werd, volgens de al beschreven methode, de waarde van de in [project 8] ingebrachte of nog in te brengen projecten bepaald, zij het dat nu niet alleen voor [project 4], maar ook voor [project 6] en [project 5] een concrete waardebepaling achterwege bleef. Het is onduidelijk gebleven welke informatie de potentiële investeerders is verstrekt en op grond van welke informatie zij tot investering hebben besloten; wel is duidelijk geworden dat op zijn minst een aantal van hen in blind vertrouwen heeft gehandeld en geheel, of in elk geval in aanzienlijke mate, is afgegaan op de verzekering van verdachte dat het ging om een goed en kansrijk project. Had hij dan meer informatie moeten verstrekken? Die vraag kan, zonder te weten welke informatie daadwerkelijk is verstrekt, niet worden beantwoord; voor het hof is bovendien niet duidelijk of de investeerders ook bij een volledige informatiepositie niet tot investering waren overgegaan. Het vereiste causale verband tussen het gestelde achterhouden van essentiële informatie en de investeringsbeslissing kan daarom niet worden gelegd. Dit verband kan evenmin worden gelegd voor zover het gaat om de waardering van de eerder genoemde belangen; ook van deze waardering is onvoldoende vast komen te staan dat zij de potentiële beleggers al voordat zij tot belegging besloten is medegedeeld. De juistheid van deze waardering kan daarom in het midden blijven.

Er is, kortom, onvoldoende hard bewijsmateriaal beschikbaar om te kunnen aannemen dat sprake is geweest van een samenweefsel van verdichtselen en/of listige kunstgrepen, waardoor de in de tenlastelegging onder 2E met betrekking tot de tweede fase genoemde personen tot investering zouden zijn bewogen.

Met betrekking tot het onder e omschrevene overweegt het hof dat niet vaststaat dat dit niet juist zou zijn.

De onder f omschreven mededeling was, naar de verdachte terdege bekend was, volstrekt onwaar; de eerdere aandeelhouders hadden hem en zijn medeverdachten gedwongen om hun aandelen (al dan niet door tussenkomst van een of meer rechtspersonen) terug te kopen. Opnieuw moet hier worden vastgesteld dat een enkele leugen onvoldoende is om tot een veroordeling wegens oplichting te kunnen komen. De verdachte dient daarom van het onder 2E, tweede fase, ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 2F ten laste gelegde ([project 4])

Kort weergegeven is ten laste gelegd dat de verdachte en/of zijn mededaders in de periode van 1 februari 2000 tot en met 7 januari 2008 valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

a. hebben nagelaten aan potentiële beleggers te vermelden dat zij financiële belangen hadden in [project 4A], [project 4B] en/of [project 1];

b. hebben nagelaten aan hen te vermelden dat een bedrag van 250.000 pond sterling van het aankoopbedrag van de intellectuele eigendom van de [bedrijf 20] als commissie zou worden betaald aan [project 1];

c. aan hen een te rooskleurige voorstelling van zaken hebben gegeven met betrekking tot de risico’s die waren verbonden aan het verstrekken van geldleningen aan of het nemen van belangen in [project 4A], [project 4B] en/of [project 1];

d. aan hen hebben medegedeeld, althans bij hen de indruk hebben gewekt dat:

* er geen of nauwelijks risico's verbonden waren aan het kopen van een aandelenbelang in/ het verstrekken van een lening aan [project 4A] en/of [project 4B];

* [bedrijf 3] namens [project 4] een optie op de wereldrechten van het intellectuele eigendom van de [bedrijf 20] had verworven;

* [project 4A] en /of [project 4B] de begunstigde van de rechten op/ het eigendom van die optie was;

* dat het aankoopbedrag van die optie 750.000 pond sterling bedroeg;

* rond maart 2002 de producten van [project 4] gereed zouden zijn danwel op de wereldmarkt zouden worden gebracht;

* [project 4A]/ [project 4B] een minimale waarde zou hebben van ongeveer 100 miljoen pond sterling.

Tezamen zou dit een samenweefsel van verdichtsels opleveren.

Het onder a vermelde is naar het oordeel van het hof onvoldoende overtuigend komen vast te staan. Het onder b vermelde zal tezamen met het onder d, vierde *, vermelde worden besproken. Ten aanzien van het onder c en d, eerste *, gestelde concludeert het hof opnieuw dat weliswaar sprake is geweest van een te rooskleurige voorstelling van zaken, maar dat onvoldoende is komen vast te staan dat deze valselijk, listiglijk, bedrieglijk of in strijd met de waarheid werd gegeven, en niet het gevolg was van achteraf gezien ongerechtvaardigd optimisme. Dat in de brochure van maart 2002 onjuistheden stonden, leidt - anders dan door het openbaar ministerie voorgesteld - niet tot het oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat ‘een te rooskleurige voorstelling van zaken omtrent de risico’s’ is gegeven. Ten aanzien van het overigens onder d gestelde is komen vast te staan dat [bedrijf 3] inderdaad een dergelijke optie had verworven; niet aannemelijk is geworden dat het, toen daaromtrent mededelingen werden gedaan, niet de bedoeling was om deze optie te zijner tijd aan [project 4] over te dragen.

Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat voor de bedoelde optie een bedrag was overeengekomen van 500.000 pond sterling. Dit bedrag is nadien op suggestie van de verdachte verhoogd tot 750.000 pond sterling, om een of meer van de namens de kopers bij de transactie betrokken personen te kunnen bevoordelen. Het openbaar ministerie heeft hierin kennelijk geen afzonderlijk strafbaar feit gezien. Naar het oordeel van het hof was echter in ieder geval sprake van een gedraging met zodanige financiële consequenties voor (de toekomst van) [project 4], dat verdachte duidelijk moet zijn geweest dat zij aan potentiële beleggers en investeerders gemeld moest worden.

Het hof heeft niet kunnen vaststellen dat de mededeling omtrent de minimale waarde van [project 4] onjuist was.

De slotsom is dat slechts een enkele opzettelijke verzwijging met voldoende zekerheid is komen vast te staan. Van een samenweefsel van verdichtsels was daarom ook hier geen sprake, zodat de verdachte van het gehele onder 2F ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde (meineed)

Kort weergegeven is ten laste gelegd dat verdachte op 15 juni 2005 voor de rechtbank te Roermond, toen hij in een civiele procedure onder ede werd gehoord, opzettelijk in strijd met de waarheid heeft verklaard

a. dat hij een bepaalde optie-overeenkomst niet had opgesteld;

b. dat hij zich in materiële zin nooit bemoeid had met de hoogte van de optie-fee;

c. dat hij nooit heeft gevraagd om de optie-fee met EUR 250.000,- te verhogen;

d. dat de Hong Kong-vennootschap [project 1] hem onbekend was;

e. dat hij er niet van op de hoogte was dat [bedrijf 3] gevraagd had de optie-fee van 250.000 pond over te maken naar [project 1].

Evenmin als de rechtbank acht het hof het onder a gestelde wettig en overtuigend bewezen. Het hof acht echter ook het onder b en c gestelde niet bewezen; er is niet meer komen vast te staan dan dat hij een concept-brief heeft ontvangen waaruit een en ander bleek. Voor zover kan worden vastgesteld was van actieve bemoeienis, noch van een verzoek sprake.

Het hof acht echter wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk in strijd met de waarheid verklaarde dat de Hong Kong-vennootschap [project 1] hem onbekend was. Ook het onder e gestelde acht het hof wettig en overtuigend bewezen nu verdachte namens [bedrijf 3] in een door hem verzonden faxbericht om de overboeking heeft gevraagd. Zijn stelling, dat hij [project 1] weliswaar goed kende (hij was daar immers bestuurder van geweest), maar zich niet realiseerde over welke vennootschap werd gesproken, omdat hij - anders dan de rechter in de civiele procedure - [project 1] in het Engels placht uit te spreken, acht het hof ongeloofwaardig. Dat hij, zoals is komen vast te staan, in een gesprek met een Engelstalige ‘[project 1]’ inderdaad uitsprak als [project 1], doet daaraan niet af.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde (discounted loans)

Kort weergegeven is aan de verdachte ten laste gelegd dat hij en/of zijn mededaders in de periode van 1 januari 2003 tot en met 1 juni 2004 een gewoonte hebben gemaakt van het verwerven, voorhanden hebben, overdragen, omzetten of gebruikmaken van geldbedragen, terwijl zij wisten dat (een gedeelte van) die bedragen als belasting had moeten worden afgedragen.

Kort samengevat gaat het hier om het volgende.

Een discounted loan is een lening die een hogere nominale waarde heeft dan het bedrag dat de geldgever feitelijk verstrekt. Als degene die het geld heeft ontvangen weer solvabel is moet hij de nominale waarde terugbetalen. Een bedrijf in nood zal een fikse korting op de nominale waarde voor lief nemen in de hoop op betere tijden en de geldgever kan dan, zo dat gebeurt, een groot voordeel genieten. Strafbaar is het niet. Anders is het, wanneer het helemaal niet gaat om echte leningen, maar onder het mom van terugbetaling van discounted loans geld wordt witgewassen.

Het hof komt tot een bewezenverklaring. Daarbij heeft het hof ondermeer acht geslagen op de verklaringen van [medeverdachte 1] - ondermeer ter terechtzitting in hoger beroep - inhoudende dat hij niet betwist dat het niet om echte leningen ging, maar dat hij relaties heeft willen helpen om aan hen geld waarvan hij vermoedde dat het “niet gefiscaliseerd” was op een ogenschijnlijk correcte wijze in handen te spelen. Die relaties stortten “wit” geld op de rekening van [getuige 1] in Hong Kong, hun “niet gefiscaliseerde” geld werd ook daarnaar overgeboekt en vervolgens zouden zij het totaal, als ware het het nominale bedrag van een discounted loan, terugontvangen. De bij deze constructie behorende geschriften zijn opgemaakt door [medeverdachte 5] na en in overleg met medeverdachte [medeverdachte 1] en verdachte zelf. Van [getuige 1] is diens elektronische handtekening gebruikt.

De verbalisanten hebben [medeverdachte 1] tijdens een verhoor een email voorgehouden waarin [medeverdachte 1][bedrijf 1][verdachte] vraagt of het “opzetje voor de wissel” goed is. [medeverdachte 1] heeft hierop verklaard dat hij doelde op de briefwisseling tussen [bedrijf 3] en [getuige 1].

Het hof wijst in dit verband ook op de verklaring van [medeverdachte 5] met betrekking tot het tot stand komen van de witwas constructie en de betrokkenheid van verdachte daarbij. [medeverdachte 5] heeft verklaard dat [medeverdachte 1] en [verdachte] bedacht hebben hoe het zou moeten werken. [medeverdachte 1] heeft de brieven van [bedrijf 3] aan [getuige 1] en van [getuige 1] aan [bedrijf 3] met de hand geschreven. [medeverdachte 5] kreeg van [medeverdachte 1] de opdracht om deze uit te werken op een zodanige wijze dat het leek alsof ze enige tijd geleden geschreven waren. [medeverdachte 5] heeft de tekst ter controle aan [medeverdachte 1] en [verdachte] gestuurd. Het correspondentiedossier heeft [medeverdachte 5] met [verdachte], in het bijzijn van [medeverdachte 1], besproken. Op aanwijzing van [medeverdachte 1] en/of [verdachte] heeft [medeverdachte 5] de brieven met fictieve winst opgesteld.

Voorts heeft het hof acht geslagen op verklaringen van in de tenlastelegging genoemde personen wier geld het zou betreffen waaronder die van (I) [betrokkene 41], inhoudende dat [medeverdachte 1] wel een constructie wist waarmee [betrokkene 41] weer normaal over zijn geld, waarvan de belastingdienst niet wist dat hij het had, zou kunnen beschikken, en (II) die van [betrokkene 50], inhoudende dat [medeverdachte 1] zwart geld van zijn, [betrokkene 50], vader heeft beheerd en dat via het project Discounted Loans het zwarte geld zou worden witgewassen.

Ook heeft het hof acht geslagen op de verklaring van [betrokkene 42] inhoudende dat [medeverdachte 1] hem, [betrokkene 42], en zijn moeder had geadviseerd om een bankrekening in het buitenland te openen, daar geld op te storten en zo in Nederland minder belasting te betalen. Dat buitenlandse vermogen is nooit opgegeven aan de belastingdienst. Ook niet later, want [betrokkene 42] en zijn moeder durfden dat toen niet omdat [medeverdachte 1] aan hen had verteld dat er dan een gevangenisstraf dreigde. [medeverdachte 1] is vervolgens degene geweest die [betrokkene 42] en zijn moeder de constructie van de discounted loans aan de hand heeft gedaan. Het was een oplossing die [medeverdachte 1], naar zeggen van [betrokkene 42], had bedacht om te zorgen dat het geld weer naar Nederland kon komen en dan ogenschijnlijk legaal was. Dit om te voorkomen dat de belastingdienst er achter zou komen dat zij jarenlang buitenlandse tegoeden hadden gehad. Het geld waarvan [medeverdachte 1] in Brussel was beroofd, was het geld van de discounted loans.

Met betrekking tot de rol van verdachte overweegt het hof nog dat uit de bewijsmiddelen blijkt van een nauwe en bewuste samenwerking tussen - in ieder geval - [medeverdachte 1] en verdachte.

Het hof heeft daarbij acht geslagen op onder meer de verklaring van [medeverdachte 5]; [medeverdachte 1] beheerde ook zwart geld voor klanten. Hieruit ontstond het Discounted Loans verhaal. [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben dit samen bedacht. Ik weet dit omdat zij er mee kwamen ergens in 2004. [medeverdachte 1] en [verdachte] wilden zo zwart geld wit maken, met medeweten van de mensen van wie het geld was.

Voorts bevindt zich in het dossier een afschrift van een email van [medeverdachte 5] van 15 januari 2004. [medeverdachte 5] heeft over deze email verklaard, in antwoord op de vraag waarom hij in de mail aangeeft dat hij wacht op de goedkeuring van verdachte: “Zoals ik het altijd gezien heb was [getuige 1] een zetbaas van [verdachte]. Ik had destijds de toestemming, goedkeuring nodig van [verdachte] om de openstaande rekeningen in het kader van de Discounted Loans (…) te mogen betalen. Kennelijk was de toestemming van [medeverdachte 1] niet voldoende geweest anders had ik de toestemming van [verdachte] niet nodig gehad”.

Verdachte en zijn mededader hebben in de loop van de ten laste gelegde periode van zeven personen geld ontvangen om wit te wassen. Dit geld is, na te zijn omgeleid via Hong Kong, in één keer naar België overgebracht. Naar het oordeel van het hof kan onder deze omstandigheden niet worden gesproken van gewoontewitwassen, doch slechts van één, zij het gefaseerde, witwasoperatie.

Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde (faillissementsfraude)

Als feit 5 is verdachte ten laste gelegd dat hij in de periode van 25 januari 2006 tot en met 7 januari 2008 bedrieglijke bankbreuk zou hebben gepleegd in het kader van een of meer faillissementen. Er worden drie faillissementen genoemd: het faillissement van [bedrijf 3][bedrijf 2], van [bedrijf 1], beide uitgesproken op 25 januari 2006, en het faillissement van [medeverdachte 1] privé, uitgesproken op 5 april 2006.

Verdachte zou, al dan niet samen met [medeverdachte 1] en/of anderen, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van die [medeverdachte 1] en die ondernemingen baten niet hebben verantwoord en/of goederen aan de boedel hebben onttrokken, door geen melding te maken van het bezit c.q. de ontvangst van EUR 30.000,- in de maand maart van 2007.

Het hof acht bewezen dat verdachte dit feit samen met [getuige 6], [getuige 7], en [medeverdachte 1] heeft gepleegd.

Het hof baseert dat oordeel op het volgende.

Op 12 maart 2007 heeft [medeverdachte 1], aldus [getuige 6] in zijn verklaring bij de politie, in een telefoongesprek aan hem gevraagd of hij geld, afkomstig van wat dingen die [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) verkocht had, op de derdengeldrekening van [getuige 7] mocht laten storten en of hij dat geld dan kon krijgen. [getuige 6] ging daarmee akkoord. Op 19 maart 2007 werd in opdracht van [verdachte] van de rekening van zijn bedrijf [bedrijf 24] een bedrag van EUR 30.000,- min kosten gestort op de rekening van [getuige 7] onder de vermelding “cost of sales”. Dit geld is doorgeboekt naar de rekening van een zekere [persoon]. Op 23 maart 2007 is het geld contant afgehaald. [getuige 6] heeft verklaard dat

“[persoon]“ [medeverdachte 1] is. [getuige 6] heeft in een mailbericht aan de raadsman van [medeverdachte 1] weliswaar verklaard dat hij niet meer zeker is van zijn eerdere veronderstelling met betrekking tot de som van EUR 30.000,- welke [medeverdachte 1] zou hebben ontvangen via zijn derdengeldrekeing, maar het hof ziet daarin geen aanleiding om aan de juistheid van zijn eerdere verklaring te twijfelen. Het geld is door [medeverdachte 1] niet aan de curator gemeld.

[verdachte] ontkent goederen voor [medeverdachte 1] te hebben verkocht en denkt dat de boeking van het geld van [bedrijf 24] naar [getuige 7] verband hield met het [project 10] waarin [getuige 6] deelnam. Dit geuite vermoeden wordt echter niet door enig stuk of enige verklaring ondersteund, zodat het hof daaraan voorbij gaat.

Gelet op het feit dat [verdachte] wist dat [medeverdachte 1] failliet was verklaard en gelet op de hiervoor geschetste gang van zaken heeft [verdachte] naar het oordeel van het hof op zijn minst willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat [medeverdachte 1] het geld niet zou verantwoorden bij de curator en daarbij zo nauw met hem samengewerkt dat hij als mededader kan worden aangemerkt.

Ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde ([bedrijf 25])

Kort weergegeven is aan de verdachte ten laste gelegd dat hij en/of zijn mededaders in de periode van 29 juni 2004 tot en met 1 februari 2005 valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

a. bij de verzekeringsmaatschappij [bedrijf 25] hebben gemeld dat twee verzekerde directeuren van [bedrijf 3] waren beroofd en daarbij een beroep hebben gedaan op de aansprakelijkheidsverzekering van [bedrijf 3] bij die verzekeringsmaatschappij;

b. genoemde verzekeringsmaatschappij hebben meegedeeld dat die twee directeuren, te weten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] betrokken waren geweest bij een wisseltransactie in Brussel en dat zij na die wisseltransactie waren beroofd van 1.500.000 USD en dat die wisseltransactie was bedoeld om valutawinst te behalen voor cliënten van [bedrijf 3] en dat [medeverdachte 1] voornoemd al jaren dergelijke transacties deed;

c. aan genoemde verzekeringsmaatschappij valse correspondentie/valse documenten hebben verstrekt betreffende investeringen in China die vijf cliënten van [bedrijf 3] via een accountant in China zouden hebben gedaan;

d. aan genoemde verzekeringsmaatschappij vijf aansprakelijkheidsverklaringen van voormelde cliënten van [bedrijf 3] die investeringen in China hadden gedaan, hebben verstrekt;

e. een vals (kopie) bankafschrift van de [bank 1] en een (kopie) bankafschrift van de [bank 2], ter bevestiging van de contante opname in China van voormeld geclaimd geldbedrag, aan genoemde verzekeringsmaatschappij hebben verstrekt;

f. aan genoemde verzekeringsmaatschappij hebben meegedeeld dat voormeld geroofd geld volkomen “wit” geld betrof.

Hetgeen onder a, b en f is opgesomd zou een samenweefsel van verdichtselen opleveren. De overige opgesomde gedragingen zouden listige kunstgrepen zijn.

Hierdoor zou (zijn gepoogd) de verzekeringsmaatschappij [bedrijf 25] of [bedrijf 22] te bewegen tot afgifte van EUR 1.050.000,-.

Kort samengevat gaat het hier om het volgende.

[medeverdachte 1] heeft het geld opgehaald in Hong Kong dat op de derdengeldrekening van [getuige 1] was gestort in het kader van het witwassen via de zogenaamde discounted loans. Er werd nog geld van [getuige 8] van het kantoor [bedrijf 26] bij gevoegd (EUR 120.000,-) en [medeverdachte 1], [verdachte], [medeverdachte 5] en [getuige 8] vervoegden zich op 2 juni 2004 in Brussel in een hotel om dit geld, in totaal EUR 1.050.000, te wisselen voor dollars teneinde valutawinst te behalen. Na een ontmoeting met de wisselaar leverden [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] in een [bank 3] de euro’s in bij een persoon die - zo is gebleken - zich voordeed als bankmedewerker, ontvingen dollars in ruil, en werden vervolgens enkele straten verder van de dollars beroofd.

Verdachte heeft vervolgens voorgesteld om de schade te declareren bij de aansprakelijkheidsverzekeraar van [bedrijf 3], [bedrijf 25]. Er werden op aanwijzing van verdachte aansprakelijkheidsstellingen gevraagd aan de cliënten van [bedrijf 3], overige documentatie werd verzameld en er vond begin januari 2005 een bespreking plaats met een vertegenwoordiger van [bedrijf 25], waarbij [medeverdachte 1] en [verdachte] beiden aanwezig waren. Aan [bedrijf 25] is niet gemeld dat het om “niet-gefiscaliseerd” geld ging. Het is niet tot uitbetaling van de claim gekomen.

Hetgeen onder a en b, met uitzondering van de jarenlange wisseltransacties, is opgenomen is niet valselijk, listiglijk, bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid is en levert dus geen samenweefsel van verdichtselen of een listige kunstgreep op. Met betrekking tot de jarenlange wisseltransacties is onvoldoende bewijs voorhanden.

Ten aanzien van hetgeen onder d is opgenomen stelt het hof vast dat de daar bedoelde aansprakelijkheidsverklaringen - die gelijkluidend zijn - het volgende inhouden:

“Geachte heer [medeverdachte 1],

Refererend aan de gesprekken die wij hadden over de wisseltransactie in Brussel/België bij de [bank 4] waarin ik participeerde voor een bedrag groot

€ (…), deel ik U mede [bedrijf 3]/haar bestuurders aansprakelijk te houden voor het door mij verloren bedrag, te verhogen met de wettelijke rente vanaf de datum van de wisseltransactie, te weten 2 juni 2004.”

Het hof overweegt dat ten aanzien van de vraag of de eigenaren van het in Hong Kong opgehaalde geld wisten van de wisseltransactie, de verklaringen uiteen lopen. Voor de beoordeling van de vraag of hetgeen is tenlastegelegd ook bewezen kan worden is het evenwel niet relevant of de cliënten wisten dat een valutatransactie zou plaatsvinden. Immers, de aansprakelijkheidsverklaringen zoals ondertekend door de diverse cliënten, houdt niet in dat zij voorafgaand aan de transactie wisten dat die transactie zou plaatsvinden. Niet gezegd kan dus worden dat het overhandigen van de onder d bedoelde aansprakelijkheidsverklaringen listiglijk is geweest.

Hetgeen onder e is opgenomen, voor zover betrekking hebbend op een (kopie) bankafschrift van de [bank 2], is evenmin listiglijk en kan dus geen listige kunstgreep constitueren.

Het hof spreekt de verdachte van al deze onderdelen vrij.

Hetgeen resteert - het onder c, e voor het overige en onder f opgenomene - is naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend bewezen.

Verdachte heeft gesteld dat hij niet wist dat het bij de beroving om geld ging van gefingeerde discounted loans en dat hij in de veronderstelling verkeerde dat het om echte discounted loans ging. Het hof verwerpt dit verweer op grond van hetgeen hiervoor met betrekking tot de rol van verdachte in Discounted Loans is overwogen.

[medeverdachte 5] heeft in verband met het hier ten laste gelegde feit verklaard dat [medeverdachte 1] hem vertelde dat [verdachte] een oplossing had om het geld van de beroving te claimen op de beroepsaansprakelijkheidsverzekering van [bedrijf 3]. Op aangeven van [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] de stukken voor de verzekeringsmaatschappij [bedrijf 25] samengesteld. Aan [bedrijf 25] is nooit meegedeeld dat het om zwart geld ging, aldus [medeverdachte 5].

Aangever [getuige 9] (namens [bedrijf 25] of [bedrijf 22]) heeft verklaard dat hij in het verslag van de bespreking op 6 januari 2005 bij [getuige 10] assurantie te Rotterdam, heeft gelezen dat [medeverdachte 1] uitdrukkelijk heeft aangegeven dat het om volkomen "wit" geld ging.

Ten aanzien van het onder 7 ten laste gelegde (wapen)

Aan verdachte is onder 7 ten laste gelegd dat hij op 7 januari 2008 in zijn woning in [plaats] een pistool en munitie voorhanden heeft gehad.

Deze goederen zijn bij een doorzoeking aangetroffen, in beslag genomen en door de technische recherche onderzocht. Verdachte heeft erkend dat ze zijn eigendom waren.

Het hof acht op grond hiervan het ten laste gelegde bewezen.

Ten aanzien van het onder 8 ten laste gelegde ([project 10])

Kort weergegeven is onder 8A ten laste gelegd dat verdachte en zijn mededaders in de periode van 1 september 2007 tot en met 7 februari 2008 de potentiële beleggers in dit project, [getuige 1] en [betrokkene 47], valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

a. de potentiële beleggers in dit project, [getuige 1] en [betrokkene 47] hebben voorzien van onjuiste en onvolledige financiële informatie;

b. aan hen de financiële situatie van [project 10] rooskleuriger hebben voorgesteld dan zij was;

c. aan hen een onjuiste voorstelling van zaken hebben gegeven met betrekking tot het ontwikkelingsstadium van het project;

d. aan hen hebben meegedeeld dat door [project 10] met 7 landfills optie-overeenkomsten waren afgesloten en [project 10] met 4 landfills in een vergevorderd stadium van onderhandeling was;

e. aan hen hebben meegedeeld dat [project 10] de beschikking had, dan wel zeer binnenkort zou krijgen over CER’s, dat deze vrij verhandelbaar waren en een waarde zouden vertegenwoordigen die een veelvoud was van de aanschafprijs;

f. aan hen hebben meegedeeld dat [project 10] binnen een jaar inkomsten uit de CER’s zou hebben;

g. aan hen hebben meegedeeld dat [bedrijf 23] bereid zou zijn alle “rijpe” projecten te financieren;

h. aan hen hebben meegedeeld dat de beleggers aandelen in [project 10] zouden verwerven.

Het hof beschouwt de onder a en b respectievelijk onder c en d omschreven onwaarheden telkens als een en dezelfde onwaarheid.

Tezamen zouden deze mededelingen een samenweefsel van verdichtsels opleveren en de inleggers zouden daardoor bewogen zijn om geld te verstrekken.

De in de tenlastelegging bij naam genoemde personen hebben geïnvesteerd in [project 10]: [betrokkene 46] EUR 500.000,- in oktober 2007 en EUR 375.000,- in november 2007 en [betrokkene 47] in februari 2007 een geldbedrag.

Aangezien [betrokkene 47] ver voor de in de ten laste gelegde periode, te weten begin februari 2007 in het project heeft geïnvesteerd, kan in elk geval met betrekking tot zijn investering geen veroordeling volgen.

Gelet op de inhoud van de verklaringen, afgelegd door de getuigen [getuige 11] bij de rechter-commissaris en [getuige 12] bij de politie, alsmede gelet op de inhoud van de mailberichten, gewisseld in juli en augustus 2007 tussen [verdachte], [getuige 11] en [getuige 12], waaruit valt af te leiden dat geen optie-overeenkomsten waren gesloten, dat er zelfs nog geen aanvragen voor CER’s naar de Chinese overheid waren gegaan, terwijl de procedure voor het feitelijk verkrijgen ervan meer dan twee jaren duurt, en dat met [bedrijf 23] niet meer dan een consultancy agreement was gesloten, acht het hof de onder c, d, e, f en g omschreven gedragingen, de vrije verhandelbaarheid van CER’s daargelaten, bewezen. Daaruit vloeit voort dat ook de onder a en b opgenomen verwijten bewezen kunnen worden, nu de in de brochure van 1 oktober 2007 opgenomen en door [verdachte] aan de hand daarvan mondeling gegeven informatie aan [getuige 1] in oktober 2007 (mede) was gebaseerd op die onware mededelingen.

Het onder h opgenomen verwijt acht het hof niet bewezen, nu uit het dossier blijkt dat voorbereidende handelingen voor de overdacht van aandelen [project 10] aan [getuige 1] zijn verricht, zodat aannemelijk is dat het de bedoeling was dat hij aandelen zou verwerven.

Uit de verklaringen van [getuige 1], afgelegd tegenover de politie en de rechter-commissaris blijkt dat hij door het bewezenverklaarde samenweefsel van verdichtsels is bewogen tot de afgifte van EUR 500.000,- en vervolgens EUR 375.000,-.

Onder 8B is poging tot oplichting van [betrokkene 48] ten laste gelegd, waarbij dezelfde onder a tot en met h opgenomen voorstellingen van zaken /mededelingen hem hadden moeten bewegen tot investeren in [project 10]. Op dezelfde gronden als hiervoor genoemd en gelet op de verklaringen van [betrokkene 48] en [getuige 4] acht het hof bewezen dat getracht is om door een samenweefsel van verdichtsels [betrokkene 48] te bewegen tot afgifte van EUR 2.500.000,-.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:

2D.

in de periode van 1 januari 2004 tot en met 6 augustus 2004 in Nederland tezamen in vereniging met anderen, telkens met het oogmerk om zichzelf en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels,

[betrokkene 31] en [betrokkene 39] heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen, hebbende hij, verdachte, en zijn mededaders met vorenomschreven oogmerk -zakelijk weergegeven- valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid die beleggers/investeerders medegedeeld dat:

* een accountant ([medeverdachte 4]) als directeur van [bedrijf 12] was aangesteld en

* (mede door de aanstelling van die/een accountant het financiële management van en/of de financiële controle op [bedrijf 12] gegarandeerd was en

* de bestaande en nieuwe auteursrechten van [getuige 3] in bezit/eigendom waren van [bedrijf 12]

2E.

in de periode tussen 3 september 2003 en 1 juli 2005 in Nederland tezamen in vereniging met anderen, telkens met het oogmerk om zichzelf en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door een listige kunstgreep, [betrokkene 33] en [betrokkene 18] en [betrokkene 21] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van steeds EUR 250.000,-, hebbende hij, verdachte, en zijn mededader met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid de door hem, verdachte, en zijn medeverdachte in [project 8] in te brengen (aandelen)belangen in de onderneming [project 5] te hoog gewaardeerd.

3.

op 24 november 2005 te Roermond ter terechtzitting van de civiele rechter als getuige in de zaak tegen de verweerder [bedrijf 21]., nadat hij, verdachte, in handen van de civiele rechter op de bij de wet voorgeschreven wijze de belofte had afgelegd de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen, in een geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede/belofte vordert en/of daaraan rechtsgevolgen verbindt, mondeling, persoonlijk, opzettelijk in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - heeft verklaard

- dat de Hong Kong vennootschap [project 1] hem, verdachte, onbekend was;

- dat hij, verdachte, er niet van op de hoogte was dat [bedrijf 3] gevraagd heeft de optie-fee van 250.000 pond over te maken naar [project 1].

4.

in de periode van 1 januari 2003 tot en met 1 juni 2004, in Hong Kong en België, tezamen en in vereniging met anderen, telkens een geldbedrag, te weten

- van [betrokkene 18] dat gedeelte van ongeveer EUR 128.000,- dat als belasting had moeten worden afgedragen, en

- van [betrokkene 41] dat gedeelte van ongeveer EUR 84.650,- dat als belasting had moeten worden afgedragen, en

- van [betrokkene 42] dat gedeelte van ongeveer EUR 281.745,- dat als belasting had moeten worden afgedragen, en

- van [betrokkene 43] dat gedeelte van ongeveer EUR 115.605,- dat als belasting had moeten worden afgedragen, en

- van [betrokkene 44] dat gedeelte van ongeveer EUR 195.000,- dat als belasting had moeten worden afgedragen, en

- van [betrokkene 11] dat gedeelte van ongeveer EUR 17.500,- dat als belasting had moeten worden afgedragen,

voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededaders wisten dat bovenomschreven geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

5.

in de periode van 25 januari 2006 tot en met 7 januari 2008 in Nederland en/of in België en/of Hong Kong, tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] en een ander, terwijl die [medeverdachte 1], bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Arnhem van 5 april 2006, in staat van faillissement was verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van die [medeverdachte 1], een bate niet heeft verantwoord, immers hebben hij, verdachte, die [medeverdachte 1] en die ander een geldbedrag ontvangen zonder de curator daarvan in kennis te stellen, te weten in de maand maart 2007 een geldbedrag van ongeveer EUR 30.000,-.

6.

in de periode van 29 juni 2004 tot en met 1 februari 2005 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door hem, verdachte, en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, verzekeringsmaatschappij [bedrijf 25] of [bedrijf 22] te bewegen tot de afgifte van een geldbedrag van EUR 1.050.000,- (éénmiljoenvijftigduizend), tezamen en in vereniging met anderen, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven- valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid (ter onderbouwing van een (verzekerings)claim)

- aan genoemde verzekeringsmaatschappij valse correspondentie heeft verstrekt betreffende investeringen in China, die vijf cliënten van [bedrijf 3] via een accountant in China zouden hebben gedaan;

- een vals bankafschrift van de [bank 1] ter bevestiging van de contante opname in China van een deel van voormeld geclaimd geldbedrag heeft verstrekt aan genoemde verzekeringsmaatschappij;

- aan genoemde verzekeringsmaatschappij heeft medegedeeld dat het geroofde geld volkomen (zogeheten) 'wit' geld betrof,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

7.

op 7 januari 2008 te Braamt, gemeente Montferland, een wapen van categorie III, te weten een pistool merk FN (Fabrique Nationale d’armes de guerre Herstal), model 1910, kaliber 7.65 mm en munitie van categorie III, te weten 47 stuks kogelpatronen merk Geco, kaliber 7.65 mm en 16 kogelpatronen merk Winchester, kaliber .22, voorhanden heeft gehad.

8A.

in de periode van 1 september 2007 tot en met 7 januari 2008 in België telkens met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels een belegger, te weten [betrokkene 46] heeft bewogen tot afgifte van een geldbedrag hebbende hij, verdachte en zijn mededaders met vorenomschreven oogmerk- zakelijk weergegeven telkens bedrieglijk en in strijd met de waarheid:

- die belegger mondeling en schriftelijk voorzien van onjuiste financiële informatie;

- de financiële situatie van het aangeboden beleggingsproject [project 10] rooskleuriger voorgesteld dan deze in werkelijkheid was;

- een onjuiste voorstelling van zaken gegeven met betrekking tot het ontwikkelingsstadium van dat aangeboden beleggingsproject;

- meegedeeld dat:

- er door [bedrijf 27] ten behoeve van het genereren van biogas met 7 landfills(vuilnisbelten) optieovereenkomsten waren afgesloten en dat men met 4 landfills in een vergevorderd stadium van onderhandeling was;

- [bedrijf 27] de beschikking zou hebben dan wel zeer binnenkort zou krijgen over zogenaamde CER’s (Certified Emission Reductions);

- er in de vorm van CER’s door [bedrijf 27] binnen een jaar inkomsten gegenereerd zouden worden;

- [bedrijf 23] uit Duitsland zich bereid zou hebben verklaard om alle gematureerde projecten te financieren tot een bedrag van EUR 40 (hetgeen zou duiden op een totale investering van 80) miljoen euro,

waardoor die belegger werd bewogen tot bovenomschreven afgifte,

8B.

in de periode van 1 september 2007 tot en met 7 januari 2008 in Nederland en België en Hong Kong en China ter uitvoering van het door hem, verdachte, en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door een samenweefsel van verdichtsels [betrokkene 48] te bewegen tot afgifte van een geldbedrag van EUR 2.500.000,-, tezamen en in vereniging met anderen, met vorenomschreven oogmerk, zakelijk weergegeven, bedrieglijk en in strijd met de waarheid:

- die [betrokkene 48] mondeling en schriftelijk voorzien van onjuiste financiële informatie;

- de financiële situatie van het aangeboden beleggingsproject [project 10] rooskleuriger voorgesteld dan deze in werkelijkheid was;

- een onjuiste voorstelling van zaken gegeven met betrekking tot het ontwikkelingsstadium van dat aangeboden beleggingsproject;

- medegedeeld dat:

- er door [bedrijf 27] ten behoeve van het genereren van biogas met 7 zogenaamde landfills(vuilnisbelten) optieovereenkomsten waren afgesloten en dat men met 4 landfills in een vergevorderd stadium van onderhandelingen was;

- [bedrijf 27] de beschikking zou hebben dan wel zeer binnenkort zou krijgen over zogenaamde CER’s (Certified Emission Reductions);

- er in de vorm van CER’s door [bedrijf 27] binnen een jaar inkomsten gegenereerd zouden worden;

- [bedrijf 23] in Duitsland zich bereid zou hebben verklaard om alle gematureerde projecten te financieren tot een maximum van EUR 40 (hetgeen zou duiden op een totale investering van ongeveer 80) miljoen euro,

terwijl de uitvoering van dat door hem voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde onder 2D is voorzien bij strafbaar gesteld bij artikel 326, eerste lid, juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde onder 2E is voorzien bij strafbaar gesteld bij artikel 326, eerste lid, juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde onder 3 is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 207, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde onder 4 is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 420bis, juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde onder 5 is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 341, aanhef en onder a, sub 1º, juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde onder 6 is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 326, eerste lid, juncto artikel 45 en artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde onder 7 is:

wat betreft het vuurwapen van categorie III voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie juncto artikel 55, derde lid, sub a, van dezelfde wet

en

wat betreft de munitie voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie juncto artikel 55, eerste lid van die wet.

Het bewezen verklaarde onder 8A is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 326, eerste lid, juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde onder 8B is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 326, eerste lid, juncto artikel 45 en artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Door de verdediging is met betrekking tot feit 6, de poging tot oplichting van [bedrijf 25], betoogd dat verdachte moet worden ontslagen van rechtsvervolging met betrekking tot de eerste drie, (het hof begrijpt, gelet op de onderbouwing van dit verweer, de eerste vier) oplichtingsmiddelen die in de tenlastelegging zijn opgenomen. In de hiervoor door het hof gegeven samenvatting zijn dit de onderdelen a tot en met d.

Een ontslag van alle rechtsvervolging is aan de orde indien hetgeen bewezen is verklaard geen strafbaar feit oplevert. Die situatie doet zich te dezen niet voor. Het hof verwerpt derhalve het verweer.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Met betrekking tot de op te leggen straf overweegt het hof het volgende.

Verdachte heeft zich samen met onder meer zijn [medeverdachte 1], directeur van het vermogensbeheerbedrijf [bedrijf 3], gemengd in het oprichten, besturen en/of financieel deelnemen in ondernemingen die werden aangeprezen aan potentiële beleggers. Daarbij presenteerde hij zich als advocaat van [bedrijf 3] en maakt de investeerders niet duidelijk wat zijn andere belangen bij de ondernemingen waren. Hij heeft bovendien doelbewust onjuiste informatie verschaft aan die investeerders teneinde hen te bewegen grote investeringen in die ondernemingen te doen, waaruit - dikwijls riante - vergoedingen aan hem betaald werden.

Het hof heeft verdachte schuldig bevonden aan het meermalen oplichten van investeerders, aan het plegen van meineed in een procedure die voortvloeide uit een van de echecs waarin een aantal van die projecten eindigde, aan het witwassen van grote bedragen en aan een poging tot oplichting van een verzekeringsmaatschappij toen de witgewassen bedragen geroofd werden. Voorts heeft verdachte bedrieglijke bankbreuk gepleegd in het faillissement van [medeverdachte 1] en heeft hij zich schuldig gemaakt aan verboden wapenbezit.

Dat is een reeks van misdrijven die een aanzienlijke gevangenisstraf op zijn plaats doet zijn. Bovendien speelt de omstandigheid dat verdachte advocaat was en hij door zijn handelen het vertrouwen in de beroepsgroep heeft beschaamd, in strafverzwarende zin, een rol.

Bij de bepaling van de straf heeft het hof gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en voorts op de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof gelet op de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 20 maart 2012, waaruit blijkt dat hij niet eerder door de strafrechter is veroordeeld en op de overige persoonlijke omstandigheden, zoals deze bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren zijn gekomen.

Het hof heeft wat betreft de op te leggen strafsoort en hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk door dit gerechtshof in gevallen vergelijkbaar met de onderhavige worden opgelegd.

Aan de hand daarvan en alle omstandigheden in aanmerking nemend kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een gevangenisstraf van hierna te melden duur. Het hof ziet aanleiding een deel daarvan voorwaardelijk op te leggen.

Met oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Aangezien het hof komt tot minder bewezen verklaarde feiten dan waarvan de rechtbank bij de op te leggen straf is uit gegaan, komt het hof tot een lagere straf dan door de rechtbank in eerste aanleg is opgelegd.

Vorderingen van de benadeelde partijen

De benadeelde partijen [betrokkene 52], [betrokkene 53] en [betrokkene 51] namens [bedrijf 13], [betrokkene 2], [betrokkene 23], [betrokkene 34], [betrokkene 25] en [betrokkene 26] en/of [betrokkene 26] [bedrijf 3] hebben zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met vorderingen tot schadevergoeding.

De benadeelde partijen [betrokkene 52], [betrokkene 53] en [betrokkene 51] namens [bedrijf 13] zijn bij vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk in hun vordering verklaard.

De vorderingen van de benadeelde partijen [betrokkene 2], [betrokkene 23], [betrokkene 34], [betrokkene 25] en [betrokkene 26] en/of [betrokkene 26] zijn bij vonnis waarvan beroep geheel of gedeeltelijk toegewezen.

Alle benadeelde partijen hebben zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor de bedragen van hun oorspronkelijke vorderingen.

Nu aan verdachte terzake van de feiten, waarop de vorderingen van [betrokkene 52], [betrokkene 53] en [betrokkene 51] namens [bedrijf 13], [betrokkene 2], [betrokkene 23] en [betrokkene 25] betrekking hebben, geen straf of maatregel wordt opgelegd en evenmin toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, kunnen voornoemde benadeelde partijen in hun vorderingen niet worden ontvangen.

De benadeelde partij [betrokkene 26] en/of [betrokkene 26] zal eveneens niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. Deels ziet die vordering op schade, die het gevolg zou zijn geweest van feiten waarvoor aan verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd en evenmin toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en voor het overige zou, ook als die schade het rechtstreeks gevolg zou zijn van ten laste van verdachte bewezenverklaard handelen, de behandeling van die vordering een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren, aangezien er vragen rijzen over de mogelijke eigen schuld van de benadeelde, waaromtrent niet op eenvoudige wijze duidelijkheid kan worden verkregen.

De behandeling van de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 34] zou, als haar schade het gevolg zou zijn van ten laste van verdachte bewezen verklaard handelen, eveneens om die reden een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 47, 57, 207, 326, 341, 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart, zoals hiervoor is overwogen, niet bewezen dat verdachte het onder 1, 2A, 2B, 2C, en 2F ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2D, 2E, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

feit 2D:

Medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd.

feit 2E:

Medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd.

feit 3:

In een geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert of daaraan rechtsgevolgen verbindt, mondeling, persoonlijk opzettelijk een valse verklaring onder ede afleggen.

feit 4:

Medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd.

feit 5:

Medeplegen van bedrieglijke bankbreuk.

feit 6:

Medeplegen van poging tot oplichting.

feit 7:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

feit 8A:

Medeplegen van oplichting.

feit 8B:

Medeplegen van poging tot oplichting.

Verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaar.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 9 (negen) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Verklaart de benadeelde partijen [betrokkene 53], [betrokkene 52], [betrokkene 51] namens [bedrijf 13], [betrokkene 23], [betrokkene 34], [betrokkene 2], [betrokkene 25], [betrokkene 26] en/of [betrokkene 26], in hun vorderingen tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Verwijst de benadeelde partijen in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door:

mr. J. Huurman-van Asten, voorzitter,

mr. E.S.G.N.A.I. van de Griend en mr. J.M. Reijntjes, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.C.H. van der Heijden, griffier,

en op 7 augustus 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. E.S.G.N.A.I. van de Griend is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.